Voor de verandering een fabel over waarheid.
Er was eens een wees die door een ontfermend man geadopteerd werd. Hem werden nieuwe kleren gegeven en hij mocht in het huis van deze man, zijn nieuwe vader, wonen. Maar het meest verheugde hij zich in de liefde die zijn vader tot hem toonde als hij bij hem was.
Vol vreugde vertelde de wees dit feit aan ieder die het wilde horen. Hij vertelde het ook aan een andere wees die door dezelfde man was geadopteerd. Deze hoorde zijn vreugdevolle relaas in stilte aan. 'Zo,' zei hij, terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste. 'Zo.'
De wees vroeg verontwaardigd: 'Gelooft u het niet?'
De andere wees antwoordde: 'Dat zeg ik niet, maar je weet dat er verschillende wezen hier beweren dat ze door iemand geadopteerd zijn, terwijl ze het niet zijn.'
'O,' zei de wees.
'Je kunt jezelf bedrogen hebben,' zei de ander, 'het was misschien een droom.'
'Maar ik heb toch nieuwe kleren?' riep de wees verbaasd uit.
'Je kunt die gestolen hebben,' reageerde de ander.
'Wat?' riep de wees uit.
'Er zijn andere wezen die dat ook hebben gedaan,' zei de ander. 'Of die gestolen kleren van anderen hebben gekregen. Misschien was de man die je ze gaf wel een bedrieger.'
'Maar ik heb hier het adoptiebewijs!' riep de wees uit. Hij liet het document zien.
'Tja,' zei de ander. Hij haalde ook een document tevoorschijn, wat in de verte ook nog op een adoptiebewijs leek, maar vol stond met allerlei aantekeningen: datum en tijd van verschillende momenten, observaties, maar vooral massa's vraagtekens, zodat het uiteindelijk leek alsof het hele document alleen maar vraagtekens bevatte.
De wees werd bleek. Hij stamelde: 'Maar hij was zo vriendelijk en vol liefde voor mij!'
'Tja,' zei de ander. 'Ik zeg alleen maar dat er bedriegers rondlopen in deze stad.'
Verdrietig vertrok de wees en ging niet terug naar het huis waarin hij was geadopteerd, maar naar de achterafstraten waar hij buiten had geleefd. Hij ging in gedachten terug naar wat hij had meegemaakt en vroeg zich af wat er waar geweest zou kunnen zijn. Hij durfde niet terug te gaan in vrees voor dat hij naar een bedrieger zou gaan.
Zo vond hem zijn vader, die hem geadopteerd had, na een zoektocht van enkele dagen. Hij omarmde zijn vermagerde zoon en zei: 'Kind!' terwijl de tranen van zijn wangen liepen. 'Wat heb je gedaan? Hoe heb je aan mijn liefde kunnen twijfelen?'
Posts tonen met het label waarheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label waarheid. Alle posts tonen
donderdag 6 februari 2020
zaterdag 11 maart 2017
Psalmen - 12
Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.
2 Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet meer,
onder de mensenkinderen zijn er nog maar weinig trouw.
3 Valse dingen spreekt men tot elkaar,
met vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4 Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
en de tong vol grootspraak.
5 Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
6 Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen
zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE;
Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
7 De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
als zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
8 Ú, HEERE, zult hen bewaren,
U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
9 Overal draven goddelozen rond,
wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.
Bevreemdend:
Er is niet veel bevreemdend in deze psalm behalve het directe ingrijpen van God op de situatie. God behoudt degenen die zichzelf niet kunnen verdedigen tegen mensen die met mooie praatjes, die niet doen wat ze zeggen, maar alleen op hun eigen winst uit zijn.
Als we dit lezen vragen we ons meteen af: Hoe is het mogelijk? Hoe kunnen we geloven dat God voor altijd (vers 8) de hulpelozen zal verdedigen tegen egoïsten? De geschiedenis, elke tijd leert ons toch het tegenovergestelde? Waar was God toen Hitler met leugens en grootspraak de Joden onderdrukte en liet ombrengen?
De bedoeling van de psalm is iets anders dan dat God iedere hulpeloze altijd beschermt. In de psalm gaat het namelijk over een bepaald moment waarop God zal ingrijpen. Als antwoord op het gebed van David zegt God: "Ik zal nu opstaan" (vers 6), maar dan is er al sprake van groot onrecht, van "verwoesting" en "gekerm". God zal dus wel altijd ingrijpen, maar niet altijd voordat het kwaad al tot uitdrukking is gekomen.
Toch is het moeilijk om daar troost uit te halen op het moment dat er onrecht is. Een overlevende van de Shoah vertelt:
"God was het onderwerp van bijna elke discussie. De gedachte dat dit alles een straf van God was, kwam vaak voorbij. Er waren Joden die veel gestudeerd hadden en het Oude Testament uit hun hoofd kenden. Maar gestudeerd of niet, niemand wist het antwoord op deze ellende". (Isaac Goldfinger, interview EO)De reden van het handelen van God is niet altijd te bevatten. Of liever: het handelen van God bevatten we sowieso niet, tenzij God het persoonlijk aan ons laat zien.
Maar ook zonder dat we deze reden weten is het mogelijk om troost vinden bij God. Isaac Goldfinger blijkt Gods troost ook in de concentratiekampen ervaren te hebben: "Ik zeg je; God was daar!".
Herkenbaar:
Egoïsme, liegen of vleien om dingen voor jezelf voor elkaar te krijgen, ontrouw, grootspraak: het is erg herkenbaar. Hier en daar ziet men het zelfs als vanzelfsprekend om niet helemaal waarheidsgetrouw te zijn (bijvoorbeeld bij het verkopen van een product). Het gaat niet altijd gepaard met grof onrecht, maar wel altijd met een beetje onrecht.
Laten we hier tegenover het beeld zetten van hoe God is: Gods woorden zijn zuiver (vers 7). Ze zijn als zilver dat zevenmaal door vuur gezuiverd is. Laten onze woorden daarom ook geen onwaarheid bevatten waarvan we bewust zijn! Als we ons best doen, blijft er nog genoeg onwaarheid en egoïsme over waar we ons niet eens van bewust zijn.
Ook voor de komende verkiezingen en de bijbehorende campagnes is dit een psalm om in gedachten te houden...
Profetisch:
Gods woorden zijn zuiver (vers 7). Dat betekent dat de profetieën in de Bijbel waar zijn en zullen uitkomen. Voor een deel kunnen we dat al zien in de profetieën die al uitgekomen zijn: de verwoesting van Israël door Assyrië en Babel zoals beschreven door de meeste profeten, de wereldrijken zoals beschreven door Daniël, het blijvende verbond van God met Israël, de komst van Jezus Christus die zou lijden maar ook zal verlossen. Voor een ander deel zal het nog komen: het verkondigen van het evangelie aan alle volken, het komen van het rijk van de antichrist, de terugkeer van de tien stammen van Israël naar hun land, de wederkomst van Jezus Christus, en het komende Rijk van God. We moeten grote waarde hechten aan elk woord wat in de Bijbel staat, want ze zijn ook voor ons nog opgeschreven. Gods woorden zijn voor ons, ze zijn waar, trouw, en voor iedereen te begrijpen.
Labels:
gerechtigheid,
psalmen,
Shoah,
waarheid
vrijdag 8 juli 2016
Psalmen - 5
Psalm 5 uit het bijbelboek van de Psalmen is een gebed van David.
Bevreemdend:
Er zijn verschillende dingen die ons vreemd kunnen voorkomen in deze psalm. Allereerst het gebed om de val van de goddeloze. David bidt heel duidelijk of God zijn belagers - die liegen en vleien (vers 10) - schuldig wil verklaren, ten val wil brengen en en wil verdrijven (vers 11).
