Posts tonen met het label geest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geest. Alle posts tonen

maandag 27 januari 2014

Waar is de hemel?

Al vanaf het eerste bijbelboek wordt God genoemd als in de hemel wonend, in tegenstelling tot de aarde (Genesis, 21:17; ook in het eerste boek Koningen, 8:27). Hoe moeten we dat ons voorstellen?

Het is in ieder geval niet zo alsof God boven de wolken fysiek aanwezig is. Het is waar dat God met fysische tekenen aanwezig kan zijn, maar dat beperkt zich niet tot de lucht en de hemel. Sowieso is God niet fysisch: God is de Schepper van de hemel en van de aarde, het fysische is dus Zijn schepping. Waarom zou Zijn aanwezigheid zich beperken tot maar een fysieke plek? In zekere zin is God in heel veel schoonheid van de natuur, zowel het ontzagwekkende als het kwetsbare, dichter bij of verder weg voor ons aanwezig. Want God is ontzagwekkend:
"Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is van u: Van u, o HEERE, is het Koninkrijk, en u hebt u verhoogd tot een hoofd boven alles." (eerste boek Kronieken, 29:11)

Wat betekent het dan? Is de hemel soms ergens anders? Een andere wereld zoals C.S. Lewis het land Narnia beschreef, dat door een deur bereikbaar is en waar alles anders is? Of is de hemel ergens oneindig ver weg in de ruimte, in een ander sterrenstelsel? De gedachte van C.S. Lewis in het boek 'Out of the silent planet' is dan nog vruchtbaarder. Daarin beschrijft hij hoe de ruimte tussen de planeten en de sterren onzichtbaar door engelen en door God zelf wordt bewoond. Die gedachte noem ik vruchtbaarder omdat dan God niet alleen verheven is maar ook dichtbij is, en dat is precies zoals het christelijke geloof belijdt.

Een andere manier om te spreken over de hemel als de woonplaats van God is dat we inzien dat het verschil tussen hemel en aarde juist belangrijk is. Mensen zijn aards, letterlijk uit het stof van de aarde gemaakt; God is niet van die categorie, maar is erboven verheven. Omdat God alles heeft gemaakt is God oneindig groter dan de schepping. Wat dat betreft zouden we het beste God als oneindig ver weg kunnen voorstellen en de engelen als de sterren van de hemel. Maar natuurlijk is het niet zo dat God oneindig ver weg is: Hij is ook altijd dichtbij! Het is dus een manier van spreken.

Dat Jezus Christus die de Heer van heel de aarde is, is opgenomen in de hemel, wil niet zeggen dat hij boven de wolken of ergens anders fysiek is. Net als de troon van God boven de aarde geen fysieke troon is, is het zitten van Christus aan de rechterhand van God de Vader in de hemel (evangelie van Markus, 16:19) niet fysiek, maar geestelijk. In die zin is de hemel niet ergens, maar is de hemel overal. Ze is wat ons omringt. Dat wil zeggen dat de heerlijkheid van God ons omringt en ons regeert! De engelen, die geesten zijn en voor de troon van God staan, zijn trouwens niet overal zoals God overal is. Ze worden wel de machten in de lucht genoemd (in de brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Efeze, 6:12).

Maar Christus zal ook terugkomen op de aarde, zoals tegen de discipelen werd gezegd: "zoals u Hem in de hemel hebt zien ingaan" (Handelingen van de apostelen, 1:11). De opstanding van de doden zal niet in de hemel zijn maar op de aarde, en: "Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont." (tweede brief van de apostel Petrus, 3:13). Maar intussen zijn we niet verlaten. Jezus zegt:
"Ik ben met u alle dagen tot het einde van de wereld" (evangelie van Mattheüs, 28:20).

vrijdag 13 augustus 2010

Het concept van 'geest'

