woensdag 28 december 2016

Psalm 8 - Mensenrechten

Psalm 8 gaat over de natuur, de mens en zijn positie daarin: zijn macht en verantwoordelijkheid over de natuur. "Wat is de mens, dat U aan hem denkt?" is de vraag die gesteld wordt.

Tja, waar hebben we eigenlijk recht op? In relatie tot God de Schepper en tot hoe groots de natuur is (de hemel en de sterren) zijn we maar klein. Toch hebben we een grote verantwoordelijkheid.

Naar aanleiding hiervan, en ook de andere dingen die de psalm noemt, leek het me goed om het eens te vergelijken met de moderne visie op politiek. Die begint vooral bij mensenrechten. Een filosoof die daarvoor een basis heeft gelegd is Rousseau (1712-1778), de vader van de Franse Revolutie. In zijn boek 'Du Contrat Social ou principes du droit politique' zet hij uiteen wat volgens hem de juiste staatsvorm is. Hij doet de ideeën van Thomas Hobbes (1588-1679), die in zijn 'Leviathan' de pessimistische visie schreef dat de staat een monster is dat mensen in het leven roepen om zich tegen elkaar te beschermen, en van Hugo de Groot (1583-1645), die stelde dat mensen hun natuurlijke rechten en vrijheid overgeven aan de staat om hem te beschermen, als ouderwets en te kruiperig af.

Je natuurlijke rechten sta je niet zomaar af, stelt Rousseau. Jezelf opgeven is ongehoord. Dat we een samenleving hebben gaat juist om het behoud van je vrijheid. De samenleving bestaat erin dat men moet samenwerken als mensen om obstakels voor onze natuurlijke vrijheid uit de weg te ruimen. "Mensen worden vrij geboren, maar overal zijn ze in boeien", schrijft hij (boek I, 1). De gewenste samenleving bestaat dus in een 'sociaal contract': het opgeven van mijn rechten en vrijheid zodat mijn rechten en vrijheid worden gewaarborgd. Dit 'sociaal contract' vind je ook nu terug in de vorm van de grondwet.

Een aantal dingen valt daarbij op te merken. Het eerste is dat Rousseau eigenlijk begint met de aanname dat we als mensen collectief met geweld onze rechten en vrijheid moeten verdedigen. Voor een christen is deze aanname niet vanzelfsprekend. Jezus handhaafde zijn rechten niet met geweld, al had Hij als Zoon van God de macht.

Het tweede wat op te merken valt is dat Rousseau stelt dat het 'sociaal contract' alleen werkt als je alle rechten opgeeft (boek I, 6). Als je dat namelijk niet doet, houd je altijd dat mensen uiteindelijk hun eigen rechter in alles spelen omdat ze hun eigen rechten nog meerekenen. Het is de vraag of er iemand is die dat wil. Tegenwoordig is er een tussenoplossing gevonden die 'scheiding tussen publiek- en privédomein' heet, maar is dat een probleemloze scheiding? Zou een christen ooit zijn geloofsprincipes kunnen onderwerpen aan de staat voor bescherming van vrijheid van godsdienst?

Een derde punt wat opvalt is dat Rousseau een heel rechtvaardige regering voorstelt die niet werkt volgens het principe van de helft plus één maar eerder volgens het principe van algemene stemmen. Hij noemt dit de 'algemene wil' (volonté générale) (boek II, 1). Die wil is niets anders dan datgene waarover alle mensen overeenstemmen in dat ze het willen. Rousseau geeft een aantal voorbeelden: vrijheid en het recht van het eerste bezit, als we tenminste niet meer bezitten dan we nodig hebben en het ook echt gebruiken. Het valt op dat deze rechten allen vanuit een individu zijn geredeneerd. Het individu wil vrijheid voor zichzelf, dus heeft een ander er ook recht op. Dat leidt tot een bepaalde invulling van de samenvatting die Jezus gaf van Gods wet: "Heb uw naaste lief als uzelf". Echter, dan niet zozeer gebaseerd op liefde voor de naaste (waarschijnlijk acht Rousseau dat te hoog gegrepen) maar gebaseerd op het sociale contract met de naaste. De 'algemene wil' lijkt op wat resulteert als we John Rawls' (1921-2002) 'veil of ignorance' toepassen, dat wil zeggen ons indenken wat we zouden willen als we niet zouden weten in welk lichaam we terecht zouden komen. Maar ook met het instrument van de 'veil of ignorance' kunnen we niet alle problemen van de 'algemene wil' oplossen. We lossen ermee op dat we verder kijken dan onze eigen situatie. Echter, we moeten ook, zoals Rousseau zegt, objecten zien zoals ze zijn en soms zelfs zoals ze horen te zijn, naar andere tijden en plaatsen kijken, kunnen afwegen tussen zichtbare en nabije voordelen en veraf en verborgen nadelen (boek II, 6)... Kortom, zegt Rousseau spottend, het vereist goden om mensen wetten te geven (boek II, 7)! Rousseau gelooft echter niet in een God die zijn wil bekend maakt. Hij stelt dat mensen in de geschiedenis de naam van goden gebruikten om hun wetten meer gezag te geven zodat ook iedereen die wilde gehoorzamen, en noemt daarbij ook de 'Joodse wet'.

Hetzelfde probleem zien we vandaag de dag. Een deel van de mensenrechten kan iedereen het over eens zijn. Echter, we zien steeds meer dat mensenrechten een heel rekkelijk begrip is, waar ook ideeën aan toegevoegd kunnen worden waar niet iedereen principieel achter staat. Een christen zal bijvoorbeeld het homohuwelijk nooit als hetzelfde zien als het huwelijk tussen man en vrouw. Ook zou een christen rechten toe willen voegen aan de mensenrechten waar niet iedereen achter staat, bijvoorbeeld bescherming van het ongeboren leven ook vóór de 20 weken, bescherming van ouderen, bescherming van het huwelijk.

Wat opvalt als we Rousseau verder lezen, is dat hij een vrij simplistisch mensbeeld heeft. Voor hem is komt de mens naakt, primitief, individualistisch en zonder moreel besef te wereld. Hij heeft geen andere wensen dan vrij te zijn en zijn instincten na te volgen. De radertjes van rede, plichtsbesef, rechtvaardigheid beginnen volgens Rousseau pas te draaien bij het vormen van een sociaal contract met de samenleving! En voorzover de mens niet bedrogen wordt, heeft hij een goede wil.

Rousseau beschouwt de komst van Jezus als een keerpunt in de geschiedenis, maar dan niet ten goede. Zijn optimistische mensvisie maakt dat hij alle koninkrijken van de aarde vóór de komst van Jezus als enigszins respectvol jegens elkaar en elkaars goden beschouwt, en Jezus en het christendom als totaal ontwrichtend in deze harmonieuze verhoudingen (boek IV, 8). Blijkbaar was er duurzame wereldvrede voordat Jezus kwam en hebben de christenen oorlog gebracht!? Het is nogal duidelijk dat dit beeld niet op realiteit maar op de atheïstische voorkeur van Rousseau berust, hoewel in naam van God veel onrecht is gebeurd.

Hoe verhoudt dit zich tot psalm 8? In psalm 8 lezen we allereerst dat Gods Naam groot is op aarde, en dat Hij mensen daar zo'n hoge positie in heeft gegeven. Het probleem van misbruik van die macht begint dus met het niet respecteren van God en de natuur die God gemaakt heeft. Mensenrechten erkennen kan dat maar gedeeltelijk proberen te herstellen. Wat mij betreft komen er ook dierenrechten en natuurrechten bij! Maar zelfs dan is het niet compleet, want wat God gebiedt is niet alleen respect, maar ook liefde. Jezus vatte Gods wil samen met God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.

Doordat Rousseau de eer van God op deze aarde niet erkent, zijn er meerdere zwakke punten in zijn ideologie. Deze punten zijn hierboven al genoemd. Het eerste is dat het uitgangspunt verdediging van rechten met geweld is, iets wat Jezus niet deed. Het tweede is dat het heel veel wijsheid vereist om een rechtvaardige wet te geven, en dat het weer veel moeite kost om dit aan de mensen uit te leggen, iets wat ik bijna een 'terug bij af'-situatie zou noemen. Het derde is dat Rousseau uitgaat van een vrij simplistisch mensbeeld heeft.

In de profetie van Daniël wordt de staatsvorm van democratie afgebeeld als de lemen voeten van het grote beeld, met ijzer vermengd. Dat wijst op het vermengen van macht met de menselijke factor. "Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem" (Daniël 2, 43). Voor een christen is het eerder van belang om door deze tijdelijke staatsvorm heen uit te kijken naar het komende Koninkrijk van God, wat als de steen in de profetie van Daniël het grote beeld zal vermorzelen en de aarde zal vervullen. Uiteindelijk is geen enkel menselijk koninkrijk blijvend en perfect, hoeveel rechtvaardigheid er ook bereikt kan worden met mensenrechten. Echte hoop biedt alleen het Evangelie, waarvan kan worden gezegd:
"Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U een sterk fundament gelegd" (Psalm 8, 3).

zondag 18 december 2016

Psalmen - 8

Psalm 8:
1 Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De Gittith’.
2 HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
3 Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen
hebt U een sterk fundament gelegd, omwille van Uw tegenstanders,
om de vijand en wraakzuchtige te laten ophouden.
4 Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt,
5 wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt,
en het mensenkind, dat U naar hem omziet?
6 Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
7 U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
8 schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
9 de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.
10 HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!

Bevreemdend:
De uitdrukking dat de hemel "het werk van Gods vingers" is (vers 4) moeten we natuurlijk niet letterlijk opvatten. David spreekt over God als groot kunstenaar en 'Intelligent Designer', die de hemel en de aarde heeft uitgetekend.

In deze psalm worden de engelen heel expliciet genoemd (vers 6). Uit de beschrijving van de schepping in Genesis kunnen we niet lezen hoe en wanneer God engelen schiep. Uit deze psalm lezen we dat de mens bijna zo eervol is als de engelen van God, die Hem dienen.

God "toont zijn majesteit boven de hemel" (vers 2). Voor wat dit betekent zie mijn eerdere blog 'Waar is de hemel?'. Spreken over dat God in de hemel is betekent dat God boven deze aarde verheven is en erover regeert. Maar tegelijk is God ook heel dichtbij en omringt Hij ons.

Herkenbaar:
David verwondert zich over de eer en verantwoordelijkheid die ons als mensen is gegeven. We hebben zoveel macht. We kunnen zoveel kapotmaken. Toch blijft de heerlijkheid van God zich op aarde tonen.

