Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen

donderdag 26 oktober 2017

Psalmen - 18

Voor de koorleider, een psalm van de dienaar van de HEERE, van David, die de woorden van dit lied tot de HEERE gesproken heeft, op de dag waarop de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.
2 Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
3 De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
4 Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is,
en werd verlost van mijn vijanden.
5 Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6 Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7 In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
8 Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij in toorn ontstoken was.
9 Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10 Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere wolk was onder Zijn voeten.
11 Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
12 Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
13 Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14 De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
15 Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
16 De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.
17 Hij stak Zijn hand uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18 Hij redde mij van mijn sterke vijand
en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19 Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20 Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij loon naar de reinheid van mijn handen.
22 Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23 Want al Zijn bepalingen hield ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
24 maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25 Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
26 Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27 Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
28 Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
29 Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
30 Want met U ren ik door een legerbende,
met mijn God spring ik over een muur.
31 Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32 Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33 Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34 Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35 Hij oefent mijn handen voor de strijd
en leert mijn armen een bronzen boog spannen.
36 Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37 U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
38 Ik vervolgde mijn vijanden en haalde hen in;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39 Ik verpletterde hen, zodat zij niet meer konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
40 Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41 Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
42 Zij riepen, maar er was geen verlosser;
tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43 Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind,
ik ruimde hen weg als slijk van de straat.
44 U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk dat ik niet kende, heeft mij gediend.
45 Zodra hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
46 Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God van mijn heil!
48 U bent de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
49 Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
50 Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
51 Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.

Bevreemdend
In psalm 18 neemt David prachtige beelden uit de natuur om de kracht van God te schilderen: aardbevingen, vuur, wind, duisternis en licht. David heeft goed geluisterd naar de natuur en Gods grootheid gezien. Je zou deze psalm enorm gewaagd kunnen noemen omdat de kracht van God met beelden uit de natuur wordt beschreven. Maar David was een profeet en sprak het Woord van God.

De kern van de psalm is: God overwint het kwaad.

Het is geen overwinning waar geen bloed bij vloeit:
  • God redt degenen die de verlossing bij Hem zoeken. Hen blijft niet alle ellende in dit leven bespaard. "Banden van de dood hadden mij omvangen" (vers 5). Maar God is hun kracht, dus overwinnen ze in dit leven.
  • Wie de kant van het kwaad kiest, zal echter omkomen bij de overwinning van God op het kwaad.
  • Maar ook heeft het bloed gevloeid van Gods Zoon, Jezus Christus: Zijn dood aan het kruis is tot verzoening van iedereen die in Hem gelooft, zelfs de vijanden waar David zelf geen genade voor kende.

Het leven van David was een leven van fysieke oorlog: "wie mij haatten, die bracht ik om" (vers 41). Zoals eerder gezegd is dat bij ons vandaag in Nederland niet aan de orde, en daarom ook niet herkenbaar. Door het leven van Jezus, de door God beloofde Zoon van David, weten we dat God ook zelfs vijanden met Zich wil verzoenen.

Herkenbaar
Wat herkenbaar is, is het thema van overwinning. Leven met een optimistische houding en zelfvertrouwen zien we als positief, als iets waar je jezelf en anderen goed mee doet. Je hebt er daarentegen niets aan om te denken in onmogelijkheden.

Het gevaar daarbij is dat het eenzijdig is. In psalm 18 spreekt David ook echte angst uit: "Banden van de dood hadden mij omvangen" (vers 5). Als we leven uit zelfvertrouwen en niet in God geloven, waar blijven we dan als ons zelfvertrouwen tekort blijkt te schieten?

Er is altijd een uitweg als we de kracht van God hebben herkend in de natuur, zoals in deze psalm:
In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

Profetisch
Er zal een moment komen waarop God het kwaad definitief zal overwinnen. Dat is wanneer Jezus zal terugkomen. Voor degenen die blijven doorgaan in het kwaad, is er dan geen mogelijkheid meer om te blijven staan. Daarom smeek ik u, alsof God door mij u smeekt: laat u met God verzoenen! (2 Korinthe, 5, 20)

zondag 6 december 2015

Een nieuwe ecologische ethiek

Naar aanleiding van een artikel over milieubeleid in het Reformatorisch Dagblad stuurde ik een ingezonden brief (20 november geplaatst) met ongeveer de volgende inhoud.

In het artikel over milieubeleid werden vooral de termen 'rentmeesterschap' en 'duurzaamheid' werden gebruikt. Het eerste woord gaat over het tijdelijk beheer van iemands bezit, en kan gebruikt worden als een vergelijking voor hoe we de aarde tijdelijk mogen bebouwen en ervoor zorg dragen. Het woord 'duurzaamheid' gaat erover hoe we ervoor zorgen dat de volgende generaties geen nadelen ondervinden van onze daden. Beide termen kunnen wat kil en 'economisch' overkomen. Het lijkt alsof we ons alleen maar zorgen maken over hoe de aarde een blijvende bron kan blijven, en dat we nauwelijks beseffen wat 'schepping' betekent en dat we zelf ook schepselen van God zijn. Is het voor ons geen tijd voor een nieuwe ecologische ethiek?

Bij het nadenken over zo'n ethiek heb ik het gebed dat Jezus Christus zijn discipelen heeft geleerd (dat begint met het aanspreken van God als 'onze Vader in de hemel') als vertrekpunt genomen:
  • 'Uw Naam worde geheiligd': we moeten voor alles belijden dat God de Schepper van deze aarde is, dat Zijn verstand in de schepping ons verstand bij het onderwerpen ervan ver te boven gaat. Bij elke daad (ook dingen die we gewend zijn) moeten we ons afvragen: heb ik wel respect, of liever vrees en ontzag voor de wijsheid in Gods schepping?
  • 'Uw Koninkrijk kome': we moeten niet op het hier-en-nu gericht zijn, en al helemaal niet onze rijkdom en macht proberen te vergroten.
  • 'Uw wil geschiedde': God heeft Israël bepaalde wetten gegeven voor het behoud van de natuur, zoals het sabbatsjaar, het verbod om te vermengen, de spijswetten. Zouden wij er niet eens over denken om die te houden? Of denken we het beter te weten dan de Schepper van hemel en aarde?
  • 'Geef ons elke dag ons dagelijks brood': ervaren we ons brood nog als gift? Of stellen we hoge eisen aan wat de aarde ons opbrengt? (Kopen we alleen komkommers die niet krom zijn en fruit waar geen plekjes op zitten?)
  • 'Vergeef ons': ons past een schuldbetoon omdat ook wij christenen de aarde hebben uitgebuit en op schandelijke wijze met Gods schepping zijn omgegaan voor onze luxe of gemak.
  • 'Leid ons niet in verzoeking': we belijden dat we nog steeds vatbaar zijn voor de verleiding van het respectloos beheersen of gebruiken van de schepping.

We bidden of God onze ogen wil openen voor hoe wij met Zijn kunstwerk om mogen gaan, of we nu op kantoor werken en ons eten in de supermarkt kopen of dat we zelf de aarde mogen onderwerpen.

zaterdag 14 maart 2015

Vechten tegen de pijn

Vorige blog schreef ik over wat de reden is om de natuur hoog te achten als 'heel goed' met het oog op de Schepper. Daarin noemde ik ook dat na de zonde van de mens de vloek over de natuur is gekomen, hoewel er nog veel van het beginontwerp over is. Maar deze vloek zorgt ook voor een verandering in hoe onze houding tegenover de natuur is.

De vloek die God over de natuur uitsprak staat in het bijbelboek Genesis:
Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen. En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u gebood: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren. (3, 16-19)

Onvermijdelijke pijn en het vechten om levensbehoud. Dat betekent het.