In de filosofie van de geest staat vaak de verhouding tussen cognitie, materie en zelfbewustzijn centraal. De filosoof Gilbert Ryle werd bekend met zijn boek 'The Concept of Mind' -- mooi geschreven -- waarbij de startzin is: "There is a doctrine about the nature and place of minds which is so prevalent among theorists and even among laymen that it deserves to be described as the official theory." Vervolgens geeft Ryle een zeer goed geformuleerde beschrijving van die theorie van dualisme. Veel in deze beschrijving waardeer ik omdat ze belangrijke dingen stelt die de theorie van het dualisme kan stellen. Andere omschrijvingen van Ryle zijn echter onjuist algemeen toe te passen op deze theorie. Daarom nu een opsomming van wat de theorie van het dualisme niet per se stelt:


  1. Ze stelt niet dat het leven in geest en lichaam twee verschillende levens zijn. Ryle zelf beschrijft dit meesterlijk: "What the mind wills, the legs, arms and the tongue execute; what affects the ear and the eye has something to do with what the mind perceives; grimaces and smiles betray the mind's moods and bodily castigations lead, it is hoped, to moral improvement." Maar sommigen die zich negatief uitlaten over dualisme stellen dat ze de scheiding tussen lichaam en geest maakt om de een boven de ander te waarderen. Dat is echter niet een noodzakelijke stelling voor dualisme, hoogstens heeft het dualisme in haar historie sommige omarmers van dit denkbeeld gehad die de onafhankelijke gedachte en imaginatie van de geest hoger achtten dan de lichamelijke prikkel; maar dat maakt het niet tot noodzakelijk onderdeel van de theorie.

  2. Ze stelt wel dat lichaam en geest twee existenties zijn, maar niet dat de geestestoestand totaal niet af te leiden is uit wat het lichaam doet. Het is onbegrijpelijk dat Ryle stelt dat met de theorie van het dualisme het onmogelijk moet worden gesteld dingen te constateren over de geest van een ander, waar hij eerst heeft gezegd dat lichaam en geest volgens die theorie zo sterk gekoppeld worden geacht. Wel is het zo dat er uitzonderingen bestaan -- soms kan het lichaam inderdaad anders doen dan de geest, of de toestand van de geest totaal verbergen -- maar hieruit af te leiden dat het dualisme het 'zelf' isoleert van kennis van anderen is ongegrond.

  3. Ze stelt niet dat de geest onfeilbaar is en alles van het 'zelf' (in lichaam en ziel) weet. Wel is er sprake van een zelfkennis die directer is dan alle andere kennis van de wereld om ons heen, maar dat is geen al-kennis. Ons onderbewustzijn en andere gegevens van ons 'zelf' kunnen ons gemakkelijk ontgaan.

  4. Ze stelt niet dat de geest 'rationeel' is, al is het redelijke wel een substantieel onderdeel van de psyche van de mens. Echter, wie beter kan rekenen is niet meteen van een betere geest. Onze IQ-waarde beïnvloedt veel van onze levensmanieren en observaties, maar is geen graad voor het geestelijk bestaan.

  5. Ze kan niets verifieerbaars stellen over een mechanisme dat geest en lichaam met elkaar verbindt. Ze kan wel de concepten van geest en lichaam en hun relaties verder uitwerken, maar kan geen natuurwetenschappelijk of geesteswetenschappelijk verifieerbare stelling doen over de actuele verbintenis tussen het geestelijke en lichamelijke. Deze belangrijke constatering doet Ryle in zijn beschrijving van de theorie van het dualisme:
    But the actual transactions between the episodes of the private history [lees: van de geest] and those of the public history [lees: van het lichaam] remain mysterious, since by definition they can belong to neither series. They could not be reported among the happenings described in a person's autobiography of his inner life, but nor could they be reported among those described in someone else's biography of that person's overt career. They can be inspected neither by introspection nor by laboratory experiment.