Kinderen en baby's vertellen zelfs Gods eer. Herkenbaar is dat inderdaad, dat een kind of baby ons met verwondering vervult. Toch is het voor ons in Nederland confronterend om dit te moeten lezen, gezien de tientallen abortussen per dag. We weten wel dat deze kindjes prachtig zijn, maar duwen dat gevoel weg. Als je bedenkt dat veel abortussen niet uit noodsituatie ontstaan maar door economische of sociale redenen, kun je het niet anders zien dan een misdaad tegen de kindjes en de Schepper.

Profetisch:
De apostel Paulus blaast deze woorden nieuw leven in door te spreken over de heerlijkheid van de gemeente van Christus (brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 2). Hij vult namelijk voor "HEERE" in "Jezus"! Hij spreekt erover dat de gemeente van Christus in die begintijd zoveel tekenen en wonderen zijn gegeven dat daaruit Gods heerlijkheid blijkt. Deze gemeente zal ook alle dingen uiteindelijk worden onderworpen (vgl. vers 7). Hij zegt ook dat dit nu nog niet zichtbaar is: Jezus is mens geworden (dus minder dan de engelen), en vernederd en gedood om ons te verlossen. Maar uiteindelijk zal Jezus door zijn lijden en dood veel kinderen tot heerlijkheid (vgl. vers 3) brengen.

Dat lijkt me een mooie boodschap om met Kerst mee te geven, wanneer we eraan terugdenken dat Jezus, Gods Zoon, op aarde is geboren. Alvast gezegende kerstdagen toegewenst!

maandag 28 november 2016

Interview met Leibniz

De Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz schrijft in zijn Théodicée (of voluit Essais de Théodicée sur la bonté de dieu, la liberte de l'homme et l'origine du mal, 'Theodicische essays over de goedheid van God, de vrijheid van de mens en de oorsprong van het kwaad') over dit onderwerp. 'Théodicée' betekent 'rechtvaardiging van God', dat wil zeggen dat het uitlegt dat God rechtvaardig en niet onrechtvaardig is in het besturen van de wereld. Door middel van een deterministische tijdmachine waren we in gelegenheid om Leibniz nog wat vragen te stellen over zijn werk.

Interviewer: Hoe kunt u nu zeggen dat God rechtvaardig is, als er lijden op deze wereld is?
Leibniz: Het lijden is inderdaad onderdeel van deze wereld. God kan het kwaad echter gebruiken om iets beters terecht te brengen. Het is voor ons met onze beperkte kennis niet altijd te doorzien wat God ermee beoogt, maar we weten dat Gods wil deze wereld tot stand heeft gebracht en dat God goed is. Bovendien kon Gods verstand voordat hij de wereld schiep alle mogelijkheden en hun gevolgen overzien, en weten we dat God het beste wil. Daarom is deze wereld de beste van alle mogelijke werelden.

Interviewer: Was er dan geen wereld zonder lijden mogelijk?
Leibniz: Het kwaad is inderdaad een noodzakelijke tekortkoming van een creatie als de onze. Deze noodzaak komt niet voort uit Gods wil maar uit het rijk van de eeuwige waarheden (net als wiskundige zekerheden). Een creatie als de onze is beperkt in dat het niet alles kan weten, dat het zichzelf kan bedriegen en dat het andere fouten kan maken. Daaruit ontstaat dus het kwaad en het lijden.

Interviewer: Waarom heeft God dan een wereld gemaakt, als deze noodzakelijk kwaad moet bevatten? Had God dan niet beter niets kunnen maken?
Leibniz: Het toelaten van kwaad heeft ervoor gezorgd dat er groter goed is voortgebracht. Zonder dat kwaad was de wereld minder goed geweest. Ik kan dat niet in detail aantonen, maar van de mogelijkheid dat een kwaad een groter goed voortbrengt zijn meerdere voorbeelden te noemen. Net zoals twee koude stoffen samengevoegd een groot vuur kunnen produceren. Het bestaan van kwaad zorgt er bijvoorbeeld voor dat we beter realiseren wat goed is.

Interviewer: Ik snap het niet. Zou God ons niet zo hebben kunnen maken dat we dat zonder kwaad zouden kunnen inzien?
Leibniz: Nee, dat is een noodzakelijke tekortkoming van een creatie als de onze.

Interviewer: Dat had u al gezegd. Kunt u ook een ander voorbeeld noemen van kwaad wat een groter goed voortbrengt?
Leibniz: Ik heb er enkele in de Théodicée genoemd, maar als u die niet overtuigend vindt kunt u ze vast zelf bedenken. En als u ze niet kunt bedenken komt dat vast omdat u zo gewend bent aan deze wereld, dat het onmogelijk is die consequent anders te denken.

Interviewer: Als God deze hele wereld en zijn gevolgen heeft overzien, gelooft u zeker in determinisme? Er bestaat dus geen vrije wil? Als er een vrije wil bestond zou God namelijk de toekomst niet bekend kunnen zijn, toch?
Leibniz: Hoewel God voor deze wereld heeft gekozen, is de geschiedenis van deze wereld die God van tevoren kon inzien niet deterministisch maar contingent. Contingent wil zeggen dat een bepaalde gebeurtenis niet noodzakelijk is, maar dat in andere omstandigheden er iets anders kan gebeuren. Omdat de geschiedenis van deze wereld contingent is, kunnen we nog steeds zeggen dat we een vrije wil hebben, ook al heeft God deze wereld gemaakt en kon hij voorzien hoe deze zou aflopen. Deze vrije wil wil zeggen dat in andere omstandigheden (in een andere mogelijke wereld) dezelfde persoon uit vrije wil voor iets anders had gekozen. Echter, in déze wereld is de uitkomst van de wil voorspelbaar en daardoor van tevoren te kennen.

Interviewer: Volgens mij klopt deze redenering niet. Als ik nu eens besluit u een andere vraag te stellen dan ik eerst van plan was? Dan kan God dat toch niet voorzien? Bijvoorbeeld hoe oud bent u?
Leibniz: Ik ben nu 64 jaar oud. Uw redenering klopt niet. Elke vrije daad die u doet, heeft namelijk een reden. Als uw vrije daad namelijk geen reden zou hebben, zou u wel spontaniteit hebben maar geen keuzevrijheid, twee eigenschappen die volgens Aristoteles al onderdeel zijn van vrijheid. U stelde deze vraag met als reden mijn vorige antwoord.

Interviewer: Lust u hagelslag? Deze had u niet zien aankomen.
Leibniz: Nee. Ik had deze vraag inderdaad niet zien aankomen, maar God wel.

Interviewer: Wacht even. Mijn vorige vraag was totaal redeloos, dus blijkbaar werkt die keuzevrijheid die Aristoteles noemt niet altijd? Dan vind ik uw argument namelijk niet opgaan.
Leibniz: Soms laat uw wil zich leiden door niet-redelijke zaken blijkbaar zoals uw gevoelens.

Interviewer: Dus eigenlijk bent u in hart en nieren determinist, omdat u zegt dat onze keuzes volledig bepaald zijn door wat er van tevoren gebeurt, maar tegelijk houdt u vol dat we een vrije wil hebben.
Leibniz: Inderdaad is determinisme en vrije wil met elkaar te verzoenen.

Interviewer: En wat als ik niet gedetermineerd wil zijn? Ik ben toch geen computer!
Leibniz: Uw wil zal daarin niets veranderen. Wat is een computer?

Interviewer: Laat maar, het is een soort rekenmachine.
Leibniz: Aha, die bestaan dus nog steeds? Dan was mijn uitvinding tenminste niet voor niets.

Interviewer: Maar wij kunnen dus nooit afwijken van de koers die onze wil heeft ingezet door alle omstandigheden. We kunnen bijvoorbeeld nooit ons leven beteren?
Leibniz: Als u uw leven wilt beteren, kunt en zult u dat doen. Dat betekent namelijk dat die koers al is ingezet door uw wil om uw leven te beteren en dat u gedetermineerd bent om dat te doen. God zal nooit het goede verhinderen, tenzij hij betere redenen heeft om dat te doen. Hij zal alleen soms het kwaad toelaten. We moeten dus voortgaan in onze goede voornemens uit te voeren en mogen erop vertrouwen dat God ze tot een goed einde zal brengen.

Dit interview is een interpretatie van de mening van Leiniz.

zondag 20 november 2016

Psalmen - 7

De tekst van Psalm 7 is als volgt:
1 Sjiggajon van David, dat hij voor de HEERE gezongen heeft, vanwege de woorden van
Cusj, de Benjaminiet.
2 HEERE, mijn God, tot U neem ik de toevlucht,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij.
3 Anders verscheuren zij mijn ziel als een leeuw,
slepen zij mij weg, terwijl er niemand is die redt.
4 HEERE, mijn God, als ik dát gedaan heb,
als er onrecht aan mijn handen kleeft,
5 als ik iemand kwaad vergolden heb die vrede met mij had,
– wie mij zonder reden benauwde, heb ik juist gered! –
6 dan mag de vijand mij vervolgen, achterhalen,
mijn leven op de grond vertrappen
en mijn eer in het stof doen wonen!
7 Sta op, HEERE, in Uw toorn,
verhef U tegen de verbolgenheid van wie mij benauwen,
ontwaak ter wille van mij;
U hebt het recht ingesteld.
8 De gemeenschap van volken zal U omringen,
neem dan weer plaats hoog boven hen.
9 De HEERE zal over de volken rechtspreken.
Doe mij recht, HEERE, want ik ben rechtvaardig
en oprechtheid is bij mij.
10 Laat er toch een einde komen aan de slechtheid van de goddelozen,
maar doe de rechtvaardige standhouden,
o rechtvaardige God, Die harten en nieren beproeft.
11 Mijn schild is bij God,
Die de oprechten van hart verlost.
12 God is een rechtvaardige Rechter,
een God Die iedere dag toornt.
13 Als men zich niet bekeert,
dan zal Hij Zijn zwaard scherpen,
Zijn boog spannen, en aanleggen.
14 Hij heeft dodelijke wapens voor Zich gereedgemaakt,
Hij richt Zijn pijlen op de felle achtervolgers.
15 Zie, hij heeft weeën van onrecht
en is zwanger van kwaad,
hij zal leugen baren.
16 Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf dat hij zelf gemaakt heeft.
17 Zijn moeite zal op zijn eigen hoofd terugkeren,
zijn geweld op zijn eigen schedel neerdalen.
18 Ik zal de HEERE loven om Zijn gerechtigheid,
en voor de Naam van de HEERE, de Allerhoogste, psalmen zingen.

