dinsdag 31 mei 2011

Filosofie van het wachten

Als je geen vrede met jezelf hebt, is het beter eerst te bedenken wat je eigenlijk verlangt en wat de echte vervulling van je verlangen is, dan een directe afleiding ervan te zoeken. Ik heb de ervaring dat ik daar wel eens in faal, daarom schrijf ik het op.

Een voorbeeld is verveling. Het is dom om dan afleiding in iets te zoeken wat je uiteindelijk 'alleen maar doet omdat je je verveelt', het is veel beter om even afstand te doen van de reflex tot afleiding en na te denken over wat je mist, en proberen te genieten van iets prachtigs om je heen (zoals de natuur).

Soms is het ook gewoon nodig een verlangen te cultiveren. Een voorbeeld wat ik bij moraalfilosofie leerde was het mogelijk onvervulbare verlangen van een echtpaar naar kinderen. De boodschap van Epicurus: probeer niet de werkelijkheid aan te passen, maar pas je verlangens aan.

Maar volgens mij is meestal het probleem dat we niet eens weten wat we zoeken. En sorry, simpele antropologieën zoals van Freud (levensdrift en doodsdrift) of van Deleuze en Guattari (genot in het koppelen van de vele 'machientjes' waar het lichaam uit zou bestaan) volstaan voor mij niet. Natuurlijk is het wel mogelijk om alle menselijke verlangens volgens deze modellen min of meer te beschrijven, maar zulke modellen lijken altijd een abstractie te maken van de diepte en toestand van menselijke gevoelens.

Weten dat en wat je verlangt betekent dat je soms moet wachten. Ik bedoel hier niet mee te zeggen dat het leven vooral uit terughouden moet bestaan, want er bestaat evengoed vervulling van verlangen waar je met overgave van kunt genieten (als goede gaven van God).

Voor christelijke filosofie betekent dit wel ook de erkenning van een verlangen dat nooit vervuld zal worden in dit leven, een 'verwachting' of 'hoop'. De realisatie dat het onmogelijk is hier complete vrede met alles te hebben, geeft weer de mogelijkheid tot rust.

Zo schrijft ook de apostel Paulus (aan het einde van de eerste brief aan Tessalonica):
Onderzoek alles op zijn waarde en houd vast wat goed is. Ga elk soort kwaad uit de weg. Wij vragen dat God, die een God van vrede is, u in alle opzichten heiligt, en dat heel uw persoon, naar geest, ziel en lichaam, onberispelijk bewaard blijft tot de komst van onze Heer Jezus Christus.

maandag 23 mei 2011

Waarom geloven in Christus?

'Waarom geloof je?' hoeft geen moeilijke vraag te zijn. De woorden van de Bijbel hebben je bijvoorbeeld aangesproken, je bent hoe dan ook ergens door overtuigd. Geloof is overtuigd zijn van dingen die niet zichtbaar zijn (brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 11).
Moeilijker is de vraag: 'Waarom geloof je dit?' Stel dat je in een andere traditie was opgevoed, had je dan niet geloof in iets anders gehad? Wat maakt jouw geloof het enige ware?
Stel dat je één geldige reden kunt geven waarom jouw geloof beter is dan de andere, dan is dat al genoeg. Voor het christelijke geloof ten opzichte van andere geloven heb ik er vele. Maar: de vergelijking met andere geloven zorgt voor iets anders: je gaat je afvragen: als een ander geloof volgens je eigen opvatting een verzinsel is, omdat je overtuigd bent van een andere waarheid, dan kan geloof dus een verzinsel zijn dat ver gaat. Wat geloof kan verzinnen is dan veel: gebeurtenissen, openbaringen, claims van woorden van God, enzovoort.
Hoe weet je dus nog zo zeker dat wat jij gelooft (hoewel met reden) waar is, als je het vergelijkt met het door jou onwaar geachte geloof van anderen?
Ik heb al gezegd: geloof is overtuigd van dingen die niet zichtbaar zijn. Er is nooit een complete redelijke rechtvaardiging voor wat je gelooft. Er blijft altijd iets wat je 'gevoel' noemt — hoewel dat misschien een te geringschattende term is voor wat ook 'openbaring' genoemd zou kunnen worden.