Allereerst vechten om levensbehoud. De natuur doet niet meer vanzelf wat goed voor ons is, maar er is inspanning en bewerking van de natuur nodig om te kunnen eten. Dat betekent niet dat we het beginontwerp van de natuur moeten negeren maar dat we ervoor moeten vechten om het goede van het begin weer te kunnen smaken. We moeten ook niet denken dat we door inspanning een situatie kunnen bereiken die beter is dan het begin van de schepping. Maar het bewerken en bebouwen van de aarde is noodzakelijk om te kunnen overleven. En ook deze noodzakelijke strijd kan maar beter respect hebben voor, of liever verlangen naar het goede van het beginontwerp, als we nog enigszins gelukkig willen zijn met het goede dat er nog is.

De vloek betekent echter ook onvermijdelijke pijn. Hoe we ook vechten, we kunnen het lijden en de dood niet afweren. Eens moeten we onszelf dus ook de vraag stellen: moeten we hier verder vechten met middelen die meer pijn doen, of moeten we hier toegeven dat de dood onvermijdelijk is?

Maar sinds de opstanding van Christus, Gods Zoon die mens werd, uit de dood, weten we dat de dood overwonnen is door het leven. Jezus zegt: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." (evangelie van Mattheüs, 28, 18). Als Christus terugkomt om allen te oordelen weten we ook dat het Koninkrijk van God, het rijk van het leven zal beginnen!

In het leven van een christen mag de hoop de pijn overwinnen. Zoals de apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Rome:
Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. (...) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere. (8, 22-39)

vrijdag 13 februari 2015

Natuurlijker is beter

Is de natuur altijd goed? Er wordt wel eens gedaan alsof een ingreep in de natuur slecht is alleen omdat het een ingreep in de natuur is. Bijvoorbeeld, kunstmatige inseminatie is slecht omdat het een ingreep is in de natuur. Bij deze bewering lijkt het juist te zijn dat er de natuur geweld wordt aangedaan. Maar ethici geven terecht aan dat er problemen zijn met het argument. Wat is namelijk natuur? In de loop van de tijd is dat wat wij als 'natuur' ervaren al vele malen door menselijk handelen aangepast. En waarom is ingrijpen in de natuur slecht? Er zijn veel voorbeelden van ingrepen in de natuur zoals het bouwen van dijken die goed zijn. En is de natuur altijd goed? Ziektes en natuurrampen komen er ook in voor. Wat is er dus foutgegaan?

Laten we de vragen een voor een nagaan. Allereerst, wat is natuur? De natuur is dat wat zonder menselijk ingrijpen bestond en bestaat. Als christen belijd ik dat de natuur datgene is wat God gemaakt heeft. Er is dus een beginontwerp en een beginsituatie die 'heel goed' is, zoals in het bijbelboek Genesis staat. Weliswaar is over de natuur na de zonde van de mens de vloek gekomen, maar veel van dat beginontwerp is nog aanwezig en is nog 'heel goed'. Veel van wat we nu als natuur hebben is beïnvloed door menselijk ingrijpen, maar het beginontwerp is zelfs daardoorheen nog zichtbaar en is nog steeds 'heel goed'.

De volgende vraag is, wanneer is ingrijpen in de natuur slecht? Zoals hiervoor genoemd is niet elke ingreep in de natuur slecht. Als christen belijd ik dat God de mens zelfs opdracht gaf om de aarde te bebouwen en te bewaren. De zonen van Adam en Eva zijn er voorbeeld van: Kaïn was landbouwer, Abel schaapherder. Om landbouwer te zijn moet je de grond bewerken, als schaapherder moet je schapen houden en hen doden om van te leven. Dat ingrijpen was noodzakelijk om te overleven. Wanneer is ingrijpen in de natuur dan slecht?

Ik denk dat dit het antwoord is: bij ingrijpen in de natuur moeten we natuurbewust handelen. Je moet eerst goed weten wat de orde van de natuur is voordat je die doorbreekt. Je moet eerst gezien en begrepen hebben hoe een plant groeit voordat je er zelf een poot of oogst. Je moet eerst gezien en begrepen hebben hoe een dier natuurlijk leeft voordat je een dier zelf kunt leiden. Elke ingreep in de natuur moet weloverwogen zijn. De natuur is volgens een perfect ontwerp ontworpen, jouw ingreep in de natuur moet dit perfecte ontwerp kennen en daar een nieuw ontwerp in maken dat opnieuw goed is. Je moet je realiseren dat als je een volwassen plant oogst, je er mogelijk weer meerdere terug moet poten om over een tijdje weer een plant te kunnen oogsten. Je moet hebben ingezien dat als je iets van de natuur neemt, je dit nooit te veel en te massaal moet doen omdat je het eerste perfecte ontwerp van de natuur dan schaadt.

In de geschiedenis zijn niet alle christenen daar even goed mee omgegaan en dat is nog steeds niet zo. Sommigen beschouwen de aarde gewoon als bron van inkomsten en proberen alleen maar die optimaal uit te putten zonder dat die op raakt. In die visie is totaal vergeten dat de aarde volgens een perfect ontwerp gemaakt is en dat we dat eerst moeten bestuderen voordat we onze eigen kleine ontwerp maken. Sommigen verzinnen hun eigen regeltjes of wetenschap om volgens eigen inzicht de aarde te beheren in plaats van goed te kijken naar de orde die er al in ligt. Er is soms nog meer respect voor een recent pseudowetenschappelijk artikel over gezond eten dan voor de voedselwetten die God aan Israël gaf. Sommigen gebruiken ingrepen voor een goed doel zonder op de neveneffecten te letten of te zoeken, kortom, zonder veel ontzag voor de perfecte orde van God. Kortom, er valt nog veel te leren!

woensdag 21 mei 2014

Lekker eten

Eten hoort bij genieten. Het enige probleem is dat net als bij wijn, we niet vanzelfsprekend met weinig tevreden zijn. Wat dat betreft kunnen we nog wel wat leren van Epicurus, die genoot van een glas water.

In het Bijbelboek Spreuken staat een prachtige spreuk over dronkenschap (23, 29-35):
Bij wie is ach, bij wie is wee? Bij wie is geruzie? Bij wie geklaag? Bij wie zijn er wonden zonder oorzaak? Bij wie wazige ogen?

Bij hen die lang doorgaan bij de wijn, bij hen die komen om gemengde drank te proeven. Kijk niet naar de wijn, wanneer hij rood kleurt,
als hij fonkelt in de beker, al glijdt hij gemakkelijk naar binnen. Uiteindelijk bijt hij als een slang, spuwt hij gif als een adder. Je ogen zullen naar vreemde vrouwen kijken, en je hart zal verderfelijke dingen spreken. Je zult zijn als iemand die ligt te slapen in het hart van de zee, en als iemand die in de top van de mast ligt te slapen.

Men heeft mij geslagen, ik ben niet ziek geworden, men heeft op mij ingebeukt, maar ik heb het niet gevoeld. Wanneer zal ik ontwaken? Ik ga weer op zoek naar wijn!
Tegelijk staat er in de Bijbel genoeg over genieten van (met mate gedronken) wijn:
Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon. (Bijbelboek Prediker, 9, 7-9)

Maar ook met eten moet je matig zijn. In hetzelfde Bijbelboek Spreuken staat (23, 2):
Zet een mes op uw keel, als u een gulzig mens bent.
Dat staat in de contekst van het bezoek aan de rijkgedekte tafel van een heerser. Het is niet zo gek dat eraan toegevoegd wordt:
Wees niet belust op zijn smakelijke gerechten, want het is bedrieglijk voedsel.
Luxe voedsel is namelijk vaak geen gezond voedsel, omdat er ingespeeld wordt op de begeerte van de mens in plaats van de behoefte.