Bevreemdend:
Het beroep op de toorn van God in deze psalm is bevreemdend. David prijst Gods toorn: "God is een rechtvaardige Rechter, een God Die iedere dag toornt". Hij zet Gods toorn tegenover de woede van degenen die hem achtervolgen (vers 7).

Anders dan ons herkende men in de tijd van David een concept van "rechtvaardige toorn". Dat is in onze cultuur niet echt herkenbaar. We kennen wel "terecht boos" of woedend zijn. Dat komt vaak neer op het claimen van het recht om anderen (bijv. moordenaars van IS, degenen die MH17 hebben beschoten) te vervloeken. Het komt niet overeen met wat "rechtvaardige toorn" inhield. Dat is namelijk de oprechte woede van een heerser (bijv. koning), een woede die gepaard ging met daden om een situatie van onrecht recht te zetten en te herstellen. David vergelijkt God met een koning die ten strijde trekt om een onrechtvaardige overheerser te overmeesteren (vers 13-14).

Deze psalm is geschreven naar aanleiding van woorden van ene Cusj, gericht om David te doden (vers 1, 16). Dat is dus de situatie van onrecht die David God vraagt recht te zetten.

Het laatste stuk van de psalm is een loflied op God, die een rechtvaardige Rechter is. David spreekt uit dat degenen die op de dood van anderen uit zijn, zelf gedood zullen worden, en dat degenen die geweld gebruiken, zelf geweld zullen ervaren (vers 16-17). Dat is een lofzang op Gods macht die het geweld tegen de onschuldige niet toestaat. Als zodanig vind ik het echter ook confronterend, want is God niet een God van vergeving, en heeft Jezus niet geboden dat men zijn vijanden lief moet hebben (evangelie van Mattheüs, 5)?

Maar er staat een zin bij waar ik over heen las: De aankondiging van Gods ingrijpen wordt ingeleid door de zin "Als men zich niet bekeert" (vers 13). Het staat dus in de contekst van een waarschuwing aan ieder die onschuldigen geweld wil aandoen. Ook Jezus heeft gezegd dat als men zich niet bekeert, er uiteindelijk niets anders overblijft dan het oordeel van God! Wat dat betreft is de waarschuwing van David niet meer dan eerlijk.

Ook lees ik een ander aspect in zijn woorden. David benadrukt hoe moeilijk de mens zonder God het heeft. Hij beschrijft hoe ze weeën hebben, zwanger zijn, een kuil zelf uitgraven, en moeite hebben, en hoe al deze moeite tevergeefs is: het zal uitlopen op een miskraam, de kuil zal hun eigen graf worden, de moeite zal weer op henzelf terugkeren (vers 15-17). David waarschuwt dus niet alleen, maar beklaagt ze ook! Wat dat betreft hoopt hij dat zijn beschrijving van de situatie hen tot inkeer zal brengen.

Herkenbaar:
Herkenbaar is hoe David God beschrijft als degene die alle dingen kent, zelfs onze diepste wensen en gevoelens ("harten en nieren beproeft", vers 10), en als de God die de wereld regeert en zal oordelen.

Profetisch:
"De gemeenschap van volken zal U omringen, neem dan weer plaats hoog boven hen. De HEERE zal over de volken rechtspreken" (vers 8-9). Wij mogen Jezus verwachten die terug zal komen op de wolken van de hemel om de wereld te oordelen, als het Evangelie aan alle volken verteld is. Ook al leven we in Nederland in vrede en welvaart, er zijn zoveel situaties op aarde die schreeuwen om recht. "Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen."

zaterdag 23 juli 2016

Psalmen - 6

Hieronder volgt de zesde psalm:
1 Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel, op ‘De achtste’.
2 HEERE, straf mij niet in Uw toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid!
3 Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt,
genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
4 Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand.
En U, HEERE, hoelang nog?
5 Keer terug, HEERE, red mijn ziel,
verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid.
6 Want in de dood is er geen gedachtenis aan U,
wie zal U loven in het graf?
7 Ik ben moe van mijn zuchten,
heel de nacht maak ik mijn bed nat,
doorweek ik mijn rustbank met mijn tranen.
8 Mijn ogen zijn verzwakt van verdriet,
ze zijn oud geworden vanwege al mijn tegenstanders.
9 Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft,
want de HEERE heeft mijn luide geween gehoord.
10 De HEERE heeft mijn smeken gehoord,
de HEERE zal mijn gebed aannemen.
11 Al mijn vijanden worden zeer beschaamd en door schrik overmand;
zij deinzen terug, zij worden in een ogenblik beschaamd.

Bevreemdend:
De psalm staat in het teken van verdriet en misschien ziekte. Er worden sterke poëtische uitdrukkingen gebruikt zoals "mijn beenderen zijn verschrikt" / "mijn ogen zijn verzwakt van verdriet" die buiten een lied natuurlijk vreemd zouden overkomen. Wat misschien bevreemdend is, is dat David zijn verdriet en zwakheid meteen ook verbindt aan de vijandschap en het onrecht van mensen om hem heen. Dat doet me eraan twijfelen of we het vragen om genezing (vers 3) moeten opvatten als genezing van ziekte. Het beschrijft eerder een situatie waarin David dodelijk vermoeid en angstig is. Mogelijk is het echter een combinatie van beide.

Bevreemdend voor onze hedendaagse oren is dat David zijn diepe zwakheid en angst als straf van God erkent. Er staat immers: "HEERE, straf mij niet in Uw toorn"! David weet blijkbaar dat hij schuldig is voor God en dat hij deze straf verdiend heeft. Hij vraagt om Gods goedertierenheid of genade, en bepleit dat als God hem doodt, hij God niet meer zal kunnen dienen.

De toorn van God en het straffen door middel van ziekte zijn dingen die de verlichte mens ergeren. Als God bestaat, wil men toch zonder beïnvloeding zelf kunnen beslissen om wel of niet het goede te doen! Laat God door middel van overleg proberen ons te overtuigen, maar niet met middelen van dwang! Met andere woorden, we accepteren wel een onderhandelingshuishouding maar geen gezagshuishouding.

Echter, God gebruikt straf voor ons bestwil, niet als vergelding of als middel om macht uit te oefenen. Ziekte was in het geval van David een middel om hem te wijzen op zijn schuld en nietigheid als mens. Aan het einde van de psalm erkent David Gods macht en genade.

Herkenbaar:
Herkenbaar is waar David om vraagt: Gods goedertierenheid en verlossing. De verlossing van God gaat verder dan alleen af en toe een moment. De duisternis waarin de mens verkeert ten opzichte van God is continu geworden. Zwakheid van het lichaam door de vloek van de dood is niet het enige, er is ook zwakheid in de menselijke geest om het goede te kennen en God te zoeken.

Profetisch:
Ook in 2016 kunnen we door schrik overmand worden door de verschillende terreuraanslagen. Het is niet de angst en verzwakking van één persoon, maar angst en verzwakking van de mensheid. Voor een Christen is er echter hoop op Gods verlossing, die niet tijdelijk maar eeuwig is in het komende Koninkrijk van God. "Keer terug, HEERE", zouden we kunnen bidden, om de terugkeer van Jezus Christus die de aarde zal oordelen, op een moment dat de ziekte en tegenstand haar hoogtepunt zal hebben bereikt. Zoals Johannes aan de gemeenten schrijft in de Openbaring van de wederkomst van Christus:
Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen. En wie vuil is, laat hij nog vuiler worden. En wie rechtvaardig is, laat hij nog meer gerechtvaardigd worden. En wie heilig is, laat hij nog meer geheiligd worden.
En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn.
(...)
En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets. (Openbaring aan Johannes, 22, 11-12, 17)

zaterdag 16 juli 2016

Psalm 5 - Spreken over God

Vorige week schreef ik over de inhoud van Psalm 5. Vandaag wil ik daarop dieper ingaan aan de hand van het thema 'spreken'. Dat is immers iets wat terugkomt in Psalm 4 als de nauwe verbondenheid tussen onrecht doen en onoprecht spreken naar voren komt in vers 10:
"Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij."

Toen ik deze tekst las moest ik denken aan de Italiaanse filosoof Paolo Virno (1952), die schrijft dat virtuositeit niet zo'n zeldzame eigenschap is, aangezien alle mensen wanneer ze spreken dezelfde eigenschappen laten zien als een virtuoze uitvoering van een muziekstuk. Hij schrijft over virtuositeit (zoals bij een uitvoering van Bach's Goldbergvariaties door Glenn Gould, het prototypische voorbeeld dat Virno noemt): "Deze virtuositeit is niet iets ongewoons, noch vereist het een speciaal talent. We hoeven alleen maar te denken aan het proces waardoor iemand die spreekt de onuitputbare mogelijkheden van taal benut (het tegenovergestelde van vastgesteld 'werk') om een uitspraak te creëren die helemaal tot dat moment behoort en onherhaalbaar is."

Waar een virtuoos pianist een perfecte beheersing van de piano heeft geleerd en onderhoudt door elke dag toonladders te oefenen en muzikale composities tot zich te nemen, heeft ieder mens een perfecte beheersing van zijn stem geleerd door die zijn leven lang elke dag te gebruiken, en gesproken woorden van anderen tot zich te nemen. Het is dus treffend dat dit instrument van de mond wordt ingezet om leugens te spreken en te vleien door degene die op kwaad belust is. Anderzijds is het ook niet vreemd, omdat het gebruik van de taal zo vervlochten is met onszelf en we dat zo gewend zijn. Zoals bij de uitdrukking "de man van bloed en bedrog" die David gebruikt: elke "man van bloed" is ook een "man van bedrog".

Bij Virno ligt er een filosofie over actie (praxis) en werk (poiesis) ten grondslag aan zijn politieke filosofie die teruggaat op Aristoteles. Actie (praxis) is datgene wat niet iets tastbaars als doel heeft, maar iets ontastbaars (spreken en virtuositeit ligt in dit gebied). Werk (poiesis) heeft van oorsprong iets tastbaars (een materieel eindproduct) als doel. Daarnaast onderscheidt Aristoteles nog puur intellectuele activiteit (theoria), wat zich alleen in iemand zelf afspeelt.