Er staat niet letterlijk bij wat dit 'ten val brengen' en 'verdrijven' inhoudt: betekent het 'ontmaskeren' en 'macht ontnemen' of betekent het ook 'doden'? Als je even zoekt op de Hebreeuwse woorden voor 'doden' (harag/mawat/harab/nakah) in het bijbelboek Psalmen (waar meerdere psalmen van David in voorkomen) vind je dat er geen enkele keer gebeden wordt of God vijanden wil doden (mogelijk met uitzondering van Psalm 55 vers 16, waar ik de vertaling "De dood zal hen overvallen" prefereer boven "Laat de dood hen overvallen"). In Psalm 59 staat het zelfs letterlijk in negatieve zin: "Dood hen niet, anders vergeet mijn volk het; doe hen rondzwerven door Uw kracht, werp hen neer, Heere, ons schild" (Psalm 59 vers 11). In deze en andere psalmen bidt David dus wel om hulp tegen zijn belagers maar laat hij aan God over hoe God moet helpen. Dat getuigt van het geloof dat God weet wat goed is en niet specifiek om een bepaalde gunst gevraagd hoeft te worden. Het getuigt er ook van dat David zich niet zover door haat of wraak laat leiden dat hij de dood van zijn belagers wenst; zijn motief is duidelijk het vragen om hulp en niet wraak of haat.
Herkenbaar:
Herkenbaar is dat David - op dat moment koning van Israël - God zijn Koning noemt. God is dus de hoogste Koning. Dit is mijns inziens ook de vergelijking aan het begin die de rest van de psalm kleurt: David gebruikt het beeld van iemand die zich tot de koning wendt om hulp en bescherming. David vraagt God om recht te spreken (vers 9 en 11) en een beschermheer te zijn (vers 12 en 13).
Herkenbaar is ook de tekst die door de apostel Paulus wordt geciteerd in de brief aan de gemeente van Rome om aan te geven wat er allemaal mis is met de mens.
Profetisch:
De psalm gaat allereerst over hoe God als Koning in ons dagelijks leven regeert. God beschermt en straft in dit leven, hoewel ook mensen die God niet achten uiterlijke voorspoed en rijkdom hebben en gelovigen uiterlijke tegenslagen en armoede (zie psalm 73). Deze psalm is echter ook profetisch toe te passen op het komende Koninkrijk van God. Daarvan sprak Jezus dat het dichtbij gekomen is voor iedereen, en dat de wereld geoordeeld zal worden bij Zijn wederkomst uit de hemel. Dat betekent enerzijds inderdaad een Koninkrijk wat de val en verdrijving van de ongehoorzamen aankondigt (vers 11). Daarnaast zal dit een Koninkrijk zijn waar degenen die tot God de toevlucht hebben genomen, eeuwig zullen juichen omdat God hen beschut, en van vreugde zullen opspringen wie Gods Naam liefhebben (vers 12).
1 Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.
2 HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
3 Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
4 's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
5 Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
6 De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7 U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.
8 Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid
Uw huis binnengaan,
mij buigen naar Uw heilig paleis
in vreze voor U.
9 HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid,
omwille van mijn belagers;
maak Uw weg vóór mij recht.
10 Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij.
11 Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
12 Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen,
laat hen voor eeuwig juichen
omdat U hen beschut;
laat in U van vreugde opspringen
wie Uw Naam liefhebben.
13 U immers zegent de rechtvaardige, HEERE;
U omringt hem met goedgunstigheid als met een schild.
Bevreemdend:
Er zijn verschillende dingen die ons vreemd kunnen voorkomen in deze psalm. Allereerst het gebed om de val van de goddeloze. David bidt heel duidelijk of God zijn belagers - die liegen en vleien (vers 10) - schuldig wil verklaren, ten val wil brengen en en wil verdrijven (vers 11).
Er staat niet letterlijk bij wat dit 'ten val brengen' en 'verdrijven' inhoudt: betekent het 'ontmaskeren' en 'macht ontnemen' of betekent het ook 'doden'? Als je even zoekt op de Hebreeuwse woorden voor 'doden' (harag/mawat/harab/nakah) in het bijbelboek Psalmen (waar meerdere psalmen van David in voorkomen) vind je dat er geen enkele keer gebeden wordt of God vijanden wil doden (mogelijk met uitzondering van Psalm 55 vers 16, waar ik de vertaling "De dood zal hen overvallen" prefereer boven "Laat de dood hen overvallen"). In Psalm 59 staat het zelfs letterlijk in negatieve zin: "Dood hen niet, anders vergeet mijn volk het; doe hen rondzwerven door Uw kracht, werp hen neer, Heere, ons schild" (Psalm 59 vers 11). In deze en andere psalmen bidt David dus wel om hulp tegen zijn belagers maar laat hij aan God over hoe God moet helpen. Dat getuigt van het geloof dat God weet wat goed is en niet specifiek om een bepaalde gunst gevraagd hoeft te worden. Het getuigt er ook van dat David zich niet zover door haat of wraak laat leiden dat hij de dood van zijn belagers wenst; zijn motief is duidelijk het vragen om hulp en niet wraak of haat.
Herkenbaar:
Herkenbaar is dat David - op dat moment koning van Israël - God zijn Koning noemt. God is dus de hoogste Koning. Dit is mijns inziens ook de vergelijking aan het begin die de rest van de psalm kleurt: David gebruikt het beeld van iemand die zich tot de koning wendt om hulp en bescherming. David vraagt God om recht te spreken (vers 9 en 11) en een beschermheer te zijn (vers 12 en 13).
Herkenbaar is ook de tekst die door de apostel Paulus wordt geciteerd in de brief aan de gemeente van Rome om aan te geven wat er allemaal mis is met de mens.
"Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,Het niet (compleet) weergeven van de waarheid is inderdaad een van de meest herkenbare zonden, waarbij bijna iedereen zal moeten toegeven dat hij of zij daar ook wel eens aan schuldig is. Toch is deze tekst wat radicaler: het geeft aan dat heel ons spreken van egoïsme en daardoor gedeeltelijke onwaarheid doortrokken is.
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij."
Profetisch:
De psalm gaat allereerst over hoe God als Koning in ons dagelijks leven regeert. God beschermt en straft in dit leven, hoewel ook mensen die God niet achten uiterlijke voorspoed en rijkdom hebben en gelovigen uiterlijke tegenslagen en armoede (zie psalm 73). Deze psalm is echter ook profetisch toe te passen op het komende Koninkrijk van God. Daarvan sprak Jezus dat het dichtbij gekomen is voor iedereen, en dat de wereld geoordeeld zal worden bij Zijn wederkomst uit de hemel. Dat betekent enerzijds inderdaad een Koninkrijk wat de val en verdrijving van de ongehoorzamen aankondigt (vers 11). Daarnaast zal dit een Koninkrijk zijn waar degenen die tot God de toevlucht hebben genomen, eeuwig zullen juichen omdat God hen beschut, en van vreugde zullen opspringen wie Gods Naam liefhebben (vers 12).
Labels:
goed en kwaad,
psalmen,
waarheid
donderdag 30 mei 2013
Afstand?
Vanaf het begin van dat God de wereld gemaakt heeft hebben we te maken met een bedrieger. De eerste mensen had God toestemming gegeven om overal van de vruchten van de bomen te eten, behalve van de boom in het midden van de hof van Eden. Deze bedrieger probeert Eva uit de tent te lokken door het verbod van God strenger te maken: "Is het niet zo dat God heeft verboden van alle vruchten van de bomen in deze hof te eten?" Eva trapt erin, want het is merkbaar dat ze het gebod van God als beperking gaat zien. De bedrieger zegt vervolgens: "U zult niet sterven, maar u zult zijn als God, als u van die boom eet." (bijbelboek Genesis, 3:1-5) Daarmee maakt de bedrieger eerst de afstand tot God groter door God een bedrieger te maken. Daarna maakt hij ook de afstand groter door te benadrukken dat God en de mens heel verschillend zijn en dat de mens is onderworpen aan God. Voorheen was God voor de mens als een vriend aanwezig in de hof. De bedrieger schildert God af als ver weg en afstandelijk.
Hetzelfde bedrog is nog steeds levend. Waarschijnlijk beeldt u zich in dat God ver weg is, als u in God gelooft. Waarschijnlijk gelooft u in het idee dat als er een God bestaat, die God zich niets aantrekt van wat hier gebeurt en van een totaal andere orde is dan de wereld. Waarschijnlijk gelooft u niet dat God een persoonlijke God kan zijn, en als u het gelooft, denkt u misschien dat God vooral beperkingen oplegt aan de mens.