De Bijbel bevat ook leefregels over wat gezond voedsel is. De Joden houden een overstrenge interpretatie van deze leefregels wat ze 'kosher' noemen. Deze zijn bij het christendom buiten Israël nooit echt nagevolgd, omdat ze niet werden verplicht. Het is mooi en bijzonder dat deze leefregels door het voortschrijdend inzicht over welk voedsel schadelijk kan zijn opnieuw in de aandacht zijn gekomen bij christenen. Tessler. Toch krijgt deze opleving soms het karakter van een hype die selectieve pseudowetenschap combineert met een selectief lezen van de Bijbel. Daarom wil ik bij deze een samenvatting geven van de Bijbelse inzichten. Ik heb enkele van deze inzichten geleerd uit het boek 'Het Genesisdieet' van dr. Gordon S. Tessler en 'Wetenschap in de Bijbel' van dr. Ben Hobrink, hoewel ik enkele meningen uit het eerste boek ook wil tegenspreken en aanvullen.

Allereerst is er de schepping. God geeft de mensen alle zaden en vruchten van bomen en planten, de dieren al het groene gewas (Genesis 1, 29-30). Zaden en vruchten betekent dus ook graan!

Na de overtreding van Adam en Eva tegen God werd alles anders. Ze werden weggestuurd uit het paradijs en de aarde werd vervloekt (Genesis, 3, 17). Dat betekent dat vruchten en zaden wellicht niet meer dezelfde waarde hadden als daarvoor! Het is ook opmerkelijk dat Abel, de tweede zoon van Adam en Eva, veeherder wordt (naast Kaïn die landbouwer werd). Abel bracht God een offer van het beste van zijn vee (zoals Kaïn van de opbrengsten van de aarde), waaruit je kunt opmerken dat er toen al vlees gegeten werd!

Duidelijker is verandering te lezen bij Noach, waarvan we in de Bijbel kunnen lezen van een nieuw verbond nadat God de goddeloze mensen heeft gestraft. God spreekt tegen Noach (Genesis, 9, 3-4):
Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas. Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten.
Dus niet alleen vlees maar ook het groene gewas, dat eerst voor de dieren bestemd was, gaf God aan de mens in het nieuwe verbond dat duidelijk wordt bij Noach. Het bloed is dus verboden.

Wat er onder het groene gewas allemaal verstaan kan worden is verder niet duidelijk. God geeft geen onderscheid aan in de wetten aan Israël, dus lijkt het eten van paddestoelen of aardappelen niet meteen ongezond te zijn. Tegelijkertijd zijn groenten niet de ingrediënten die genoemd worden als er genoemd wordt wat de beste vruchten van de aarde voor de mens zijn; dan zijn graan, olie, wijn, honing en melk.

Een verder onderscheid tussen welke soorten vlees gezond zijn en welke niet vinden we in de wet aan Israël (Leviticus 11, Deuteronomium 14). Rund, geit, schaap zijn rein, dat wil zeggen mogen gegeten worden; varken en paard zijn onder anderen onrein. De vuistregel die God geeft is: alles wat een gespleten hoef heeft en herkauwt is rein. Deze vuistregel zorgt ervoor dat er geen roofdieren worden gegeten (die hebben geen gespleten hoeven) en geen alleseters (die herkauwen niet)! Voor de vogels is er een vergelijkbare verdeling dat er geen roofvogels of aaseters gegeten mogen worden. Voor de vissen is er een andere vuistregel: alleen vissen met schubben en vinnen mogen gegeten worden. Vis die dat niet heeft zoals garnalen of paling houdt zich vaak op in de bodem van het water en is dus meer voor afvalverwerking bestemd. Insecten zijn niet eetbaar behalve de sprinkhaan.

Het deel van het vlees wat eetbaar is vinden we ook beschreven. Men mag geen vet eten (Leviticus 7, 23). Bij het offeren was het vet ook 'voor de HEERE bestemd' (Leviticus, 3, 16). Het staat nader beschreven als de staart, het vet dat de ingewanden bedekt en het vet dat daaraan vastzit. Verder werden de kwab aan de lever, de beide nieren en de kop niet gegeten (Leviticus 3, 9-10; 1, 8).

Melk en melkproducten zijn natuurlijk ook zo oud als de geschiedenis. Isaï geeft David bijvoorbeeld kazen mee als geschenk voor de bevelhebber van het leger (1 Samuël 17, 18). David krijgt terwijl hij op de vlucht was honing, boter, vlees en kazen van koeienmelk (2 Samuël 17, 29). Geitenmelk was er natuurlijk ook (Deuteronomium, 32, 14). Als de vruchtbaarheid van het land Kanaän wordt geroemd wordt het een land genoemd dat "overvloeit van melk en honing" (Exodus, 3, 8). Zowel melk als honing zijn geschenken van God!

In Het Genesisdieet heeft dr. Tessler geen goed woord over voor melk en kaas, dat combinerend met de nodige pseudowetenschappelijke uitspraken. Tessler suggereert verder dat koemelk ongezonder zou zijn, en dat in de bijbelse tijd van alle koemelk kaas en boter gemaakt werd en alleen geitenmelk gedronken. Omdat God er geen aanwijzing voor geeft ga ik ervan uit dat het matig drinken van koemelk echt geen gezondheidsprobleem hoeft op te leveren.

Ethische regels voor het omgaan met dieren staan er ook in de Bijbel. Deze regels zijn spaarzaam maar casuïstiek, dat wil zeggen, ze geven één voorbeeld en de algemene regel moet je eruit afleiden. Allereerst is er een regel tegen overbelasting van de natuur. Als je een nest met vogels vindt, moet je of de moeder of de jongen laten gaan (Deuteronomium, 22, 6-7). Dan is er een regel tegen wreedheid. Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder (Exodus, 23, 19).

Honing is een andere gave van God. Salomo vergelijkt het met de wijsheid, dus met het beste wat er is!
Eet honing, mijn zoon, want dat is goed, en honingzeem is zoet voor je gehemelte. Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel: als je haar vindt, dan is er toekomst, en wordt je hoop niet afgesneden. (Spreuken, 24, 13-14)
Maar juist met het beste wat moet je ook matig zijn! Want even later lezen we:
Hebt u honing gevonden, eet dan tot u genoeg hebt, anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit. (Spreuken, 25, 16)

maandag 27 januari 2014

Waar is de hemel?

Al vanaf het eerste bijbelboek wordt God genoemd als in de hemel wonend, in tegenstelling tot de aarde (Genesis, 21:17; ook in het eerste boek Koningen, 8:27). Hoe moeten we dat ons voorstellen?

