Posts tonen met het label hermeneutiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hermeneutiek. Alle posts tonen

vrijdag 8 april 2022

Hoe zal Jezus terugkomen?

Het interpreteren van teksten kan soms wat moeite kosten. Dat komt vooral naar boven als er meerdere interpretaties zijn die met elkaar strijden. Toch hoeven we niet te rouwen: er zijn prima manieren om de tekst beter te begrijpen. We hoeven niet mee te gaan in de hype die zegt dat alle tekstuele interpretatie maar subjectief is en dat elke interpretatie daarom onweerlegbaar is. Mijn vriend dr. Wout Bisschop heeft daar een mooi boek over geschreven.

In dit bericht wil ik het hebben over hoe Jezus terug zal komen. We weten dat we in de laatste dagen leven. Ook is het terugkomen van Jezus het einde van deze aarde zoals we die nu kennen, en een ankerpunt van ons geloof. Daarom is het des te belangrijker om er duidelijk over te kunnen spreken. Ik hoop dat ik daarin Gods eer kan zoeken, niet mijn eigen mening of eer (Joh.7:18).

Vanmorgen in de tuin hoorde ik hoe bij het aanbreken van de eerste schemering, de merels en andere vogels beginnen te zingen en dat volop doen nog voordat de zon opgaat. Het trof me dat deze vogels zó naar het begin van de dag toeleven en dat laten horen. Op dezelfde manier moeten wij christenen beginnen te zingen bij het aanbreken van de eerste tekenen van Jezus' wederkomst, en het aan mensen laten horen die daar nog onbekend mee zijn.

Één belangrijk teken is dat als Jezus terugkomt, iedereen op aarde het teken van Christus in de wolken zal zien en zal herkennen. Het zal niet zo zijn dat Christus ergens in een huis is, of ergens op een verlaten plaats - als mensen dat zeggen moeten we ze niet geloven en er niet naar toe gaan. Dat zal een val zijn van Satan. Het zullen mensen zijn die zich voordoen als Jezus en grote tekenen doen door duivelse machten, maar het zullen anti-christussen zijn. Jezus waarschuwt hier ons nadrukkelijk voor (Matt. 24:23-28, Mark. 13:21-23). Er is dus niet zoiets als een eerste, verborgen komst van Christus. Als je dat gelooft of dat aan mensen predikt, drijf je ze eigenlijk in armen van de antichristussen, en je spreekt letterlijk de woorden van Jezus tegen.

"Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn." (Matt. 24)

Een tweede belangrijk punt is "de grote verdrukking" die voorafgaat aan de wederkomst van Christus. Er zijn mensen die zeggen dat de gelovigen deze grote verdrukking niet mee hoeven te maken, omdat ze worden 'opgenomen' in de hemel net ervoor. Dat wordt gebaseerd op 1 Thessalonicenzen 4:17, waar het gaat over dat de gelovigen de Heere Jezus tegemoet gaan bij Zijn wederkomst. Natuurlijk zullen de gelovigen Jezus tegemoetgaan, maar dat zal niet vóór, maar ná de grote verdrukking zijn. Lees maar in Openbaring 7:14, waar het gaat over "een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen volken en talen" die "voor het Lam staan": "Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen" (zie ook Mattheüs 24:21, Daniël 12:1). De eerste opstanding valt samen met de komst van Jezus, en valt ook samen met het begin van het duizendjarig vrederijk (1 Thessalonicenzen 4:16, Openbaring 20:4-5). Sommige medebroeders in Christus lezen de Openbaring alsof eerst Jezus terugkomt (Openbaring 6:16), dat daarna Israël verzegeld wordt (Openbaring 7) en dat vervolgens de gelovigen buiten Israël voor het Lam staan (Openbaring 7) en dat daarna de grote verdrukking begint (Openbaring 13, 17). Zo kan het niet zijn. De grote verdrukking vindt dus plaats voordat Jezus terugkomt, dus voordat wij - en de andere gelovigen - Hem tegemoet gaan in de lucht. Wij zullen het grote Babylon meemaken, de grote verleiding en de antichrist. We moeten erop voorbereid zijn, waakzaam zijn. Als Jezus verschijnt, is het gedaan met alle verleiding:

"En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst; hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden." (2 Thessalonicenzen 2)

Een derde belangrijk punt is dat we niet moeten denken "het zal zo'n vaart niet lopen", of, "ik hou van Jezus dus het komt wel goed". Jezus zegt zelf dat Zijn komst zal zijn als een dief in de nacht, dus onverwachts. Bij de komst van de bruidegom zullen er zelfs bruidsmeisjes zijn die uitgenodigd zijn voor het feest, maar die niet voorbereid zijn op Jezus' komst. Ten diepste laat dat zien dat ze Jezus niet liefhebben, omdat ze Zijn woorden niet gehoorzamen, maar alleen voor de vorm en voor het feest zijn meegegaan. De bruidegom zal de deur voor hen sluiten! We moeten ook niet denken "ik heb nog tijd genoeg - ik ben nog jong, en Jezus zal morgen niet terugkomen, want er gaan tekenen aan vooraf die ik toch zeker wel zal herkennen." We zien een wereldwijde milieucrisis - en slapen door. We zien een onverwachte pandemie die zelfs het westen lamlegt - en slapen door. We zien een oorlog waar de kernwapens op scherp staan - en slapen door. We zien dat God Zijn belofte van het terugbrengen van Israël in Zijn land vervult - en slapen door. We zien de wetteloosheid (2 Thess. 2) verwoestend toenemen - en slapen door. We moeten niet denken "eerst zal Israël nog tot bekering komen", want zij zullen misschien wel op het allerlaatste moment, namelijk als Jezus terugkomt, "Hem zien die zij doorstoken hebben" (Zacharia 12). Als we ondanks al deze tekenen doorslapen, blijven we in slaap totdat we opeens Jezus op de wolken van de hemel zien en wakker worden geschud uit de zoete slaap van welvaart, eigenwillige godsdienst en verleiding. Want ja, de Satan zal in de antichrist een engel van het licht lijken te zijn:

"... hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid." (2 Thess. 2)

Omdat er zoveel verschillende uitleg is van het bijbelboek Openbaring, lijkt het me goed om een paar specifieke dingen op te merken. Allereerst dat in Openbaring 6, bij het verbreken van het 6e zegel, het gaat over de wederkomst van Christus. Het gaat niet over alleen maar grote tekenen op de aarde die mensen verschrikken, maar over het verschijnen van de heerlijkheid van God. Daarvoor zullen de mensen vluchten naar de grotten en zullen ze willen dat de bergen hen daarvoor zouden bedekken. Dit is een duidelijk citaat van Jesaja 2:19:

"Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.

Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich daarvoor neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.

Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken."

Dit is in die zin belangrijk, dat we inzien dat er maar één wederkomst van Christus is, en dat die voor heel de aarde duidelijk zal zijn.

Een ander punt is dat er in Openbaring meerdere verhaallijnen door elkaar lopen. Een eerste verhaallijn is heel duidelijk. Er zijn de opeenvolgende zeven zegels van het boek van de wereldgeschiedenis die door Jezus geopend worden. Bij het zesde zegel is de wederkomst van Christus. Daarna worden de dienaren van God aan hun voorhoofd verzegeld zodat de komende plagen hen niet raken, en staan de gelovigen voor de troon en voor het Lam. Daarop volgen de zeven bazuinen. De laatste drie bazuinen worden aangekondigd met "wee, wee, wee". Bij de zevende bazuin is er geen uitstel meer. Ik denk dat het laatste "wee" van de laatste bazuin terug te vinden is in de zeven schalen van Gods toorn die over de aarde worden uitgegoten.