Het thema 'afstand' komt ook terug bij de hemelvaart van Christus. Het evangelie vertelt hoe Gods Zoon, veertig dagen na zijn opstanding, van de aarde wegging naar zijn Vader. De hemel betekent trouwens niet dat God ver weg is. God is overal en dichtbij, maar God is niet persoonlijk dichtbij zoals in de hof van Eden en Christus is niet meer op aarde met zijn lichaam.
God heeft inderdaad afstand genomen van de aarde, maar is er nog steeds met zijn boodschappers. Als eerste gaf Christus aan zijn discipelen bevel om het evangelie in heel de wereld te vertellen. Ook heeft God vanaf het begin van de wereld zijn engelen naar mensen gestuurd ('angelos', 'engel', is het Griekse woord voor 'boodschapper'). Maar nog het meest is Gods Geest in deze wereld om ons te overtuigen dat God niet ver weg is. Dat herdenken christenen met Pinksteren, vijftig dagen na het lijden van Gods Zoon, Christus. Gods Zoon heeft zijn discipelen niet alleen gelaten, zoals Christus zegt (evangelie van Johannes, 14:16-18):
Hetzelfde bedrog is nog steeds levend. Waarschijnlijk beeldt u zich in dat God ver weg is, als u in God gelooft. Waarschijnlijk gelooft u in het idee dat als er een God bestaat, die God zich niets aantrekt van wat hier gebeurt en van een totaal andere orde is dan de wereld. Waarschijnlijk gelooft u niet dat God een persoonlijke God kan zijn, en als u het gelooft, denkt u misschien dat God vooral beperkingen oplegt aan de mens.
Het thema 'afstand' komt ook terug bij de hemelvaart van Christus. Het evangelie vertelt hoe Gods Zoon, veertig dagen na zijn opstanding, van de aarde wegging naar zijn Vader. De hemel betekent trouwens niet dat God ver weg is. God is overal en dichtbij, maar God is niet persoonlijk dichtbij zoals in de hof van Eden en Christus is niet meer op aarde met zijn lichaam.
God heeft inderdaad afstand genomen van de aarde, maar is er nog steeds met zijn boodschappers. Als eerste gaf Christus aan zijn discipelen bevel om het evangelie in heel de wereld te vertellen. Ook heeft God vanaf het begin van de wereld zijn engelen naar mensen gestuurd ('angelos', 'engel', is het Griekse woord voor 'boodschapper'). Maar nog het meest is Gods Geest in deze wereld om ons te overtuigen dat God niet ver weg is. Dat herdenken christenen met Pinksteren, vijftig dagen na het lijden van Gods Zoon, Christus. Gods Zoon heeft zijn discipelen niet alleen gelaten, zoals Christus zegt (evangelie van Johannes, 14:16-18):
"Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe."
woensdag 15 juni 2011
Iets nieuws & m'n scriptie
Ik beschouw mezelf als creatief: dat wil zeggen, heb soms een onweerstaanbare neiging om iets nieuws te maken. In de filosofie wordt originaliteit als merites gezien. Als je niets nieuws zegt maar alleen bestaande filosofie interpreteert, word je niet beroemd. Veel filosofen beginnen hun boek ook met een samenvatting van alle voorgaande filosofen: wat hebben zij gezegd, en waarom voegt het mijne iets toe (soms met een neiging al het voorgaande als waardeloos af te doen). Net alsof de eis van toegevoegde waarde precies zoals bij wetenschap bestaat in het ontdekken of beschrijven van iets nieuws.
Zo vermeldt ook Lukas als hij van het bezoek van Paulus aan Athene schrijft: "Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen" (Handelingen van de apostelen, hoofdstuk 17).
Iets nieuws willen zeggen is de neiging om iets toe te willen voegen aan het bestaande, met het gedachte dat de mens anders betekenisloos blijft. Ik denk dat die gedachte genuanceerd moet worden. Ieder mens voegt al onherroepelijk iets toe aan de wereld door te leven. Een mens wordt nooit gelijk aan datgene wat hij maakt of produceert (vergelijk ook Heidegger, die dat het alledaagse 'vervallen' noemt, het verliezen van zichzelf, de eigen zijnsmogelijkheden, in de omringende wereld).
Ik denk dat het beter is als het filosofie te doen is om gewoon de waarheid te spreken, ongeacht of die nieuw is of niet. Maar, zou iemand kunnen tegenwerpen, is dat niet al een te stellige uitspraak, omdat alle filosofie waarheid bevat maar slechts verschilt in perspectief? Ik ben het ermee eens dat als je filosofische waarheden gaat verzamelen, je veel verschillende perspectieven zult bezoeken; maar ik ben er ook van overtuigd dat er dan nog verschil blijft tussen ware en onware of vervormende, verbergende uitspraken. Misschien is dat een mooie inleiding op mijn bachelorscriptie voor mijn studie filosofie over waarheid.
Zo vermeldt ook Lukas als hij van het bezoek van Paulus aan Athene schrijft: "Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen" (Handelingen van de apostelen, hoofdstuk 17).
Iets nieuws willen zeggen is de neiging om iets toe te willen voegen aan het bestaande, met het gedachte dat de mens anders betekenisloos blijft. Ik denk dat die gedachte genuanceerd moet worden. Ieder mens voegt al onherroepelijk iets toe aan de wereld door te leven. Een mens wordt nooit gelijk aan datgene wat hij maakt of produceert (vergelijk ook Heidegger, die dat het alledaagse 'vervallen' noemt, het verliezen van zichzelf, de eigen zijnsmogelijkheden, in de omringende wereld).
Ik denk dat het beter is als het filosofie te doen is om gewoon de waarheid te spreken, ongeacht of die nieuw is of niet. Maar, zou iemand kunnen tegenwerpen, is dat niet al een te stellige uitspraak, omdat alle filosofie waarheid bevat maar slechts verschilt in perspectief? Ik ben het ermee eens dat als je filosofische waarheden gaat verzamelen, je veel verschillende perspectieven zult bezoeken; maar ik ben er ook van overtuigd dat er dan nog verschil blijft tussen ware en onware of vervormende, verbergende uitspraken. Misschien is dat een mooie inleiding op mijn bachelorscriptie voor mijn studie filosofie over waarheid.
maandag 4 april 2011
Het echte leven
De 'maand van de filosofie' (april) heeft als thema 'het echte leven'. Dat 'echt' staat voor 'authentiek'. Om te beoordelen of iets 'authentiek' is heb je een vergelijkingspunt nodig.
Van prof. Burms heb ik bij het vak algemene moraalfilosofie geleerd dat men op zoek is naar een vast punt in het leven. Bij ernstige ziekte of vrees voor de dood zien mensen het leven vaak anders – een fundamenteler perspectief, of misschien juist een verduisterd perspectief. We zoeken naar een vast punt dat gelijk blijft in wisselende omstandigheden, een standpunt dat niet ontgoocheld of begoocheld kan worden. Aan dat vaste punt verbinden we de fundamenten van moraal, van het goede leven, aldus prof. Burms. Een voorbeeld van zo'n vast punt is religie.
Waar vinden mensen anders nog vastheid? Wetenschap zou zo'n voorbeeld kunnen zijn. Evolutionisme biedt voor veel mensen voeten voor het wereldbeeld. Als we het niet in wetenschap vinden en niet in religie, waar dan wel? In mezelf misschien: een postmoderne autonomie? Volgens prof. Burms was dat laatste idee naïef: in jezelf vind je nooit een vast punt. Immers, als je al een vast standpunt meent te hebben, waaraan ontleent dat dan z'n vastheid behalve aan jezelf? Je kunt je toch ook niet aan je eigen armen zelf een moeras uit trekken?
Misschien zeggen we: zo'n vast punt is niet nodig? Misschien beschouwen we religie al als minderwaardig alleen al omdat ze een vast punt geeft. Maar dat is dwaas; en, zoals gezegd, evolutionisme valt onder hetzelfde oordeel.