Het is in ieder geval niet zo alsof God boven de wolken fysiek aanwezig is. Het is waar dat God met fysische tekenen aanwezig kan zijn, maar dat beperkt zich niet tot de lucht en de hemel. Sowieso is God niet fysisch: God is de Schepper van de hemel en van de aarde, het fysische is dus Zijn schepping. Waarom zou Zijn aanwezigheid zich beperken tot maar een fysieke plek? In zekere zin is God in heel veel schoonheid van de natuur, zowel het ontzagwekkende als het kwetsbare, dichter bij of verder weg voor ons aanwezig. Want God is ontzagwekkend:
"Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is van u: Van u, o HEERE, is het Koninkrijk, en u hebt u verhoogd tot een hoofd boven alles." (eerste boek Kronieken, 29:11)

Wat betekent het dan? Is de hemel soms ergens anders? Een andere wereld zoals C.S. Lewis het land Narnia beschreef, dat door een deur bereikbaar is en waar alles anders is? Of is de hemel ergens oneindig ver weg in de ruimte, in een ander sterrenstelsel? De gedachte van C.S. Lewis in het boek 'Out of the silent planet' is dan nog vruchtbaarder. Daarin beschrijft hij hoe de ruimte tussen de planeten en de sterren onzichtbaar door engelen en door God zelf wordt bewoond. Die gedachte noem ik vruchtbaarder omdat dan God niet alleen verheven is maar ook dichtbij is, en dat is precies zoals het christelijke geloof belijdt.

Een andere manier om te spreken over de hemel als de woonplaats van God is dat we inzien dat het verschil tussen hemel en aarde juist belangrijk is. Mensen zijn aards, letterlijk uit het stof van de aarde gemaakt; God is niet van die categorie, maar is erboven verheven. Omdat God alles heeft gemaakt is God oneindig groter dan de schepping. Wat dat betreft zouden we het beste God als oneindig ver weg kunnen voorstellen en de engelen als de sterren van de hemel. Maar natuurlijk is het niet zo dat God oneindig ver weg is: Hij is ook altijd dichtbij! Het is dus een manier van spreken.

Dat Jezus Christus die de Heer van heel de aarde is, is opgenomen in de hemel, wil niet zeggen dat hij boven de wolken of ergens anders fysiek is. Net als de troon van God boven de aarde geen fysieke troon is, is het zitten van Christus aan de rechterhand van God de Vader in de hemel (evangelie van Markus, 16:19) niet fysiek, maar geestelijk. In die zin is de hemel niet ergens, maar is de hemel overal. Ze is wat ons omringt. Dat wil zeggen dat de heerlijkheid van God ons omringt en ons regeert! De engelen, die geesten zijn en voor de troon van God staan, zijn trouwens niet overal zoals God overal is. Ze worden wel de machten in de lucht genoemd (in de brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Efeze, 6:12).

Maar Christus zal ook terugkomen op de aarde, zoals tegen de discipelen werd gezegd: "zoals u Hem in de hemel hebt zien ingaan" (Handelingen van de apostelen, 1:11). De opstanding van de doden zal niet in de hemel zijn maar op de aarde, en: "Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont." (tweede brief van de apostel Petrus, 3:13). Maar intussen zijn we niet verlaten. Jezus zegt:
"Ik ben met u alle dagen tot het einde van de wereld" (evangelie van Mattheüs, 28:20).

dinsdag 13 december 2011

Natuurlijk goed

In de ethiek met betrekking tot technologie wordt door conservatieven wel eens een beroep gedaan op de notie 'natuur': iets wat onnatuurlijk is, kan niet goed zijn, iets wat volgens de natuur is, moet goed zijn. Om dat argument geldig te maken moet eerst duidelijk worden gemaakt wat 'natuur' precies betekent, en wat het verschil is tussen 'volgens de natuur' en 'tegen de natuur', maar ook waarom de natuur goed is. Aan die complete uiteenzetting wil ik niet beginnen, maar in plaats daarvan wil ik in wat grote lijnen beschrijven wat de natuur en het goede met elkaar te maken hebben.

God is zichtbaar in de natuur. Misschien brengt een theoloog daar meteen tegenin: "Maar er is een verschil tussen de Schepper en de schepping!" Dat is waar; maar de natuur getuigt van Gods tegenwoordigheid. Als je overtuigd wilt worden van het bestaan van God, kijk dan even niet naar de straten, maar naar de bermen; niet naar de wolkenkrabbers, maar naar de wolken; niet naar de stenen huizen maar naar de rotsen en rivieren; niet naar de straatverlichting maar naar de maan en de zon.

"Goed," zult u zeggen, "maar dan zit ik met een probleem: hoe zit het dan met natuurrampen? Hoe zit het dan met dodelijke ziektes?" Op die dringende vragen zijn wat gehaaste onjuiste antwoorden te geven die ik even opnoem:
  1. "God straft met rampen en ziektes." Dit foute antwoord gaven ook de vrienden van Job. In het bijbelboek Job laat God de Satan toe dat hij Job kwaad doet om te laten zien dat Job God niet zal vervloeken. De drie vrienden die bij Job komen om hem te troosten bij zijn ziekte en rampen zeggen tegen Job dat hij moet zien wat hij verkeerd gedaan heeft om die straf te verdienen. Dat was kortzichtig. Aan het eind van het bijbelboek wijst God ze terecht om die kortzichtigheid.
  2. "De natuur is wel gemaakt door God maar een onpersoonlijke wetmatige kracht, God staat er buiten, en grijpt hoogstens in met bovennatuurlijke wonderen." Volgens mij geloven zelfs de meeste hedendaagse christenen hierin. Toch denk ik dat het een ernstige vorm van ongeloof is. Men verklaart: "God is onzichtbaar; God is niet te kennen; we kunnen hoogstens zeggen wat God niet is." Dat God niet zichtbaar is als een mens, of als de rest van de natuur, is duidelijk — maar dat God niet te kennen is is het grootste ongeloof dat er bestaat. We zien de kunst en wetenschap van God in de natuur. We zien Gods zorg in de natuur, zelfs voor de kleinste dingen.


Hoe kunnen we dan Gods rechtvaardigheid verdedigen? Dat is heel eenvoudig. Ook de rampen in de natuur komen van God, en wij begrijpen ze niet; maar God is veel groter dan wij. Het is zo dwaas als wat om God aan te spreken op zijn daden. Daarmee denken we dat wij God iets kunnen leren: maar het is uit de natuur zo zichtbaar als wat dat dat onmogelijk is. Je hoeft maar naar je hand te kijken om te zien dat God meer weet dan jij.
In het gesprek van Job met zijn vrienden verdedigt Job dat hij niets misdaan heeft, maar hij klaagt daarna ook God aan dat die onrechtvaardig is. Daarna geeft God een antwoord aan Job. Dat antwoord is eigenlijk één lange opsomming van de pracht van de natuur. Maar ergens staat er ook: "Is het twisten met de Almachtige onderrichten? Wie God bestraft die antwoordde daarop" (zie het bijbelboek Job, einde hoofdstuk 39).

Wie het boek Job oppervlakkig leest, denkt misschien dat God "misbruik maakt van zijn machtspositie", dat het antwoord van God aan Job autoritair is.
Maar dat is totaal onjuist. God vraagt juist aan Job: "Kun jij de hoogmoedige mensen vernederen en de goddeloze bestraffen?" (begin hoofdstuk 40). Het is immers zo duidelijk als wat dat God veel meer weet dan ons om voor de goeden te zorgen, en ook veel meer weet dan ons om de mens die hoogmoedig is en God haat te vernederen en te verslaan.
God is niet onrechtvaardig of kwaad, want dan zouden alle mensen al lang vergaan zijn (hoofdstuk 34). De Heer verdrukt niet, daarom zijn de mensen met eerbied voor hem vervuld (einde hoofdstuk 37).

Dus als er nog mensen zijn die God beschuldigen: laten ze een betere aarde maken en een betere geschiedenis schrijven. En dus ook u, filosofen: als u de hypothese dat de natuur goed is verwerpt, beschrijf dan alsjeblieft wat het goede wel is.


