Posts tonen met het label Prediker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Prediker. Alle posts tonen

maandag 28 juli 2025

Het perspectief van leven zonder God

Het is tegenwoordig heel gewoon om niet in God te geloven. Toch is dat nogal vreemd, als je bedenkt welke vooronderstellingen je daarvoor nodig hebt en hoe weinig perspectief een leven zonder God heeft.

Wat het perspectief van een leven zonder God betreft, het is vaak een perspectief van genieten wat er te genieten valt. Van 'jezelf laten gaan', zelfs als je weet dat dit maar even is en al heel gauw weer over is. Je weet dat je eigen begeerten je bedriegen en toch volg je ze. Je belijdt dat het leven zinloos is, maar tegelijkertijd verklaar je de wetenschap en technologische vooruitgang voor heilig. Zou dat niet zijn om het gevoel van macht over het onbekende en onontkoombare die ze je geven? Zou het niet zijn omdat ze de leugen stand laten houden waarin je leeft - de leugen die ontkent dat de Eeuwige deze prachtige schepping tevoorschijn heeft geroepen en dat wij er een vloek over hebben laten komen?

Zonder God is het leven zonder doel. Het is toevallig ontstaan, we hebben geen zinvolle identiteit of bedoeling. Er is geen verlossing van de dood. Er is geen verlossing van het onrecht, het grijpen naar macht en het misbruik ervan, de corruptie en het geweld op deze aarde. Er zal nooit duurzame vrede komen, want de mens blijft slecht in zijn hart - het blijft op zichzelf gericht. Of denken we onszelf te kunnen verlossen en ons DNA aan te kunnen passen zodat het nooit meer kwaad zal willen, en we eeuwig zullen leven? Welk demon heeft ons dat ingefluisterd? En wat maakt dat we denken dat we daar wat aan zullen hebben?

In dit alles zou je misschien nog een tragische held kunnen zijn, ware het niet dat er geen goed is om voor te lijden. Schoonheid is maar bedrog, je weet dat het van de ene op de andere dag vergaat en dat jouw lijden daar geen verandering in zal brengen. Liefde is goed, maar waar halen we de motivatie voor ware zelfopofferende liefde vandaan als we niet geloven in God Die ware verlossing zal brengen van de ellende over deze mensheid? Zou het uitsterven van de mensheid dan niet een grotere barmhartigheid van onze kant zijn?

Of troosten we ons misschien met de gedachte dat we in een grote komedie leven? Vergroten we onze glimlach uit en blijven we lachen als het lachen zelf belachelijk is geworden? En lachen we nog steeds als we zelf tot spot zijn geworden van anderen en als alles wat we vrezen over ons komt als we oud zijn geworden?

Ik moet denken aan wat het bijbelboek Prediker erover zegt. Hier volgt een lang citaat uit hoofdstuk 2.

Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en zie daarom het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig. 2. Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg? 3. Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen tijdens het getal van hun levensdagen.

4. Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht: Ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden. 5. Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen. 6. Ik legde mij waterbekkens aan om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen. 7. Ik verwierf slaven en slavinnen en de in huis geboren kinderen behoorden mij toe. Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. 8. Ik vergaarde mij ook zilver en goud, kostbaarheden van koningen en gewesten. Ik zorgde voor zangers en zangeressen, en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed. 9. Ik werd groter en nam toe, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. Ook bleef mijn wijsheid bij mij. 10. Al wat mijn ogen verlangden, onthield ik ze niet. Ik ontzegde mijn hart geen enkele blijdschap, want mijn hart werd verblijd vanwege al mijn zwoegen. Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen. 11. Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.

12. Daarna richtte ik mijn aandacht op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is? 13. Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis. 14. De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft. 15. Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig. 16. Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?

17. Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind. 18. Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal. 19. Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig. 20. Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon. 21. Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die als zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.

22. Ja, wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon? 23. Want al zijn dagen zijn vol leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.