Kunnen we inderdaad zonder vast punt? We kunnen zeggen: "We moeten ons laten meevoeren door de stemming van het moment; authenticiteit is dus: op elk moment meest intens zijn wie je op dat moment kunt zijn". Authenticiteit is dan dus niet gebaseerd op een vast punt, maar op een vaste eigenschap. Of misschien kunnen we zelfs zeggen: "We moeten het ideaal van 'echt leven' maar helemaal loslaten; er is niets anders dan onvoorspelbare stromen in ons leven". Misschien is authenticiteit wel "een modieus en overspannen ideaal", staat er bij de tekst over het thema van de 'maand van de filosofie'. Met een cynische opmerking zou de laatste opvatting zelfs kunnen stellen: "Verlangen naar authenticiteit is de sleur waarvan we bevrijd moeten worden".
Maar 'echt leven' blijft ook altijd tegenover 'in een waan leven' staan; bijvoorbeeld in de sleur van een kapitalistisch werkschema, of in de waan van een onbekend bedrog. Of is zelfs bedrog en sleur geen probleem? Wie dat zegt omarmt het nihilisme: niets heeft waarde.
Ik weet niet goed hoe ik op deze perspectieven moet antwoorden. Levensperspectieven gaan vaak samen met een sterke 'blijf van mijn lijf'-strategie: "Dit is hoe ik er over denk, ik heb er recht op, het leven is van mij".
Maar misschien is dat precies waar het christelijke levensbeschouwing een ander perspectief kan bieden: het leven is niet van ons. Het is er niet zomaar gekomen; het komt uit de handen van God. We vinden ons vaste punt in waar we vandaan komen. "In het begin schiep God de hemel en de aarde."
Van prof. Burms heb ik bij het vak algemene moraalfilosofie geleerd dat men op zoek is naar een vast punt in het leven. Bij ernstige ziekte of vrees voor de dood zien mensen het leven vaak anders – een fundamenteler perspectief, of misschien juist een verduisterd perspectief. We zoeken naar een vast punt dat gelijk blijft in wisselende omstandigheden, een standpunt dat niet ontgoocheld of begoocheld kan worden. Aan dat vaste punt verbinden we de fundamenten van moraal, van het goede leven, aldus prof. Burms. Een voorbeeld van zo'n vast punt is religie.
Waar vinden mensen anders nog vastheid? Wetenschap zou zo'n voorbeeld kunnen zijn. Evolutionisme biedt voor veel mensen voeten voor het wereldbeeld. Als we het niet in wetenschap vinden en niet in religie, waar dan wel? In mezelf misschien: een postmoderne autonomie? Volgens prof. Burms was dat laatste idee naïef: in jezelf vind je nooit een vast punt. Immers, als je al een vast standpunt meent te hebben, waaraan ontleent dat dan z'n vastheid behalve aan jezelf? Je kunt je toch ook niet aan je eigen armen zelf een moeras uit trekken?
Misschien zeggen we: zo'n vast punt is niet nodig? Misschien beschouwen we religie al als minderwaardig alleen al omdat ze een vast punt geeft. Maar dat is dwaas; en, zoals gezegd, evolutionisme valt onder hetzelfde oordeel.
Kunnen we inderdaad zonder vast punt? We kunnen zeggen: "We moeten ons laten meevoeren door de stemming van het moment; authenticiteit is dus: op elk moment meest intens zijn wie je op dat moment kunt zijn". Authenticiteit is dan dus niet gebaseerd op een vast punt, maar op een vaste eigenschap. Of misschien kunnen we zelfs zeggen: "We moeten het ideaal van 'echt leven' maar helemaal loslaten; er is niets anders dan onvoorspelbare stromen in ons leven". Misschien is authenticiteit wel "een modieus en overspannen ideaal", staat er bij de tekst over het thema van de 'maand van de filosofie'. Met een cynische opmerking zou de laatste opvatting zelfs kunnen stellen: "Verlangen naar authenticiteit is de sleur waarvan we bevrijd moeten worden".
Maar 'echt leven' blijft ook altijd tegenover 'in een waan leven' staan; bijvoorbeeld in de sleur van een kapitalistisch werkschema, of in de waan van een onbekend bedrog. Of is zelfs bedrog en sleur geen probleem? Wie dat zegt omarmt het nihilisme: niets heeft waarde.
Ik weet niet goed hoe ik op deze perspectieven moet antwoorden. Levensperspectieven gaan vaak samen met een sterke 'blijf van mijn lijf'-strategie: "Dit is hoe ik er over denk, ik heb er recht op, het leven is van mij".
Maar misschien is dat precies waar het christelijke levensbeschouwing een ander perspectief kan bieden: het leven is niet van ons. Het is er niet zomaar gekomen; het komt uit de handen van God. We vinden ons vaste punt in waar we vandaan komen. "In het begin schiep God de hemel en de aarde."
Labels:
Arnold Burms,
authenticiteit,
ethiek,
leven,
religie,
schepping,
waarheid
woensdag 16 februari 2011
De band door de tijd
Als het over klassieke filosofen gaat, word ik altijd geslingerd tussen twee dimensies: zijn andere mensen verschillend of hetzelfde? Allebei, maar in een verschillend aspect. Er zijn veel verschillen op te noemen, er zijn ook veel overeenkomsten op te noemen. Wat zwaarder weegt is wat wij het zwaarst wegen.
Voor mij weegt overeenkomst het zwaarst. Mensen zijn medemensen. Onder de o zo verschillende filosofische systemen ligt volgens mij, onder de oppervlakte, een werkelijk leven. De waarde van een filosofisch systeem inzien betekent die sporen van leven opzoeken en meebeleven — of tot leven wekken (zie mijn eerdere bericht over Joodse filosofie, en over 'belangrijke filosofen').
Betekent dat dat er geen onware filosofie bestaat, of dat elke filosofische uitspraak geldig is alleen binnen een kader van de tijd, ofwel een 'discours' (zoals de Franse filosoof Foucault (1926-1984) zou zeggen)? Allereerst: zeker bestaat er onware filosofie; volgens definitie natuurlijk altijd binnen het discours — een discours kan niet onwaar zijn, hoogstens kan het zo zijn dat binnen een discours niet genoeg of geen ware uitspraken gedaan kunnen worden, maar dat terzijde. Wat afhankelijkheid van discours betreft: er is inderdaad altijd een mate van afhankelijkheid van discours: datgene wat besproken wordt en dat wat onbesproken blijft. Onze begrippen kunnen met de tijd verfijnder worden, grover worden, of vervangen worden. Maar dat betekent niet dat alle betekenis discontinu is — ik ben er tenminste van overtuigd dat er belangrijke woorden zijn die ik hier schrijf met een realiteitswaarde die continu is, in overeenstemming met eerdere generaties christenen. Ook waarden veranderen met de tijd: in verschillende tijdperken worden verschillende begrippen meer of minder gewaardeerd; maar die verschillende waarderingen kunnen elkaar ook aanvullen in plaats van tegenspreken. Ook discontinuïteit en continuïteit van uitspraken moeten precies onderscheiden worden.
Het voorgaande bevindt zich al binnen een discours: bepaalde begrippen, bepaalde waarde aan begrippen. Maar die begrippen zijn niet allemaal arbitrair, en die waardering is zeker niet imaginair, door de continuïteit van realiteitswaarde die ik al noemde. Waarderingen die volgens mij de eeuwen verduren zijn de waardering van waarheid, de waardering van het goede en rechtvaardige, de waardering van geluk. Los van de ornamenten die de tijd deze begrippen kan geven, bezitten ze mijns inziens een realiteit die niet herleidbaar is naar andere begrippen. Waarheid is niet te herleiden tot wat praktisch werkt, of tot wat onze behoeftes serieus neemt — waarheid is wat echt zo is. Het goede is niet te herleiden tot wat wij werkelijk willen (geluk), hoewel het evenals bij Aristoteles ook in de christelijke filosofie samen op kan gaan. Geluk is niet te herleiden tot waarheid of rechtvaardigheid, hoewel dat noodzakelijke voorwaarden zijn voor geluk.
