Posts tonen met het label profetie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label profetie. Alle posts tonen

vrijdag 14 januari 2022

God brengt terug

In een aantal vorige berichten heb ik stilgestaan bij de profetieën van Daniël over het einde.

Welke profetieën in de Bijbel zijn nog meer niet vervuld? In de verschillende boeken van de Bijbel vind je verschillende duidelijke beloften die God waar zal maken. Dat zijn:

  • Naast dat de stam van Juda naar Jeruzalem is teruggekeerd, zal ook een overblijfsel van de andere tien stammen van Israël terugkeren. Deze belofte vinden we overal: in Jesaja (10:21, 11:11, 27:12, 43:5), Jeremia (bijv. 3:12-19, 16:15, 23:3), Ezechiël (bijv. 11:26, 28:25, 34:11), Hosea (2:14, 11:8, 14:4-8), Amos (9:9), Micha (2:12, 4:6), Zefanja (3:19), Zacharia (8:7, 9:11, 10:8-12). Deze belofte gaat soms meteen gepaard met de belofte van dat God Israël niet meer zal verlaten, en dat God bij hen zal wonen (bijv. Jeremia 23:17, Micha 4:7, Zacharia 8:8). Dat is een teken dat nu we deze dingen zien gebeuren, Gods komst niet ver meer is.
  • God zal Zijn Geest uitgieten. Deze belofte is deels al vervuld op het Pinksterfeest, maar zal nog opnieuw in vervulling gaan voor het volk Israël in de laatste dagen (Jesaja 32:15, Ezechiël 11:19, 36:25-27, 37:14, 39:29, Joël 2:28-30, Zacharia 12:10).
  • In de profetie van Joël 2:28-30 waar het gaat over het uitgieten van de Geest gaat het ook over "tekenen in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt".
  • De Messias (Christus) zal zijn vijanden overwinnen. We lezen dat heel veel volken in de laatste dagen zullen optrekken naar Jeruzalem, en dat God dan Zijn volk zal verlossen (Psalm 2, 45, 110, Jesaja 63:1-6, Ezechiël 38 en 39, Joël 3:1-16, Zacharia 9:12-17, 12:1-14, 14:1-21, Maleachi 4:1-3).
  • De doden zullen opstaan. De Joden in de tijd van Jezus waren hiervan overtuigd, hoewel de Sadduceeën het ontkenden. We kunnen erover lezen in Job 19:23-29, Psalm 16:5-11, 49:15, Jesaja 25:8, 26:19, 66:23-24, Daniël 12:2.
  • God / de Messias (Christus) zal rechtspreken. Dat lezen we in bijv. Psalm 50, 96, 98, Jesaja 9:6-7, 10:33-11:5, 16:5, 32:1-8, 59:15-20, Obadja 1:21, Maleachi 3:2.
  • God zal een eeuwig koninkrijk van vrede brengen. Ook deze belofte vinden we eigenlijk wel in alle profeten (Psalmen bijv. 37:28-29, 68:16-19, 85:9-13, 95:11, Jesaja bijv. 9:5-6, 11:6-10, 25:6-10, 66:22-23, Jeremia 23:5-6, 33:14-22, Ezechiël 34:23-24, 37:22-28, Daniël 2:44, 7:14, 12:3, Hosea 2:18-22, 14:5-9, Micha 5:4-13, Nahum 1:15, Zefanja 3:13-17, Joël 3:15-21, Zacharia 14).
  • Er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen. Dat lezen we in Psalm 102:25-28 en Jesaja 66:23-24.
  • De ongehoorzamen zullen worden vervloekt. Dat lezen we in Psalm 37:28-29, 95:11, 104:35, 125:3-5, Jesaja 66:24, Daniël 12:2.
Wie deze teksten na wil lezen verwijs ik naar deze pagina's waarin ik deze teksten heb geprobeerd naast elkaar te zetten.

Ik heb me hier vooral gericht op de profetieën voor de komst van Jezus. Veel ervan zijn bevestigd en verder verduidelijkt door de woorden van Jezus Zelf, in de evangelieën of in de Openbaring.

We zien de terugkeer van het volk Israël naar Jeruzalem en het beloofde land voor onze ogen zich voltrekken. Vooral na de tweede wereldoorlog zijn duizenden Joden teruggekeerd, een proces dat nog doorgaat. Laten we daarom bidden en verwachten dat deze en de andere profetieën ook in onze dagen in vervulling zullen gaan.

"Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar de zon opkomt en uit het land waar de zon ondergaat. Ik zal hen hierheen brengen, zij zullen midden in Jeruzalem wonen. Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid." (Zacharia 8)

woensdag 5 januari 2022

God is Koning - vervolg

In een vorig bericht schreef ik over de visioenen die God aan de profeet Daniël liet zien. Hier wil ik vervolgen met de twee laatste visioenen van Daniël.

Daniël bevond zich in Babylon in ballingschap. Hij was meegenomen door de legers van Babel die Jeruzalem veroverden en verwoestten. Toch kreeg hij in zijn visioenen niet alleen het herstel te zien - het komende vrederijk van God - maar ook een nieuwe periode van verwoesting. Er staat dat Daniël daar "verbijsterd" over was (Daniël 8:27). Dat is niet verwonderlijk.

Daniël zag ook Gods profetieën deels in vervulling gaan, namelijk doordat het Perzische wereldrijk het Babylonische wereldrijk opvolgde. In deze omstandigheid ("in het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het geslacht van de Meden, die koning was gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën") gaat Daniël in gebed (Daniël 9). Hij heeft in de profetie van Jeremia gelezen dat God na 70 jaar ballingschap om zal zien naar de Joden en hen zal terugbrengen (Jeremia 29:10-14). Ook staat er dat God na deze 70 jaar Babel zal vergelden voor hun daden (Jeremia 25:12). Als Daniël de vergelding aan Babel ziet (doordat de macht aan Darius de Meder is gegeven) bidt hij ook voor de andere belofte: het herstel van de tempel en Jeruzalem.

Daniël vraagt in dit gebed of God de zonden wil vergeven en wil omzien naar de verwoeste stad en tempel. Als hij hierom bidt, zal hij ook gedacht hebben aan het vorige visioen over de verwoesting door de toekomstige koning die God hem liet zien (Daniël 8)? Ik denk het wel. Als God Daniël antwoordt door middel van een engel, is dat de engel Gabriël die hij in het vorige visioen (Daniël 8) ook heeft gezien. Gabriël zegt dat hij gezonden is om Daniël de betekenis te laten begrijpen.

Gabriël legt uit dat er zeventig weken zijn bepaald over het volk Israël, "om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van de heiligheden te zalven". Het vorige visioen wat Daniël gezien heeft is onderdeel van een groter plan van God. Er is geen willekeur bij Hem.