Een andere filosoof die over dit onderwerp heeft geschreven en waarmee Virno zich contrasteert is Hannah Arendt, Duits-Amerikaanse Joodse filosofe die tijdens de tweede wereldoorlog vanwege haar Joodse afkomst voor het nazisme moest vluchten en de Eichmann-processen heeft bijgewoond. Zij contrasteert in 'De mens' het contemplatieve leven (theoria), wat volgens haar door westerse filosofen voor haar vooral werd benadrukt en als belangrijkste werd gezien, van het actieve leven (praxis en poiesis), en richt zich op het laatste. Het gaat haar dus vooral om de publieke handelingen van mensen, niet om de intellectuele handelingen. Deze publieke handelingen onderscheidt zij weer in politiek handelen (praxis), werk (poiesis), en een derde, arbeid (het laagste niveau, waar het om puur biologische noodzaak gaat van bezig zijn met overleven, zoals ook dieren doen). Het verschil tussen arbeid en werk is dus dat de eerste vergankelijke resultaten heeft die meteen weer geconsumeerd worden, en het tweede iets creëert wat de natuur overstijgt en blijvender is. Echter, Arendt vreest voor een overschaduwing van het politieke handelen (praxis) door werkzaam handelen (poiesis). Dat is volgens haar wat er in het nazisme is gebeurd: men hield zich bezig met het creëren van de staat, de partij, enzovoort, niet meer met het met elkaar omgaan als mensen tot mensen.

Het is de moeite waard om deze noties tot ons te nemen bij het nadenken over een christelijke ethiek. We hebben het gehad over het kwaad, maar moeten het ook hebben over het goede. Hoe zouden deze aspecten terug moeten komen bij een mens die tot God de toevlucht neemt?

Het eerste is dat iemand die tot God de toevlucht neemt niet alleen gericht is op het hier-en-nu, dat wat in het begrip 'arbeid' bij Arendt terugkomt. Het bezig zijn om te overleven is iets wat heel sterk in het teken staat van vertrouwen op God en afhankelijkheid van God. "Geef ons elke dag ons dagelijks brood", leerde Jezus zijn discipelen tot Zijn Vader bidden.

Daarnaast moet iemand die tot God de toevlucht neemt het van mens-tot-mens handelen (praxis) niet laten overschaduwen door werkzaam handelen (poiesis). Niet kerk en organisatie zijn het belangrijkst, maar God en de medemens. Weliswaar kan het handelen ten opzichte van God en van de medemens vorm krijgen in een kerk en worden georganiseerd, maar dat moet nooit doel op zich worden. De gaven van de Geest van God moeten ook niet worden beperkt door institutionalisering (zie ook 'Gaven voor de gemeente - Over het werk en de gaven van de Heilige Geest', Doornebal en Siebesma et al., 2005).

Eveneens mag het van mens-tot-mens handelen niet overschaduwd worden door vita contemplativa ofwel puur intellectuele activiteit. Die activiteit kan bestaan in eigen ervaring of bevinding of in het dogmatisch bekommerd zijn om de leer. Hoewel dit een deel van ons mens-zijn is, moet het niet leiden tot het minder aandacht hebben voor of zelfs negeren van onze medemens, of tot het vluchten in intellectuele activiteit waar we zouden moeten handelen.

Ten slotte moet iedereen die tot God de toevlucht neemt ook het instrument van de taal, waarvan iedereen een virtuoze beheersing heeft, gebruiken tot Gods eer en dus ook voor het spreken over God met anderen. Zoals de apostel Paulus aan de gemeente van Rome schrijft:
"Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken: Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden. Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid." (brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Rome, 10, 8-10)
Ieder mens is immers virtuoos als het taal betreft? Hoe zouden we dan een dergelijk groot talent kunnen begraven en denken dat we niet goed genoeg kunnen spreken? Het goede doen en het goede spreken hoort immers samen op te gaan. Als we de woorden van Psalm 5 in het tiende vers omdraaien krijg je een beeld van hoe wij zouden moeten zijn: "In hun mond is niets wat onbetrouwbaar is, hun binnenste is door en door oprecht, hun keel is een gesloten tuin, met hun tong spreken ze eerlijk en openhartig".

vrijdag 8 juli 2016

Psalmen - 5

Psalm 5 uit het bijbelboek van de Psalmen is een gebed van David.
1 Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.
2 HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
3 Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
4 's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
5 Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
6 De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7 U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.
8 Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid
Uw huis binnengaan,
mij buigen naar Uw heilig paleis
in vreze voor U.
9 HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid,
omwille van mijn belagers;
maak Uw weg vóór mij recht.
10 Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij.
11 Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
12 Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen,
laat hen voor eeuwig juichen
omdat U hen beschut;
laat in U van vreugde opspringen
wie Uw Naam liefhebben.
13 U immers zegent de rechtvaardige, HEERE;
U omringt hem met goedgunstigheid als met een schild.

Bevreemdend:
Er zijn verschillende dingen die ons vreemd kunnen voorkomen in deze psalm. Allereerst het gebed om de val van de goddeloze. David bidt heel duidelijk of God zijn belagers - die liegen en vleien (vers 10) - schuldig wil verklaren, ten val wil brengen en en wil verdrijven (vers 11).

Er staat niet letterlijk bij wat dit 'ten val brengen' en 'verdrijven' inhoudt: betekent het 'ontmaskeren' en 'macht ontnemen' of betekent het ook 'doden'? Als je even zoekt op de Hebreeuwse woorden voor 'doden' (harag/mawat/harab/nakah) in het bijbelboek Psalmen (waar meerdere psalmen van David in voorkomen) vind je dat er geen enkele keer gebeden wordt of God vijanden wil doden (mogelijk met uitzondering van Psalm 55 vers 16, waar ik de vertaling "De dood zal hen overvallen" prefereer boven "Laat de dood hen overvallen"). In Psalm 59 staat het zelfs letterlijk in negatieve zin: "Dood hen niet, anders vergeet mijn volk het; doe hen rondzwerven door Uw kracht, werp hen neer, Heere, ons schild" (Psalm 59 vers 11). In deze en andere psalmen bidt David dus wel om hulp tegen zijn belagers maar laat hij aan God over hoe God moet helpen. Dat getuigt van het geloof dat God weet wat goed is en niet specifiek om een bepaalde gunst gevraagd hoeft te worden. Het getuigt er ook van dat David zich niet zover door haat of wraak laat leiden dat hij de dood van zijn belagers wenst; zijn motief is duidelijk het vragen om hulp en niet wraak of haat.

Herkenbaar:
Herkenbaar is dat David - op dat moment koning van Israël - God zijn Koning noemt. God is dus de hoogste Koning. Dit is mijns inziens ook de vergelijking aan het begin die de rest van de psalm kleurt: David gebruikt het beeld van iemand die zich tot de koning wendt om hulp en bescherming. David vraagt God om recht te spreken (vers 9 en 11) en een beschermheer te zijn (vers 12 en 13).

Herkenbaar is ook de tekst die door de apostel Paulus wordt geciteerd in de brief aan de gemeente van Rome om aan te geven wat er allemaal mis is met de mens.
"Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij."
Het niet (compleet) weergeven van de waarheid is inderdaad een van de meest herkenbare zonden, waarbij bijna iedereen zal moeten toegeven dat hij of zij daar ook wel eens aan schuldig is. Toch is deze tekst wat radicaler: het geeft aan dat heel ons spreken van egoïsme en daardoor gedeeltelijke onwaarheid doortrokken is.

Profetisch:
De psalm gaat allereerst over hoe God als Koning in ons dagelijks leven regeert. God beschermt en straft in dit leven, hoewel ook mensen die God niet achten uiterlijke voorspoed en rijkdom hebben en gelovigen uiterlijke tegenslagen en armoede (zie psalm 73). Deze psalm is echter ook profetisch toe te passen op het komende Koninkrijk van God. Daarvan sprak Jezus dat het dichtbij gekomen is voor iedereen, en dat de wereld geoordeeld zal worden bij Zijn wederkomst uit de hemel. Dat betekent enerzijds inderdaad een Koninkrijk wat de val en verdrijving van de ongehoorzamen aankondigt (vers 11). Daarnaast zal dit een Koninkrijk zijn waar degenen die tot God de toevlucht hebben genomen, eeuwig zullen juichen omdat God hen beschut, en van vreugde zullen opspringen wie Gods Naam liefhebben (vers 12).

donderdag 30 juni 2016

Psalm 4 - Het gelaat van de ander en van God

Twee weken geleden schreef ik over de inhoud van Psalm 4. De persoonlijke toon van de psalm noemde ik toen als opvallend. Vandaag wilde ik het om die reden betrekken op de dialogische filosofie.

'Dialogische filosofie' wordt die filosofie genoemd waarbij de dialoog - de interactie van mens tot mens - centraal staat. In plaats van het ik en de wereld waaruit de westerse filosofie vertrok, staat de ander als vertrekpunt. Deze beweging begon met het boek 'Ich und Du' (1923) van de joodse filosoof Martin Buber, maar is wellicht nog bekender van Emmanuel Levinas, die na de oorlog 'Totalité et Infini' schreef (1961), als Joods overlevende van de Duitse krijgsgevangenis.

Bij Levinas is 'het gelaat van de ander' het centrum van de filosofie. Ethiek begint niet bij een abstract 'goede' maar bij de kennismaking en confrontatie met andere mensen om ons heen. Deze kennismaking en confrontatie met andere mensen gebeurt doordat wij ze zien, en dit 'gelaat van de ander' doet een beroep, een appel op ons handelen. Als we proberen de ander in een filosofisch systeem te gieten (waar het ik of de wereld het kader van is) doen we deze ander tekort. Volgens Levinas is de westerse filosofie in deze val gelopen; zij heeft immers het ik centraal ('egologie' genoemd door Levinas) of de wereld centraal ('ontologie' genoemd door Levinas) waarbij de 'andersheid' of 'alteriteit' van de ander wordt vergeten.

Deze kritiek is mijns inziens gedeeltelijk terecht en waardevol: het is belangrijk dat filosofie tijdens het nadenken over ik en de wereld het appel van de ander niet kleiner maakt of vergeet. Sommige filosofie was tijdens de Tweede Wereldoorlog vaag genoeg over de ander om misbruikt te kunnen worden door Hitler! De stelling dat dit door de westerse filosofie echter altijd en noodzakelijk het appel van de ander heeft verkleind is echter weer ongenuanceerd.

Voor Levinas is het denken over God ook gekoppeld aan de ander. God is niet door het 'ik' te bevatten door denken. God wordt alleen zichtbaar in ons handelen met de ander. Hierin gaat Levinas zo ver dat hij God geen (metaphysische) realiteit wil toeschrijven: Levinas is metaphysisch atheïst.