Bovenstaande is niet pretentieloos, maar heeft ook niet de pretentie om de belangrijkste waarheid, en zeker niet het grootste goed of geluk hier te willen vatten. Meta-filosofie heeft weinig waarde voor mij, tenzij het aan God als oorsprong is verbonden. Daarin waardeer ik de woorden van Augustinus:
Voor mij weegt overeenkomst het zwaarst. Mensen zijn medemensen. Onder de o zo verschillende filosofische systemen ligt volgens mij, onder de oppervlakte, een werkelijk leven. De waarde van een filosofisch systeem inzien betekent die sporen van leven opzoeken en meebeleven — of tot leven wekken (zie mijn eerdere bericht over Joodse filosofie, en over 'belangrijke filosofen').
Betekent dat dat er geen onware filosofie bestaat, of dat elke filosofische uitspraak geldig is alleen binnen een kader van de tijd, ofwel een 'discours' (zoals de Franse filosoof Foucault (1926-1984) zou zeggen)? Allereerst: zeker bestaat er onware filosofie; volgens definitie natuurlijk altijd binnen het discours — een discours kan niet onwaar zijn, hoogstens kan het zo zijn dat binnen een discours niet genoeg of geen ware uitspraken gedaan kunnen worden, maar dat terzijde. Wat afhankelijkheid van discours betreft: er is inderdaad altijd een mate van afhankelijkheid van discours: datgene wat besproken wordt en dat wat onbesproken blijft. Onze begrippen kunnen met de tijd verfijnder worden, grover worden, of vervangen worden. Maar dat betekent niet dat alle betekenis discontinu is — ik ben er tenminste van overtuigd dat er belangrijke woorden zijn die ik hier schrijf met een realiteitswaarde die continu is, in overeenstemming met eerdere generaties christenen. Ook waarden veranderen met de tijd: in verschillende tijdperken worden verschillende begrippen meer of minder gewaardeerd; maar die verschillende waarderingen kunnen elkaar ook aanvullen in plaats van tegenspreken. Ook discontinuïteit en continuïteit van uitspraken moeten precies onderscheiden worden.
Het voorgaande bevindt zich al binnen een discours: bepaalde begrippen, bepaalde waarde aan begrippen. Maar die begrippen zijn niet allemaal arbitrair, en die waardering is zeker niet imaginair, door de continuïteit van realiteitswaarde die ik al noemde. Waarderingen die volgens mij de eeuwen verduren zijn de waardering van waarheid, de waardering van het goede en rechtvaardige, de waardering van geluk. Los van de ornamenten die de tijd deze begrippen kan geven, bezitten ze mijns inziens een realiteit die niet herleidbaar is naar andere begrippen. Waarheid is niet te herleiden tot wat praktisch werkt, of tot wat onze behoeftes serieus neemt — waarheid is wat echt zo is. Het goede is niet te herleiden tot wat wij werkelijk willen (geluk), hoewel het evenals bij Aristoteles ook in de christelijke filosofie samen op kan gaan. Geluk is niet te herleiden tot waarheid of rechtvaardigheid, hoewel dat noodzakelijke voorwaarden zijn voor geluk.
Bovenstaande is niet pretentieloos, maar heeft ook niet de pretentie om de belangrijkste waarheid, en zeker niet het grootste goed of geluk hier te willen vatten. Meta-filosofie heeft weinig waarde voor mij, tenzij het aan God als oorsprong is verbonden. Daarin waardeer ik de woorden van Augustinus:
Echt geluk is zich in u te verheugen, o God, die de Waarheid bent, u, mijn God, mijn ware Licht, naar wie ik uitzie voor verlossing. Dit is het geluk dat allen zoeken. (Belijdenissen X, §23)
maandag 7 februari 2011
Werkelijkheid en fictie
Wat is de verhouding tussen werkelijkheid en wat we 'mogelijke werelden' noemen, zoals in romans, films, creatieve kunst? Het antwoord lijkt me niet gemakkelijk, maar wel belangrijk voor onze omgang met de werkelijkheid. Immers, een roman kan je gemakkelijk 'van de wereld' brengen, zodat het stoppen met lezen is als het wakker worden na een droom. Is dat absent zijn van de werkelijkheid geen schade of zelfbedrog?
'Van de wereld' zijn is altijd schadelijk als het ten koste gaat van de praktische werkelijkheid. We zijn verantwoordelijk voor wat we doen of niet doen.
Maar als de werkelijkheid geen praktisch beroep op ons doet, is fantasie dan nog steeds schadelijk omdat we de werkelijkheid ontwijken? Dit is een vraag naar de verhouding tussen de werkelijkheid en wat we 'mogelijke werelden' noemen.
In het verleden is die vraag op verschillende manieren beantwoord. Voor de middeleeuwse interpretatie van Aristoteles was de wereld een noodzakelijke wereld. Voor het laat-middeleeuwse nominalisme was de wereld eerder een toevallige wereld, bepaald door de vrije wil van God. De moderne filosoof Gottfried Leibniz (1646-1716) benaderde de werkelijkheid vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid. Leibniz noemde de werkelijkheid, het resultaat van Gods wil, de 'beste van alle mogelijke werelden'.
Aan de status van de werkelijkheid vanuit 'extern' oogpunt hoeft nog niet een zelfde status vanuit 'intern' oogpunt verbonden te zijn. Als de wereld 'vanuit het oogpunt van de eeuwigheid' (Spinoza) de beste is, kunnen er vanuit het oogpunt van de mens nog onvervulbare wensen zijn, die ook niet negatief beoordeeld hoeven te worden. Bovendien kunnen gedachten aan mogelijke werelden buiten het wensen om ook nog altijd positief zijn.
Maar goed, ik zou naar aanleiding hiervan behoedzaam de volgende overwegingen willen noemen:
Ik hoop dat ik met deze overwegingen een evenwichtige beschouwing heb kunnen geven. In een wereld waarin fictie steeds overtuigender (audiovisueel) en talrijker wordt, wordt een bepaling van de houding ten opzichte daarvan van levensbelang — denk ik. Oh ja, zie ook mijn oudere berichten met het label 'fictie'.
'Van de wereld' zijn is altijd schadelijk als het ten koste gaat van de praktische werkelijkheid. We zijn verantwoordelijk voor wat we doen of niet doen.
Maar als de werkelijkheid geen praktisch beroep op ons doet, is fantasie dan nog steeds schadelijk omdat we de werkelijkheid ontwijken? Dit is een vraag naar de verhouding tussen de werkelijkheid en wat we 'mogelijke werelden' noemen.
In het verleden is die vraag op verschillende manieren beantwoord. Voor de middeleeuwse interpretatie van Aristoteles was de wereld een noodzakelijke wereld. Voor het laat-middeleeuwse nominalisme was de wereld eerder een toevallige wereld, bepaald door de vrije wil van God. De moderne filosoof Gottfried Leibniz (1646-1716) benaderde de werkelijkheid vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid. Leibniz noemde de werkelijkheid, het resultaat van Gods wil, de 'beste van alle mogelijke werelden'.
Aan de status van de werkelijkheid vanuit 'extern' oogpunt hoeft nog niet een zelfde status vanuit 'intern' oogpunt verbonden te zijn. Als de wereld 'vanuit het oogpunt van de eeuwigheid' (Spinoza) de beste is, kunnen er vanuit het oogpunt van de mens nog onvervulbare wensen zijn, die ook niet negatief beoordeeld hoeven te worden. Bovendien kunnen gedachten aan mogelijke werelden buiten het wensen om ook nog altijd positief zijn.
Maar goed, ik zou naar aanleiding hiervan behoedzaam de volgende overwegingen willen noemen:
- Veel van onze gedachten aan mogelijke werelden zijn vergeven van bedrog. Bijvoorbeeld, bedrog over wie wij zijn, bedrog over wie de ander is, bedrog over hoe de wereld is. En bedrog is altijd schadelijk.
- Maar mogelijke werelden kunnen ook door analogie waar zijn. Ik denk dan vooral aan het voorbeeld van een fabel: niets in het verhaal is waar, behalve de les van het hele verhaal.
- Veel van onze gedachten aan mogelijke werelden gaan samen op met het wensen ervan (maar: dat is in principe niet negatief). Het is praktisch onmogelijk om 'neutraal' te zijn, ook ten opzichte van 'mogelijke werelden'.