Een tweede verhaallijn loopt hier doorheen en begint in Openbaring 12. We zien dat daar een gezicht komt van de strijd van de gelovigen - de nakomelingen van Eva - en de duivel - de slang. Het teken gaat over een vrouw die zwanger is en het uitschreeuwt. Zij baart een Zoon - dat is Jezus, want er staat bij: "die alle heidenvolken zal hoeden met een ijzeren staf", een verwijzing naar Psalm 2, waar het gaat over de Gezalfde van de HEERE (zie ook Openbaring 19:15). Het kind wordt "weggerukt naar God en naar Zijn troon" - Jezus stierf voor onze zonden. We lezen daarna dat de satan uit de hemel wordt geworpen, omdat hij overwonnen is door het bloed van het Lam. Maar er staat ook meteen bij: "Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weing tijd heeft." In het vervolg van Openbaring staat dat het teken verder gaat met het opkomen van een beest uit de zee en een beest uit de afgrond (Openbaring 13). Later in Openbaring 17-18 wordt het oordeel van God over deze beesten, en de grote stad Babylon, die als een hoer alle mensen van de aarde verleidt, beschreven. Omdat het hier over een laatste wereldheerser en laatste wereldrijk gaat, gaat het hier ook over de "grote verdrukking" (zie ook de profeet Daniël en dit eerdere bericht daarover) waarin we zagen dat die al ophield met de komst van Jezus.

Deze twee verhaallijnen vullen elkaar heel duidelijk aan. De eerste staat helemaal in het teken van dat Jezus komt en dat de wereldgeschiedenis in Zijn hand is. De tweede heeft als thema dat we in een strijd met de duivel gewikkeld zijn, en dat die strijd aan het eind hevig zal zijn. We moeten deze verhaallijnen niet in elkaar willen vervlechten alsof ze in de tijd op elkaar volgen, want dat is juist niet de bedoeling. Juist in de grootste strijd is Jezus met ons en is Zijn wederkomst het dichtst bij.

Laten we hier met elkaar over blijven spreken, luisterend naar de woorden van onze enige Heer en Zaligmaker Jezus Christus, Gods Zoon:

"En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de poorten de stad mogen binnengaan. Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets. Want ik getuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand iets aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek geschreven zijn. En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, zal God zijn deel afdoen van het boek des levens, en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek geschreven zijn. Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen." (Openbaring 22)



P.S. Ik kreeg nog wat vervolgvragen over het tweede punt dat ik hierboven noemde, over dat de gelovigen uit de volken de grote verdrukking zullen meemaken. Hierbij een samenvatting van de bewijzen hiervoor uit de Bijbel:

  1. De gelovigen van de opname komen uit de grote verdrukking: Openb. 7:14: Johannes ziet een grote menigte uit alle volken (7:9) die "uit de grote verdrukking komen".

    1. Tegenargument: "uit de grote verdrukking" betekent dat ze eruit weggehaald zijn door de opname.
      1. Tegenwerping van het tegenargument: Dat is een rare manier van lezen. "Uit de verdrukking" betekent niet "weg vóór de verdrukking" maar betekent "zij waren eerst in de grote verdrukking, daarna zijn ze daar vandaan gekomen". Zie ook ander gebruik van het Griekse woordje εκ in Openbaring.
  2. De wederkomst is vóór de opname: Openb. 6:12-17 gaat over de zichtbare wederkomst van Jezus met heerlijkheid. Bewijs is dat de goddelozen zich voor Zijn heerlijkheid verbergen (zie Jesaja 2:19). Een ander bewijs is dat Matt. 24:29-30 dezelfde woorden beschrijft als Openb. 6 en 1 Thess. 4. Dus de opname gebeurt bij de zichtbare wederkomst van Jezus met heerlijkheid, en die is duidelijk ná de grote verdrukking, zoals te zien is in Matt. 24:29: "na de verdrukking van die dagen" en die gaat over (24:21) "een grote verdrukking, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal".

    Een ander bewijs hiervan is dat in 1 Thess. 4 gesproken wordt over dat Jezus' komst duidelijk hoorbaar is door roepen van de engel en de bazuin, en zelfs de opstanding van de doden: "Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan."

  3. De Openbaring zegt niet dat de grote verdrukking na de opname komt: Het idee dat Openb. 13 en 17 (die de grote verdrukking beschrijven) chronologisch volgen op Openb. 6 en 7 (waar het gaat over de wederkomst van Christus en de opname), omdat het achter elkaar staat, is niet juist. Bewijs: Openb. 13 is één geheel met Openb. 12., omdat de draak het beest uit de zee de macht geeft (Openb. 13:4). In Openb. 12:17 staat dat de draak heengaat "om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God in acht nemen en het getuigenis van Jezus Christus hebben". Dat wordt in Openb. 13 dus nader beschreven. Het is duidelijk dat Openb. 12 en 13 een nieuwe verhaallijn is, omdat het in Openb. 12:5 gaat over de geboorte van Christus (bewijs: Psalm 2:9, Openb. 19:15), en dat is natuurlijk in de tijd vóór Zijn wederkomst. Dus Openb. 12 en 13 is een andere verhaallijn dan Openb. 6 en 7, en het is onjuist om te zeggen dat ze chronologisch op elkaar volgen.