Op het kruispunt van gevoel (of openbaring) en rede zul je dus iets van je overtuiging moeten uitdrukken, als je het onzichtbare een klein beetje zichtbaar wilt maken. Maar het is moeilijk, omdat voor elk moment van overtuiging dat voor jou overtuigend is, anderen dat moment in twijfel kunnen trekken. En door die mogelijkheid van verstandelijke twijfel in de ander, kun je zelf ook elk moment van overtuiging door je eigen rede in twijfel laten trekken.
We bevinden ons daarmee helemaal niet in een nieuwe of unieke situatie: de volgelingen van Jezus hadden precies dezelfde kritiek van buitenaf. Laten we dus zien wat voor commentaar de volgelingen van Jezus geven waarmee ze hem belijden als de Heer, Gods Zoon, en de verlosser. Jezus' daden geven niet alleen een goed voorbeeld; zijn woorden en daden waren met kracht. Allereerst over Jezus' woorden:
Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, en wij geloven en weten dat u de heilige van God bent. (evangelie naar Johannes, einde van hoofdstuk 6)

Maar het gaat niet om woorden alleen, ook om daden:
Toen Johannes in de gevangenis hoorde over de daden van de Messias, liet hij Hem bij monde van zijn leerlingen vragen: ‘Bent U het die komen zou, of hebben we een ander te verwachten?’ Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd. Gelukkig degene die geen aanstoot aan Mij neemt.’ (evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 11)

Hoe belangrijk de levenswandel is, zegt Jezus ook zelf:
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan. (evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 7)


Maar we kunnen Jezus' woorden mooi vinden en toch niet geloven dat hij God is. We kunnen stellen dat de beschrijving van zijn daden min of meer verzonnen is door zijn volgelingen. Daarom is het uiteindelijk Gods Geest die ons overtuigt: die geeft dat het geheel van opgeschreven woorden en de beschrijvingen van gebeurtenissen voor ons gaat leven, zodat we niet meer anders kunnen dan geloven.
Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken.
Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’
Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’ (evangelie naar Markus, einde hoofdstuk 8)

Of je wilt geloven of niet, je wordt geconfronteerd met wie 'Jezus van Nazareth' was. Wat mij betreft is dat voor ieder persoonlijk reden tot zelfonderzoek: kan het zijn dat het waar is?

(zie ook dit eerdere bericht over Kierkegaards boek 'Oefening in christendom')

dinsdag 17 mei 2011

Is iedereen schuldig?

In het prachtige boek 'Of/Of' van de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) las ik het volgende:
"De overleggingen van het hart zijn te miserabel om zondig te zijn. Voor een worm zou het misschien als zonde kunnen worden beschouwd om dergelijke gedachten te voeden, niet voor een mens die naar Gods beeld geschapen is. Hun lusten zijn vadsig en indolent, hun hartstochten slaperig; ze doen hun plichten, deze kleine zielen, maar permitteren zich niettemin net als de Joden de munt een klein beetje te besnijden; ze denken dat, ook al houdt Onzelieveheer nog zo nauwkeurig de boeken bij, men hem gerust wat voor de gek kan houden. Wat een lui! Daarom keert mijn ziel altijd weer terug tot het Oude Testament en tot Shakespeare. Daar voelt men dat het mensen zijn die spreken; daar haat men, daar heeft men lief, vermoordt zijn vijand, vervloekt zijn nageslacht door alle generaties, daar zondigt men." (Of/Of, Diapsalmata, uitgeverij Boom, Amsterdam, 2000, p.36)


Ik vind het moeilijk uit te leggen, maar ik heb een negatief mensbeeld. Dat betekent overigens niet dat ik het goede in mensen niet kan zien. Het wil dit zeggen: ik geloof dat niemand behouden zal worden in Gods oordeel zonder geloof in Jezus Christus. De tegenwerping is echter vanzelfsprekend: "Wat hebben wij verkeerd gedaan?" Is het niet zo dat tegenwoordig mensen over het algemeen goed voor elkaar zijn?