- Vervolgens, onvervulbare wensen zijn dwaas tenzij ze toch een zekere mate van vervulbaarheid dragen. Het is dwaas om iets te wensen wat nooit kan, hoewel het niet helemaal dwaas is om iets te wensen wat met een zeer kleine kans kan of iets wat in de toekomst kan. Immers, het eerste ontkent de menselijke conditie, het tweede niet.
- Maar: het is niet gemakkelijk om onderscheid te maken tussen mogelijkheid en onmogelijkheid. Volgens Descartes bezaten alle creatieve voorstellingen van de mens gebaseerd op heldere en onderscheiden ideeën toch een zekere waarheidswaarde, omdat God deze voorstellingen toch waar kon maken. Creativiteit is voor iemand die in God als Schepper gelooft op deze manier niet gauw dwaas.
- Echter, veel van onze wensen voor mogelijke werelden gaan buiten God om, en als er iets volgens christelijke filosofie dwaas is, is dat het. God is immers de bron van het leven en van de toekomst.
- Wensen van 'mogelijke werelden' hoort bij de menselijke conditie, maar het omgaan met de werkelijkheid behoort er evenveel toe: dus onze gedachten of wensen moeten de opgave van de werkelijkheid niet verduisteren of vervreemden. Voor iemand die in een almachtige God van hemel en aarde gelooft is de werkelijkheid inderdaad een opgave: misschien niet de 'beste van alle mogelijke werelden' vanuit ons perspectief, maar toch een door God gegeven wereld voor ons perspectief.
Ik hoop dat ik met deze overwegingen een evenwichtige beschouwing heb kunnen geven. In een wereld waarin fictie steeds overtuigender (audiovisueel) en talrijker wordt, wordt een bepaling van de houding ten opzichte daarvan van levensbelang — denk ik. Oh ja, zie ook mijn oudere berichten met het label 'fictie'.
zaterdag 8 januari 2011
De waarde van filosofie
Wat is christelijke filosofie? Voor mij is het (besef ik na wat filosofische reflectie) woorden zo dicht mogelijk verbinden met het Evangelie.
Filosofie redeneert over bepaalde vragen, en gebruikt daarom een bepaalde verzameling woorden (die door de eeuwen heen soms wat aangevuld, soms wat verminderd wordt) om die vragen uit te drukken en te beantwoorden. Zonder filosofie zou er een stukje van de totaliteit van de werkelijkheid die de mens beleeft ontbreken, want de woorden van de filosofie zijn niet betekenisloos. Wij voelen of beseffen iets wat die woorden proberen te zeggen.
Goed, in dit domein van woorden probeer ik waarheden uit te drukken, en dat kan door vast te stellen wat de woorden betekenen, of mee te voelen wat die woorden betekenen. Woorden zijn allereerst altijd verbonden met hun contekst. De contekst maakt ze meer of minder betekenisvol. En daarnaast, hoewel waarheid niet relatief is, is het wel relatief hoe belangrijk een waarheid is en of ze op het juiste moment en in de juiste situatie wordt uitgesproken. Want we weten dat we ook doorleven, en alle uitgedrukte woorden worden zo uiteindelijk ook gewogen in de praktijk.
En daarom worden we gedreven om in het zoeken van die waarheden te komen tot de meest betekenisvolle kern van het leven, de meest dringende woorden, die -- omdat God het wil -- ook de meest eenvoudige zijn: die van het Evangelie, waaruit een Christen leeft.
Jezus Christus zegt: "Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven" (Johannes 14:6). Door Hem, Gods Zoon, de Verlosser, is er genade van God, kennis van Wie God is, en de mogelijkheid om te leven in de verwachting van een hemels Koninkrijk.
Filosofie redeneert over bepaalde vragen, en gebruikt daarom een bepaalde verzameling woorden (die door de eeuwen heen soms wat aangevuld, soms wat verminderd wordt) om die vragen uit te drukken en te beantwoorden. Zonder filosofie zou er een stukje van de totaliteit van de werkelijkheid die de mens beleeft ontbreken, want de woorden van de filosofie zijn niet betekenisloos. Wij voelen of beseffen iets wat die woorden proberen te zeggen.
Goed, in dit domein van woorden probeer ik waarheden uit te drukken, en dat kan door vast te stellen wat de woorden betekenen, of mee te voelen wat die woorden betekenen. Woorden zijn allereerst altijd verbonden met hun contekst. De contekst maakt ze meer of minder betekenisvol. En daarnaast, hoewel waarheid niet relatief is, is het wel relatief hoe belangrijk een waarheid is en of ze op het juiste moment en in de juiste situatie wordt uitgesproken. Want we weten dat we ook doorleven, en alle uitgedrukte woorden worden zo uiteindelijk ook gewogen in de praktijk.
En daarom worden we gedreven om in het zoeken van die waarheden te komen tot de meest betekenisvolle kern van het leven, de meest dringende woorden, die -- omdat God het wil -- ook de meest eenvoudige zijn: die van het Evangelie, waaruit een Christen leeft.
Jezus Christus zegt: "Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven" (Johannes 14:6). Door Hem, Gods Zoon, de Verlosser, is er genade van God, kennis van Wie God is, en de mogelijkheid om te leven in de verwachting van een hemels Koninkrijk.
dinsdag 4 januari 2011
Tien redenen om niet te geloven
Volgens de meeste eenentwintigste-eeuwers in West-Europa is geloof iets aparts. (Ik bedoel geloof in de gebruikelijke, 'volkspsychologische', zin van het woord.)
Waarom eigenlijk? Ik probeer graag een filosofische analyse te geven naar aanleiding van een artikel dat ik vandaag las over waarheid, van de Engelse filosofe Susan Haack (1945): 'The Unity of Truth and the Plurality of Truths'. Daarin verdedigt ze (in een minimalistische analytische traditie) dat er één concept van waarheid is, maar vele en verscheidene ware proposities.
Dat er één concept van waarheid is gaat in
Dat er vele en verscheidene ware proposities zijn gaat in
Dat ter inleiding. Omdat geloven om waarheid gaat, is de verhouding tot dat ene waarheidsconcept en tot die variatie aan waarheden belangrijk. Ik som naar aanleiding hiervan wat mogelijke objecties om te geloven op om in te zien wat bewust of onbewust tegenstand ertegen kan geven:
Het concept van waarheid en de analytisch filosofische opvatting van waarheid staan centraal in verschillende objecties tegen geloven. Hopelijk verschillen we hierover niet van mening.
Waarom eigenlijk? Ik probeer graag een filosofische analyse te geven naar aanleiding van een artikel dat ik vandaag las over waarheid, van de Engelse filosofe Susan Haack (1945): 'The Unity of Truth and the Plurality of Truths'. Daarin verdedigt ze (in een minimalistische analytische traditie) dat er één concept van waarheid is, maar vele en verscheidene ware proposities.
One truth-concept: to say that a proposition is true is to say (not that anyone, or everyone, believes it, but) that things are as it says; but many truths: particular empirical claims, scientific theories, historical propositions, mathematical theorems, logical principles, textual interpretations, statements about what a person wants or believes or intends, about grammatical and legal rules, etc., etc.De verdediging van deze stelling is werkelijk zeer lezenswaardig (en gaat natuurlijk niet over geloof). Ik geef een korte samenvatting.
Dat er één concept van waarheid is gaat in
- tegen het gevoel van sommigen "dat iedereen (of elke cultuur) andere waarheden heeft" (maar geloven dat iets waar is is niet hetzelfde als waar zijn, of van toepassing zijn op A en niet op B maakt het ene niet half waar en het ander niet half onwaar), of
- tegen het gevoel van anderen "dat waarheid afhangt van ons conceptuele schema of taal" (maar dat betekenis taal-afhankelijk is betekent niet waarheid taal-afhankelijk is, en ook bij variatie in taal blijft contradictie contradictie), of
- tegen het gevoel van weer anderen "dat waarheid maar een ideologie is" (maar hoewel men teleurgesteld kan zijn in uitspraken die voor waar doorgingen, betekent dat niet dat waarheid slechts een ideologie is), of
- tegen "dat waarheid niet helpt voor het begrijpen van de werkelijkheid" (maar in de praktische werkelijkheid is er onderzoek, en onderzoek is zoeken naar ware antwoorden), of
- tegen "dat waarheid maar solidariteit is" (maar ook dingen waar we het niet over eens zijn kunnen waar zijn).