Tot zover het perspectief van een leven zonder God. Het geluk is vluchtig, het leven zinloos. Wat is er eigenlijk aantrekkelijk aan? Waarom staan we niet open voor de gedachte dat dit wel eens een leugen zou kunnen zijn?

Een volgende keer kan ik misschien schrijven over de vooronderstellingen die nodig zijn om te leven zonder God.

zaterdag 23 maart 2013

Twee dingen waar we het meest bang voor zijn

In het gedachtegoed van de Duitse filosoof Heidegger neemt angst een centrale plaats in. Heidegger onderscheidt 'angst' van 'vrees': 'vrees' is bang zijn voor iets wat we kennen, 'angst' is bang zijn voor iets onbepaalds. Zo komt Heidegger uit op de gedachte dat moed om angst voor het niets uit te staan een van de meest existentiële manieren van leven is.

Eerder gaf ik al een christelijk alternatief voor de visie van Heidegger op de dood waar hoop in de plaats van angst komt. In dit bericht wil ik juist ingaan op angst om te leven.

Wat zijn de dingen waar we het meest bang voor zijn? De twee dingen waar we volgens mij het meest bang voor zijn zijn de volgende:
  1. een zinloos leven;
  2. het verliezen van onze uniekheid.

Laat ik eerst wat algemene dingen hierover zeggen en dan een visie geven vanuit een christelijke filosofie.

Wat het eerste, zinvolheid, betreft, "zin" is nog best subjectief. Als wij ons leven zinvol vinden is het al genoeg. Anderzijds zoeken we vaak objectieve bevestiging of grond voor ons gevoel van "zin". Ik zal op beiden proberen in te gaan.

Wat het tweede, uniekheid, betreft, dat gaat eigenlijk om de verhouding tussen algemene dingen en individuele dingen. (Vergelijk de universalia-strijd in de Middeleeuwse filosofie: wat is belangrijker, het algemene begrip (universalium) of het individuele ding (res)?) Verder is "uniek zijn" relatief ten opzichte van een vergelijkingspunt: wat betreft moleculaire samenstelling zijn we allemaal uniek, maar wat betreft namen niet, bijvoorbeeld: grote kans dat er iemand anders op deze wereld bestaat met dezelfde roepnaam als jij.

Voor deze twee dingen zijn we best bang. Heeft mijn leven wel zin? Los ik niet op in de massa?

Vanuit een christelijke visie is zinvolheid in eerste instantie vanuit Gods schepping vanzelfsprekend omdat God ons gemaakt heeft:
  • God heeft de mens in een betekenisvolle wereld gezet;
  • God wil voor mensen zorgen.
Maar vanuit menselijk perspectief is die zinvolheid nu niet zo vanzelfsprekend meer. In het bijbelboek Prediker is dat het hoofdthema: "alles is zinloos". Dat wordt in dat bijbelboek duidelijk door verschillende aspecten:
  • Er is niets nieuws te bedenken: alles is hiervoor al bedacht en geweest.
  • Wijsheid en kennis heeft geen zin: het brengt vooral verdriet en je kunt het niet gebruiken na je dood.
  • Alles wat je doet heeft geen zin, omdat het na je dood weer vergaat of in verkeerde handen valt.
Dus dit bijbelboek is erg pessimistisch. Maar we moeten in de gaten houden waar het pessimistisch over is: over het realiseren van menselijke projecten. Christelijk leven betekent dus dat je zin ontleent aan gelovig leven, en niet aan menselijke projecten. Gelovig leven ontleent betekenis aan elk moment omdat het een leven is dat in alles God zoekt, en niet meer dan dat. Een christen kan geluk ontlenen uit wat hij van God krijgt (en dat is heel veel), maar is verder gewoon verplicht om ethisch juist te handelen. Dat is trouwens geen leven zonder perspectief. Geloof geeft het perspectief van het afwachten van de toekomst van God. dus niet de toekomst van een eigen project, maar de toekomst van God. Dat perspectief is veel zekerder! Het is wel iets wat nog onzichtbaar is. De apostel Paulus zegt daarom ook van het geloof dat het de onzichtbare dingen ziet, en hij geeft een lange lijst van voorbeelden: Noach geloofde dat God de aarde zou bedekken met water, Abraham geloofde dat God hem in een ander land zou brengen en geloofde Gods belofte van kinderen, Izak geloofde de belofte van God toen hij zijn zonen zegende, enzovoort. Al die dingen gaan niet zozeer om het geloof in specifieke beloften maar om het geloof in de toekomst van God.