Hoe kunnen we de 'dialogische filosofie' vergelijken met de inhoud van Psalm 4? Deze psalm begint met een beroep op God:
"Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid!" (vers 2)
Er is dus geen sprake van metaphysisch atheïsme. Echter, zoals ik eerder schreef gaat deze psalm wel verder door heel persoonlijk tegen de ander te spreken. In dit geval spreekt David tegen zijn tegenstanders. Het is dus wel een heel belangrijk gegeven dat de onderwerping aan God niet samengaat met het haten van alle tegenstanders van God. Tegenstand tegen God kunnen we niet liefhebben of zelfs maar neutraal tegen staan, maar degene die God tegenstaat kunnen we alleen maar betreuren en proberen terecht te wijzen. Dat is precies wat David doet. Wat David haat zijn het lege en de leugen, niet degene die het lege liefhebben of de leugen zoeken. Hij spreekt hen aan: "Hoelang zult u het lege liefhebben, de leugen zoeken?" (vers 3).

Jezus beveelt ons op dezelfde manier dat God niet wil dat we onze vijanden haten, maar dat we hen liefhebben:
"U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." (evangelie van Mattheüs, 5, 43-45)
En als we moeten liefhebben degenen die ons kwaad doen, hoeveel te meer ook degenen die ons goed doen! Dit is ook te lezen uit de woorden van Jezus die er even aan vooraf gaan, de zogenaamde 'zaligsprekingen' van Jezus:
"Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij.
Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn." (evangelie van Mattheüs, 5, 3-12)
Jezus spreekt hier dus degenen zalig die geen geweld gebruiken. Op dezelfde manier kon David verheugd zijn ondanks dat velen zich tegen hem keerden. "U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden. In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen." (vers 8-9)

Waar David nog in een wereld van geweld leefde en ook bloedige gevechten met vijanden van Israël heeft moeten vechten, is Jezus de Koning van de vrede die geen geweld heeft gebruikt, maar Zich zelfs over heeft gegeven om gedood te worden. Jezus, Gods Zoon, is de Vredevorst die elk geweld overbodig maakt door Zijn behaalde overwinning!

Wat ook bijzonder is, is dat David noemt dat Gods aangezicht hem het goede laat zien:
"Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien?
Verhef over ons het licht van Uw aangezicht, HEERE!" (vers 7)
Voor Levinas is het gelaat (van de ander) weerloos en doet het een appel op onze verantwoordelijkheid. Het gelaat van God is echter niet weerloos. Het ziet en helpt de weerloze! Daarom brengt Gods aangezicht vreugde en verlossing.

zondag 12 juni 2016

Psalmen - 4

Vandaag wil ik stilstaan bij Psalm 4:
1 Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel.
2 Als ik roep, verhoor mij,
o God van mijn gerechtigheid!
In de benauwdheid hebt U ruimte voor mij gemaakt.
Wees mij genadig en luister naar mijn gebed.
3 Aanzienlijken, hoelang zult u mijn eer te schande maken?
Hoelang zult u het lege liefhebben, de leugen zoeken?

4 Weet toch: de HEERE heeft Zich een gunsteling afgezonderd;
de HEERE hoort als ik tot Hem roep.
5 Wees ontzet, maar zondig niet;
spreek in uw hart wanneer u op uw slaapplaats ligt, en wees stil.

6 Breng offers van gerechtigheid
en vertrouw op de HEERE.
7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien?
Verhef over ons het licht van Uw aangezicht, HEERE!
8 U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven
dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden.
9 In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen,
want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.

Bevreemdend:
Enigszins bevreemdend is hoe zeker David ervan is dat hij 'Gods gunsteling' is. Dat blijkt uit de zin: "de HEERE heeft Zich een gunsteling afgezonderd; de HEERE hoort als ik tot Hem roep." Echter, heel vreemd is het niet aangezien hij door Gods profeet tot koning is gezalfd over Israël, en dat de profeten van God ook vaker tot hem gesproken hebben.

Wat ook opmerkelijk is, is hoe David zijn volksgenoten toespreekt en hoe persoonlijk zijn toon is. Hij spoort ze niet aan tot wat ze moeten doen maar tot wat hun geest moet bedenken. Dat gaat wel erg ver! Hij spoort ze aan om het lege en de leugen niet meer te zoeken, om ontzet te zijn, om niet te zondigen, om zichzelf toe te spreken op een rustig moment, en stil te zijn, en op God te vertrouwen. Je moet wel heel open zijn om zulke dingen tegen je buren en bekenden te zeggen. Overigens geldt dat voor de rest van de psalm ook: ook over zijn eigen emoties is David open, hij beschrijft hoe hij tot God bidt, hoe hij blijdschap en vrede voelt, en hoe hij in vrede zal gaan slapen. Dit is echt een aansporing van hart tot hart waarbij David niets achter de hand houdt.

Herkenbaar:
Dat God meer blijdschap en vrede in ons hart geeft dan andere dingen is herkenbaar; je kunt het zelfs in hedendaagse tijdschriften over mindfulness terugvinden. Echter, de persoonlijke gebeden die eraan voorafgaan zijn alleen herkenbaar voor ons als we ook persoonlijk gebed tot de persoonlijke God kennen.

De afwisseling van emoties in de psalm (bijvoorbeeld in het danken van God wat weer gevolgd wordt door een smeekgebed) is herkenbaar, authentiek. Het laat zien dat het geen van te voren bedachte mooie woorden zijn maar een persoonlijke uiting.

Profetisch:
Ook dat David niet op zijn gerechtigheid vertrouwt, maar op de genade van God, die hij ook de 'God van zijn gerechtigheid' noemt, is herkenbaar voor christenen die hebben geleerd dat niet hun goede daden maar het leven van Christus hun verlossing is. Daarom kun je de uitdrukking 'God van mijn gerechtigheid' profetisch noemen: David beseft dat niet hijzelf, maar God hem tot gerechtigheid brengt.

zondag 5 juni 2016

Psalm 3 - Iedere morgen geloven

Vorige week schreef ik over de inhoud van Psalm 3. Vandaag wil ik graag de vraag stellen wat we uit deze psalm kunnen leren voor ons eigen leven.

Het meest opvallende in de psalm is het geloof van David in God. Dat geloof is niet gemakkelijk in zijn omstandigheden: hij is van koning vluchteling geworden. Daarnaast krijgt hij steeds meer tegenstanders. Ook velen geloven daarom dat hij niet door God wordt gesteund: "Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God.".

Daarentegen noemt David God zijn beschutting en schild, en zijn eer, en degene die zijn hoofd omhoog heft. David bidt ver weg van de berg Sion waarop Jeruzalem gebouwd was, maar gelooft dat God hem verhoort: "Met mijn stem riep ik tot de HEERE, en Hij verhoorde mij vanaf Zijn heilige berg.". Dus ook in moeilijke omstandigheden is het mogelijk om God te dienen:
  • God beschermt in die omstandigheden;
  • David noemt God zijn eer, dus hij gelooft nog vast dat hij een kind van God is en een roeping van God heeft;
  • De geestelijke ondersteuning van God is merkbaar, God beurt ons op;
  • Het is mogelijk op elke plek en op elk moment tot God te bidden en Hij verhoort ons gebed.

Dat hij gerust kan slapen en weer wakker worden zonder gedood te zijn ziet David als daad van God (vers 6), als bewijs dat God met hem is.

Psalm 3 wordt ook wel de morgenpsalm genoemd, Psalm 4 de avondpsalm, omdat het in Psalm 3 gaat over weer wakker worden door Gods genade, en in Psalm 4 over in vrede gaan slapen. We zouden inderdaad elke dag bij ons opstaan kunnen nadenken over Gods genade. We zijn in waarschijnlijk in betere omstandigheden als David, maar hebben we ook geloof in God dat Hij ons fysiek en geestelijk wil helpen en ons gebed verhoort? Geloven we dat we door God geroepen zijn tot geloof en verlossing, zodat we God onze eer kunnen noemen? Of houden we God liever op afstand?

woensdag 25 mei 2016

Psalmen - 3

Vorige weken schreef ik over Psalm 1 en 2. Vandaag Psalm 3:
1 Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.
2 HEERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders;
velen staan tegen mij op.
3 Velen zeggen van mijn ziel:
Hij heeft geen heil bij God.

4 U echter, HEERE, bent een schild voor mij,
mijn eer; U heft mijn hoofd omhoog.
5 Met mijn stem riep ik tot de HEERE,
en Hij verhoorde mij vanaf Zijn heilige berg.

6 Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte,
want de HEERE ondersteunde mij.
7 Ik vrees niet voor tienduizenden van het volk,
die zich aan alle kanten tegen mij opstellen.
8 Sta op, HEERE,
verlos mij, mijn God,
want U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen,
de tanden van de goddelozen hebt U stukgebroken.
9 Het heil is van de HEERE;
Uw zegen is over Uw volk.

Bevreemdend:
Er zijn een aantal dingen bevreemdend voor ons in deze psalm. Dat zijn:
  • De situatie, nl. het vluchten van David (de meeste lezers van deze blog zullen er geen ervaring mee hebben);
  • De manier waarop David tot God spreekt, nl. alsof God wakker moet worden gemaakt ("Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God");
  • De plastische manier waarop over Gods ingrijpen wordt gesproken ("U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen, de tanden van de goddelozen hebt U stukgebroken").

Het eerste punt hoef ik niet nader uit te leggen. Je zult het waarschijnlijk aan een van de politieke vluchtelingen in Nederland moeten vragen wat het betekent om te vluchten. Dat zou de emoties die uit de psalm spreken duidelijker kunnen maken.

Het tweede punt, de manier waarop David tot God spreekt, is wel goed om verder te bestuderen. Voor wie God ziet als hoogste macht, misschien wel als passieve kracht in de natuur waarbij bidden sowieso niet helpt, is het spreken van David tot God vreemd. Als God namelijk zo groot is weet Hij al wat we nodig hebben voordat we het vragen, of helpt bidden niet. De manier waarop David tot God spreekt is wel erg persoonlijk en dringend, alsof het een vriend is of een goede kennis. Eigenlijk is dat ook de kern van het christendom: dat God zó persoonlijk is dat Hij mensen opzoekt, en dat Hij ons persoonlijk wil kennen en horen.

Het derde punt, de plastische manier waarop over Gods ingrijpen wordt gesproken, is bevreemdend doordat we deze zegswijzen niet kennen. Het "op de kaak slaan" was een uitdrukking die "te schande maken" betekende. De uitdrukking "de tanden stukbreken" betekende "machteloos maken". Een meer hedendaagse vertaling als "U hebt al mijn vijanden publiek vernederd, de goddelozen hebt U machteloos gemaakt" roept minder vreemde associaties op.