  4. De opname is na de eerste opstanding, en de eerste opstanding na de grote verdrukking: Openb. 20:4 noemt de eerste opstanding, en noemt dat deze gelovigen degenen waren "die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand". Dus de eerste opstanding is ná de grote verdrukking. En de eerste opstanding is vóór de opname, zie 1 Thess. 4: "En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht." Een ander bewijs dat de opstanding en opname tegelijkertijd zijn is te lezen in 1 Kor. 15:51-52.

  5. De verdrukking van alle gelovigen gaat aan de wederkomst vooraf: In 2 Thess. 1 verbindt Paulus duidelijk de verdrukking van alle gelovigen, aan de wederkomst: "Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht". Er is dus geen opname die gelovigen wegneemt vóór de verdrukking, maar juist de wederkomst maakt aan de grote verdrukking een einde en daarmee komt de opname.

  6. De verdrukking gaat over een oorlog tegen de heiligen, niet tegen Israël alleen: In Op. 13:7 en 13:10 staat dat het beest gegeven is oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen. Het woord 'heiligen' is een algemene benaming die niet laat zien dat hier alleen sprake zou zijn van Israël. Zie Op. 14:12 waar het "geduld van de heiligen" (Op. 13:10) wordt herhaald en wordt verklaard dat dit degenen zijn "die de geboden van God houden en het geloof in Jezus behouden". Zie ook Op. 8:3-4 waar het gaat over de gebeden van de heiligen: daar wordt ook niet alleen Israël bedoeld.

  7. Weerlegging van de argumenten voor de opname: De volgende argumenten voor de opname voor de grote verdrukking zijn niet geldig:

    1. Argument: "De grote verdrukking is de dag van Gods toorn. Gelovigen zullen bewaard worden voor de toorn van God (1 Thess. 5:9, Rom. 5:9)".

      Weerlegging: De eerste bewering is niet juist: de grote verdrukking is niet de dag van Gods toorn, maar een dag van grote verdrukking waarin juist de heiligen overwonnen worden. De dag van Gods toorn komt ná de grote verdrukking en met de wederkomst (Openb. 6 beschrijft de wederkomst, de bazuinen en schalen van Gods toorn volgen erna). Het zou raar zijn om de grote verdrukking de dag van Gods toorn te noemen als er op dat moment juist het onrecht overheerst.

    2. Argument: Als de gelovigen in Thessalonica dachten dat de opname ná de grote verdrukking plaatsvond, zouden ze niet bezorgd zijn geweest "alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn" (2 Thess. 2:2), omdat ze al op de grote verdrukking voorbereid waren.

      Weerlegging: De gelovigen in Thessalonica moeten door Paulus juist herinnerd worden dat Jezus niet terugkomt vóór de grote verdrukking. Dat doet Paulus namelijk in 2 Thess. 2: zijn onderwijs over de grote verdrukking herhalen. Ze waren dus niet voorbereid. De verwarring in Thessalonica bestond er misschien wel in dat er gelovigen waren die stopten met werken (2 Thess. 3:11) omdat ze dachten dat dat niet meer nodig was.

    3. Argument: De grote verdrukking breekt pas aan ná de opname, want zolang de gemeente van gelovigen op aarde is zijn zij samen met de Heilige Geest de "weerhouder" waarover gesproken wordt in 2 Thess. 2:7 "Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is."

      Weerlegging: De gemeente van gelovigen op aarde is niet de weerhouder. De Heilige Geest is inderdaad de weerhouder, hij weerhoudt ook de ongelovigen nog door in hun geweten te spreken. Als de Heilige Geest zich uit de gewetens langzamerhand zal terugtrekken, wordt de wetteloosheid echt duidelijk zichtbaar (dat zien we vandaag!).