De zeventig weken zijn als volgt verdeeld:

  • 7 weken vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen
  • 62 weken tot op Messias, de Vorst
  • Na de 62 weken zal de Messias uitgeroeid worden en Jeruzalem en de tempel verwoest worden. 1 Week zal hij (de Messias) voor velen het verbond versterken. Halverwege die week zal de Messias slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Er zijn vastbesloten verwoestingen, zelfs tot het einde toe.

Daniël krijgt het grotere geheel te zien. Ik geloof dan ook dat dit een visioen is dat tot het einde van de aarde geldt. De Messias (gezalfde), is Jezus Christus. 'Christus' betekent immers 'gezalfde'. En wie anders dan Jezus, Gods Zoon, zouden we de 'Heiligheid der heiligheden' kunnen noemen die gezalfd is?

De Messias wordt voor de laatste week uitgeroeid, maar hij "versterkt voor velen het verbond" in de "week" die erop volgt. Jezus stierf voor mijn en jouw zonden aan het kruis. Maar door Zijn opstanding versterkt hij voor velen - voor ieder die in Hem gelooft - het verbond. Dus terwijl de verwoestingen doorgaan, gaat ook het werk van de Messias door.

Het is zo dat voor het onderwerp van "hij maakt het verbond voor velen sterk" ook "het volk van een vorst" die Jeruzalem en de tempel zal verwoesten, gelezen kan worden (het woord 'volk' kan mannelijk of vrouwelijk zijn in het Hebreeuws). Of "de vorst" van dat volk. Toch geloof ik vast dat het gelezen moet worden over de Messias. We hoeven niet blind te zijn over wat er in de geschiedenis gebeurd is - Jezus heeft het verbond van God met Zijn volk Israël sterk gemaakt, maar ook voor de mensen uit de andere volken die in Hem geloven.

Halverwege de week houden de offers op en wordt er over een "vleugel van verwoestende gruwel" gesproken (Daniël 9:27), woorden die later ongeveer herhaald worden (11:31, 12:11) en die Jezus Zelf ook herhaalt als Hij over de toekomst spreekt (Mattheüs 24:15/Markus 13:14/Lukas 21:20). Het woord "verwoesting" kan ook vertaald worden met "verlating". Ik denk dat het voor de hand ligt om dit toe te passen op de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70 na Christus. Daar gebeurde hetzelfde wat onder Antiochus IV Epifanes was gebeurd: de altijd brandende kandelaar werd gedoofd, de offers hielden op, de tempel werd tot de grond toe afgebroken. De Westmuur die nu nog rest is slechts een buitenmuur van de stad en het plateau waarop de tempel stond, geen overblijvende muur van de tempel, zie Flavius Josephus, "De Joodse oorlog", boek VII, 1.1. Letterlijk is uitgekomen wat Jezus zei:

"En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen! En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden." (Markus 13:1-2)
Deze gebeurtenis van de verwoesting in 70 na Christus is een van de grootste in de geschiedenis van het Jodendom, dus het zou vreemd zijn als deze gebeurtenis niet in de zeventig weken zou voorkomen.

Ik denk dat de periode van "verwoesting" of "verlating" van de tempel voort zal duren tot het einde, tot de tempel hersteld zal worden door God, als Jezus terugkomt en het vrederijk van God aanbreekt. Dat is denk ik besloten in de verbijsterende woorden in Daniël 9:27: "Er zal daarover een vleugel van verwoestende gruwel zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste". We zien inderdaad een onafgebroken periode van verwoesting en onderdrukking van de Joden. Alleen God kan daar een totaal einde aan maken.

Er zijn ook andere toepassingen gemaakt van de 70 weken. Een ervan is de 'Makkabese' uitleg die de 'Messias' op Judas de Makkabeeër toepast. Maar om redenen die ik al genoemd heb (Judas was niet 'de Heiligheid der heiligheden') vind ik dat niet passen. Ik zie ook niet echt een optie om de 70 weken toe te passen op een letterlijke tijdsperiode van 490 jaar (een 'week' is gewoon hetzelfde Hebreeuws woord als 'zeven', dus 70 weken = 70 zeventallen = 490 jaar). Het "woord om terug te keren" gaat uit in 538vC (zie Ezra 1:1) als Zerubbabel van Cyrus toestemming krijgt om terug te keren en de tempel te herbouwen. Als we daarvandaan rekenen tot het ophouden van het offer, 69,5 week = 486,5 jaar later, komen we in 51vC uit. Dat klopt niet met het jaar 70nC, ook niet met het jaar 168vC waarin het offeren ophield onder Antiochus IV. Na het eerste woord om terug te keren was er nog een tweede terugkeer onder Ezra rond 458vC (zie Ezra 7:9). Als we daarmee rekenen komen we voor de opbouw (in 7 weken, 49 jaar) uit rond 409vC, het jaar van de Messias is dan het jaar 29nC, het ophouden van het offer 33nC en het einde 36nC. Hierbij klopt het jaar van de Messias wel best precies - Jezus is gaan prediken toen Hij 30 jaar oud was, en schijnt niet precies in het jaar 0 geboren te zijn maar iets ervoor. Sommigen leggen dan uit dat het offeren 'ophield', ophield nodig te zijn en van betekenis te zijn, toen Jezus voor onze zonden stierf als het Offerlam van God. Hoewel ik dat een mooie gedachte vind, begrijp ik dan de laatste helft van de laatste week niet waarmee de 70 weken eindigen - of zou dan alles letterlijk zijn behalve dat laatste stukje, wat dan nog voortduurt? Anderen stellen de laatste week uit tot het einde en stellen dat er nog een plotselinge herbouw van de tempel gaat komen, die dan weer verwoest wordt drieëneenhalf jaar voordat Jezus terugkomt. Daar heb ik moeite met het schrappen van alle tijd vanaf de opstanding van Jezus, alsof die van geen enkele betekenis is voor het volk Israël. Bij beiden begrijp ik niet waarom vanaf de tweede terugkeer wordt gerekend (onder Ezra) en niet de eerste (onder Zerubbabel). Ik ga dus zelf uit van niet-letterlijke weken, die als 'perioden' gezien moeten worden. De wederopbouw is snel (7 weken), tot de Messias duurt het nog lang (69 weken) vanaf het visioen van Daniël. En de laatste week is kort, zoals Jezus zegt: "Ik kom spoedig" (Openbaring 22). We leven in de laatste dagen (Hebreeën 1).

Daniël 9 eindigt nogal abrupt. We lezen niets over een antwoord van Daniël aan de engel, of van zijn reactie op de boodschap. We lezen alleen in Daniël 10 dat, een niet precies bekende tijd later, hij drie weken aan het rouwen is. Daniël doet dat terwijl hij "er met heel zijn hart op toelegt om inzicht te krijgen en zich verootmoedigt voor Gods aangezicht" (vers 12). Dan krijgt hij niet een nieuw visioen, maar krijgt van een engel te horen "wat is opgetekend in het boek van de waarheid" (Daniël 10:21).