N.B. Een nawoord aan de waarde heer Descartes en de waarde heer Kant, die beiden God een dienst wilden doen door hem uit de natuur te halen: u hebt de mens een abstracte God gegeven omdat u de grootheid van de natuur niet genoeg hebt ingezien, of doordat u meende dat er met de natuurwetenschap niets van de oogverblindendheid van de natuur zou overblijven. Dat is verklaarbaar; het is zoiets als de restaurateur die niet durft te denken aan de faam van de schilder van het werk waaraan hij zijn hand heeft geslagen; maar om dat bij het eindwerk te blijven denken was niet goed.

vrijdag 2 september 2011

Mooie lastige beestjes

Wanneer Augustinus in 'De stad van God' naar aanleiding van de engelen spreekt over de ordening van de natuur (deel II, boek 1, hoofdstuk 16), komt ook en passant ter sprake dat er ook lastige beestjes bestaan. Waar volgens Augustinus al het levende in de orde van de natuur staat boven het levenloze, zegt hij dat we toch ook een andere waardering kunnen hebben: liever brood in huis dan muizen, liever geld dan vlooien. Ik zou hier ook het voorbeeld van muggen aan toe willen voegen. Waarom die andere waardering? Omdat we dingen ook ordenen naar het nut voor ons.

Maar hoe gaan we in de praktijk met deze twee mogelijke waarderingen om? Wat is de ethiek? Dat er iets van ethiek meespeelt is wel duidelijk. Een voorbeeld: Augustinus zegt zelf dat de menselijke natuur, die toch meer waardigheid bezit, soms lager geschat wordt dan andere dingen: een paard meer waard dan een slaaf, edelstenen meer waard dan een slavin.

Ik denk dat voor een christen respect voor de schepping (en in het bijzonder de levende schepping) het overheersende gevoel moet zijn. Overigens hoeft dat uitgangspunt van respect voor de natuur helemaal niet in strijd te zijn met een evolutionistische overtuiging.

Uit dit uitgangspunt van respect voor de schepping volgen een heel aantal overwegingen. Een van de meest onwaardige dingen is het misbruiken van de machtspositie die de mens over dieren heeft om dieren te pesten of te doden. Dat houdt niet alleen geen rekening met de scheppingsorde, maar heeft ook nog eens geen nut. Maar daarnaast moeten we ook nogal beschaamd zijn over de manier waarop het houden van vee geoptimaliseerd is als een soort productieproces, zonder weinig te bekommeren over de waardigheid van het dier. Ik zeg niet dat boeren niet van hun dieren houden, maar ze houden zeker op dat punt geen rekening met de scheppingsorde.

Mag je sowieso dieren doden? In de Bijbel staat een expliciete toestemming om dieren te doden om te eten, na de zondvloed, aan Noach (Genesis, hoofdstuk 9). Maar mag je ook dieren doden omdat ze je nut belemmeren ('schadelijk' zijn)? Mag je een mug doden omdat die je uit je slaap houdt? Ik denk dat de scheppingsorde wel een ding daarover zegt: het is duidelijk dat ten eerste een insect een heel andere waarde van leven heeft dan een mens; ten tweede: dat een mens de machtspositie heeft om dat te doen. Maar, anderzijds, het gevoel van respect voor de natuur gaat tegen het gebruiken van die mogelijkheid in. Dat kan dus: een beest of beestje bewonderen en toch moeten doden (hoewel je die dood liever zou voorkomen). De vos die alle kippen een voor een doodt en meeneemt, doden, en toch die dood betreuren. Een mug doden en toch die dood een verspilling vinden.

Omdat er dus dieren bestaan die lastig zijn voor ons, heeft een christen reden om verdrietig te zijn over de huidige toestand van de schepping. Voor een christen is dat het teken van de vloek die over de aarde kwam door eigen schuld (Genesis, einde hoofdstuk 3).

vrijdag 19 augustus 2011

Een land ver weg

Mensen hebben de neiging om God zoveel mogelijk uit hun wereld te weren. Dat is niet pas met een 'secularisatie' het geval: het was al zo in de dagen van Noach of Lot, staat er in het evangelie van Lukas (einde van hoofdstuk 17):
En zoals het eraantoe ging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: ze aten, ze dronken, ze huwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. Of zoals het eraantoe ging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.

Ik schreef al eerder: soms nemen bepaalde thema's ons leven als een verhaal in bezit. Maar daarbij gebeurt nog iets ergers: de gedachte aan God wordt als de gedachte aan een land dat ver weg is. We zien in onze dagelijkse handelingen onze afhankelijkheid van God niet meer, of zien in het lijden van de natuur de afstand tot God niet meer, of denken niet meer aan onze Schepper bij het zien van de overgebleven schoonheid van de natuur. Of als we dat al doen, hebben we nog grote moeite met het denken aan de hogere dingen: we zien geen verband meer tussen de duizenden sterren en de duizenden engelen in de hemel die God dienen, we denken niet meer aan de plaats en tijd die Jezus Christus op aarde als mens had, we zien in de grote gebeurtenissen op aarde geen tekenen meer van de toekomst van het rijk van God. We oogsten niet dankbaar vruchten meer van de aarde maar we besteden onze inkomsten uit aan mensen, die mensen weer aan de technische middelen: de aarde is hoogstens nog een weerbarstig instrument. We zien onszelf als heersers, het idee van het bestaan van God als een lastige inbreuk op toegeëigende grond: voor het erkennen van een almachtige God is geloof nodig. We zien de tien geboden van Gods wet meer als ideaal dan als absolute leefregel en gebod: we geven niet alleen weinig om het dienen van God, het niet ijdel gebruiken van Gods naam, het herdenken van de rust na de schepping (en van de opstanding van Christus) op de zevende dag; maar we geven daarmee ook weinig om onze medemens.

Omdat Jezus de wet in deze twee dingen samenvatte: het liefhebben van God met heel het hart en alle inspanning, en het liefhebben van onze naaste als onszelf, is het ook duidelijk waar het aan ontbreekt als al deze dingen soms verflauwen: aan liefde tot God en tot de ander. Gelukkig is er een evangelie van verlossing.

vrijdag 24 juni 2011

Het verhaal vs. het leven

Doorgaans heeft het nadenken over levens van anderen, of over fictieve verhalen, het volgende nadeel: dat een ander levensverhaal meestal de actualiteit en de onbeslotenheid van je eigen leven verzwijgt. Met actualiteit bedoel ik: dat je nu kunt en moet handelen. Het begrip onbeslotenheid heb ik eerder geïntroduceerd.

Ik zeg 'meestal verzwijgt', want dat hoeft natuurlijk niet altijd. Maar meestal is een fictief verhaal een 'plot', een aaneenschakeling van gebeurtenissen die één bepaald iets wil duidelijk maken. Een beschrijving van een ander leven selecteert óók meestal gericht met een bedoeling. Het zijn dan vertelde ideeën, niet onbepaald maar bepaald, niet actueel maar universeel of gewoon anders. Er zijn natuurlijk ook andere voorbeelden; het kan zijn dat een verhaal een duidelijke levenshouding laat zien die je in staat stelt de afstand tot het verhaal te overbruggen en een directe verbinding te maken met het eigen actuele en onbepaalde leven. Ik denk bijvoorbeeld aan de verhalen in de Bijbel. Maar teksten die dat doen zijn confronterend, terwijl teksten die dat niet doen een soort vluchtmogelijkheid geven, een afstand die bijvoorbeeld bewondering of afschuw van iets anders mogelijk maakt. Een zelfde afstand is mogelijk bij het bewonderen van de natuur, maar die is toch vaak minder geestelijk en meer verbonden met een fysieke en actuele verbondenheid.