    4. Argument: Er zijn gelovigen in de hemel op het moment van de grote verdrukking, zie Openb. 12:12: "Daarom, verblijd u, hemelen, en u die daarin woont! Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft."

      Weerlegging: Het gaat hier niet over gelovigen die zijn opgenomen net voor de grote verdrukking, maar over alle gelovigen die nu al bij de Heere zijn. Deze broeders werden aangeklaagd toen de satan nog in de hemel was (vers 10): "de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen.

    5. Argument: Jes. 26:19-21 gaan over de opstanding, de opname en daarna de grote verdrukking.

      Weerlegging: Jes. 26:21 gaat niet over de grote verdrukking (waarin satan even de macht heeft), maar over het oordeel van God (waarin God de ongerechtigheid straft). Dat is een duidelijk verschil. Daarnaast is Jes. 26:20 niet een duidelijke beschrijving van de opname: "ga in uw kamers, en sluit uw deuren toe" klinkt gewoon als verbergen in je huis. Als er de opname mee bedoeld werd, zouden we duidelijker woorden kunnen verwachten zoals "kom hier in Mijn huis, en Ik zal de deuren toesluiten".

dinsdag 25 juli 2017

Psalm 16 - Hermeneutiek

Vorige keer schreef ik over psalm 16. Daarin ging het ook over de nieuwe uitleg en toepassing van de apostelen Petrus en Paulus van een deel van die psalm op de opstanding van Jezus Christus.

De studie naar een betekenis van een tekst heet exegese en hermeneutiek. Exegese betekent letterlijk "eruit menen, eruit afleiden". Hermeneutiek gaat over de boodschap die een tekst in zich heeft (Hermes was in de Griekse mythologie de boodschapper van de goden).

De betekenis van taal is contekstgevoelig. Met dezelfde zin kun je in verschillende situaties iets anders bedoelen. Uit dezelfde geschiedenis kun je verschillende 'moralen van het verhaal' concluderen (of helemaal geen moraal toeschrijven), in hetzelfde gedicht kun je verschillende gevoelens lezen. J.L. Austin (1911-1960) en J.R. Searle (1932) hebben dit in de taalfilosofie het verschil tussen locutie (vorm) en illocutie (bedoeling) van de taalhandeling genoemd. Het is dus niet mogelijk om de bedoeling van de auteur uit de grammatica (locutie) van de tekst zelf te lezen; men moet een interpretatie doen op basis van de contekst.

Het lezen van de Bijbel heeft datzelfde probleem. Maar bij het lezen van de Bijbel blijft het niet bij de vraag: "Wat heeft de schrijver/profeet hiermee bedoeld?" Het gaat, net als literaire interpretatie en vertolking, veel verder. Het zoekt naar de moraal van een tekst, naar het plaatsen van de tekst in een nieuw daglicht (figuurlijke/allegorische lezingen), en naar de betekenis van de tekst voor vandaag en morgen. De traditionele bijbeluitleg onderscheidde daarom respectievelijk de sensus moralis, sensus allegoricus, sensus anagogicus van de sensus litteralis. De sensus allegoricus, soms typologie genoemd, werd in de vroege kerk vaak toegepast om de geschiedenissen van Israël toe te passen op het leven en het onderwijs van Jezus Christus. De sensus anagogicus ging dan over hoe de tekst van toepassing is op ons leven en het komende Rijk van God. Er is altijd een vertaling tussen de letterlijke tekst en tussen wat het voor ons leven betekent.

Voor deze Bijbelinterpretaties zijn twee radicaal verschillende invalshoeken mogelijk:
  1. objectief: Proberen de ene ware bedoeling van de Bijbeltekst te achterhalen die God als eerste auteur daarin heeft gelegd, die de profeten van Zijn Geest gegeven heeft;
  2. subjectief: De letterlijke betekenis van de tekst recht doen maar daarna de tekst tot nieuwe betekenis, nieuw leven brengen door deze toe te passen op het nu (met hulp van Gods Geest!).