De uitleg die Daniël krijgt, en die beschreven staat in Daniël 11 en 12, is een heel precieze profetie over de koningen van het Seleucidische en Ptolemaeische rijk. Dat zijn twee rijken die voortkwamen uit het Griekse wereldrijk van Alexander de Grote. De profetie is heel duidelijk in de geschiedenis terug te zien. Het komt tot een climax als de "Koning van het Noorden" (de Seleucidische vorst Antiochus IV Epifanes) de tempel en de stad Jeruzalem ontheiligt (Daniël 11:31). Uit de contekst blijkt duidelijk dat het hier om Antiochus IV gaat, en dus niet om de verwoesting van de tempel door Titus in 70nC. Echter, na deze gebeurtenis zijn de woorden van de profetie minder eenduidig. Ik denk dat de woorden "... tot de tijd van het einde, want het wacht nog tot de vastgestelde tijd" (Daniël 11:35) een lange periode overbruggen. De blik gaat over van Antioches IV naar een laatste wereldheerser die nog moet komen. Over deze laatste wereldheerser die overwonnen wordt door Jezus zelf lazen we al in de eerste visioenen van Daniël, en lezen we ook in de Openbaring van Jezus aan Johannes (hoofdstuk 13 en 17). Het is in elk geval duidelijk dat deze laatste uitleg ophoudt als de doden zullen opstaan, en dus bij de wederkomst van Christus en het laatste oordeel (Daniël 12:2)

Een paar dingen blijven over om over na te denken. Allereerst de periode die het duurt voordat er een einde komt "aan deze wonderlijke dingen". Daniël hoort deze vraag stellen aan de engel. De engel antwoordt en zweert bij de Eeuwige God, dat het "een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft" zal zijn tot het einde. Dit zou hetzelfde kunnen zijn als de "helft van de laatste week": 3 en een halve dag. De tijd lijkt ook herhaald te worden in Daniël 12:11: "Van de tijd af dat het steeds terugkerende offer weggenomen zal worden en de verwoestende gruwel opgesteld zal zijn, zijn het duizend tweehonderdnegentig dagen. Welzalig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt." De 1290 dagen zijn ongeveer 3,5 jaar (3,5 jaar van 365 dagen plus 12,5 dagen). De 1335 dagen zijn 45 dagen, anderhalve maand erna. Zelf denk ik dat deze periode ook herhaald wordt in Openbaring 11: de heidenen zullen de buitenste voorhof 42 maanden (3,5 jaar) vertrappen, en de getuigen 1260 dagen profeteren (3,5 jaar van 360 dagen). Ik denk ook dat het herhaald wordt in Openbaring 12: de vrouw (Israël) die het Kind (Jezus) gebaard heeft vlucht naar de woestijn, en God voedt haar daar 1260 dagen (12:6), "een tijd, tijden en een halve tijd" (12:14).

Een andere plaats waar "tijd, tijden en een halve tijd" terugkomen is in Daniël 7:25. Dan gaat het over hoe lang de laatste hoorn van het laatste beest aan de macht zal zijn, die door Gods gericht zal worden verslagen. Dat gaat dus over de laatste wereldheerser. Dit lijkt mij een tweede periode te zijn die misschien wel letterlijk 3,5 jaar beslaat. We vinden ook deze periode herhaald in Openbaring 13: het beest spreekt 42 maanden lang godslasteringen (13:5).

In Daniël 12:1 staat ook genoemd: "Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd". We horen dit herhaald in de woorden van Jezus als Hij over de toekomst en verwoesting van de tempel spreekt (Mattheüs 24:15/Markus 13:14/Lukas 21:20). De woorden van Jezus zijn heel duidelijk van toepassing op de belegering van Jeruzalem (Lukas 21:20). Toch vraag ik me nog steeds af of dit alleen gaat over de belegering in 70nC, wat inderdaad een van de meest vreselijke tijden is geweest. Lees maar in Flavius Josephus "De Joodse oorlog": er was voor de wrede Romeinen te weinig hout voor kruisen om de opstandelingen te kruisigen, en de inwoners van Jeruzalem stierven massaal van honger, de straten en huizen waren gevuld met lijken. Of gaat dit over de tijd die begint met de belegering van Jeruzalem tot het einde? Dat zou wel een heel lange periode zijn. Of was het misschien Jezus' bedoeling om te waarschuwen voor de verschrikkelijke belegering van Jeruzalem in 70nC, maar tegelijkertijd ook voor de laatste belegering van de laatste wereldheerser van Jeruzalem? Ik denk dat het wel eens een waarschuwing voor beiden kan zijn. Want meteen daarop waarschuwt Jezus ook voor valse Messiassen (de antichrist), wat wijst op de laatste wereldheerser (zie Mattheüs 24:23/Markus 13:21).

Wanneer zijn de laatste drieënhalve dag van de laatste week voorbij? Alleen God weet het. Maar we zien de tekenen al in vervulling gaan: het evangelie heeft de uithoeken van de aarde bereikt, verschillende verloren gewaande stammen van de Israëlieten keren terug naar hun land, en de mens wordt steeds meer een mens die God lastert en wetteloos is. Jezus waarschuwt ons:

"En er zullen tekenen zijn in zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid vanwege het bulderen van zee en golven. En het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die de wereld zullen overkomen, want de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is. En Hij sprak tot hen een gelijkenis: Kijk naar de vijgenboom en naar alle bomen. Zodra ze uitlopen en u dat ziet, weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is. Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is. Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan, totdat alles geschied is. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan. Wees op uw hoede dat uw hart niet op enig moment bezwaard wordt door roes en dronkenschap en door zorgen over de alledaagse dingen, en dat die dag u niet onverwachts overkomt. Want als een strik zal hij komen over allen die op het hele aardoppervlak wonen. Waak dan te allen tijde en bid dat u waardig geacht zult worden om al die dingen die gebeuren zullen, te ontvluchten, en om te kunnen bestaan voor de Zoon des mensen." (Lukas 21:25-36)
Lees hier een vervolgbericht

zaterdag 1 januari 2022

God is Koning

Op de eerste dag van het jaar is het een mooie gelegenheid om te schrijven over wat komen gaat. We verwachten reikhalzend - niet alleen wij, maar ook de hele schepping - het Koninkrijk van Christus en de kinderen van God.

In de Bijbel lezen we daar ook over in de profeet Daniël. De naam 'Daniël' betekent 'God is Rechter' of 'God is Koning'. Het mooie is dat deze profetie ook vol staat van bewijzen dat God Koning is. De grote wereldrijken die elkaar opvolgden zijn namelijk in de profetie van Daniël door God voorzegd en getoond. Bijbelwetenschappers die niet in Jezus geloven, gaan er zelfs vanuit dat het boek geschreven is nadat een groot gedeelte van deze dingen gebeurd zijn, omdat ze anders gedwongen zouden zijn in Gods profetie te geloven...

Omdat Jezus de profetie van Daniël met instemming heeft geciteerd (Mattheüs 24:15/Markus 13:14/Lukas 21:20), geloof ik dat Daniël een waar boek is. Dus dat Daniël deze visioenen echt van God gehad heeft op de tijd die daarover opgeschreven staat bij elk visioen, en dat hij van God de uitleg van het visioen te horen kreeg.