Is deze 'vlucht' in of verberging van de actualiteit en onbeslotenheid verkeerd? Altijd verkeerd, of alleen verkeerd als het een totale en aanhoudende houding wordt?

Volgens mij is vanuit een christelijke levensbeschouwing het laatste in ieder geval waar. Als je eigen leven niet meer in z'n actualiteit en onbepaaldheid beleefd wordt, wordt de mogelijkheid van het einde van het leven en de toekomst van Gods Koninkrijk niet meer beleefd. Hoe kan iemand die als 'buitenstaander' of toeschouwer leeft bezorgd zijn om zijn eigen ziel en leven en zoeken naar verlossing die persoonlijk is? Vooral bij de toename van mogelijkheden om andere verhalen te lezen of te zien (door de massamedia, het internet (surfen, Facebook), enz.) is het gemakkelijk om de actualiteit en onbeslotenheid van het leven vaker en vaker te vergeten.

Maar of die 'vlucht' of verberging altijd verkeerd is, vind ik een moeilijke vraag. Opvallend is dat Gods woord, de teksten van de Bijbel, niet zomaar een vlucht toelaat of iets van het leven verbergt. Het kunnen laten liggen van de actualiteit en onbepaaldheid van het leven is in ieder geval afhankelijk van geloof in God. Want zonder verlossing en geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn (zie de brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 11). Uiteindelijk gaat het hierom: dat men alle dingen met het zicht op God liefheeft, zoals Augustinus schrijft. Het lijkt echter dat men snel afgeleid is van het hoogste goed en gemakkelijk zich verliest in de beschouwing van wat voor ogen is. Dat lijkt me wat de Bijbel een 'verduisterd verstand' noemt: we hebben het licht van Gods Geest nodig om te kunnen zien.

vrijdag 17 juni 2011

Slavenmoraal

Hoe komt het dat stomme spelletjes soms zo verslavend zijn? Is er niet een goede bezigheid mogelijk die verslavend is?

Het antwoord is simpel: nee, want mensen zijn niet bedoeld om slaven te zijn.

Die uitspraak is teleologisch (het spreekt een doel uit) en normatief. Hetzelfde was wat Kant bedoelde met zijn formulering van de categorische imperatief: dat mensen nooit alleen middel, maar altijd ook doel op zich zijn.

Respectvol met de natuur omgaan stelt ook de vraag naar de mogelijkheden om de natuur alleen als middel te zien. Uit de natuur spreekt iets (anders dan bij techniek) dat het 'niet van ons' is: wij hebben het niet gemaakt, en zoals het bestaat heeft het iets bewonderenswaardigs (hoewel soms achter een sluier van geweld tegen de nietige mens). We mogen de vruchten ervan plukken, maar niet de plant vernietigen. We mogen de aarde bebouwen, maar moeten die ook bewaren (Genesis, hoofdstuk 2, vers 15). Het is daarom niet mogelijk de natuur alleen als middel te zien (vergelijk de opvatting van Peter Singer over dieren).

Maar terug naar de mens. Ik stelde dus al dat mensen niet bedoeld zijn om slaven te zijn, maar bestemd zijn om vrij te zijn, net als de natuur. Het lastige is dat de mens het moeilijk vindt om vrij te zijn.

Vanuit een christelijke visie komt dat doordat hij zijn oriëntatie en betekenis uit God is verloren. Want alleen oriëntatie op God geeft de volle vrijheid van de mens plaats: God omvat immers wat mens-zijn betekent, omdat God de mens gemaakt heeft.

Een zoektocht naar de vrijheid van de mens kan mijns inziens op niets anders uitkomen. Nietsche zocht ook vrijheid, maar heeft zich mijns inziens met zijn idee van 'slavenmoraal' van de christelijke godsdienst heel erg vergist.

In de praktijk is vrij blijven voor de mogelijkheden van de mens heel moeilijk. Het is heel makkelijk om je te laten reguleren door dingen die maar een deel van de menselijke 'potentie' uitmaken. 'Wakker blijven' en bidden, is de raad van Jezus (Evangelie naar Matteüs, hoofdstuk 25).

zondag 19 december 2010

Verveling

Datgene wat de mens het meest uit balans kan brengen is verveling: niet weten wat te doen, en zomaar wat doen of zoeken om te doen.

De Franse filosoof Blaise Pascal heeft dat scherp beschreven. Bij Pascal is verveling het zoeken van afleiding uit een eigenlijk verloren toestand.
"[Les hommes] ont un instinct secret qui les porte à chercher le divertissement et l'occupation au-dehors, qui vient du ressentiment de leurs misères continuelles. Et ils ont un autre instinct secret qui reste de la grandeur de notre première nature, qui leur fait connaître que le bonheur n'est en effet que dans le repos et non pas dans le tumulte, et de ces deux instincts contraires ils se forment en eux un projet confus que se cache à leur vue dans le fond de leur âme, qui les porte à tendre au repos par l'agitation, et à se figurer toujours que la satisfaction qu'ils n'ont point leur arrivera si, en surmontant quelques difficultés qu'ils envisagent, ils peuvant s'ouvrir par là la porte au repos." [Pensées, nr.126]
Vertaald:
"[De mensen] hebben een verborgen instinctieve drang, voortkomend uit het pijnlijke besef van hun permanente ongelukkigheid, om uiterlijke verstrooiing en bezigheden te zoeken. En ze hebben een andere verborgen instinctieve drang, een overblijfsel van de grootheid van hun eerste natuur, die hen doet beseffen dat in werkelijkheid alleen in de rust het geluk ligt, en niet in de drukte. En uit deze twee tegenstrijdige impulsen ontstaat in hen een verward programma, dat in het diepst van hun innerlijk voor hun eigen waarneming verborgen blijft en hen ertoe brengt door drukke activiteit naar rust te zoeken en zichzelf voortdurend wijs te maken dat de bevrediging, die ze niet hebben, zal komen als ze door wat problemen die ze voor zich zien te overwinnen, voor zichzelf de mogelijkheid openen rust te vinden." [Gedachten, nr.136]
(Pascal noemt de 'eerste natuur' van de mens met een beroep op een goed bestaan van de mens toen God de mens eerst gemaakt had, voordat de mens God en het paradijs verliet.)

En inderdaad, als we ons vervelen, zoeken we iets creatiefs om te doen, of iets onbetekenends als een spel, of zoeken we iets nieuws, liefst een stroom van nieuws zoals alleen de tv of radio maar kan geven. Pascal noemt de mens daarin "zo irreëel, dat de minste kleinigheid, zoals een biljart en een bal om te stoten, voldoende is om hem af te leiden".

Wat is het medicijn tegen deze verveling? Een doel zoeken om altijd creatief voor bezig te kunnen zijn? Meerdere doelen, als het eerste gaat vervelen? Kracht voor activiteit raakt een keer uitgeput. De krant lezen helpt even, maar vermoeit ook. Vluchten in irrealiteit met een roman/film, of met een spel? Daar kom je niet veel beter vandaan, eerder erger.