Zelf ben ik van mening dat de tweede invalshoek, de subjectieve, de juiste is. Dat is omdat ik ervaar dat het vaak blijft wrijven tussen de sensus litteralis en de sensus moralis/allegoricus/anagogicus: het is nooit 1:1 naar een nieuwe betekenis om te zetten. Een voorbeeld daarvan is de in mijn vorige blog genoemde allegorische lezing van Petrus en Paulus van Psalm 16: die vult de letterlijke betekenis niet alleen aan, maar vervangt die ook. Bovendien voelt het krampachtig om naar een juiste morele/allegorische/anagogische uitleg te zoeken die achter de tekst verborgen zou zitten. Het lijkt me te klein van God gedacht; ik denk dat God gewild heeft dat de letterlijke tekst in elke tijd een nieuwe toepassing kan krijgen, en dat verschillende predikers, door God geïnspireerd, elkaar kunnen aanvullen.

Hiermee wil ik niet ontkennen dat er objectieve waarheden zijn die door taal doorgegeven kunnen worden. Die objectieve waarheden zijn er zeker, veel staan er in de letterlijke woorden van Jezus en in de woorden van God door de profeten en de brieven van de apostelen. Maar voor het erkennen en ervaren van de volledige waarheid van God is Gods Geest nodig. Juist bij de Bijbel is er sprake van een strijd tussen onze subjectieve ideeën en Gods bedoeling! Gods Geest moet ons te hulp komen. We moeten dus niet subjectief, maar spiritueel-subjectief lezen. Daarover zometeen meer.

De genoemde tegenstelling tussen objectieve en subjectieve interpretatie van een tekst zien we ook in de filosofie van de hermeneutiek terug. De Duitse theoloog en filosoof Friedrich Schleiermacher (1768-1834), grondlegger van de filosofische hermeneutiek, schetst een breed beeld van hoe een tekst te begrijpen is door ons in te leven in de historische en innerlijke (psychologische) situatie van de auteur, door te lezen in contekst van andere schrijvers, andere geschriften van dezelfde auteur, en van de tekst zelf. Het accent lijkt daar echter te liggen op het een-worden met de oorspronkelijke bedoeling van de tekst (objectief). De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) stelt echter dat we ons nooit helemaal in de historische en psychologische contekst kunnen verplaatsen, omdat we altijd kind van onze tijd zijn. Ik denk dat dat klopt.

Wel begint interpretatie altijd bij het zorgvuldig zoeken naar/benaderen van de letterlijke betekenis van de tekst. Daarbij is de historische situatie en vergelijking met de contekst zeker van belang. Een interpretatie van een deel van de tekst kan ook natuurlijk niet in letterlijk tegenspraak een ander deel van de tekst tegenspreken. Het onderscheid van de juiste letterlijke interpretatie wordt kritisch lezen genoemd. Dus ook de Bijbel moeten we spiritueel-subjectief-kritisch lezen.

De hervormer en theoloog Maarten Luther schrijft in zijn uitleg van de brief aan de gemeente van Galatië ook over allegorie die de apostel Paulus daar geeft van de geschiedenis van Sarah en Hagar (4, 21-31). Luther is daar ook van mening dat het de subjectieve/nieuwe betekenis is die Paulus aan de geschiedenis toevoegt. Naar zijn mening zijn allegorieën nuttig als ze de inhoud van het geloof duidelijker maken. Daarentegen is een allegorie niet nuttig als het een duidelijke letterlijke tekst nodeloos op iets anders toepast.
"Paulus nu was een voortreffelijk kunstenaar, om allegorieën te behandelen. Want hij is gewoon ze toe te passen op de leer des geloofs, op de genade, en op Christus, niet op de wet en de werken, zoals Origenes en Hieronymus doen. Deze worden, omdat zij de eenvoudigste uitspraken van de Schrift, waarbij allegorieën niet te pas komen, in ongepaste en dwaze allegorieën veranderd hebben, terecht berispt." (uitleg bij Galaten 4, 21)
Ook moeten allegorieën kritisch worden gebruikt, in harmonie met de letterlijke betekenis van de teksten uit de Bijbel:
"De allegorieën brengen in de theologie geen vaste bewijzen voort, maar zij zetten luister en sier aan de zaak bij, evenals schilderijen. (...) Omdat hij (Paulus) nu deze zaak hierboven (de inhoud van Galaten 1-4) met zeer krachtige bewijzen, ontleend aan de ervaring, aan het voorbeeld van Abraham, alsook aan de getuigenissen en gelijkenissen van de Schrift, verdedigd heeft, voegt hij er nu aan het einde van zijn verhandeling een allegorie bij als een soort versiering. (...) Want zoals een schilderij een zeker sieraad uitmaakt van een woning, die reeds geheel in orde gebracht is, zo is een allegorie, als een zekere opheldering van een redevoering of zaak, die al van elders bewezen is." (uitleg bij Galaten 4, 24)