In verschillende dromen of visioenen wordt aan Daniël getoond wat er zal gaan gebeuren. De eerste droom wordt aan koning Nebukadnezar, de koning van het Babylonische rijk getoond, maar God toont de droom daarna aan Daniël en geeft hem de wijsheid om deze uit te leggen. In die droom ziet Nebukadnezar een beeld. Het gouden hoofd is het Babylonische wereldrijk, vanwege de grote rijkdom van dit wereldrijk. De zilveren borst is het Perzische wereldrijk wat erop zou volgen. De bronzen buik is het Griekse wereldrijk. De benen van ijzer stellen het Romeinse wereldrijk voor, wat alles verbrijzelt en verplettert zoals ijzer. Ten slotte zijn de voeten van ijzer vermengd met leem, wat wijst op een wereldrijk wat deels hard, deels broos is, en vermengd omdat het verschillende mensen betreft die zich vermengen maar niet met elkaar hechten (Daniël 2). Ten slotte ziet Daniël dat dit beeld wordt omgestoten en verpulverd door een grote steen die van de berg af rolt en heel de aarde vervult. Dat wijst, laat God aan Daniël weten, op een eeuwig Koninkrijk dat alle andere koninkrijken zal wegnemen. Wij weten dat dit het Koninkrijk van Jezus is.

Een visioen wat Daniël veel later te zien kreeg, is aan deze eerste droom verwant. Daniël ziet vier dieren uit de zee opkomen (Daniël 7). De eerste is een gevleugelde leeuw, de tweede een beer, de derde een luipaard met vier vleugels, en het vierde een schrikwekkend en gruwelijk dier met ijzeren tanden en tien horens. Tussen de tien horens komt een andere hoorn op die steeds groter wordt en drie andere verdringt. Daarna ziet Daniël de troon van God die de aarde oordeelt en het vierde dier en de andere dieren doodt en verbrandt. Je ziet dat in dit visioen Daniël meer te zien krijgt over het einde. De vier dieren zijn vier koningen - of wereldrijken (7:17/7:24). Vooral over het laatste, gruwelijke dier en over de laatste hoorn krijgt Daniël extra uitleg. Het visioen en de uitleg verschrikt hem heel erg, want hij had gezien hoe de laatste hoorn oorlog voerde tegen de heiligen (tegen Israël en misschien ook het overige volk van God) en deze overwon, totdat God ingreep. Daniël krijgt de uitleg dat deze laatste hoorn voor een tijd, tijden en een halve tijd aan de macht zal zijn (7:25).

Het is wel duidelijk dat deze twee eerste dromen tot het einde van de aarde gelden. Een extra bevestiging daarvoor is dat in de Openbaring van Jezus aan Johannes ook op verschillende visioenen van Daniël wordt teruggekomen, en Johannes ook vergelijkbare dingen ziet als Daniël gezien heeft (Openbaring 13 en 17). Johannes ziet in de Openbaring niet exact hetzelfde. Hij ziet wel een afschuwelijk beest, maar het is deze keer niet het wereldrijk wat hij ziet maar de laatste wereldheerser, dus de laatste hoorn van het beest dat Daniël zag.

Een valkuil bij de interpretatie van de profetie van Daniël is om de reikwijdte van zijn profetieën te kort te maken (dat is trouwens voor alle profetieën het geval). Wat de visioenen van Daniël betreft kunnen we voor de veiligheid beter ervan uitgaan dat ze tot het einde gelden. Dat veel uitleggers dit niet doen, kan voor verwarring zorgen. Een mogelijke uitleg van Daniëls visioenen is namelijk dat we de overwinning van de heiligen alleen moeten toepassen op de overwinning van de Seleucidische konining Antiochus IV (ook Antiochus Epifanes genoemd). Deels wordt er inderdaad heel gedetailleerd voorspeld dat Antiochus IV de tempel zal ontheiligen en de offerdienst, die elke morgen en avond door Gods wet was voorgeschreven, zou laten ophouden en de gouden kandelaar zou doven. Dit lezen we heel precies in Daniël 11, waar de gebeurtenissen onder het Seleucidische en Ptolemaïsche rijk heel gedetailleerd worden beschreven. De Makkabese boeken (Makkabeeën 1 en 2) passen de profetie van Daniël heel nadrukkelijk toe op deze geschiedenis. Dit was inderdaad een verschrikkelijke gebeurtenis waarbij vele Joden door Antiochus IV gedood werden. Maar hoewel het Gods doel was om Zijn volk Israël op deze gebeurtenis voor te bereiden, is het onjuist om te denken dat de profetie daartoe beperkt blijft. Jezus zelf citeert, als Hij de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel in 70 na Christus voorzegt, ook de "gruwel van verlating" waarover in Daniël 11:31 en Daniël 9:27 gesproken wordt. Dus we moeten ons niet laten verwarren door een 'Makkabese' uitleg die niet gelooft dat de profetie van Daniël tot het einde geldt - of daar in elk geval geen verklaring voor heeft.

Een andere valkuil is om te zeggen dat wij precies weten hoe de toekomst zal gaan verlopen. God heeft ons genoeg laten weten om voorbereid te zijn, maar de vervulling ervan wacht nog, en die kan verrassend anders zijn dan wij denken. Gods daden zijn groot, vol wijsheid en wonderlijk.

Ik denk dat er één visioen al wel vervuld is, namelijk die in Daniël 8 beschreven staat over de ram (het Perzische wereldrijk) en de geitenbok (het Griekse wereldrijk). Daar wordt beschreven hoe het Griekse wereldrijk van Alexander de Grote na zijn dood verdeeld werd (onder zijn generaals), maar dat één rijk uitzonderlijk groot werd naar het zuiden, oosten en Israël (het Seleucidische rijk onder Antiochus IV). Daarna wordt beschreven hoe deze koning (hoorn) van de sterren ter aarde laat vallen en ze vertrapt. Dat zou kunnen wijzen op dat Antiochus IV de Joden vervolgde en doodde. Ten slotte ontneemt hij de God van Israël het steeds terugkerende offer en werpt de waarheid ter aarde. Er is over Antiochus IV bekend dat hij de tempel in Jeruzalem binnenging en leegroofde, daar een altaar voor Jupiter plaatste en probeerde de tempel een te wijden aan Jupiter. In Daniël staat dat deze koning hard en bedreven in listen is, en grote kracht krijgt door bedrog. Dat is een goede omschrijving van Antiochus IV, die met intrige probeerde zelfs heel Egypte onder zijn macht te krijgen, en ontzaglijke rijkdom verwierf (zie bijv. Polibius, Historiën, boek 30, paragraaf 25). Ten slotte staat er dat het heiligdom en Israël 2300 avonden en morgens zal worden overgegeven om vertrapt te worden. Dat kun je lezen als 2300 avond- en morgenoffers, dus 1150 dagen, wat neerkomt op 3 jaar en 55 dagen. Volgens 1 Makkabeeën 1:29 stuurde Antiochus IV in 145 (Seleucidische jaartelling) het hoofd van de belastingen naar Jeruzalem die de stad aanviel. Daarna stuurde hij brieven dat geen offers meer mochten worden gebracht. Volgens 1 Makkabeeën 1:54 werd daarna op 15 Casleu 145 een "verwoestende gruwel op het altaar gebouwd" (een afgodsaltaar van Jupiter), op 25 Casleu daaraan zelfs geofferd. Precies drie jaar later, op 25 Casleu 148 (1 Makkabeeën 4:52, 2 Makkabeeën 10:5) werd de tempel weer gereinigd en de offers weer gebracht. De 1150 avonden en morgens zijn dus de drie jaar tussen het offer aan Jupiter en de reiniging (1095 dagen), plus 55 dagen daarvoor. Wanneer de offerdienst precies stopte vermeldt het Makkabeeënboek niet, maar het was in elk geval tussen de brieven die de koning stuurde (na 145) en de oprichting van het altaar van Jupiter op het altaar in de tempel (15 Casleu), dus dat kunnen heel goed 55 dagen geweest zijn.

