Posts tonen met het label leven na de dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leven na de dood. Alle posts tonen

woensdag 6 augustus 2025

Het perspectief van leven zonder God (2)

Misschien heb je mijn vorige bericht gelezen en heb je goede tegenargumenten. Ik zal er een aantal noemen die ik heb gehoord.

Allereerst, je zou kunnen antwoorden: "Je zoekt het te hoog. Er is geen groot antwoord op de zin van het leven, maar dat hoeft ook niet. De zin van het leven ligt in het genieten van het moment. Je zou zelfs kunnen zeggen dat in het moment een wereld vol zingeving zit."

Dit is een antwoord dat deels waar is. Het deel dat waar is, is dat een moment inderdaad een wereld vol zingeving en geluk kan zijn. Maar ten eerste is dat geen tegenwerping tegen het pleidooi om open te staan voor het bestaan van God. De vrede met God kan het geluk van ieder moment alleen maar groter maken, niet kleiner. Het geluk van het moment is ook geen reden om te veronderstellen dat de rest van het leven als geheel dan zinloos moet zijn. Het is juist reden om te onderzoeken of er een grotere werkelijkheid achter dat moment zit.

Een ander tegenargument kan zijn: "Ja, lekker makkelijk. Iedereen kan wel zeggen dat er eeuwig leven is na de dood. Niemand kan je tegenspreken. Dat kan een vrijbrief zijn voor het verwaarlozen van het leven hier op aarde."

Ook dit antwoord is deels waar. Het is waar dat dit een makkelijk antwoord zou kunnen zijn, en dat het geloof in leven na de dood kan leiden tot een verachting van het leven nu. Maar dat is absoluut niet waartoe ik uitnodig als ik vraag je open te stellen voor de mogelijkheid van het bestaan van God. Ik heb het over die God en Vader die Zijn eigen Zoon Jezus voor onze zonden heeft overgegeven. Wij zondigen niet goedkoop, en heel de aarde is vol van Gods glorie. Ik heb het over die God, die persoonlijk aarde en hemel heeft gemaakt en gevraagd heeft of wij zorg willen dragen voor deze aarde, de schepselen daarop en elkaar. Ik heb het over die God die oproept om je leven te verliezen in volledige overgave aan Hem, door het liefhebben van Hem boven alles en van je naaste als jezelf, en het gelovig vertrouwen op het offer van Zijn Zoon voor onze zonden.

Een laatste, heel ander tegenargument kan zijn: "Ik wil helemaal niet eeuwig leven. Dat kan helemaal niet zingevend zijn." Dit tegenargument is met succes gesuggereerd door literatuur, bijvoorbeeld misschien door het verhaal van Toon Telligen over de dag dat de boosheid verdwenen was en de dieren helemaal niet meer weten wat ze moeten voelen en lusteloos voor zicht uit gaan zitten staren en "het ergste vrezen". Of door het verhaal over 'De onsterfelijke' van Borges, een man die van 'de rivier van de onsterfelijkheid' heeft gedronken en na duizenden jaren verlangt naar de dood die hem eindelijk van de zinloosheid zou kunnen verlossen, omdat hij alles wat hij wil al gedaan heeft en niets meer waarde lijkt te hebben als het altijd binnen bereik is.

Op dit laatste argument wil ik reageren op een aantal verschillende misvattingen die erachter kunnen zitten:

  1. het idee dat het geluk zonder de schaduwzijde van het kwaad geen geluk is;
  2. het idee dat alles zich uiteindelijk herhaalt als het eeuwig duurt;
  3. het idee dat de eeuwigheid door het christelijke geloof alleen wordt bestemd voor beloning of straf, woorden die Borges aan de onsterfelijke in de mond legt.

Allereerst over het idee dat het geluk zonder de schaduwzijde of begrenzing van het kwaad geen geluk is of overgaat in verveling. Ironisch genoeg heeft de kerkvader Augustinus ook geargumenteerd dat het kwade ten beste komt van het goede, en dat God het daarom heeft toegelaten - al bedoelde Augustinus niet dat het goede (nu of in de toekomst) niet zonder het kwade zou kunnen. Het idee dat het goede niet zonder het kwade kan is echter onjuist. Adam en Eva waren gelukkig zonder het kwaad. Ze moesten verleid worden tot iets wat ze niet kenden, bedrogen worden, om tegen God te zondigen. Wij zelf kunnen levenslang gelukkig zijn, bijvoorbeeld in een huwelijk of met een kind, zonder dat we behoefte hebben aan kwaad (zoals de dood of echtscheiding). Dit idee is dus empirisch bewezen onjuist te zijn.