Tot het gedachtegoed van Luther behoort ook dat Gods Geest ons moet leiden bij het lezen van de Bijbel, om tot juiste interpretaties te komen en de waarheid van God te erkennen en ervaren. Daarbij is hij echter fel tegen de mening van mensen dat de ervaring van de Geest (en openbaringen zoals dromen) belangrijker is dan de letterlijke betekenis van de Bijbel. Gods Geest wil ons met behulp van de letterlijke betekenis van de tekst aanspreken.

Ik begon deze blog met het schrijven dat het interpreteren van een tekst contekstgevoelig en dus in eerste instantie subjectief is. Daarna ben ik ingegaan op de gave van Gods Geest om de waarheid van God te kennen. Vervolgens heb ik genoemd dat we voor het interpreteren van een tekst kritisch moeten zijn en deze eerst letterlijk moeten lezen. Lezen van de Bijbel is dus het samen opgaan van deze drie: de tekst, de contekst waarin ik en jij ons bevinden, en Gods Geest. Als laatste zou ik nog willen noemen dat het lezen van de tekst ons niet onaangedaan moet laten. Ik las ergens dat hermeneutiek bij de vroeg-christelijke filosoof Aurelius Augustinus als doel had: de dubbele liefde tot God en mijn medemens. In eerste instantie vroeg ik me af hoe dat ooit een principe van hermeneutiek kon zijn. Maar bij nader inzien is dat juist het belangrijkste deel van het lezen van de Bijbel: dat ik geconfronteerd word doordat de tekst mij aanspreekt om te handelen in liefde voor God en mijn naaste. Lezen van de Bijbel kan dus alleen spiritueel-subjectief-kritisch-praktisch, dus met handelen (praktijk) gepaard gaand. Dat is waar jij Jij wordt, zou de Joodse filosoof Martin Buber zeggen, dus waar het appèl van de stem van God of het gezicht van mijn medemens me niet meer onverschillig laat.

Dat is waar Jezus zijn toespraak op de berg mee afsluit:
Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft; en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft; en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot. (evangelie van Mattheüs,
7, 24-27)

zondag 16 juli 2017

Psalmen - 16

Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
2 Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
3 maar voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.
4 Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven;
ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.
5 De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt wat het lot mij toewees.
6 De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
7 Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
8 Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
9 Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
10 Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
11 U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.

Bevreemdend
Er zijn een best een aantal dingen die in deze psalm genoemd worden die (voor ons) niet vanzelfsprekend zijn.

Allereerst de verwijzing naar 'plengoffers van bloed' voor andere goden (vers 4). Blijkbaar was dat dus in de tijd van deze psalm het geval. In de priesterwetten van Israël kon een plengoffer van wijn aan God gebracht worden, maar niet van bloed. Er werden wel bloedige offers gebracht bij het brandoffer of zondeoffer, juist waar het om vergeving van zonden gaat voor God. Bloed in de Joodse eredienst wijst dus op vergeving. Daarom schrijft de apostel Johannes ook: "het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde" (eerste brief, 1, 7).

De uitdrukking "'s nachts onderwijzen mij mijn nieren" (vers 7) is voor ons ook vreemd. Het is beeldspraak voor gevoelens en verlangen. Zoals wij zeggen "ik voelde in mijn hart dat ..." of "mijn onderbuikgevoel zei ...", vinden we in het Hebreeuws het hart als de plek van de wil en overleg, en de nieren als plek van het gevoel en verlangen. Hier betekent het dus dat David 's nachts bedacht hoe groot God was voor hem.