Kierkegaards voorbeeld is ook welsprekend: wat de meeste mensen verkeerd doen is onbetekenend, net zoals het een klein beetje besnijden van een zilveren munt. Houdt God dan 'zo nauwkeurig de boeken bij' dat onbetekenende dingen even zwaar tellen?

Dat laatste denk ik niet: ik denk dat er een veel groter onderscheid is tussen mensen die behouden zullen worden en mensen die om eigen schuld niet voor God kunnen bestaan. Dat onderscheid is in het wel of niet hebben aangenomen van de verlossing die God aan de mens gaf en waarvoor Zijn Zoon Jezus Christus op aarde is gekomen en geleden heeft. God is niet als een onverbiddelijke rechter die alle zonden uittelt, maar als een uitziende vader die er alles aan doet om zijn weggelopen zoon weer thuis te krijgen of als een bezorgde herder die negenennegentig schapen achterlaat om naar het ene achtergebleven schaap te zoeken (zie het evangelie volgens Lukas, hoofdstuk 15)!

Of zijn mensen toch onschuldig omdat ze God en Christus niet kennen? De Bijbel spreekt er in ieder geval over dat de mensen uit de steden waar Jezus geweest was en gesproken had, een zwaarder oordeel trof. Maar zijn er niet steeds meer mensen die steeds minder in het christelijke geloof zien omdat er niemand is die hun de waarde ervan kan laten zien?

Het antwoord op deze vraag stel ik even uit. Om terug te komen op het citaat van Kierkegaard: ik denk wel dat kleine dingen toch groot kwaad kunnen zijn, doordat de intentie ook bij subtiele gevolgen toch al verkeerd is. Wie kleine dingen steelt, doet dat met een verkeerde intentie, en steelt alleen geen grote dingen omdat hij daar de moed of de middelen niet voor heeft. (Filosofen als Pierre Abélard en Immanuel Kant hebben dit ook benadrukt.) Maar: staan tegenover deze weinige verkeerde intenties niet veel goede intenties met klein of groter resultaat?

Dus, de stelling die uit beide vragen volgt: God heeft geen reden tot klagen, omdat de mensen geen aanleiding hebben om te geloven? Ik zal laten zien hoe dwaas die stelling is. Ze komt voort uit een basishouding van de mens: "Ik heb God niet nodig, ik kan mezelf wel redden." Een reactie van mensen die je vertelt van de verlossing door Jezus: "Zie ik er zielig uit of zo?" Nee! Maar je bent wel arm omdat je je eigen armoede niet beseft. Die basishouding die de verkeerde intenties bij zichzelf verdraagt, die het niet erg vindt om zelf geëerd te worden maar het wel erg vindt om God te aanbidden (vergelijk Augustinus, De Stad Gods, deel II, boek 2, hoofdstuk 1) is er precies een die God niet kan verdragen, in dubbele zin: het is vijand zijn van God. Het is precies die houding die een wig heeft gedreven tussen God en Adam, waardoor de mens niet meer met zijn schepper in harmonie kon leven en zijn eigen doodvonnis tekende.

Misschien dat ik hiermee het negatieve mensbeeld kan samenvatten: als de mens het hoogste goed verlaat, kan er niets anders overblijven dan het kwaad (een centrale gedachte in de filosofie van Augustinus). En daarom is het maar goed dat er een weg terug is.

"En omdat zij aan wie vroeger het evangelie verkondigd is, er vanwege hun ongehoorzaamheid niet zijn binnengegaan, legt God nu opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig.’ [...] Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat. Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden. Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen. Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden." (brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 4)

maandag 16 mei 2011

Ethisch en persoonlijk

Ik heb ontdekt dat ik het moeilijk vond twee sociale perspectieven te verenigen: het ethische en het persoonlijke. Ik weet even niet welke filosofen hier iets over gezegd hebben; laat ik daarom maar zonder referenties of onderzoek er iets over zeggen.