Herkenbaar:
De dingen die ik hierboven bevreemdend heb genoemd hebben ook een herkenbare kant. We herkennen ons misschien juist in de persoonlijke manier waarop David tot God bidt. En de situatie van vluchten waarin David zich bevindt zien we misschien afgebeeld op een ander niveau in ons eigen leven. We zijn misschien geen politieke vluchtelingen, maar misschien herkennen we vernedering door andere mensen, of herkennen we een onbegrijpelijke verandering in ons leven waardoor we twijfelen aan of we wel echt "heil bij God" hebben, of herkennen we veroordeling door anderen. In die situaties kan deze psalm nu ook een 'eye opener' zijn dat God ook dan nog met ons kan zijn.

Profetisch:
De laatste zinnen, namelijk "het heil is van de HEERE, over Uw volk zal Uw zegen zijn" zijn profetisch omdat ze heenwijzen naar de verlossing van al Gods kinderen door Jezus Christus en Zijn opstanding uit de dood. Het is niet moeilijk om deze link te leggen omdat de naam 'Jezus' hetzelfde is als het woord voor 'heil' (jeshuah)...

zaterdag 21 mei 2016

Psalm 2 - Liberalisme en communisme

Vorige week schreef ik over de inhoud van Psalm 2, een lied over de koning van Sion. Vandaag wil ik wat filosofische aantekeningen erbij maken vanuit de politieke filosofie.

Allereerst een aantekening over de staatsvorm waarin in de psalm wordt uitgegaan, namelijk van de monarchie. In de tegenwoordige politieke filosofie telt die staatsvorm niet echt meer mee en hebben alternatieven als democratie, liberalisme (geen overheid, vrije markt) en communisme (verdeling van bezittingen over iedereen) de overhand. Deze overgang van centrale naar verdeelde macht is logisch als de koning onbetrouwbaar of onrechtvaardig is, wat al gauw het geval is. Over de alternatieven valt echter nog wel te twisten, want nog steeds zijn de politieke partijen verdeeld over of liberalisme werkt of de overheid bezit evenredig moet verdelen. De burgers zelf zijn blijkbaar ook niet te vertrouwen en ook niet rechtvaardig, zodat ook met democratie we niet in een perfecte wereld leven, hoewel het heel wat veiliger is dan de grillen van een alleenheerser.

In Psalm 2 is de situatie echter wel wat anders. Hier gaat het over een koning waarvan mag worden verondersteld dat die rechtvaardig en betrouwbaar is, omdat deze door God is aangesteld en gezalfd. De koningen van Sion werd gezalfd als teken dat Gods Geest deze koning de gave van bestuur zou geven, zoals meerdere keren in de Bijbel te lezen is. Alleen daarom kan er staan dat God bereid is de einden van de aarde aan deze koning van Sion in bezit te geven (vers 8). Het gaat daarentegen over de opstand van onrechtvaardige mensen tegen deze rechtvaardige koning.

Ook is het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 niet het eigen belang, zoals bij liberalisme. De filosoof Adam Smith zette in zijn boek The Wealth of Nations uiteen dat de welvaart van de naties berustte op een goede taakverdeling en ambitieuze, naar vergroting van het eigen belang strevende burgers waarin het vanzelf tot een evenwicht zou komen. Het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 is ook niet de rechten van de burger of arbeider, zoals bij het socialisme of communisme betoogd door Karl Marx en anderen.

In plaats daarvan is het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 vrees en ontzag. Ook dit gaat samen en kan alleen maar samen gaan met het ontzag voor God die deze koning van Sion leidt. Deze vrees en schrik is blijkbaar nodig om onderdanen te overtuigen voor wie de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van de koning van Sion die de wet van God houdt, niet voldoende is om zich aan deze koning te onderwerpen.
Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.

Vandaag zegt zo'n motief ons minder dan toen. Vrees voor God is niet meer vanzelfsprekend. Toch is het goed om te beseffen dat de uitgangspunten in Psalm 2 wat betreft staatsvorm en motief anders zijn met een reden, zoals al genoemd de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van deze koning van Sion door Gods wet en Gods Geest, en dat rechtvaardigheid en betrouwbaarheid juist in onze hedendaagse maatschappij nog ver te zoeken zijn. En voor een christen is Jezus Christus, Gods verhoogde Zoon, deze Koning van wie we de terugkeer mogen verwachten. Gelukkig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

woensdag 18 mei 2016

Psalm 1 - Vreugde in de wet van God

Vorige en deze week schreef ik twee keer over Psalm 1, over de inhoud en de vergelijking met de filosofen Aristoteles en Epicurus. Deze keer wil ik de inhoud meer toepassen op het alledaagse leven.

Wat centraal staat in de psalm is het vinden van de vreugde in Gods wet:
Welzalig de man
(...) die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.

"Gods wet" kun je hier best breed opvatten:
  • De wetten van het dienen van God: feesten, offerdienst;
  • Praktische wetten voor hygiëne, medische regels en spijswetten;
  • De ethische wet van God in de tien geboden om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf;
  • Maar ook alle woorden die van God waren opgeschreven of door profeten worden uitgesproken.

Waar komt die vreugde vandaan? Als je de psalm heel letterlijk leest zou je bijna denken dat er staat "door het dag en nacht bestuderen van de wet van God in de Bijbel". Een 'theoretische studievreugde' sluit echter bij weinig mensen aan. In plaats van theorie willen we doen! In plaats van het zoeken van God door studie van letters willen we God persoonlijk in ons hart ervaren!

De zo letterlijke manier van lezen is ook onjuist. Het gaat hier niet om het overdenken van het theoretische "reinen Vernunft", maar juist van het "praktischen Vernunft", om eens een onderscheid van Immanuel Kant te gebruiken. Dat zie je terug in de contekst waar het staat tegenover verkeerd leven. In psalm 1 gaat het om overdenken om het doen en niet om het denken zelf.

Het gaat dus wel degelijk om doen. Gaat het ook om God in ons hart ervaren? Ik meen van wel. Maar het is niet op de manier die je bij lifestylebladen vindt: zelf doen, zelf ervaren, waarbij iedereen zijn eigen god of God ontdekt. Het verschil is dat in Gods wet God aanwijst hoe we Hem kunnen ervaren, en dat God aanwijst wat we moeten doen om gelukkig te worden.

Het ervaren staat aangewezen in de godsdienstige feesten (en stond aangewezen in de offers die op het enige offer van Jezus Christus, Gods Zoon, wezen), en wijst Jezus zelf later aan in de sacramenten van doop en avondmaal. Het doen staat in de praktische wetten aan Israël maar ook in de brieven van de apostelen. En als we die volgen, vinden we niet alleen vreugde in wat we doen en navolgen maar ook in de uitkomst ervan.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.

maandag 16 mei 2016

Psalm 1 - Aristoteles en Epicurus

Vorige week schreef ik over Psalm 1. Om de implicaties van deze psalm beter te begrijpen, constrasteer ik deze vandaag met filosofische uitgangspunten die ermee in strijd zijn.

De filosoof Aristoteles spreekt niet tegen dat er goed en kwaad is, maar wel dat het kwaad door God bestraft wordt. God is bij Aristoteles de eerste beweger en fungeert alleen als hoogste gedachte. De eerste beweger bemoeit zich niet met de aarde. Dat is in tegenspraak met het laatste vers van Psalm 1:
Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan. (Psalm 1, 6)
Bij Aristoteles is het moreel onjuiste ook niet opzettelijk, maar komt het voort uit onkunde (ontbreken van theoretisch of praktisch inzicht), of uit wilszwakte (akrasia). Iedereen is volgens Aristoteles op het goede gericht, alleen weet men niet wat het goede is. Dat is in tegenstelling tot wat er in Psalm 1 wordt gezegd, want daar gaat het om opzettelijk overtreden van Gods wet en het spotten ermee (vers 1). Daarom is er ook sprake van een gericht waarvoor de goddeloze niet staande zal kunnen blijven (vers 5).

Waardoor komt deze tegenstelling? Als we daarnaar zoeken komen we erachter dat de grond ervoor al in de eerste hoofdstukken van het eerste bijbelboek Genesis te vinden is. Daar wordt immers gesproken van:
  • dat God de aarde schiep, en die heel goed was;
  • dat het kwaad in de wereld kwam met het overtreden van Gods eerste gebod aan de eerste mensen Adam en Eva.
Omdat Aristoteles niet gelooft in een Schepper die ons kent, en ook niet in een eerste gelukkige situatie waarin de mens met God in overeenstemming kon zijn, heeft Aristoteles geen perfecte en heilzame wet van God maar een wet van het juiste midden, en staat hij coulant tegenover onjuist handelen. Eigenlijk begint het erkennen van opzettelijk goed en kwaad bij het erkennen van een wet van God, en begint het erkennen van een wet van God bij het erkennen van een Schepper die ons kent, en begint het erkennen van die Schepper bij het geloof in Gods profetische openbaring aan de wereld door de profeten in de Bijbel en door de komst van Jezus Christus, Gods Zoon, naar de aarde.

Een ander filosofisch uitgangspunt dat in nog groter contrast staat tot Psalm 1 is de filosofie van Epicurus. Volgens hem dient de kosmos geen enkel doel, en bestaat er geen goden of bemoeien ze zich niet met de wereld. Het goede voor de mens is volgens Epicurus dus het in zekere mate scheppen van eigen orde waarin we ons gelukkig voelen. De filosofie van Epicurus leidde overigens weer tot de ethiek van het utilitarisme: dat het goede is datgene wat voor de meeste mensen nuttig is/tot geluk leidt. Het hoogste goed is volgens Epicurus een 'niet verontrust worden' (ataraxia). Dat staat natuurlijk in contrast met Psalm 1 die duidelijk maakt dat er zeker wel een objectief goed en kwaad is in de wet van God, en reden tot verontrust zijn is voor degene die moreel onjuist handelt.