Dat er vele en verscheidene ware proposities zijn gaat in
- tegen het gevoel van sommigen "dat er geen waarheid en daarom geen ware uitspraken zijn" (maar dan heeft onderzoek, beweren, tegenspreken geen doel: want dat is juist waarheidsgericht),
- tegen het gevoel van anderen "dat alles maar gedeeltelijk waar is, omdat het maar een deel van de werkelijkheid beschrijft" (maar dat is niet zo: iets kan waar maar onvolledig zijn, maar niet half waar), of
- tegen het gevoel van weer anderen "dat er waarheden, maar slechts één soort van waarheden zijn: die van de fysica" (maar de fysica, biologie, en sociologie zijn niet op een hoop te gooien, ze hebben andere domeinen; misschien zijn ze allen 'fysisch', maar niet 'fysica').
Dat ter inleiding. Omdat geloven om waarheid gaat, is de verhouding tot dat ene waarheidsconcept en tot die variatie aan waarheden belangrijk. Ik som naar aanleiding hiervan wat mogelijke objecties om te geloven op om in te zien wat bewust of onbewust tegenstand ertegen kan geven:
- Het 'relativisme' is een goede oorzaak om geloof te verwerpen als "universele aanspraak op de waarheid". We hebben gezien dat relativistische intuïties echter geen afbreuk doen aan het bestaan van één waarheidsconcept. Het probleem is misschien dat geloof een "te zwaar, universeel en eeuwig waarheidsconcept" vereist? Die gedachte is echter misleidend: geloof kan gaan over universele of eeuwige dingen, maar het waarheidsconcept blijft precies hetzelfde, en wordt niet anders als het over grotere dingen gaat, zoals over God of over onsterfelijkheid.
- Zijn de waarheden die het geloof gelooft soms te hard en te groot? Geloven dat er een God is betekent jezelf onderwerpen aan iets veel groters en onbegrijpelijkers, geloven dat de mens om zijn daden zal worden geoordeeld is hard voor het inrichten van eigen leven en toekomst. Ik denk dat dit inderdaad een niet reduceerbare objectie kan vormen. Laten we echter verder kijken naar andere objecties.
- Is het bij zo'n grote en veelbepalende waarheid soms moeilijk te accepteren dat er anderen zijn die er anders over denken? Wellicht. Om ook de inhoud van geloof te betrekken: waarom geloven zovelen niet als er een almachtige God is? Hoe kan God dat toestaan? Maar: deze gedachte veronachtzaamt het feit dat er buiten het West-Europa van de eenentwintigste eeuw heel wat gelovigen zijn of waren. Bovendien veronachtzaamt het een onderzoek naar of er redenen zijn om niet of wel te geloven, en welke motivatie er is om niet of wel te geloven.
- Het is ook zeker zo dat verschil met anderen (vooral anderen die dichtbij staan, familie, vrienden) over waarheden onzeker kan maken: solidariteit is wel zo gemakkelijk voor waarheid. In het artikel van Haack komt aan het eind ook het thema van verschillend denken aan de orde. Iemand geen gelijk geven is moeilijk, er kunnen sociale breuken vallen. Eerst kan het aanleiding geven tot heroverweging van het eigen standpunt, maar als ik het standpunt van de ander maar onbegrijpelijk vind verlaagt dat mijn respect voor hem. Dus: bevind je je onder gelovigen, dan is het moeilijk om niet te geloven. Bevind je je onder ongelovigen, dan is het moeilijk te geloven. Anderzijds betekent coöperatie ook soms tegenspreken. Persoonlijk contact met een gelovige kan aanleiding zijn om zich genoodzaakt te zien toch het eigen standpunt te heroverwegen. Sociale contekst kan dus een objectie zijn, maar die objectie staat ook open voor tegenspraak.
- De objectie kan zijn dat geloof geen tegenspraak duldt. Maar deze objectie is ook maar gevoelsmatig: want elke uitspraak over de waarheid kent geen tolerantie met tegenspraak. De fysica kent ook geen tolerantie. Het kan zo zijn dat gelovigen over een punt heel zeker zijn en wetenschappers relativerender. Maar evengoed kan het zo zijn dat wetenschappers over een punt heel zeker zijn en gelovigen relativerender. De houding van mensen tegenover een waarheid ligt niet zozeer aan de opbouw, maar aan de inhoud van die waarheid, waardoor reactie van groot of van weinig belang is. Niet tolerant duurt het langst, maar waar duurt het langst; confrontatie is soms onvermijdelijk.
- Het 'reductionisme' is een goede oorzaak om geloof te verwerpen, omdat God etc. niet naar de fysica te herleiden is. Maar Haacks tegenspreken van het reductionisme is voor haar niet gemotiveerd uit geloofsbelangen; het is voor haar reden om te onderstrepen dat toch alles 'fysisch' is hoewel niet alles 'fysica', en om te onderstrepen dat ze er niet mee bedoelt dat er andere bronnen zoals religieuze kenbronnen zijn dan redelijke (naast de wetenschappelijke). Kortom, we vinden hier nog een verdergaande reden om geloof te verwerpen, omdat God etc. niet binnen de kaders van het fysische past. Is dat zo? Voor de gelovige is integendeel het fysische prima reëel en is het totaal in overeenstemming met het geloof in God.
- Het kan zijn dat we tegen het geloof hebben dat het niet in de traditionele wetenschappen van fysica, biologie, sociologie te vangen is. We waarderen misschien traditionele wetenschappen hoog, zodat we geen ander perspectief dulden. De fysica, biologie, sociologie zijn misschien voor ons absoluut, en we willen wellicht niet dat ze geïntegreerd worden met een domein van waarheid wat meer zegt dan dat. Oh, maar hoe komen we aan die preferentie? Is het niet omdat we op het andere domein liever autonomie huldigen en liever de werkelijkheid verarmen dan verder te hoeven denken?
- Of misschien is de objectie dat het idee van waarheid uit openbaring van God in plaats van uit redelijk onderzoek onacceptabel is. Maar: men moet opletten niet redelijk onderzoek met een bron te verwarren. Redelijk onderzoek gebruikt bronnen, waarneming is de bron. En waarom zou openbaring van God niet onder een breder begrip van waarneming vallen? Of is waarneming alleen wat we zien? En hoe zit het dan met elektronenmicroscopen? Waarneming (of alles wat als bron tot ons komt) is veel veelzijdiger dan we denken. Stellen dat openbaring van God niet tot ons komt is niet 'een objectie tegen geloven' maar is eenvoudig 'niet geloven'. Dat 'niet geloven' moet dus gevoed zijn uit andere motieven.
- Mogelijk is de objectie dat het geloof maar één soort waarheden heeft en de variëteit van waarheden (zoals de verschillende wetenschappen) tegenspreekt. Dat is echter onjuist: het ene waarheidsconcept stelt niet dat het ene meer waar is dan het andere. Gelovigen hebben niets tegen wetenschappen. Hoewel: als wetenschap en geloof elkaar tegenspreken, is er wel een waarheidsprobleem: een van beiden heeft dan niet gelijk, en er ontstaat een tumultueuze strijd tussen twee legers van solidariteit; tussen degenen die over geloof of wetenschap absolutistische ideeën hebben, een strijd op leven en dood. Moeilijk, maar voor een welwillende lezer opnieuw confronterend en in plaats van bloeddorst verwekkend.
- Misschien geloven we niet met als objectie dat we het niet "kunnen", omdat we "het niet zo beleven". Maar die objectie is niet echt geldig: voor de fysica erkennen we toch ook de waarheid zonder per se fysica te "kunnen" of "het zo te beleven"? En wie zegt dat iedere gelovige het "kan" en het "zo beleeft" zoals vereist wordt? Misschien komt het beleven pas met het geloven. Overigens ben ik de eerste die toegeeft dat het geloof een gift van God is en niet een product van de mens; maar dat mag geen reden zijn van een weigering te zoeken.
Het concept van waarheid en de analytisch filosofische opvatting van waarheid staan centraal in verschillende objecties tegen geloven. Hopelijk verschillen we hierover niet van mening.