Vanuit abstract ethisch perspectief is er geen verschil tussen mensen dichtbij en mensen ver weg, of tussen bekenden en onbekenden. Maar vanuit persoonlijk perspectief is dat heel anders. Vanuit ethisch perspectief kun je de bedelaar op het station benaderen alsof je zelf het was; of alsof het een broer of zus van je was die op een slecht spoor is gekomen. Vanuit ethisch perspectief wens je al het allerbeste voor mensen. Kan persoonlijke liefde daar wel iets bij doen?

Het is van belang te zien dat er twee perspectieven zijn. Het ene is het persoonlijke, dat berust op 'binding' met, persoonlijk gevormde liefde voor andere mensen (of de omgeving, etc.) (vergelijk het idee van Levinas over de factor tijd in relaties tussen mensen). Het andere is het ethische, dat berust op een universele verantwoordelijkheid ten opzichte van ieder ander mens (of de natuur, etc.). Het ethische perspectief is blij over, of rouwt over alle mensen. Het persoonlijke perspectief is blij over, of rouwt over bekenden.

Let op dat het ethische sterker is (de iure) dan het persoonlijke: we mogen fouten van bekenden of verwanten niet goedkeuren als we ze bij anderen veroordelen. Wel is het zo dat bij een keuze uit twee alternatieven met gelijke ethische waarden er kan worden gekozen voor het alternatief met de meeste persoonlijke waarde. Een voorbeeld wat ik eens tijdens een les filosofie gehoord heb was van de redding van twee drenkelingen: red je degene die je kent eerder dan de ander die je niet kent? Het kan een zeker gewetensbezwaard gevoel geven, wat alleen voortkomt uit het feit dat we denken: "Hier laat ik toch niet het persoonlijke voorgaan op het ethische? Ik handel hier toch wel volgens ethiek, en niet volgens eigen voordeel?" Er is iets heel moeilijks in de toepassing van een persoonlijk onderscheid in een situatie waarin een ethisch beroep op je wordt gedaan, hoewel het niet tegen de ethiek ingaat. Dat bevestigt volgens mij het feit dat het ethische boven het persoonlijke staat.

Anderzijds schakelt het ethische het persoonlijke niet uit. Je mag iemand die je kent wel ethisch veroordelen, maar dat betekent niet dat je hem erom zult haten. Of misschien zul je hem vanuit ethisch perspectief haten, maar vanuit persoonlijk perspectief liefhebben.

Het ethische heb ik hiervoor al universeel genoemd. Toch moet dat perspectief niet te abstract worden. Het ethische appel gaat altijd over handelingen die jij kunt stellen, over mensen die jij ontmoet — je kunt niet evenveel gericht zijn op het welzijn van alle mensen van de wereld, inclusief die ver van je verwijderd zijn, als op het welzijn van de mensen om je heen. Dit voorgaande doet niets af van het onderscheid tussen ethisch en persoonlijk perspectief; maar het nuanceert wat universaliteit vanuit het ethische perspectief betekent.

Waarmee is dit dubbele perspectief van de mens duidelijker te maken? Ik denk dat het moeilijk is een verduidelijkende vergelijking te vinden. De beide perspectieven zijn hoe dan ook diep geworteld in menszijn. Het ethische perspectief is alleen mogelijk omdat we een mens onder de anderen zijn, en het persoonlijke perspectief omdat we een bepaalde manier van kennen hebben.

In de Bijbel is er een verontrustende passage over het persoonlijke perspectief: daar waar Jezus zegt dat na de dood geen huwelijk meer zal gelden (Evangelie naar Marcus, hoofdstuk 12). Kennen we onze bekenden dan niet meer? Zijn ze niet meer even belangrijk als eerst? Of impliceert het voorbij zijn van het huwelijk nog niet dat het persoonlijke perspectief voor bij is, alleen dat het anders zal worden? Ik houd het maar op dat laatste. Want als het persoonlijke perspectief niet blijft, gaat de menselijke identiteit ook verloren, en zelfs de betekenis van mens te zijn verandert. Maar ja, wie zijn wij?

donderdag 12 mei 2011

Objectiviteit en bestaan

Ik heb lang de natuurwetenschap als de meest fundamentele beschrijving van de werkelijkheid gezien. Liever: als de werkelijkheid: met de overtuiging dat er niets daarbuiten bestaat, behalve nog een ander ontologisch bestaan van God, en ook van de identiteit en vrije wil van de mens.