De enige overeenstemming tussen Epicurus en Psalm 1 is dat er genieten is. Want Psalm 1 omschrijft de rechtvaardige als volgt:
(...) die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken. (Psalm 1, 2-3)
Het verschil is dat bij Epicurus het genieten niet op iets specifieks gericht is, maar in Psalm 1 het genieten is gericht op God. Ook hier begint het verschil met het geloof in een Schepper versus het geloof van Epicurus dat de kosmos door toeval tot stand is gekomen en ook weer uit elkaar zal vallen.

vrijdag 13 mei 2016

Psalmen - 2

Vorige week schreef ik over Psalm 1. Vandaag Psalm 2:

1 Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2 De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3 Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!
4 Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
6 Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
7 Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
8 Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
9 U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.
10 Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde.
11 Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
12 Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

Bevreemdend:
Wat in eerste instantie bevreemdend is in deze psalm is dat God een mens, een koning van Sion, Zijn Zoon noemt, en zelfs zegt "Ik heb u heden verwekt" of voortgebracht (vers 7). Iets begrijpelijker wordt het als we zien hoe verweven het bestuur van God en het bestuur van de genoemde koning van Sion is. Er staat niet dat de volken tegen de koning van Sion opstaan, maar dat zij tegen de HEERE en Zijn Gezalfde opstaan. Er staat niet dat zij zeggen "Laten wij zijn banden verscheuren" (nl. van de koning van Sion), maar "Laten wij hun banden verscheuren". En het dienen van God wordt in één adem genoemd met het dienen van de koning van Sion (laatste verzen). God heeft blijkbaar deze koning aangesteld en deze koning regeert namens God, dat zou een reden kunnen zijn waarom God hem Zijn Zoon en afstammeling noemt.

In de Bijbel vinden we een opgeschreven belofte van God aan David en zijn nageslacht die met de inhoud van deze psalm overeenkomt. Voor de volledigheid citeren we deze volledig:
11 (...) Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.
12 Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.
13 Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.
14 Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen.
15 Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw ogen weggenomen heb.
16 Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn (profetie van Samuël, tweede boek, 7).

De bevreemding is daarmee niet helemaal weg. Hoe kan God nu zijn wereldbestuur aan het nageslacht van David geven? Het antwoord is tweeledig:
  1. De koning is gezalfd met Gods Geest, dus heeft gaven gekregen om volgens Gods wil te handelen;
  2. Deze tekst wijst ons op Jezus Christus, de Zoon van God, die ook uit het geslacht van David was en door God als Koning van de aarde is aangesteld.
Dat laatste verklaart ook een ander element wat anders bevreemdend zou zijn: dat er staat "Ik zal u de heidenvolken als uw eigendom geven, de einden der aarde als uw bezit" (vers 8). Het rijk van Israël had niet echt de potentie om een wereldrijk te worden, hoewel de invloed van koning Salomo, de zoon van David, zich wel ver over de grenzen van Israël uitstrekte. Daarom gaat het hier om het wereldbestuur van Jezus Christus, de Zoon van God, die de aarde zal oordelen.

Herkenbaar:
Het beeld van een almachtig God wiens wil heel de aarde bestuurt is voor ons herkenbaar; of liever, dat God niet aards is en daarboven verheven is. In de tijd dat deze psalm geschreven was was men meer gewend aan goden die in een stad of koninkrijkje invloed hadden en daarbuiten niet. Eigenlijk ligt het revolutionaire van deze psalm niet in het feit dat God een koning bijstaat, maar in het feit dat God alle einden van de aarde regeert en aanspreekt!

Profetisch:
In het bijbelboek Handelingen van de apostelen worden de teksten uit deze psalm toegepast op Christus en degenen die niet in Hem geloven. Ook in de brief aan de Hebreeën wordt het koningschap van Jezus vanaf het begin benadrukt, ook om te overtuigen dat het wereldbestuur niet anders dan aan de Zoon van God gegeven zal worden, die voor ons naar de aarde kwam en leed en werd veracht voor onze zonden. De wonderen die Jezus deed waren niet om aan te tonen dat Hij de almachtige Koning is, maar staan in het teken van Zijn verlossing.

En in het evangelie van Mattheüs lezen we van de woorden van Jezus zelf. Hij gebiedt zijn onderdanen niet om geweld uit te oefenen, maar om het evangelie te vertellen zodat mensen Christus als Zoon van God en Verlosser kennen:
En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.
Amen.

zaterdag 7 mei 2016

Psalmen - 1

Het bijbelboek van de Psalmen is een bijbelboek waar geloof en gevoel extra dichtbij komen. Waar bij andere bijbelboeken de morele strekking van de geschiedenis soms niet eens genoemd wordt, wordt deze hier altijd expliciet onder woorden gebracht. Waar bij andere bijbelboeken de toepassing op je eigen leven door jezelf overwogen moet worden, is deze bij het boek van de Psalmen al direct aanwezig.

Het leek me daarom mooi om in deze blog de Psalmen dichterbij te bekijken en van filosofische kanttekeningen te voorzien. Vandaag Psalm 1.

1 Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2 maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
4 Maar zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
5 Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.
6 Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.

Bevreemdend:
Bevreemdend is de scherpe tegenstelling tussen goed en kwaad in mensen in deze psalm. Is het echt zo zwart-wit dat sommige mensen goed/rechtvaardig zijn en anderen door en door slecht? Als je om je heen kijkt zie je juist dat alle mensen een mengsel van goed en kwaad bevatten, en ook in de Bijbel worden de misstappen van de bijbelheiligen genoemd.

Wat op het eerste gezicht bevreemdend is, is bij nadere beschouwing niet wat de psalm bedoelt. Er wordt niet gezegd dat de man die zijn vreugde vindt in Gods wet perfect is, wel dat hij gezegend is. De tegenstelling is niet tussen goede en slechte mensen, maar tussen goede en slechte daden. De woorden "rechtvaardige" en "goddeloze" moeten namelijk geen abstracte betekenis gegeven worden zoals wij dat al snel zouden doen, maar een heel concrete betekenis: rechtvaardig zijn betekent juist hebben gehandeld in een concreet geval, goddeloos of zondig betekent onjuist hebben gehandeld in een concreet geval. In de Bijbel moet er altijd een 'scope' van deze woorden gedacht worden, al wordt deze niet altijd genoemd. In de wetboeken Exodus en Deuteronomium wordt het woord 'goddeloos' alleen genoemd voor degene die bij een concrete rechtszaak aantoonbaar schuldig is, en 'rechtvaardig' voor degene die daarin aantoonbaar onschuldig is; en behalve dat wordt het woord 'rechtvaardig' alleen voor Gods wet gebruikt!

Weliswaar wordt later in de Bijbel de 'rechtvaardige' genoemd degene die volgens Gods wet leeft en de 'goddeloze' die Gods wet niet erkent. Hier maakt Gods Geest het verschil, door Wie zondige mensen wordt geleerd in Gods wet te wandelen, waardoor hun leven geheiligd wordt. Maar dat is een andere dimensie die niet aanduidt dat de daden van iemand perfect zijn, maar dat iemand door Gods Geest goede daden doet. Het woord 'zonde' (peshaw) wat verwant is met het woord voor 'goddeloze' (rashaw) gebruikt David ook als hij zijn schuld bekent na zijn overspel met Bathsheba: "Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid, delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid. Was mij schoon van mijn ongerechtigheid, reinig mij van mijn zonde." (Psalm 51,3-4). Koning David vraagt dan ook niet zozeer of hij van deze overtreding vrijgesproken mag worden, maar of zijn hart en geest rein gemaakt mag worden om andere zonden te voorkomen!
"Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg." (Psalm 51, 13-14)

Herkenbaar:
Herkenbaar is de vreugde die het doen van Gods wet (zowel de geboden voor het dienen van God als voor het juist handelen met onze naaste) kan geven als leidraad voor ons leven, en de vrucht die het leven naar Gods wet kan hebben. De samenvatting van de wet zoals Jezus, Gods Zoon, die geeft is: "U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf" (evangelie van Mattheüs, 22, 37-39).

Profetisch:
De psalm eindigt met: "Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht, de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen. Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen zal vergaan." Deze woorden krijgen meer diepte als we ze lezen in het licht van de opstanding van de doden bij de wederkomst van Christus. Er zijn dan twee mogelijkheden: òf we zijn onderdeel van het Koninkrijk van Christus, òf buiten zijn rijk. Tegen degene die Gods verlossing in Jezus heeft veronachtzaamd en niet de goede vrucht door Gods Geest heeft voortgebracht zal God zeggen: "Ik heb u niet gekend" (evangelie van Mattheüs, 7:22)! Voor de gemeenschap van de rechtvaardigen, voor wie de rechtvaardigheid van Jezus in genade tot hun eigen rechtvaardigheid wordt gerekend door het geloof in God, is er echter de belofte van de vergeving van zonden en het rijk van God.

zaterdag 5 maart 2016

De God van wraak of de God van vergeving

Ten tijde van Socrates waren er zogenaamde 'sofisten' die zich beschikbaar stelden om een zaak te bepleiten. Ze waren er goed in om beide kanten van een zaak te verdedigen en waren daar trots op. Je ziet hetzelfde soms terug in opinieartikelen in de krant: het artikel vóór klinkt al even overtuigend als het artikel tégen.

Hoe komt dat? Mijns inziens omdat de 'scope' of reikwijdte van de argumenten vóór en tegen verschillend is: het ene argument vertrekt vanuit een ander perspectief als het andere, of het ene argument betreft een deel en het andere argument betreft een ander deel van het geheel.

Het is wel interessant om na te gaan welke verschillende perspectieven er kunnen gelden en hoe die tot verwarring kunnen leiden. Deze blog wil ik dat doen voor de ethiek. De ethiek, dus de wetenschap van goed en kwaad, kent meerdere perspectieven. In de christelijke ethiek zijn dat de volgende:
  1. Het handhaven van recht (rechtvaardigheid), dat wil zeggen dat iets correspondeert met de orde en manier waarop het bedoeld is;
  2. Daartegenover het geduld (lankmoedigheid) tegenover degene die het recht nog niet (volledig) nakomt;
  3. De vergelding (retributie of wraak) van onrecht, dus van de verstoring van de orde en bedoeling;
  4. Daartegenover de vergeving van onrecht.
Een interessant boekje die deze ethische perspectieven belicht zowel in het spreken van de Bijbel over God als in het spreken over de mens is het boekje 'Wie is als Gij?' van dr. H.G.L. Peels.

Een voorbeeld is de wet rondom de 'bloedwreker', beschreven in de eerste bijbelboeken (o.a. Numeri, 35). Als iemand zijn naaste had gedood, en het was niet zeker of er opzet in het spel was, dan trad deze wet in werking. (Bij opzettelijk doden volgde daarentegen meteen de doodstraf.) De dichtstbijzijnde bloedverwant van degene die gedood was (met of zonder opzet) had het recht om de dader te achtervolgen en te doden. Daarom kon deze dader vluchten naar één van de zes vrijsteden in het land om aan de dood te ontkomen. Daar was hij veilig. Daarnaast was er mogelijkheid tot terugkeer, namelijk bij de dood van de hogepriester: dan mocht de dader de vrijstad weer verlaten en naar zijn bezittingen terugkeren.