Ryle zelf stelt dat het stellen van existentie van de geest een 'categoriefout' is, en dat de theorie van het dualisme daarom absurd is. Maar dat is bedelen om de vraag: waarom is het stellen van niet-existentie van de geest geen categoriefout, en daarom absurd? Het stellen dat de woorden over de geest iets anders bedoelen dan iets wat echt bestaat is een analytische stelling die een deel van de gegeven wereld niet als werkelijk beoordeelt maar als een functie van andere dingen die wel werkelijk zijn. De bewijslast voor deze stelling ligt in het aantonen dat de woorden over de geest toespelingen zijn op iets anders, en de bewijslast voor de theorie van het dualisme ligt in het aantonen dat deze woorden niet op iets anders kunnen wijzen.

vrijdag 20 februari 2009

Het zelf

Werkzeug deines Leibes ist auch deine kleine Vernunft, mein Bruder, die du "Geist" nennst, ein kleines Werk- und Spielzeug deiner großen Vernunft.


In het hoofdstuk "Von den Verächtern des Leibes" bedient Zarathustra zich van heel wat rethoriek om tegen te spreken dat het hoofd het lichaam regeert. "Lijdt" is een 'bevel' van het lichaam aan het verstand:
Das Selbst sagt zum Ich: "hier fühle Schmerz!" Und da leidet es und denkt nach, wie es nicht mehr leide --- und dazu eben soll es denken.
(Het is heel wat anders als we de communicatie van het lichaam naar het hoofd in plaats van als 'bevel', als 'signaal' beschouwen.)

Als we Zarathustra moeten geloven, is het 'zelf' groter dan het 'ik', en worden de bedoelingen van het hoofd bepaald door het lichaam. "Het lichaam ('zelf') wil scheppen."

De wereld is vervloekt om onze zonde. Zarathustra zegt het liever anders: de wereld is gemaakt door een dronken god, reinheid en gezondheid zullen we pas in onszelf vinden. Ehm, in een 'gezuiverd' zelf: een die alle gedachte aan de schepper (en aan de zondeval) heeft uitgebannen.

Wie het lichaam veracht, is arm; maar armer nog is wie de gevallen mens wil oprichten. Het is zoals de Prediker schreef: de mensen zijn zo als de beesten aan zichzelf (Prediker 3:18). Wie merkt dat de geest naar boven gaat, naar God die ons gemaakt heeft?

donderdag 5 februari 2009

Het geweten

In zijn boek "Also sprach Zarathustra" bedient Nietzsche zich van sprekende beelden, om de psychologie van de geest te schetsen.

De mens die zich aan eerbied onderwerpt is volgens hem als een kameel: hij draagt graag zwaar, om zich in zijn kracht te verheugen; hij lijdt graag: "Oder ist es das: krank sein und die Tröster heimschicken und mit Tauben Freundschaft schließen, die niemals hören, was du willst?" De heelmeester is de bovenmens, de dove is God; de Christen wiens geweten nog aanwijst dat zijn natuur zondig is, en dat God de almachtige is, heeft de wijsheid van deze wereld niet begrepen.

Wie tegen God opstaat is daarom als een leeuw. Nietzsche vergelijkt God met een draak die "Gij zult" heet:
"Du-sollst" liegt ihm an Wege, goldfunkelnd, ein Schuppentier, und auf jeder Schuppe glänzt golden "Du sollst!" Tausendjährige Werte glänzen an diesen Schuppen, und also spricht der mächtigste aller Drachen: "aller Wert der Dinge -- der glänzt an mir."

En als de mens eindelijk niet alleen zijn geweten durft te bevechten, maar zijn geweten overwonnen heeft, is men als een kind -- blanco, om spelenderwijs goddeloos te kunnen zijn.

Het blijft verschrikkelijk om God kleiner voor te stellen, zodat de mens niet meer aan Hem onderworpen wil zijn --- terwijl we maar in de spiegel van ons leven hoeven te kijken om te zien dat we alle kennis over God en van onszelf kwijt zijn.

Zo kleineert Nietzsche het geweten. "Mensen houden zich wakker, om beter te kunnen slapen" --- ziedaar de karakterschets van wie zich laat beangstigen door het geweten. "Een zeer aanstekelijke slaap", spot hij verder. Voor de mens die voelt dat het doen van de wet hem rust in zijn geweten brengt, is dit een hard gelag.