Ik denk toch dat ik die visie genuanceerd kan worden. De reden waarom de natuurwetenschap, het fysische, als het meest fundamenteel kan worden gezien is, zoals ik het nu zie, doordat ze de meest breedsprakige en precieze beschrijving van de werkelijkheid geeft — echter, andere beschrijvingen van dezelfde werkelijkheid – zoals een ethische of perceptieve/esthetische – mogen minder woorden hebben voor wat ze zien, maar waarom zou dat ze ondergeschikt maken aan die meest breedsprakige beschrijving van het fysische? De reden van twijfel aan het fysische als de meest fundamentele is ook dat filosofie vrij zelfverzekerd moet zijn om te kunnen zeggen dat ze de werkelijkheid op de best mogelijke manier kent. Wie zegt dat de werkelijkheid toch niet uiteindelijk onverwacht veel rijker is dan we altijd hebben gezien? Het zou kunnen dat er nog aspecten van de werkelijkheid zijn die we nooit hebben gezien. Dat is vergelijkbaar met de gedachte van Kant dat het 'ding op zich' onkenbaar is, of dat we tenminste niet kunnen weten of we het kennen. De filosofie waarmee ik het hier in verband breng (zie ook dit eerdere bericht) is die van (de neokantiaans beïnvloede) Herman Dooyeweerd, die de werkelijkheid beschreef in 'zijnsaspecten': fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel.

Er zijn zeker bruggen te slaan tussen verschillende beschrijvingen van de werkelijkheid, zoals tussen het fysische en het perceptieve/esthetische. Maar is de mogelijke beschrijving in het fysische het enige objectieve aan bijvoorbeeld het perceptieve/esthetische, en is wat niet fysisch uit te drukken is allemaal subjectief? Daar valt aan te twijfelen: het is toch goed mogelijk dat er nog een andere objectiviteit bestaat in bijvoorbeeld het perceptieve/esthetische waardoor alle mensen delen in wat mooi is of wat ervaren wordt?

Voor een gelovige is het gemakkelijker een rijkdom in de werkelijkheid (zoals meerdere 'zijnsaspecten') te erkennen dan voor wie niet in God gelooft; tenminste, ik kan me voorstellen dat iemand die bijvoorbeeld evolutionisme als uitgangspunt neemt het idee van meerdere zijnsaspecten nogal fantastisch en onmogelijk vindt. Dat kan ook niet anders: evolutionisme gaat al uit van de vooronderstelling dat het fysische het meest fundamentele is. Voordat een filosofische kritiek daarvan mogelijk is, moet er eerst ruimte zijn voor twijfel aan het evolutionisme – en dat is niet makkelijk als alleen schepping het alternatief is. Maar misschien onderschat ik wel de mogelijkheden van andere ontstaanstheorieën waarmee een metafysica altijd verbonden is: ook neoplatonisme, aristotelianisme, spinozisme hebben een theorie over het ontstaan van al wat is. Niet dat ik, die in God geloof, dat als alternatieven zie.

maandag 2 mei 2011

Concepten

Bij het beschrijven van iets (het vatten in concepten, in woorden) is het altijd zoeken naar de realiteit van die beschrijving. Is de beschrijving niet een ideële abstractie? En als ze dat is, is ze dan misschien toch nog nuttig?

Hoe weten we dat onze woorden of concepten staan voor reële dingen? Volgens de Duitse filosoof Kant kunnen we dat niet weten. Ik stem daarmee in in zoverre dat we dat niet met de ratio alleen kunnen weten; maar ik hecht altijd de meeste waarde aan de concepten die het meest treffen – gevoel speelt een rol! – of het meest met de praktijk verbonden zijn.