De reden dat dit visioen wel als vervuld kan worden beschouwd en andere niet, is omdat het verschilt van de andere in een paar opzichten. Allereerst eindigt het visioen niet met het begin van het eeuwige Koninkrijk zoals de twee ervoor. Daarnaast is het van begin tot eind letterlijk toe te passen op de geschiedenis. Zoals er aan het eind van dit visioen staat werd Antiochus IV "zonder hand gebroken". Hij stierf niet door de hand van een mens, maar door een ziekte (zie bijv. 1 Makk. 6:16).

Er staat dat dit visioen Daniël ziek maakte en verbijsterde (Daniël 8:27). Dat is begrijpelijk vanwege de ingrijpende gebeurtenissen. Toch kunnen we, zeker nu we terug kunnen kijken op de vervulling ervan, Gods genade zien. Hij verloste Israël en zond nog een grotere verlossing door Zijn Zoon Jezus naar de herstelde tempel te sturen. God is Koning, en Hij is bij ons in de grootste en meest verbijsterende gebeurtenissen. Ik hoop in een volgend bericht stil te staan bij de laatste twee visioenen van Daniël die ook de komst van Jezus vermelden.

Lees hier het vervolg

vrijdag 22 mei 2015

Zecharjah - slot

In twee vorige blogs schreef ik over de eerste acht gezichten van de profeet Zecharjah. Nu als slot over de laatste drie hoofdstukken van zijn profetie, waarin een visionaire boodschap staat aan Israël. Deze boodschap tekent hoe de toekomst van Israël zou zijn in Jezus Christus. De beelden die de profetie beschrijft moeten niet letterlijk opgevat worden (wie dat doet verliest zich in vele onmogelijkheden) maar zijn beschrijvingen van het geestelijke Israël, van de Kerk van Jezus Christus. In die zin zijn ze ook opgevat en geciteerd in de Evangeliën. De beelden zijn rijk en de boodschap is ook vandaag nog actueel en spreekt ook nu tot ons.

Ik zag hoe Jeruzalem door alle volken belegerd werd, maar dat God voor haar bescherming zorgde; dat het leger van de vijanden met blindheid en paniek werd geslagen, en dat de leiders en het volk van Israël sterk was in Jehovah.

Ik zag hoe de geringste onder hen als David zou zijn, en de aanzienlijkste onder hen als engelen van God, ja als God Zelf die persoonlijk bij hen zal zijn.

Ik zag hoe alle tegenstanders van de Stad van God in die dag verdelgd zouden worden, maar hoe over allen in Israël, aanzienlijk of onaanzienlijk, de Geest van genade en van gebeden werd uitgestort. Ik zag hoe zij tot inzicht kwamen en Jehovah zouden zien, Die zij doorstoken hebben (Joh. 19:37), en daarover zullen rouwen met een grote rouw, zoals over koningen gerouwd is. En ik zag hoe in alle geslachten van Israël, ook in de geslachten van aanzien, getreurd werd door zowel mannen als vrouwen.

(13) Ik zag hoe er een bron geopend werd voor zowel de aanzienlijken als de onaanzienlijken in Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.

Ik zag hoe alle afgoden uit Israël werden uitgeroeid zodat hun naam zelfs niet meer herinnerd werd; dat ook alle valse profeten uit het land zouden verdwijnen. Ik zag hoe degenen die profeteren zouden door hun wijze vader en moeder gestraft werden en beschaamd zouden terugkeren tot hun roeping.

Ik zag hoe Jehovah het zwaard bracht over ook over de Herder en Vorst van Israël, die geslagen werd, zodat de schapen verstrooid werden; maar dat Jehovah zich over de kleinen ontfermde (Matth. 26:31). Ik zag hoe twee derde van Israël omkwam, maar hoe de overblijvende een derde gelouterd werd als zilver in het vuur en de Naam van Jehovah aanriep. Ik zag dat Jehovah hen verhoorde en tot Zijn volk rekende.

(14) Ik zag hoe Jeruzalem door alle heidenen belegerd en ingenomen werd, en hoe de helft daarvan werd uitgeroeid. De andere helft bleef echter over, en ik zag hoe Jehovah uittrok en tegen de heidenen streed. Ik zag hoe Hij op de Olijfberg stond, en hoe Hij deze in twee delen spleet, zodat er een vallei ontstond, waardoor een vluchtweg werd geopend voor de Joden in Jeruzalem en een toegangsweg voor Jehovah met al Zijn engelen. Er was maar één weg, één verlossing, één mogelijkheid ten leven.

Ik zag hoe er niet meer telkens een afwisseling van het kostbare licht van de dag was door het verstikkende duister van de nacht. Integendeel zag ik dat het continu licht zou zijn.

Ik zag levend water uit de Stad van God stromen, zowel naar waar de zon opkomt als naar waar de zon ondergaat, en dat dit water zowel ’s winters als ’s zomers bleef stromen. En Jehovah zal tot Koning over heel de aarde zijn, en niet geëerd worden als een van de vele goden maar als enige God. En ik zag hoe de Stad van God uitgebreid werd zodat velen erin konden wonen, en zag ook dat ze door velen bewoond werd; en zag hoe zij daarin beschermd zouden wonen, zonder ooit uit de Stad van God weggevoerd te worden; het zou een veilige plaats zijn.

Ik zag bij de heidenen die de Naam van God niet aannamen het volgende gebeuren. Eerst zag ik hoe de welgestelde heidenen, die bepaald niet mager waren, maar duidelijke tekenen van rijkdom vertoonden, mager werden. Daarna zag ik hoe hun ogen werden geslagen met blindheid, zodat ze hun weg moesten tasten. Vervolgens zag ik dat hun tong, waarmee ze zo goed konden spreken, met stomheid werd geslagen zodat ze niets tegen de grote Naam van God in konden brengen. Ten slotte zag ik hoe ze tegen elkaar verdeeld werden en tegen elkaar streden. Hetzelfde zag ik met al hun bezit gebeuren: het werd aangetast en vernietigd, terwijl Gods Stad steeds rijker werd in allerlei goederen.