In vers 2 staat: "Mijn goedheid is niet voor u" (of "raakt niet tot u"). Tegenwoordig is het niet vanzelfsprekend, zoals het voor David was, dat zijn goede daden niet tot God raken. Wij denken God wel goed te kunnen doen. We denken Gods achting te winnen door in het algemeen goed te leven. Ons godsbeeld staat dus op een lager pitje en ons mensbeeld op een hoog niveau. David zag dat andersom. Zijn daden konden hoogstens het beste voor de meest geëerden onder de mensen betekenen. Op zich komt de gedachte dat onze daden 'horizontaal' zijn (dus voor andere mensen, niet voor een God) vandaag ook wel veel voor. Maar dat gaat vaak hand in hand met het niet geloven in een persoonlijke God.

"Want u zult mijn ziel in het graf niet verlaten": veel mensen geloven dat er na de dood wel 'iets' is, dat onze ziel voortbestaat. Dat zouden we hierin kunnen herkennen.

Echter, David bedoelde met deze woorden waarschijnlijk vooral op iets anders. David verwijst hier waarschijnlijk naar de belofte die God hem deed dat Hij het nageslacht van David voor altijd het koningschap van Israël zou geven (tweede boek Samuël, 7). Dus kunnen we deze woorden zo opvatten: "zelfs bij mijn dood zal Uw zorg voor mijn nageslacht voor altijd verder gaan, omdat U mij een eeuwig koningschap hebt beloofd". Deze woorden zijn dus in geloof uitgesproken, zonder dat het voor David heel duidelijk was hoe God zijn koningschap voor eeuwig zou voortzetten.

Deze uitleg geven de apostel Petrus en de apostel Paulus aan de psalm, maar ze geven er ook een nieuwe wending aan: ze passen het toe op de opstanding van Jezus:
"Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is. Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten, daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien." (Handelingen van de apostelen, 2, 29-31)
"Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd en heeft wel ontbinding gezien; maar Hij Die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien." (Handelingen van de apostelen, 13, 36-37)
Voor ons westerlingen is de vrije uitleg van Petrus en Paulus nogal bevreemdend; wij zouden vinden dat ze niet genoeg recht deden aan de originele betekenis van de tekst. De bedoeling van David kan moeilijk geweest zijn om met de woorden "U zult mijn ziel in het graf niet verlaten" opeens te spreken voor zijn nakomeling Jezus.

De Joodse cultuur gaat echter anders met de tekst om dan de Griekse (zie mijn eerdere blog daarover): 'ze blaast de tekst nieuw leven in', in plaats van zich helemaal te richten op de oorspronkelijke betekenis, zei mijn docent Joodse filosofie prof.dr. Luc Anckaert. Dus terwijl David als profeet voorzag dat God na zijn dood op wonderlijke wijze voortzetting zou geven aan zijn koningschap, geven Petrus en Paulus deze woorden meteen een nieuwe betekenis die ze voor David niet gehad kunnen hebben: dat Jezus zelf 'in het graf niet verlaten is geweest en geen ontbinding heeft gezien'. Het mooie van een dergelijk nieuw gebruik van oude woorden is dat ze de oorspronkelijke betekenis verrijkt. Voor mij als westers mens blijft het lastig om zo met de tekst om te gaan. Het lijkt doen alsof David als profeet de opstanding van Jezus heeft voorzegd, terwijl hij maar een vaag begrip moet hebben gehad van wat God in de toekomst voor zijn nageslacht zou gaan doen. Maar nee, ik moet niet zeggen 'vaag begrip', maar liever 'vast en vreugdevol vertrouwen' (mooie alliteratie...). Het verbinden van de vervulling met de oorspronkelijke hoop van David blijft mooi en complex.

Herkenbaar
Het vetrouwen op God is herkenbaar voor een christen, evenals dat we van God afhankelijk zijn (zie het gebed in vers 1). Eigenlijk is deze hele psalm ene uiting van vertrouwen en vreugde in God.

Profetisch
We hebben al genoemd hoe deze psalm op de opstanding van Jezus te betrekken is. We mogen ook vandaag ons verheugen in en verlangen naar Gods rijk en het pad van het leven!