Als tweede het idee dat er een eeuwige cyclus is waarin alles uiteindelijk herhaling is en niets nieuws meer is. Borges begint zijn verhaal met een citaat van Francis Bacon die op zijn beurt het bijbelboek Prediker citeert dat er niets nieuws onder de zon is. Daarmee wordt over het hoofd gezien dat deze klacht van niets nieuws onder de zon er een is die ontstaat in een ellendige en zondige wereld waarin de dood een feit is. Ieder mens snelt naar de dood, iedere nieuwe generatie is aan dezelfde wetmatigheden en ellende is onderworpen. De algemene stelling dat alles zich herhaalt is een vooronderstelling waarvoor geen enkel bewijs bestaat. Precies zo bestaat er voor de algemene stelling dat op den duur alles gaat vervelen, geen reden. Hoe zit dat in ons mensenleven? Mensen zijn als ze overlijden wel uitgekeken op de ellende, maar niet op het goede en mooie in het leven. Onze eigen ervaring spreekt het tegen. Als we dit leven niet meer willen, is dat uit wanhoop en niet uit verveling. Spreuken 5:19 heeft een mooie spreuk over het blijvend genieten van je huwelijk: "Dool altijd rond in haar liefde." Zoals je in een tuin telkens opnieuw rond kunt dwalen en telkens weer ervan geniet. Niet zoals in een cyclus waarin exact dezelfde toestand als eeuwen geleden terugkomt en alles zich opnieuw herhaalt.

Als laatste, het idee dat het christelijke geloof de eeuwigheid alleen bestemt voor beloning of straf. Dat is niet wat de Bijbel erover zegt. Beloning en straf is wel onderdeel van de eeuwigheid. Maar het is veel aangrijpender: de hel is zonder God zijn, zonder Zijn licht en zegeningen zijn, in gezelschap van de duivel, de bedrieger vanaf het begin zijn, en vol zijn van beklag maar ook van voortdurende haat tegen God. Je kunt het geen leven noemen - het wordt daarom de eeuwige dood genoemd. Dat is waar de leugen van Satan ons brengt ons brengt als we niet tot Jezus vluchten. Daartegenover staat eeuwig leven. Niet "eeuwig beloond worden" maar eeuwig leven. Dat gaat niet alleen over beloning, maar veel meer: over dat God alle tranen zal afwissen van het lijden op deze aarde, dat God een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal maken waarop vrede en gerechtigheid woont, dat we Gods aangezicht zullen zien, wat betekent dat we onze Schepper niet meer alleen maar kennen als via een verdonkerde spiegel, maar direct, dat er vrede zal zijn in de natuur tussen de dieren en ons, dat we onbevreesd om mogen gaan met en regeren over heel Gods schepping, waarvoor wij in de eerste plaats door God tot leven zijn geroepen toen Hij ons op deze aarde schiep. En dat alles zonder de droevige zonden van ons hart waarmee we nu nog dagelijks strijden.

God heeft ons altijd al voor het eeuwige leven bestemd. Daarom stond er in het midden van het Paradijs (ja echt, in het midden) de boom des levens. Het is door onze zonde dat we moeten sterven. Het eeuwige leven in de Bijbel is dus niet een beloning, maar een herstel van hoe het zou moeten zijn. Het is dus een meervoudige misvatting dat eeuwig leven niet zingevend zou kunnen zijn.

Het tegendeel is waar. Kijk ten slotte eens op naar de oneindige God die dit heelal geschapen heeft, en bedenk dat Hij het is die je uitnodigt om in Zijn nabijheid te wonen. Hij zal eeuwig dezelfde betrouwbare, barmhartige en genadige God blijven die ons het eeuwige leven geeft, de eeuwige Bron van al het goede die nooit opdroogt. Jezus, het Lam van God, zal ons weiden en naar verse waterbronnen leiden.

zondag 16 juli 2017

Psalmen - 16

Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
2 Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
3 maar voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.
4 Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven;
ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.
5 De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt wat het lot mij toewees.
6 De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
7 Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
8 Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
9 Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
10 Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
11 U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.

Bevreemdend
Er zijn een best een aantal dingen die in deze psalm genoemd worden die (voor ons) niet vanzelfsprekend zijn.

Allereerst de verwijzing naar 'plengoffers van bloed' voor andere goden (vers 4). Blijkbaar was dat dus in de tijd van deze psalm het geval. In de priesterwetten van Israël kon een plengoffer van wijn aan God gebracht worden, maar niet van bloed. Er werden wel bloedige offers gebracht bij het brandoffer of zondeoffer, juist waar het om vergeving van zonden gaat voor God. Bloed in de Joodse eredienst wijst dus op vergeving. Daarom schrijft de apostel Johannes ook: "het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde" (eerste brief, 1, 7).