Ik zag dat alle overige heidenen die eerst tegen de Stad van God streden, overtuigd werden van de Naam van God en kwamen om God te aanbidden, en daarin zelfs trouw bleven, terwijl bij degenen die niet kwamen om God te aanbidden, de regen ophield zodat hun land verdroogde.

Ik zag dat zelfs de snelle en krachtige paarden van de heidenen aan God gewijd werden. Ik zag dat alle heidenen naar de Stad van God zouden komen om daar de middelen van Israël te gebruiken om te offeren, en dat zij de Tempel van God nooit meer zouden vertreden in verachting maar dat het voor het Huis van God zouden erkennen.

dinsdag 5 mei 2015

Zecharjah - II

Vorige keer schreef ik over de eerste vier gezichten van de profeet Zecharjah, wiens naam betekent 'Jehovah herinnert'. Deze keer de volgende vier. Deze gezichten gaan net als de eerste vier over de bevrijding, maar vooral over het herstel van Israël. Op een bevrijdingsdag als vandaag in Nederland is het ook goed om bij herstel stil te staan: wat gebeurde er na de oorlog? Hebben we stilgestaan bij het feit dat het kwaad in zoveel gewone mensen was geweest - degelijke, soms gelovige, goed opgeleide mensen zoals u en ik die het kwaad van Hitler eerst niet doorzagen en er later soms zelfs aan meewerkten? Hebben we het licht van wat echt goed is laten schijnen tegenover het vele kwaad in de oorlog?

Ik werd wakker als uit een slaap. In de ochtendschemering zag ik een zachte gloed van licht; het kwam van een kandelaar van goud. De kandelaar had zeven armen met lampen die brandden, net als in de tempel het geval geweest was. Ze leken een licht te verspreidden dat heel de aarde bevatte. Hoger dan die kandelaar zag ik een schaal waaruit zeven pijpjes naar de zeven lampen van de kandelaar liepen. Deze schaal was vol met olijfolie en ik kon de gouden olijfolie uit de pijpjes in de lampen zien druppen. Rechts en links van de schaal verhieven zich twee jonge olijfbomen. Toen ik beter keek zag ik dat er van de takken van deze olijfbomen olie drupte in twee toevoerkanalen naar de schaal bij de kandelaar. Het opvallendst aan wat ik zag vond ik de stilte. Er was niemand bij de kandelaar nodig om de olie bij te vullen. Er was niemand bij de olijfbomen die de olijven ervan plukte, de olie eruit perste, kruiken ermee vulde, deze naar de kandelaar toebracht; en toch was er licht. Er was geen menselijke inspanning voor nodig; de twee olijfbomen liet God groeien en olie geven. Daarna verdween dit gezicht, maar het liet zijn afdruk in mijn herinnering achter.

Terwijl ik overdag aan deze dingen dacht, voelde ik me ineens ongemakkelijk alsof ik werd gadegeslagen. Een huivering trok door me en ik keek om me heen. Eerst stelde me dat gerust omdat ik niets zag. Tot ik mijn ogen opsloeg en daar het volgende gezicht zag wat me verschrikte: ik zag in de lucht een stuk papyrus van ongeveer tien meter breed, en wel zo’n twintig meter lang. Het kwam mijn richting op. Toen het dichterbij kwam zag ik dat het kolom voor kolom volgeschreven was met zwarte inkt. De letters waren voor me leesbaar, en ik las de volgende zinnen: ‘Vervloekt zij hij die steelt, want deze vloek zal over hem komen en hij zal uitgeroeid worden. Vervloekt zij hij die bij de naam van Jehovah een valse eed doet, want deze vloek zal over hem komen en hij zal uitgeroeid worden. Deze vloek zal in het midden van zijn huis komen, daar overnachten en dat huis met zijn hout en zijn steen verwoesten.’

Toen ik hier nog over dacht zag ik een grote kruik. Er was niet zoveel speciaals aan te ontdekken. Alle kruiken zien er hier ongeveer hetzelfde uit, zodat je niet kunt weten wat erin zit, net als je aan het uiterlijk van een mens niet kunt bepalen wat zijn innerlijk is. Maar toen opende de engel die met mij sprak de kruik door de plaat van lood die hem afsloot eraf te halen. Tot mijn grote verbazing kwam er een vrouw uit. Ze was gekleed als een hoer, de belichaming van de zonde. De engel wierp haar terug in de kruik en sloot deze weer af. Daarna zag ik twee andere vrouwen die het grootst mogelijk contrast vormden met de vrouw uit de kruik. Ze waren in helder wit gekleed. Ze hadden grote vleugels en tilden de kruik op. Langzaam vlogen ze omhoog en begonnen in de richting van het noorden, naar Babylon te vliegen. Ik was opgelucht toen ik dat zag: de goddeloosheid werd dus niet in Israël geduld maar zou God daarvan verwijderen!

Toen ik me omdraaide en omhoog keek zag ik aan de horizon tussen twee bergen vier paardenspannen komen. De bergen leken bergen van koper door de rode gloed die daarover lag. De vier paardenspannen hadden paarden van elk verschillende kleuren: de eerst met rode, de tweede met zwarte, de derde met witte en de vierde met gevlekte paarden. Ze reden met grote snelheid en al spoedig zag ik dat de rode, zwarte en witte paarden zich naar het noorden richtten, richting Babylon, en de gevlekte paarden deze kant op kwamen in het zuiden. De paarden kwamen briesend dichterbij en ik sprong opzij naar de kant van de weg. Het span stond echter stil vlak voor mij voor de engel die met mij sprak die naar voren was gelopen en ze tegenhield. Hij sprak tegen die paarden: ‘Doorkruis het land!’ En met grote snelheid en kracht galoppeerden de paarden weg, alles wat hen in de weg stond omverlopend. De rode, zwarte en witte paarden zag ik echter in een rechte lijn naar het noorden stormen. En de engel sprak tegen mij: ‘Dezen hebben mijn geest in het noorden gebracht’. Hieruit begreep ik dat het oordeel over Babel en de bevrijding van Jeruzalem was begonnen.

vrijdag 1 mei 2015

Zecharjah - I

De boeken van het Hebreeuwse Oude Testament kun je naar Joodse manier verdelen in de Torah (wetten van God maar ook de geschiedenis vanaf de schepping), profeten (de boeken met geschiedenis van Israël en profetische woorden of visioenen van God door verschillende profeten gesproken), en geschriften (de overige boeken, waaronder allegorieën en wijsheidsboeken). Wat opvalt aan de profetische woorden of visioenen van God in de profetische boeken is dat ze heel beeldend zijn. Daardoor moeten ze op hun hoorders extra indruk gemaakt hebben. Ook werden de woorden gedeeltelijk in poëtische vorm uitgesproken (of gezongen?), zodat ze voor de hoorder nog beter te onthouden geweest moeten zijn.