Gelukkig hebben we niet alleen de woorden van Nietzsche. Gods gaf ons ook Zijn Woord.

Psalm 1

Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.

Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.

Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.

Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

zaterdag 24 januari 2009

Natuur en geest

Uitgestrekte, indrukwekkende schoonheid. Dat is de indruk van de natuur. Na de zondeval werd de natuur vervloekt om ons, en dat maakt bijna een einde aan vrede --- en rust.

Toch blijft in zoveel tekens een indruk van de Schepper. En dat is er niet een van onrust of wilde emotie --- maar een van rust. Extase -- buiten jezelf staan, een andere wereld zien -- heeft daarom een totaal andere christelijke betekenis dan de heidense. Als mensen door Gods Geest 'buiten zintuigen' en 'uit zichzelf' zijn, gaat dat niet gepaard met woeste, verscheurende emotie -- dat is van een andere geest, van de duivel.

Anderzijds, we moeten niet denken dat een doodse, of op niets of op de mens gerichte meditatie enig licht van God met zich heeft. Menselijke overtuiging is overigens een hoogst onbetrouwbare gids als het gaat om geestelijke dingen --- een blinde gids, die zelfs graag dwaalt. Daarom moet alle vertrouwen op de andere openbaring van de Schepper -- het Woord, de Bijbel -- gegrond zijn.

maandag 13 oktober 2008

Wil

Wat is er met het derde deel, de wil, gebeurd? De mens is een hater van God en van zijn naaste geworden. Als God ons aan de verkeerde wil van ons hart overgeeft, om die te doen, zondigen we met graagte.

Daarom is er Gods werk voor nodig om onze wil te bekeren. Dan worden we een mens die zich in hoop, geloof en liefde op Christus, God Zoon, de verlosser richt.

Maar al is de wil dan bekeerd, er blijven bij de natuurlijke mens verkeerde dingen in het hart ('hartstochten'): een strijd tussen ik (het hart) en ik (de bekeerde wil) (Paulus noemt het een strijd tussen de oude en de nieuwe mens). Om het koninkrijk van God te zien, moet de mens opnieuw geboren worden: "uit de Geest geboren" in plaats van "uit het vlees geboren" (Joh. 3:6).

Verbeelding

Kun je mensen zomaar afbeelden? Een foto kan wel een gezichtsuitdrukking registreren, maar het laat ook iets wezenlijks weg: de interactie die er tussen mensen is. Hoe werkelijk is een beeld? Hoe waarderen we het?

'Verbeelding' is een woord dat associaties heeft met menselijke fantasie. Menselijke creativiteit: het haalt haar bouwstenen uit de schepping, maar creëert zelf een gebouw. Fictie kan ons meeslepen, ons ontroeren, laten lachen (komedie) en huilen (tragedie). Kunnen we beeld nog wel van werkelijkheid onderscheiden? De echte wereld kan ons koud laten, ons als onecht voorkomen. Er is geen band die ons aan de werkelijkheid bindt.

Het meeste in het leven is als een "vreemde wereld"; de ellende ('uitlandigheid') van de geestelijke dood.

Herinneren

Zoals we weten, geheugen is feilbaar: we kunnen vergeten. En als we herinneren, komt die herinnering vaak niet volmaakt overeen met het beeld. De psycholoog Douwe Draaisma noemt het in zijn boek 'De heimweefabriek' "wijsheid achteraf": een herinnering is als het ware een contact tussen twee polen in de tijd, het heden en het verleden.

Er is na de zondeval dus zelfs een discrepantie tussen wie we denken dat we zijn en wie we zijn.

Betekent dat dat we onze identiteit kunnen kwijtraken? Voor ons, sterfelijke mensen, is de dood onverbiddelijk; maar de geest gaat naar God.

zaterdag 4 oktober 2008

Geestesoog

Als de mens te onderscheiden is in lichaam en geest (zie 'Zijnsaspecten': "de fysische wetmatigheden gelden niet voor het geestelijke, en vice versa; de geestelijke dingen zijn niet te reduceren tot de fysische"), hoe ziet die geest er dan uit?