Misschien heeft de Duitse filosoof Martin Heidegger dit goed gezien toen hij de 'alledaagsheid' existentiaal beschreef. In 'Sein und Zeit' noemt hij daarvan achtereenvolgens deze drie: het gepraat, de nieuwsgierigheid, de ambiguïteit. Het gepraat is existentiaal ontworteld [Zijn en tijd, H.5B, §35, p.170], en er is sprake van een 'bodemloosheid' doordat het doorvertellen en napraten ontstaat: "Het gesprokene als zodanig verbreidt zich en neemt een autoritatief karakter aan" [H.5B, §35, p.168]. Daarna duidt Heidegger de nieuwsgierigheid als het ledige moment van de zorg, waardoor de omzichtigheid een zien wordt dat niet meer om verstaan gaat, maar louter om het zien. Dat zien blijft darom niet stilstaan, maar is 'rusteloos'. [H.5B, §36, p.172] Ten slotte noemt Heidegger de ambiguïteit waardoor het niet meer valt uit te maken wat wel en wat niet in een echt verstaan is ontsloten. "Alles ziet eruit alsof het echt is verstaan, echt is aangegrepen en echt is gesproken, en toch is het dat in de grond niet, of het ziet er niet zo uit en is het in de grond toch." [H.5B, §37, p.173]

Kortom, misschien is dit wel wat Heidegger echt bedoelde toen hij in 'Sein und Zeit' de zin van zijn beschreef:
  • Sta stil bij de werkelijkheid. Ga bijvoorbeeld de natuur in; of: lees eens de Bijbel.
  • Zoek niet een stroom van nieuws, maar laat iets eenvoudigs, iets wat je te lang over het hoofd hebt gezien, je treffen.
  • Probeer even dat wat je ziet niet in woorden uit te drukken, er niet 'iets mee te doen', of 'te benutten voor ...': bedenk het wonder dat het is zoals het is, dat het bestaat.
Als je aan één aspect van de natuur, of aan één woord van God niet genoeg hebt, heb je aan alles niet genoeg.

Zo, en nu gooi ik alle woorden weg, en ga ik me verwonderen.

woensdag 9 juni 2010

De orde van de dag

Eerder schreef ik over Kant en de Godsbewijzen. Kants kritiek is er op uit om heldere onderscheiden te maken tussen wat zuivere rede is en wat niet. Hijzelf voelde zich als een vis in het water met het gebruiken van de zuivere rede, en dus een Verlichtingsdenker.

Maar heeft Kant daarmee 'bewezen' of voorgevochten dat de natuur (zoals we die kennen) niets met bovennatuur (die immers niet met de zuivere rede uit de natuur te kennen is) te maken heeft? Wel dat de zuivere rede binnen haar voorgedefinieerde domein niets vanuit de natuur over de bovennatuur kan concluderen. Maar zegt Kant ook iets metafysisch over wat die rede is? Kant begint zijn kritiek van de zuivere rede met een inleiding over hoe filosofie en wiskunde dwaalt als ze niet de "betrouwbare weg van de wetenschap" volgt. Zonder dat is metafysica "een louter rondtasten", en "aan de hand van louter begrippen". Kant heeft dus met passer en lineaal de de oude metafysica opnieuw berekend.

Maar tegelijk beseft Kant goed dat "de rede dus zelf haar eigen leerling" moet zijn op dit gebied. Wat zegt Kant nog meer over metafysica?

  1. Kant bewijst dat er een werkelijkheid buiten hem moet zijn, op een mooie redelijke manier, beginnend bij de (vanzelfsprekende) veronderstelling van het eigen bestaan. Van dit bestaan zijn we ons bewust als bepaald in de tijd. Een tijdbepaling vooronderstelt iets bestendigs in de waarneming waarmee we het kunnen vergelijken. Dat bestendige kan niet in mijzelf zijn, want anders kon ik mezelf er niet mee bepalen. Het is dus niet mijzelf, en ook geen voorstelling in mezelf --- het is dus een ding buiten mij wat werkelijk bestaat. Zonder bewust te zijn van de mogelijkheid van tijdbepaling (door bestendige dingen buiten mij) kan ik mezelf niet bewust zijn in de tijd, en dus is mijn bewustzijn van mijn eigen bestaan direct verbonden met mijn bewustzijn van dingen buiten mij. (De drie kritieken, samengesteld door Raymund Schmidt, p.134)

  2. Kant bewijst het bestaan van God, niet uit "speculatieve" ideeën die de rede zich uit de natuur zou kunnen maken, maar direct vanuit de morele plicht, de uitoefening van de morele wet, die in zuivere a-priori redelijkheid gegrond is. Daarmee wordt "aan het begrip van het object van een moreel bepaalde wil (dat van het hoogste goed), en hiermee aan zijn mogelijkheidsvoorwaarden, de ideeën van God, vrijheid en onsterfelijkheid, realiteit verleend, maar altijd alleen in relatie tot de uitoefening van de morele wet (niet voor enig speculatief doel)". (a.w., p.253)



Binnen het domein van de zuivere rede is er voldoende van te zeggen, volgens Kant, en andere gebruiken van de rede zijn "speculatief" en moeilijk te beoordelen. Maar de zuivere rede gebruiken wil niet zeggen dat er opeens een scheiding valt tussen natuur en bovennatuur --- alsof een filosoof zijn opvattingen niet als totaal kan overzien.

Een terechte handelswijze is om naast de toepassingen van de zuivere rede, ook de toepassing van hypothetisch gebruik van de rede of van de ervaring te stellen. Ik las vandaag in een column van 2008 in Trouw een toepassing van Kant om de opvatting van 'Intelligent Design' te diskwalificeren als het mengen van ideeën, een cirkelredenering, en een vormsel van de rede. Deze toepassing strekt mijns inziens te ver, en doet aan Kant als filosoof geen eer.

Allereerst over de kwalificatie van het mengen van ideeën: het trekken van conclusies over het bovennatuurlijke is als het spelen van een kaart in het verkeerde spel:
"Het is een beetje alsof iemand tijdens het bridgen plotseling een kaart op tafel legt en zegt „Dit is troef nel, deze slag is voor mij.” Dat is een term die bij klaverjassen past en dus niet geldig is bij het bridgen. Op dezelfde wijze gebruiken ID’ers argumenten uit het ene domein (de natuur) om iets binnen een ander domein (het bovennatuurlijke) te willen bewijzen."

Het antwoord hierop is simpel: bij de opvatting van 'Intelligent Design' gaat het niet om de spelregels van de zuivere rede, het gaat om hypotheses en begripsvorming. Niet dat het spel van de zuivere rede op de achtergrond niet een rol speelt; zeker wel, maar zij bepaalt hier geen uitkomst.

Verder wordt de opvatting van Kant over de idee van doelgerichtheid verwoord:
"Kant vond het onzinnig om vanuit de doelgerichtheid van organismen (hun ’design’, zeg maar) het bestaan van God te willen bewijzen. Hij maakte onderscheid tussen drie soorten doelgerichtheid. Je kunt doelgerichtheid onderkennen in de samenhang van delen binnen organismen – tussen het wortelgestel en de bladeren van een plant, om maar wat te noemen. Een tweede vorm van doelgerichtheid is denkbaar tussen organismen onderling: bijvoorbeeld het gras dat de koe tot voedsel dient, koeien die weer nuttig zijn voor mensen. De derde vorm van doelgerichtheid bestaat in de veronderstelling dat de hele natuur een doel heeft, weloverwogen zo is geschapen.

De eerste vorm van doelgerichtheid noemde Kant acceptabel, de tweede hypothetisch, en de derde een hersenschim.

(...) De derde vorm van doelgerichtheid – de welgeordendheid van de natuur als geheel – onttrekt zich volkomen aan welke waarneming en bewijsvoering dan ook. Je kunt niet het geheel van de natuur waarnemen, alleen delen ervan. Daarom blijft een dergelijke totaliteit een concept of idee. Om daar nu doelgerichtheid aan toe te schrijven is het schuiven van een idee onder een idee. Het is de kwadratuur van verbeeldingskracht en voor Kant niet meer dan een hersenschim."