Hoe zit het met die toets van concepten in de wetenschap? Over natuurwetenschap is weinig twijfel omdat haar concepten met technische waarneming verbonden zijn. Maar de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen zijn een andere zaak. Concepten en modellen steunen daar ook vaak op een wetenschappelijke traditie, of op analogie met andere concepten.

Aan deze toets van concepten denk ik dan ook altijd als ik politieke filosofie of wetenschap lees, of iets bedenk over de menselijke geest. En niet alleen: 'Is het reëel?' maar ook: 'Is het waar? Waaraan is een bewijs ontleenbaar?' Een bewijs is gebaseerd op een logische procedure die het mogelijk maakt te kiezen tussen bepaalde uitspraken in een bepaalde contekst. Als het bijvoorbeeld gaat om beschrijvingen van de menselijke geest, is introspectie ('in jezelf kijken') de enige waarneming die je hebt. Maar die waarneming is niet heel betrouwbaar: het is gemakkelijk je dingen in te beelden en jezelf te bedriegen. Hoe kan het anders dat je niet altijd doet wat je van plan was? Dat maakt een eigen psychologie moeilijk te vertrouwen. Als het gaat om politieke filosofie, geven sommige politieke filosofen van tevoren al aan dat er geen perspectief van buitenaf op het politieke mogelijk is. Wie politieke filosofie bedrijft, is altijd al beïnvloed door maatschappij waarin hij zelf leeft en zijn eigen positie daarin. Hoe revolutionair en verrassend een politieke filosofie ook kan zijn, dat draagt niets bij tot de zekerheid ervan. Het is te vergelijken met introspectie bij een psychologische beschrijving van jezelf.

Maar zoals ik al zei: gevoel speelt een rol. Als een psychologische of politieke beschrijving beroep doet op een universeel ethisch gevoel, zoals het ethisch appel van de ander (zoals bij de Frans-Joodse filosoof Levinas), dan maakt het alleen maar juiste gevoelens los. Als een psychologische of politieke conceptuele beschrijving een diepere vertaling heeft in gevoelens waarvan we zeker zijn, dan heeft die beschrijving legitimiteit voor ons, en als dezelfde vertaling door anderen gemaakt kan worden, ook voor anderen.

Het is belangrijk dat zo'n 'vertaling' laagdrempelig blijft — maar wat aanspreekt lijkt per mens te verschillen. Maar soms lijkt het dat denkers genoegen nemen met een ingewikkelde beschrijving die nauwelijks te vertalen is, maar slechts gewaardeerd kan worden om een logische consistentie.

Een verschil in de filosofie dat vaak wordt gemaakt is tussen de analytische en continentale traditie. Als we die tegen deze achtergrond beschrijven, is de analytische traditie vooral uit op meetbaarheid en doet ze weinig of geen beroep op gevoel, en is de continentale traditie vooral uit op gevoel. De continentale traditie moet oppassen dat ze geen ingewikkelde maar lege of onware beschrijvingen geeft. De analytische traditie moet in het oog houden waarnaar ze zoekt: niet naar slechts een ontrafeling van beschrijvingen, maar naar een analytische duidelijkheid in de op verschillende manieren beschreven praktische en reële zaken.

Zoals filosofie een vertaling is die beroep doet op ethische of andere gevoelens, is literatuur ook een vertaling. Beiden hebben ze echter hun eigen karakteristieken: filosofie maakt zo veel mogelijk gebruik van rationaliteit en concepten, literatuur zo min mogelijk. Welke het eerst bij de waarheid arriveert? Ik denk dat geen van beiden daarin boven de ander uitsteekt. Maar goede literatuur lijkt zeldzamer en moeilijker; filosofie heeft meer traditie en methode. Daarentegen is het resultaat bij literatuur waarschijnlijk laagdrempeliger en in dat aspect beter.

Het vinden van de waarheid, vanuit christelijk perspectief, is sowieso een wijsheid die door God gegeven wordt — aan wie dan ook. Maar ook echte wijsheid heeft geen perspectief zonder geloof in God: "Zonder het geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn; wie bij God wil komen, moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij allen beloont die Hem zoeken" (Brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 11).