Volgens de filosofie van Augustinus bestaat de geest uit kennis (volmaakte herinnering), beeld / gedachte / woord (altijd gevormd door wat we weten), en liefde / wil (die kennis en beeld verbindt) (in 'Over de Drie-eenheid') (boek X). Het beeld / gedachte / woord komt òf voort uit de zintuiglijke waarneming (materieel) òf uit de kennis (herinnering) (geestelijk, ontleend aan het materiële) (boek XI). Het eerste is wijsheid, het tweede wetenschap (boek XII).

Die drie dingen lijken onmisbaar voor het hebben van een identiteit: we moeten herinneren wie we zijn, we moeten daarmee een beeld kunnen vormen, en hebben een vrije wil (al is dat een beladen term: ik bedoel dat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze keuzes).

maandag 1 september 2008

Zijnsaspecten

De vraag wat 'is' is een belangrijk onderwerp van filosofie: ontologie.

De Nederlandse filosoof Dooyeweerd schetste in zijn "Wijsbegeerte der Wetsidee" (1935) deel twee een heel aantal "zijnsaspecten" van de Schepping: fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel. Al deze aspecten zouden niet alleen subjectief, maar ook objectief 'zijn'. Hiermee kan onderscheid gemaakt worden tussen levenloze (geen objectief biotisch aspect) en levende dingen, tussen dieren (met een objectief psychisch aspect) en andere organismen zoals planten, tussen de geest van de mens (met een objectief spiritueel aspect) en het dier. Alle zijnsaspecten zijn overigens in objectieve zin vervlochten: de lagere structuren 'gaan op in' de hogere, enkapsis.

De huidige empirische natuurwetenschap beperkt zich echter tot het fysische. Het aannemen van zijnsaspecten boven de empirische zal zich filosofisch dan ook goed moeten laten beargumenteren.

Wat betreft het verschil tussen ziel (geest) en lichaam bestaat er een argumentatie vanuit het christelijke mensbeeld: de ziel van de mens is onsterfelijk; de mens heeft een `ik', een vrije wil die verantwoording af zal moeten leggen. Het fysische en het geestelijke móet wel objectief van elkaar gescheiden zijn: de fysische wetmatigheden gelden niet voor het geestelijke, en vice versa; de geestelijke dingen zijn niet te reduceren tot de fysische. Wat mij betreft is dat het enige ontologische onderscheid dat noodzakelijk gemaakt moet worden; de andere zijnsaspecten zijn wat mij betreft te rekenen tot het subjectieve: hoe wij de dingen (kunnen) ervaren.

In de Bijbel worden de begrippen `ziel' / `geest' en `lichaam' toch ook vooral aanverwant gebruikt. (In het boek "Psychologie, een christelijke kijk op het mentale leven" door dr. W.J. Ouweneel staat een mooie uiteenzetting over zijnsaspecten, inclusief een analyse van de Bijbelse begrippen (p.58-59).) De ziel is niet zomaar een mechaniek dat los staat van het lichaam. Gevoelens zijn zaak van zowel `ziel' als `lichaam' (zie bijv. Ps.63:2,84:3,107:9).

Maar het `lichaam' sterft, de `geest' van de mens is onsterfelijk. Dat roept meteen de vraag op: hoe zit het met dieren? Ook bij dieren gaat het om een `levende ziel': dieren zijn echt, bewegen, leven. Ze zijn even bijzonder als ons lichaam, wat echt een deel van ons is.

Treffend is hoe Prediker 3:16 t/m 21 schrijft over de onsterfelijke ziel. De mens kan zonder God en gerechtigheid niet uitnemender zijn dan een dier dat geboren wordt, leeft, sterft. Wie merkt dat de adem van de mensen naar boven gaat?

Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.

Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.

Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.

Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?