We zien in dit voorbeeld twee perspectieven terugkomen:
  • De vergelding of wraak is aan de orde om de dood van de verwante, die tegen de orde van de natuur en bedoeling van het mensenleven ingaat, te wreken. Op symbolische wijze staat de dood van de dader tegenover de onterechte dood van de ander. Er was bloed gevloeid en dat moet gewroken (rechtgezet) worden (vandaar de naam 'bloedwreker').
  • Daartegenover staat de vergeving die moet gelden als de dader de vrijstad bereikt, of daaruit terugkeert na de dood van de hogepriester.

In de oudtestamentische wet komt het perspectief van recht en vergelding voluit aan de orde (zoals ook van een wet praktisch verwacht mag worden). De mogelijkheid tot geduld en vergeven zal op individueel niveau misschien wel aan de orde geweest zijn, maar is niet uitgebreid beschreven. Wel is er geen plaats voor handelen uit woede; vergelding moet het recht herstellen, niet de woede bevredigen.

Wat wel uitgebreid beschreven is is het geduld van God met ons en de vergeving van God van ons. Er is dus meer dan alleen de wet die de overheid kan handhaven; boven de wet staat de Geest van God die het hart oordeelt.

Een radicale verandering vindt plaats in de woorden van Jezus, wanneer hij de wet meteen doortrekt naar het hart. Alle geboden hebben ook een geestelijke component (evangelie van Mattheüs, 5, 21-35). Maar het blijft niet bij het benoemen van de geestelijke component van de geboden; heel het principe van de wet wordt in een veel groter geestelijk perspectief gezet:
U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo? Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is. (evangelie van Mattheüs, 5, 43-48)

Nadat dus in de oudtestamentische wet duidelijk werd gemaakt wat het recht was door de wet en de overheid, wordt in het evangelie het recht maar ook geduld en vergeving duidelijk gemaakt door God Zelf en Zijn Zoon. Het gebod in het evangelie is het gebod van de liefde, niet van het handhaven van het recht. Het meest duidelijk is dit in het lijden en de dood van Jezus Christus, die niet het recht liet gelden om zijn vijanden te straffen, maar zich liet binden en wegvoeren terwijl hij voor zijn vijanden bad. Het bloed van Jezus roept niet om wraak, maar getuigt van Gods vergeving!

zaterdag 9 januari 2016

Christelijk geloof en geweld

Afgelopen jaar verscheen het boek 'Erfenis zonder testament' van Hans Achterhuis en Maarten van Buuren. In dit boek worden de tien geboden vanuit eigentijds perspectief behandeld – zonder geloof in de God van die geboden.

Hans Achterhuis en Maarten van Buuren sluiten aan bij de hedendaagse opvatting van theologen dat de Bijbel niet het woord van God maar het woord van mensen is, en kopiëren daarbij ook argumenten waarom de Bijbel niet waargebeurd kan zijn, inconsistent is en niet zoveel anders is dan andere boeken. Voor een compleet filosofisch betoog is het inderdaad goed om de complete vooronderstellingen en argumentatie te herhalen. Wat ik echter niet kan begrijpen is dat twee filosofen die wel iets van argumentatieleer weten deze opvattingen en argumenten van theologen zo klakkeloos overnemen. Het zijn niet allemaal argumenten maar ook gewoon speculaties, die echt niet op veel andere gronden gebaseerd zijn dan op het feit dat het leuk is om te vertellen. Sappige details zijn dat God getrouwd blijkt te zijn met een godin (afgeleid van één woordje in het Hebreeuws wat ook iets anders kan betekenen, p.35), dat God bij de schepping gestreden heeft met een zeemonster wat dan ook goed overeenstemt met andere scheppingsverhalen (afgeleid van een ander discutabel Hebreeuws woord, p.38), en dat God geïdentificeerd werd met een oppergod die vereerd werd in de vorm van een stier (gebaseerd op de interpretatie van één bijbeltekst, p.17).

Gelukkig bevat het boek ook gedachten van hogere kwaliteit, en daar schrijf ik liever over. Na een uiteenzetting van het idee van de immanente God bij Spinoza door Maarten van Buuren, volgt er een beschouwing van Hans Achterhuis over Monotheïsme en geweld bij het eerste gebod: 'U zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben'.

Het opvallende daaraan is dat 'geweld' breder wordt opgevat dan normaliter wanneer godsdienst en geweld met elkaar worden geassocieerd. Achterhuis citeert daarbij egyptoloog en godsdienstwetenschapper Jan Assman, die drie vormen van religieus geweld 'uitgeoefend in naam van God' onderscheidt (p.50):
  1. geweld dat gelovigen ondergaan in martelaarschap voor de naam van God,
  2. geweld van uitroeiing van ongelovigen,
  3. geweld van de bekering van ongelovigen.

In zekere zin heeft Achterhuis gelijk dat het christelijk geloof en Evangelie gepaard gaat met geweld. Het Evangelie kondigt niet vrede aan voor allen, maar vrede in God en het oordeel buiten God. Ook is het Evangelie een boodschap die strijd en verdeeldheid geeft, vanwege de geestelijke tegenstand van de mens tegen God. De boodschap van Jezus Christus, die mens werd en Gods eniggeboren Zoon was en is, laat zich moeilijk verenigen met andere goden. Zijn boodschap van absolute gehoorzaamheid aan God gaat niet samen met de wensen van menselijke machthebbers. Dus inderdaad zijn er de drie vormen van geweld:
  1. geweld van het martelaarschap door de niet te rijmen boodschap van het Evangelie
  2. geweld van het oordeel van ongelovigen bij de laatste oordeelsdag
  3. geweld van bekering door de geestelijke strijd om anderen het Evangelie te vertellen, het 'zwaard van het Woord van God' (brief aan de Hebreeën, 4, 12)

Achterhuis vat de twee laatste echter anders op, namelijk dat fysiek geweld tot de kern van het christelijk geloof hoort. Hij heeft hiervoor de voorbeelden:
  • het doden van de kanaänitische volken door Israël bij de aankomst in Kanaän
  • de kruistochten
  • het met dwang bekeren van de Friezen
De laatste twee voorbeelden zijn inderdaad vormen van fysiek geweld die in naam van het christendom werden uitgeoefend, en geven zeker reden tot schuldbekentenis van christenen over dit geweld. Ik beschouw ze echter niet als kern maar als uitwassen van het christendom. Waar christelijk geloof en machtsbegeerte samengaan gaat het namelijk altijd fout. Opdracht daartoe is echter niet in de Bijbel te vinden. Jezus geeft zijn discipelen niet de opdracht om heel de aarde te veroveren, maar heel de aarde het Evangelie te prediken (evangelie van Mattheüs, 28, 19). Hij geeft niet de opdracht om een ongehoorzame stad met vuur te verbranden, maar om deze te verlaten en aan Gods oordeel over te laten (evangelie van Mattheüs, 10, 14-15).

Het eerste voorbeeld van het doden van de kanaänitische volken door Israël bij het in bezit nemen van Kanaän is wel een afschrikwekkend voorbeeld van geweld in de Bijbel. Het verschrikkelijke daarvan kun je niet nuanceren. Wel is het belangrijk om te onderzoeken wat de reden is, want die is niet het uitroeien van ongelovigen omdat ze ongelovigen zijn, maar een eenmalig en onherhaalbaar oordeel en straf van God over de volken in Kanaän. Dit is van de Bijbeltekst af te leiden waar God aan Abraham het land Kanaän belooft: deze belofte zal niet meteen in vervulling gaan omdat "de maat van de ongerechtigheid nog niet vol is" (Genesis, 15, 16). Bij de uittocht uit Egypte wordt niet de strijd aangegaan met alle ongelovige volken (Deuteronomium, 2). De woorden van Mozes in Deuteronomium zijn:
Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. (Deuteronomium, 9, 5)
Daarbij is het van belang op te merken dat dit in de geschiedenis van Israël ook niet meer voorkomt op Gods bevel en in Gods naam. Volken om Israël dienen niet Israëls God, maar God stuurt Zijn profeten en niet de legers van Israël. De profeten kondigen vaak Gods straffen aan bij andere volken door oorlog met andere volken, maar geen vernietiging door Israël zelf. Wat een gewelddadige bekering betreft zie je hetzelfde: ook dat komt niet voor in de Bijbel. Binnen Israël, het volk met de naam, identiteit en wetten van God, worden Gods wetten wel streng gehandhaafd, maar Israël blijft Israël, nieuwe bewoners worden geen Israëliet tenzij ze er zelf voor kiezen om gedoopt te worden.

Daarbij moeten we opmerken dat Israël uniek was als volk:
  • De naam 'Israël' was door God aan stamvader Jakob gegeven;
  • Alle burgers van Israël waren nakomelingen van de door God op late leeftijd aan Abraham en Sara gegeven zoon Izak;
  • De wet van Israël werd door God aan Mozes gegeven;
  • De koning van Israël (Saul, David) werd door God gezalfd;
  • Het land van Israël werd door God aan Abraham beloofd en aan Israël gegeven.
Dus de complete identiteit van Israël kwam van God! Daarom is Israël nog het best vergelijkbaar met de 'gemeente van Christus' of alle gelovigen op aarde, omdat die ook hun identiteit uit God hebben, aangezien ze niet gelovig zouden zijn als God Zich niet had geopenbaard. De gemeente van Christus is verspreid over alle landen en hoort bij geen enkel land. Kortom, het voorbeeld van Israël en de uittocht van Egypte naar Kanaän kan nergens een tweede keer voorkomen en was uniek.

Geweld hoort dus niet bij de kern van het christendom; behalve de hiervoor genoemde geestelijke strijd die zonder wapens gebeurt: "De wapens van onze strijd zijn immers niet vleselijk, maar krachtig door God, tot afbraak van bolwerken. Want wij breken valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus" (tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe, 10, 4-5). En de woorden van Jezus waren:
Maar Ik zeg tegen u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten. Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren. Bied hem die u op de ene wang slaat, ook de andere. Verhinder hem die het bovenkleed van u afpakt, niet ook uw onderkleed te nemen. Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is. En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.

En als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. En als u goeddoet aan hen die aan u goeddoen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars doen hetzelfde. En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen. Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.

Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. (evangelie van Lukas, 6, 27-36)