De uitdrukking "'s nachts onderwijzen mij mijn nieren" (vers 7) is voor ons ook vreemd. Het is beeldspraak voor gevoelens en verlangen. Zoals wij zeggen "ik voelde in mijn hart dat ..." of "mijn onderbuikgevoel zei ...", vinden we in het Hebreeuws het hart als de plek van de wil en overleg, en de nieren als plek van het gevoel en verlangen. Hier betekent het dus dat David 's nachts bedacht hoe groot God was voor hem.

In vers 2 staat: "Mijn goedheid is niet voor u" (of "raakt niet tot u"). Tegenwoordig is het niet vanzelfsprekend, zoals het voor David was, dat zijn goede daden niet tot God raken. Wij denken God wel goed te kunnen doen. We denken Gods achting te winnen door in het algemeen goed te leven. Ons godsbeeld staat dus op een lager pitje en ons mensbeeld op een hoog niveau. David zag dat andersom. Zijn daden konden hoogstens het beste voor de meest geëerden onder de mensen betekenen. Op zich komt de gedachte dat onze daden 'horizontaal' zijn (dus voor andere mensen, niet voor een God) vandaag ook wel veel voor. Maar dat gaat vaak hand in hand met het niet geloven in een persoonlijke God.

"Want u zult mijn ziel in het graf niet verlaten": veel mensen geloven dat er na de dood wel 'iets' is, dat onze ziel voortbestaat. Dat zouden we hierin kunnen herkennen.

Echter, David bedoelde met deze woorden waarschijnlijk vooral op iets anders. David verwijst hier waarschijnlijk naar de belofte die God hem deed dat Hij het nageslacht van David voor altijd het koningschap van Israël zou geven (tweede boek Samuël, 7). Dus kunnen we deze woorden zo opvatten: "zelfs bij mijn dood zal Uw zorg voor mijn nageslacht voor altijd verder gaan, omdat U mij een eeuwig koningschap hebt beloofd". Deze woorden zijn dus in geloof uitgesproken, zonder dat het voor David heel duidelijk was hoe God zijn koningschap voor eeuwig zou voortzetten.

Deze uitleg geven de apostel Petrus en de apostel Paulus aan de psalm, maar ze geven er ook een nieuwe wending aan: ze passen het toe op de opstanding van Jezus:
"Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is. Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten, daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien." (Handelingen van de apostelen, 2, 29-31)
"Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd en heeft wel ontbinding gezien; maar Hij Die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien." (Handelingen van de apostelen, 13, 36-37)
Voor ons westerlingen is de vrije uitleg van Petrus en Paulus nogal bevreemdend; wij zouden vinden dat ze niet genoeg recht deden aan de originele betekenis van de tekst. De bedoeling van David kan moeilijk geweest zijn om met de woorden "U zult mijn ziel in het graf niet verlaten" opeens te spreken voor zijn nakomeling Jezus.

De Joodse cultuur gaat echter anders met de tekst om dan de Griekse (zie mijn eerdere blog daarover): 'ze blaast de tekst nieuw leven in', in plaats van zich helemaal te richten op de oorspronkelijke betekenis, zei mijn docent Joodse filosofie prof.dr. Luc Anckaert. Dus terwijl David als profeet voorzag dat God na zijn dood op wonderlijke wijze voortzetting zou geven aan zijn koningschap, geven Petrus en Paulus deze woorden meteen een nieuwe betekenis die ze voor David niet gehad kunnen hebben: dat Jezus zelf 'in het graf niet verlaten is geweest en geen ontbinding heeft gezien'. Het mooie van een dergelijk nieuw gebruik van oude woorden is dat ze de oorspronkelijke betekenis verrijkt. Voor mij als westers mens blijft het lastig om zo met de tekst om te gaan. Het lijkt doen alsof David als profeet de opstanding van Jezus heeft voorzegd, terwijl hij maar een vaag begrip moet hebben gehad van wat God in de toekomst voor zijn nageslacht zou gaan doen. Maar nee, ik moet niet zeggen 'vaag begrip', maar liever 'vast en vreugdevol vertrouwen' (mooie alliteratie...). Het verbinden van de vervulling met de oorspronkelijke hoop van David blijft mooi en complex.

Herkenbaar
Het vetrouwen op God is herkenbaar voor een christen, evenals dat we van God afhankelijk zijn (zie het gebed in vers 1). Eigenlijk is deze hele psalm ene uiting van vertrouwen en vreugde in God.

Profetisch
We hebben al genoemd hoe deze psalm op de opstanding van Jezus te betrekken is. We mogen ook vandaag ons verheugen in en verlangen naar Gods rijk en het pad van het leven!