woensdag 12 november 2008

Het grote perspectief van de kleine dingen

Als het om Gods voorzienigheid gaat, lijkt het soms moeilijk om het wetenschappelijke, het theologische en het alledaagse perspectief met elkaar te verenigen.

Denken in oorzaken en gevolgen is een belangrijk onderdeel van de menselijke rede. We kunnen een pijl van een oorzaak naar een gevolg tekenen. Een belangrijk concept om die relatie te begrijpen is ons concept voor kracht.
Door de natuurwetenschap weten we steeds meer van de natuur. Donder? Dat komt door een elektrische ontlading van statisch geladen wolken. Een orkaan? Dat komt door hoge- en lagedrukgebieden. Ziekte? Dat komt door virussen of bacteriën. Erfelijke aandoeningen? Zonsverduisteringen? Geboorte?
Zo schrijven we de krachten ook toe. Dat een steen valt komt door de zwaartekracht. Dat een vrachtwagen versnelt door de kracht van een verbrandingsmotor. Als men het denken in oorzaken en gevolgen consequent doorvoert, resulteert dat in een visie op de schepping als een zelfstandig systeem van wetmatigheden.
Met zo’n perspectief valt het woord `alomtegenwoordige kracht Gods’ niet op z’n plek.

We hebben het dan over het heersende natuurwetenschappelijk beeld van de wereld, een van natuurwetten en determinisme: alles is een optelsom van het vorige, met hoogstens een bovennatuurlijk ingrijpen. Let wel dat dit beeld nog goed verenigbaar is met een almachtige voorzienigheid Gods: elke samenloop van omstandigheden is door God bepaald, en wonderen van God kunnen de loop van de gebeurtenissen veranderen.

Maar als we de Bijbel lezen, komen we erachter dat die een veel rijkere beschrijving geeft van Gods schepping. Zie de laatste gedeelten van het Bijbelboek Job en Psalm 104:

Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien? Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs! Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen? Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen. (Job 38: 22-27)


Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd. Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks. De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken. (Psalm 104: 27-31)

Hier staat voorop dat alles wat in de schepping gebeurt, Gods hand is. Daarbij is natuurwetenschap meer een bijkomstigheid, het is minder belangrijk voor hoe we de wereld zien. De voorzienigheid is een metafysica: een "eerste filosofie".

Het is God die het gewas laat groeien, het laat regenen en de storm opwekt. Als we een geneesmiddel ontdekken, is het God die als Schepper dat middel heeft gemaakt om genezing te geven, God die geneest. Het is God die de warmte aan het vuur heeft vastgemaakt, die de sterren hun licht gegeven heeft, die de aarde door zwaartekracht samenvoegt.

Ook als we het over het eenvoudigste hebben, de simpelste interactie met de schepping, of het kleinste, de interactie van atomen, blijft het wonder van de schepping. Dat is het grote perspectief van de kleine dingen: dat alles, hoe dan ook, bestaat zoals het is: door de almachtige Schepper, Zijn alomtegenwoordige kracht, Gods hand in het kleinste wat er gebeurt.

De schepping is dus niet alleen wonderlijk gemaakt, zij is ook wonderlijk. Wij kunnen onze hand nog niet bewegen als God het niet maakt. Echt: het perspectief is heus niet zo theoretisch, het is uiterst praktisch.

1 opmerking:

Aris zei

Voetnoot bij wat ik zei over voorzienigheid als 'metafysica':

De term metafysica is oorspronkelijk afkomstig van Andronicus van Rhodos, de eerste uitgever van de persoonlijke geschriften van Aristoteles die de verhandelingen die in zijn uitgave volgden op diens Fysica Ta meta ta Fysica noemde, waarmee hij slechts aangaf dat de boekrollen “op de boekenplank” volgden “na de Fysica”. Deze werken gaven hun naam aan de erin behandelde vraagstukken, die later dus als typisch “metafysisch” werden gezien. Aristoteles zelf gebruikte de term metafysica niet, maar spreekt over ‘eerste filosofie’. De ‘eerste filosofie’ gaat vooraf aan alle andere wetenschappen en poogt een inzicht te verkrijgen in de eerste oorzaken van al wat is. (Bron: Wikipedia.)