Om deze indrukwekkende visioenen te begrijpen, moet je soms wel een taal- en cultuurdrempel over. Om die reden heb ik voor mezelf de gezichten van de profeet Zecharjah geprobeerd voor te stellen. De naam van Zecharjah betekent: Jehovah herinnert. Hij kreeg het woord van God voor Israël in de tijd dat Israël door Babylonië was ingenomen en de belangrijkste inwoners daarheen waren gedeporteerd. Een groep Israëlieten onder aanvoering van Zerubbabel waren echter vrijgelaten door de Perzische koning Cyrus. Het was zo'n 500 jaar voor de geboorte van Christus.

Ik laat hier de vier visioenen in de eerste drie hoofdstukken van Zecharjah volgen:
Het was nacht. Een diepdonkere nacht waarin wolken vreemd helder afstaken tegen de duisternis op de aarde. Plotseling hoorde ik het langzame klikken van hoeven. Het was ver weg en kwam dichterbij. Mijn handen trilden en ik verborg me in het struikgewas aan de kant van de weg. Wat deed een eenzame reiziger met een ezelskaravaan op een nacht als deze? Maar terwijl ik me dat afvroeg zag ik opeens de oorzaak van het geluid, in het midden van de ravijn voor mij. Er kwam een dieprood paard stapvoets het ravijn binnen. Op het paard zat een man in verhullende kleding, zodat ik zijn gezicht niet kon zien. Het paard stond precies stil tussen de mirten die in de diepte groeiden. Tussen de witte mirten in de donkere nacht leek de kleur van het paard als bloed. Toen het paard stilstond hoorde ik opeens andere hoeven. Ze waren van snelbereden paarden die snel, in galop, dichterbij kwamen. Toen ik beter luisterde hoorde ik dat het van paarden uit verschillende richtingen moest zijn. Na korte tijd reden er achter elkaar van verschillende richtingen andere ruiters bij de eerste ruiter. Ze reden op bloedrode, op zachtbruine, en op blinkend witte paarden. Wie reisde er nu met paarden, behalve Koninklijke boden of adjudanten? Dat zij ’s nachts reisden wees erop dat het een geheime missie was. En wie was de Koning in het midden van de mirten? Wat kwamen de boden van alle kanten van Israël hier, in het midden van Israël, aan deze Vorst rapporteren, en wat zou zijn missie zijn? Waarom had hij het kleine en geringe Israël, met de koningsstad Jeruzalem uitgekozen als doel? (Zech. 1, 7-17)

De volgende nacht sliep ik in een kleine open ruimte omringd door een aantal grote bomen. Mijn handen warmde ik aan mijn eigen kleine vuur, en ik was daarmee vergenoegd tot ik in de verte een licht zag flikkeren. Ik sloop erheen, en zag van een afstandje al dat het een kampvuur was. Maar toen ik dichterbij kwam sidderde ik. Rondom het kampvuur lagen van de vier zijden van de windstreken vier grote slagtanden. Het waren enorme gekromde slagtanden die met de punten naar het midden van het vuur gericht waren en waaruit als het ware de vlammen voortgekomen leken te zijn. Ze vervulden me meteen met afschuw alsof ik het bloed van velen die deze tanden verwond hadden kon zien. Plotseling echter zag ik vanuit de schaduwen vier mannen opdoemen die met zich zagen meedroegen en ander gereedschap. Ze stootten de tanden omver en begonnen ze te verdelen. Na enige tijd was er van de tanden niets meer over, doofden ze het vuur en vertrokken ze met hun fakkels in alle richtingen, zodat het was alsof er niets geweest was. Het schokte me, omdat ik het gevoel had dat er een grote macht zojuist in een handomdraai vernietigd en weggenomen was. (Zech. 1, 18-21)

Toen ik de volgende dag met mijn ezel stilhield niet ver van Jeruzalem, zag ik tussen de reizigers op de Koninklijke weg een die me uitermate veel belangstelling inboezemde. Waarom precies kan ik niet zeggen; er was iets in zijn trekken dat me ontzag inboezemde. Met zich droeg hij een meetsnoer zoals dat gebruikt wordt om akkers of gebouwen uit te meten. Ik moet hem aangestaard hebben, want op een gegeven moment toen hij dichtbij was keek hij mij onbevangen aan. Terwijl het bloed me naar het hoofd steeg groette ik hem met Sjalom! Meteen liet ik er zonder verder na te denken op volgen: Waar bent u naar op weg? Hij keek me met heldere ogen aan en antwoordde zonder reserve: Naar Jeruzalem, om haar toekomstige omtrek uit te meten. Meteen vervolgde hij zijn weg. Ik verbaasde me hogelijk over dit antwoord, maar er was iets in zijn stem wat me niet de gelegenheid gaf om zijn woorden in twijfel te trekken. Wie zou er ooit heel Jeruzalem opmeten? Alleen iemand wie Jeruzalem tot zijn bezit rekenen zou. Iets herinnerde mij aan de onbekende Vorst die ik in de nacht tussen de mirten had zien staan. Ik zag dat de reiziger met het meetsnoer een andere man die uit de richting van Jeruzalem kwam, staande hield en daar enkele woorden mee wisselde. Deze man haastte zich tot mij en sprak: ‘Wat betreft de omtrek van Jeruzalem moet u dit weten van mijn Meester. Jeruzalem zal zodanig vervuld worden dat ze ver buiten haar muren zal treden. Er zal zelfs geen muur meer nodig zijn. En Jehovah zal een muur van vuur om haar heen zijn, en de stad met heerlijkheid vervullen. Dit is het woord van Jehovah: vlucht uit Babel, want Israël zal uitgebreid en Babel zal beroofd worden. En dit is Zijn belofte: Jehovah zal in het midden van u wonen, en hij zal vele heidenvolken aan u toevoegen.’ (Zech. 2)