Deze redenering spreekt uit dat de vaste grond voor de zuivere rede om te deduceren uit de ervaring van de natuur als geheel, ontbreekt. Echter, buiten deze deductie kan de rede vanuit de ervaring en vanuit andere hypotheses zeker wel bijdragen aan hypotheses over de natuur als geheel.

Daarna over de kwalificatie van een cirkelredenering: het trekken van conclusies over het bovennatuurlijke uit de natuur vooronderstelt al dingen van het bovennatuurlijke. Deze kwalificatie is een verwarring van een hypothese met een bewijs. 'Intelligent Design' is geen bewijs, maar een hypothese. Met het natuurlijke wordt een hypothese van het bovennatuurlijke verbonden, die vervolgens als aannemelijk of niet kan worden beoordeeld --- weliswaar niet door de zuivere rede.

Ten slotte over de kwalificatie van een vormsel van de rede: vanuit kennistheoretisch perspectief stelde Kant dat alles wat wij waarnemen, gevormd werd door a priori categorieën van het denken; ook doelgerichtheid is zo'n categorie. "Kortom: de orde die fysicotheologische auteurs (en de huidige ID’ers) onderkennen in de natuur is niet een bewijs van de Voorzienigheid, maar een weerspiegeling van het ordenend vermogen van hun eigen geest".
Deze kwalificatie ten slotte laat helemaal buiten beschouwing dat er ook nog een werkelijkheid is die we waarnemen, hoewel met het ordenend vermogen van de geest. De opvatting van 'Intelligent Design' is niet gegrond op dat er een orde wordt waargenomen, maar juist op de complexiteit en de schitterendheid van de natuur binnen die orde van waarneming.

Gemakkelijk is het niet om de hypotheses van de rede te waarderen. Maar voor het leven en voor de filosofie is het niets vreemds.

zaterdag 1 mei 2010

Doelen van kennis

Vorige berichten sprak ik van wat kennis is, daarna over hoe het woord 'kennis' wordt gebruikt, en ten slotte over bronnen van kennis of van gerechtvaardigde overtuigingen. Ten slotte nu over wat over doelen van kennis. Ik schrijf dit vooral om het onderscheid duidelijk te maken tussen wat kennis voor logisch-positivisme betekent: 'savoir pour prévoir pour pouvoir': weten om te voorspellen, om te beheersen / kunnen (Wikipedia over Logisch-positivisme) en wat kennis betekent voor het Christelijke wereldbeeld. Zomaar wat losse gedachten.

In mijn eigen opvatting over de kennisvermogens van de mens maak ik een onderscheid tussen weten van standen van zaken (hoe? wanneer? welke oorzaak?) en het kennis van zijn en van zin (wat?). We kunnen het eerste nog, het tweede vermogen is gehavend of verdwenen. Ons ontbreekt kennis van God -- tot Gods Geest ons zelf bekendmaakt Wie God is, uit Gods Woord. De natuurwetenschap lijkt hoogtij te vieren doordat ons existentiële kennis ontbreekt.

Logica en wiskunde zijn begrensd in zichzelf -- dat bewijst de onvolledigheidsstelling van Gödel. Ook andere wiskundige problemen hebben de indicatie gegeven dat meer dingen onbewijsbaar of relatief (axiomatisch) zijn. Het doel van kennis van de natuur is dus niet om verstand en getal te isoleren: de orde in de schepping is veelvormiger dan dat het in één logisch stelsel te vatten zou zijn, het is meervormig.

De mens is volgens het Christelijke wereldbeeld gemaakt om de Schepper te kennen --- zonder die kennis zijn we los van de diepste betekenis van het bestaan, "ongelukkig, zonder God in de wereld" (Efeze 2:12). Luther schrijft in zijn verklaring van de brief aan de Galaten dat (kennis van) de geschapen werkelijkheid is als middel tot kennis van God:
Dit uitwerksel of die vertoning Gods nu is het ganse schepsel. Daarenboven handelt of spreekt God niet met ons van aangezicht tot aangezicht, maar bedekt en achter het schepsel, Zijn gewrocht, vertoning, verborgen, dat is, gelijk Paulus zegt: Wij zien nu God door een spiegel in een duistere rede, maar dan zullen wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht (1 Korinthe 13:12). Daarom kunnen wij die spiegels niet ontberen, maar er wordt voorzichtigheid geëist, om God van dat schepsel, of uitwerksel te onderscheiden.

Bronnen van kennis of van gerechtvaardigde overtuigingen

Over de bronnen van kennis (of van gerechtvaardigde overtuigingen) valt veel te zeggen. Mijn doel is om kort een aantal punten te stellen over waarin het Christelijke wereldbeeld daar van invloed is of kan zijn.

In de geschiedenis van de kennisfilosofie is er een omslag geweest van 'foundationalism' naar 'coherentism'. 'Foundationalism' neemt de stelling in dat kennis op andere kennis is gegrond, en uiteindelijk op basisbouwstenen van kennis of axioma's die vanzelfsprekend zijn. Er is dan een scheiding tussen wat pas gekend kan worden door ervaring (a posteriori), bijvoorbeeld dat gras groen is, en wat zonder verdere waarnemingen gekend kan worden (a priori), bijvoorbeeld 1+1=2. 'Coherentism' neemt de stelling in dat alle kennis een samenhangend stelsel is en dat er dus geen basisbouwstenen zijn. De scheiding tussen a priori en a posteriori is er niet: er zijn geen a priori waarheden, alles hangt af van waarneming.

Vooral de filosoof Quine (1908-2000) verdedigde het 'coherentism' tegen het 'foundationalism'. Zijn positie noemde hij zelf 'naturalistic epistomology', een positie die tegengesteld is aan a priori normatieve standpunten over overtuigingen of kennis (d.w.z., dat overtuigingen bepaalde a priori regels moeten volgen), en tegengesteld aan logisch-positivistische standpunten dat kennis alleen berust op a priori wetten van de logica. In plaats daarvan betoogt de naturalistische epistemologie dat kennis, en ook misschien normen van kennis, betekenis krijgt in de verklaring van onze concepten via een natuurwetenschappelijke methode.

Wat is de verhouding van deze posities tot het Christelijke wereldbeeld?

  1. Het Christelijke wereldbeeld propageert niet tegen een naturalistische epistemologie, het geeft alleen naturalisme een diepere grond, namelijk in een goede Schepper. De natuur is voor het Christelijke wereldbeeld een werkelijkheid die gekend kan worden doordat de Schepper ons zintuigen heeft gegeven die in normale situaties betrouwbaar zijn. (Zo betoogde ook Descartes.) Overigens is het wel mogelijk sceptisch te staan tegenover het gronden van kennis in de menselijke redelijke vermogens, omdat na de zondeval God de mens gestraft heeft met een breuk tussen de mens en de natuur: "Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten hebt, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens" (Genesis 3:17).

  2. Kennis kan voor het Christelijke wereldbeeld ook uit andere bron komen dan uit de natuur, namelijk door Gods openbaring, die 'stil spreekt' in de ziel en het verstand (Augustinus) van de mens. Zo heeft profetie bijvoorbeeld kunnen zeggen dat God de hemel en de aarde maakte.

  3. Het Christelijke wereldbeeld vereist geen uitgesproken mening over of er een scheiding is tussen a priori en a posteriori waarheden, ofwel tussen getal en logica (a priori) en natuur en ervaring (a posteriori).