Labels:
geloof,
Susan Haack,
waarheid,
wetenschap
maandag 13 december 2010
Mauvais génie
De moderne filosoof René Descartes heeft het in zijn kort metafysisch werk (Méditations métaphysiques, eerste meditatie) over de mogelijkheid van twijfelen. Aan de zintuigen is het eenvoudig mogelijk te twijfelen omdat we allemaal ervaren dat zintuigen ons kunnen bedriegen. Aan de abstracte vormen waaruit die zintuiglijke ervaringen echter zijn opgebouwd, zouden we kunnen zeggen niet te kunnen twijfelen, omdat die stabiel zijn ook als de zintuigen ons bedriegen. Hier voert Descartes echter tegen in: wat als God deze dingen helemaal niet in werkelijkheid heeft gemaakt? Sommigen zullen tegenwerpen: een goede God zou niet willen dat we op die manier bedrogen zouden worden. Descartes antwoordt daarop: maar we weten dat we ons vergissen met de zintuigen; parallel redenerend zou dat dan ook in strijd met Gods goedheid zijn, wat het niet is. Kortom, de grondideeën van onze kennis kunnen onwaar zijn. Om dit beeld aansprekender te maken spreekt Descartes over de inbeelding dat een boze geest ("mauvais génie") ons zou bedriegen.
Bekende rehabilitaties van dit thema is het idee van "brains in a vat" (hersenen die aan een machine zijn aangesloten) en de film The Matrix (1999). The Matrix is het verhaal van iemand (Anderson) die door een aantal mensen bevrijd wordt uit een schijnwereld (een computersimulatie die "The Matrix" heet) en terechtkomt in de echte wereld. In de echte wereld hebben machines de macht overgenomen; die machines gebruiken mensen voor het opwekken van energie. Er zijn een handvol mensen die bevrijd zijn en een eigen stad hebben: "Zion". Deze mensen proberen anderen uit The Matrix te bevrijden met gevaar voor eigen leven.
The Matrix is interessant omdat hij heel wat filosofische uitspraken bevat. Zo stelt iemand de vraag: wat is echt? Is wat ik met de zintuigen voel niet echt? Moet het meer zijn dan een echte ervaring om echt te zijn? Is het niet beter om zonder zorgen in een schijnwereld te leven dan om bevrijd te zijn? De andere interessante kant van de film is de band met religie. In The Matrix heeft Anderson speciale krachten: hij wordt "The One" genoemd. Er is sprake van een waarzegster die de dingen van tevoren voorspelt, en zij is van speciale betekenis voor Morpheus die Anderson bevrijdde. Haar voorspellingen zijn voor hem ook buiten The Matrix waar: Morpheus gelooft in wat er over de toekomst van "Zion" gezegd wordt. Al deze feiten blijken echter gewoon eigenschappen van het systeem te zijn om "de wereld in bedwang te houden". Een duidelijker afwijzing van het geloof in De Ene, God, kan niet. Overigens is The Matrix niet fatalistisch: Anderson maakt op het hoogtepunt een beslissende keuze die uit liefde is gemotiveerd.
Laten we dit vergelijken met Descartes en casus met betrekking de echte wereld. Hoe weten we dat we niet in een schijnwereld leven? Een ding blijkt: als iets belangrijk is in het nadenken over werkelijkheid, is het macht. Eerder heb ik al gezegd dat zowel idealisme als realisme zich moeten realiseren dat onze waarneming en ons leven niet in onze macht is. Als we 's nachts naar de sterren kijken, is het onmogelijk om een ster te laten verdwijnen of erbij te laten komen door onze wil. Het is buiten onze macht. Dit idee van macht komt terug bij de gedachte van een "mauvais génie" bij Descartes. Als God ons heeft gemaakt, is het van Gods macht afhankelijk of onze zintuigen ons bedriegen of niet. Precies hetzelfde geldt voor Gods openbaring (die de kern is van geloof en religie): het is van Gods macht afhankelijk of Gods openbaring waar is of niet.
Voor Descartes was de twijfel methodisch: het was gericht op een systematische ontvouwing van een zekere metafysica. Voor mij is deze excursie ook methodisch: ik wilde laten zien dat waarheid nauw samenhangt met het idee van macht. Ik twijfel er niet aan dat God de wereld door Zijn macht heeft gemaakt, en dat deze macht ons niet bedriegt. Het enige wat ons gevangen kan houden in schijn is menselijke creativiteit en onze eigen kwade wil.
God staat niet op een afstand van Zijn schepping. Het is Zijn eigendom:
Bekende rehabilitaties van dit thema is het idee van "brains in a vat" (hersenen die aan een machine zijn aangesloten) en de film The Matrix (1999). The Matrix is het verhaal van iemand (Anderson) die door een aantal mensen bevrijd wordt uit een schijnwereld (een computersimulatie die "The Matrix" heet) en terechtkomt in de echte wereld. In de echte wereld hebben machines de macht overgenomen; die machines gebruiken mensen voor het opwekken van energie. Er zijn een handvol mensen die bevrijd zijn en een eigen stad hebben: "Zion". Deze mensen proberen anderen uit The Matrix te bevrijden met gevaar voor eigen leven.
The Matrix is interessant omdat hij heel wat filosofische uitspraken bevat. Zo stelt iemand de vraag: wat is echt? Is wat ik met de zintuigen voel niet echt? Moet het meer zijn dan een echte ervaring om echt te zijn? Is het niet beter om zonder zorgen in een schijnwereld te leven dan om bevrijd te zijn? De andere interessante kant van de film is de band met religie. In The Matrix heeft Anderson speciale krachten: hij wordt "The One" genoemd. Er is sprake van een waarzegster die de dingen van tevoren voorspelt, en zij is van speciale betekenis voor Morpheus die Anderson bevrijdde. Haar voorspellingen zijn voor hem ook buiten The Matrix waar: Morpheus gelooft in wat er over de toekomst van "Zion" gezegd wordt. Al deze feiten blijken echter gewoon eigenschappen van het systeem te zijn om "de wereld in bedwang te houden". Een duidelijker afwijzing van het geloof in De Ene, God, kan niet. Overigens is The Matrix niet fatalistisch: Anderson maakt op het hoogtepunt een beslissende keuze die uit liefde is gemotiveerd.
Laten we dit vergelijken met Descartes en casus met betrekking de echte wereld. Hoe weten we dat we niet in een schijnwereld leven? Een ding blijkt: als iets belangrijk is in het nadenken over werkelijkheid, is het macht. Eerder heb ik al gezegd dat zowel idealisme als realisme zich moeten realiseren dat onze waarneming en ons leven niet in onze macht is. Als we 's nachts naar de sterren kijken, is het onmogelijk om een ster te laten verdwijnen of erbij te laten komen door onze wil. Het is buiten onze macht. Dit idee van macht komt terug bij de gedachte van een "mauvais génie" bij Descartes. Als God ons heeft gemaakt, is het van Gods macht afhankelijk of onze zintuigen ons bedriegen of niet. Precies hetzelfde geldt voor Gods openbaring (die de kern is van geloof en religie): het is van Gods macht afhankelijk of Gods openbaring waar is of niet.
Voor Descartes was de twijfel methodisch: het was gericht op een systematische ontvouwing van een zekere metafysica. Voor mij is deze excursie ook methodisch: ik wilde laten zien dat waarheid nauw samenhangt met het idee van macht. Ik twijfel er niet aan dat God de wereld door Zijn macht heeft gemaakt, en dat deze macht ons niet bedriegt. Het enige wat ons gevangen kan houden in schijn is menselijke creativiteit en onze eigen kwade wil.
God staat niet op een afstand van Zijn schepping. Het is Zijn eigendom:
‘Maar’, zo spreekt de HEER,
uw schepper, o Jakob,
die u, Israël, heeft gevormd,
‘wees niet bang, want Ik heb u verlost en
u bij uw naam geroepen: u bent van Mij.’
(Jesaja 43:1)
Labels:
idealisme,
macht,
metafysica,
realisme,
René Descartes,
waarheid,
waarnemen
Abonneren op:
Posts (Atom)