Daarna droomde ik van het volgende. Ik bevond me in het Koninklijke paleis, in de raadzaal. De Vorst die ik eerder had gezien zat daar om recht te spreken. Toen ik zag wie er voor hem stond was het alsof ik in een afgrond viel. Het was namelijk Joshua, de hogepriester, die juist dit jaar uit Babel terug was gekomen en bij de herbouwing van de tempel aanwezig was. Voor welk vreselijk misdrijf stond hij terecht? Hoe had het zover kunnen komen dat hij voor het recht gedaagd was? Zijn prachtige hogepriesterlijk gewaad was bevlekt en gescheurd. Verder naar rechts stond een aanklager die er zeer belangrijk en welgesteld uitzag. Hij droeg meerdere gouden ringen aan zijn vingers. Het viel me op dat zijn rede welsprekend was en veel bijval oogstte. De Vorst ging aan het eind van zijn toespraak staan en sprak met een stem die door heel het paleis te horen was tegen de aanklager: ‘Jehovah zal u bestraffen, satan! Is deze Joshua niet een brandhout dat uit het vuur gered is?’ Daarna sprak hij tot zijn dienaren die om hem heen stonden: ‘Doe hem deze klederen uit, en geef hem nieuwe.’ Terwijl dit gebeurde wachtte ik en de andere omstanders met spanning op het uiteindelijke vonnis. De Vorst sprak dit vonnis uit: ‘Zo zegt Jehovah: Indien u in Mijn weg wandelt zult u in Mijn tempel dienen. U en de andere priesters en levieten zullen tot een wonderteken zijn dat Mijn dienaar naar deze tempel zal komen. Over de stenen van de tempel die Ik in uw bijzijn gelegd heb, zullen zeven wachters waken; ik zal er Mijn Naam in graveren ten teken van dat deze tempel aan Mijn eer gewijd is, en ik zal de ongerechtigheid van dit land op een dag wegnemen. En vanaf die dag zal er grote overvloed in het land zijn!’ (Zech. 3)

Ik hoop dat deze beelden van uitverkiezing, verlossing, zegening en vergeving ook nu nog tot zegen mogen zijn!

donderdag 25 september 2014

Onthullingen

De vorige keer schreef ik "De profetieën in de Bijbel zijn niet allemaal meer van deze tijd". Dat geldt voor een gedeelte van de profetieën uit de Bijbel die over een ander tijdperk gaan en al zijn vervuld.

Maar wat zegt de Bijbel in profetieën over onze tijd? Voor profetieën over dit tijdperk moeten we beginnen bij de profeet Daniël. Zijn naam betekent: God is rechter, ofwel: God beslist en regeert over de wereldrijken. Dat is wat er in de profetie van Daniël beschreven wordt: het Babylonische, Perzische, Griekse en Romeinse rijk. De profeet Daniël krijgt van God verschillende gezichten van deze rijken te zien.

Zo is er een profetie in een gezicht van vier dieren. Daniël ziet achtereenvolgens een leeuw, een beer die de plaats van die leeuw inneemt als de leeuw krachteloos wordt, een luipaard en ten slotte een gruwelijk beest waarvan de soort niet genoemd wordt. De koninklijke leeuw beeldt het Babylon uit, de verscheurende beer is Perzië, het Griekenland van Alexander de Grote is de snelle luipaard, het Romeinse Rijk is het verschrikkelijk laatste dier, dat ijzeren tanden heeft waarmee het alles opeet en verbrijzelt (profetie van Daniël, hoofdstuk 7).

Een andere profetie is de droom van het beeld die koning Nebukadnezar heeft en die de profeet Daniël door Gods Geest uitlegt. Dat beeld in de droom heeft een hoofd van goud, een borst en armen van zilver, een buik en dijen van koper, schenkels van ijzer, en voeten van deels ijzer en deels leem. Het gouden hoofd is het prachtige koninkrijk van Babel, legt Daniël uit. De zilveren borst en armen zijn het minder heerlijke Perzische rijk; de buik en dijen van koper van het nog mindere Griekse rijk dat over heel de aarde zou heersen. Het ijzer is van het Romeinse rijk, dat alles vermaalt en verbreekt (profetie van Daniël, hoofdstuk 2).

Maar wat over onze tijd? Het Romeinse rijk is toch ten einde? De genoemde profetieën van Daniël eindigen beiden met het oordeel van God en het eeuwige Koninkrijk van God (2, 44; 8, 26-27). Wordt onze tijd overgeslagen?

Ik geloof van niet. In de droom van het beeld zien we dat het beeld voeten heeft die van ijzer met leem vermengd zijn. Dat gaat over ons! Wat is de uitleg ervan? Onze democratische wereld is wat de profeet Daniël er door Gods Geest over schrijft: "gedeeltelijk hard, gedeeltelijk broos" (2, 42). Kwetsbaar omdat het verdeelde naties zijn, maar hard door de politieke bondgenootschappen en allesvernietigende oorlogswapens. "Ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar zich niet aan elkaar hechten" (2, 43).

In de profetie van de dieren heeft het laatste verschrikkelijke dier met de ijzeren tanden, dat ook op het Romeinse Rijk slaat, tien hoornen. Dat symboliseert dat de macht van dat rijk verdeeld zal worden; het getal tien slaat op veelheid, een hoorn staat voor macht. Wat lezen we er verder over? Er komt een hoorn op die drie andere verdringt. Er zal dus een rijk komen dat andere verdringt, en dat rijk zal "strijden tegen de heiligen, en die overwinnen", totdat God zal komen (8, 21-22). Deze profetie voorspelt dus een nieuw wereldrijk in de trant van het Romeinse Rijk dat christenen zal onderdrukken, en dat pas door de wederkomst van Christus beëindigd zal worden. In een ander gezicht van Daniël wordt dezelfde wereldmacht genoemd als geleid door een heerser waarvan gezegd wordt dat hij grote woorden, woorden tegen God zal spreken (7, 25). Deze heerser wordt ook de antichrist genoemd omdat hij zich tegenover Christus zal presenteren als de verlosser, en de christenen zal vervolgen.

De antichrist wordt niet alleen in Daniël aangekondigd, maar ook in de tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Thessalonica (2, 4): "de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet". Maar het meest duidelijk is dit antichristelijke rijk afgeschilderd in het bijbelboek 'Openbaringen', ofwel onthullingen, aan de apostel Johannes. Hij schrijft over deze antichrist als over een beest dat uit de afgrond opkomt, dat alle volken zal verleiden. Het beest wordt vergezeld van een profeet, die voor de antichrist zal spreken. Samen zullen ze door de wederkomst van Christus worden verslagen. Lees deze synopsis van de genoemde profetieën voor een overzicht.

Wie is deze heerser? De Bijbel laat ons er niet onzeker over: het zal een westers rijk zijn (zoals gezegd, in de trant van het Romeinse rijk), waar een van de heersers zich zal verheffen boven de anderen. Het is niet verwonderlijk dat de vroegere protestantse theologen de paus van Rome als deze antichrist zagen, omdat de paus tijdens de Hervorming heel wat christenen heeft gedood om hun geloof, en zich als plaatsvervanger van God verheft. Maar op de paus waren twee tekens niet van toepassing: dat hij wonderlijke tekenen zal doen als een god, die iedereen erkent, en dat de verdrukking van zijn rijk door de komst van Christus verbroken zal worden. Maar de voorspelde antichrist zal ook door de duivel bezeten zijn en wonderlijke dingen doen waar iedereen op aarde van versteld zal staan. Het is dus niet te vergelijken met een van de oorlogen die op dit moment wordt gevoerd, omdat dat niet over westerse landen gaat, of niet om een heerser die iedereen vereert. Één ding is zeker: de wereld is er rijp voor.

Deze dingen moeten ons niet angstig maken, maar hoopvol omdat het tekenen zijn van het komende hemelse Rijk van God:
Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is. (evangelie van Lukas, 21:28)