Vanuit een christelijke visie is uniekheid verzekerd omdat God een persoonlijke God wil zijn die iedereen afzonderlijk ("bij naam") kent. Dat is duidelijk als God zegt dat hij de God van Abraham, van Izak en van Jakob is. In het bijbelboek Openbaring wordt de nieuwe stad van God genoemd: daarin staan de twaalf namen van de stammen van Israël apart geschreven, en de namen van de twaalf apostelen. Dat beeldt uit dat God niet vergeet maar ieder persoonlijk kent. Anderzijds is het niet zo dat we belangrijker zijn dan anderen: Christus laat zien hoe we de ander moeten dienen.

Over beide aspecten van zin en uniekheid kunnen we bijvoorbeeld lezen in de profetie van Jesaja (40:26-31):
Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.

Waarom zegt u dan, Jakob,
en spreekt u, Israël:
Mijn weg is voor de HEERE verborgen
en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?
Weet u het niet?
Hebt u het niet gehoord?
De eeuwige God, de HEERE,
de Schepper van de einden der aarde,
wordt niet moe en niet afgemat.
Er is geen doorgronding van Zijn inzicht.
Hij geeft de vermoeide kracht
en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.
Jongeren zullen moe en afgemat worden,
jonge mannen zullen zeker struikelen;
maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen,
zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.

woensdag 16 januari 2013

Morgen en avond

Van het bijbelboek Prediker kunnen we iets leren over het leven ten opzichte van God. Er staat bijvoorbeeld:
"Zaai uw zaad in de morgen en trek uw hand in de avond niet terug. U weet immers niet of dit zal slagen of dat, of dat het allebei goed zal zijn." (11:6)
Waarom staat er niet: "Bid tot God wat de beste tijd is" of "Kijk welke manier God het meest wil zegenen"? Blijkbaar moet een gelovige geen paden uitwerken volgens speciale wil van God, maar de normale middelen gebruiken om een zegen van God te krijgen.

Hetzelfde zien we in het gebed dat Christus leerde (evangelie van Mattheüs, 6:5-15). Er staat niet "Leer me hoe ik kan bijdragen aan uw Koninkrijk" maar "Uw Koninkrijk kome" en "Uw wil geschiede". Er staat niet "Leer me wat hoe ik het best mijn brood kan verdienen het komende jaar" maar "Geef ons vandaag ons dagelijks brood". Dus geen uitgestippelde paden of kant-en-klaaroplossingen.

Maar leeft een gelovige dan hetzelfde als een ongelovige? Nee: een gelovige leeft in afhankelijkheid van God. Dat betekent: erkennen dat al het goede van God komt, en ook al het kwade; dat God de aarde en jezelf heeft gemaakt, de geschiedenis en jouw leven bestuurt, dat de Bijbel het Woord en de Wet van God is.

Als je om iets speciaals bidt, moet je niet denken dat bidden altijd "werkt". Bidden "werkt" alleen als het uit het geloof is dat wat God doet goed is, en als God ook goed vindt wat je vraagt. "Goed" betekent hier niet "ethisch goed", maar omvat veel meer. In het bijbelboek Prediker (of het bijbelboek Job) is goed te zien dat het leven niet langs simpele lijnen loopt.

De Prediker gebruikt een beeld om te laten zien dat we niet moeten denken dat we kunnen begrijpen wat Gods speciale wil in ons leven is. Voor de voorbeelden die hij geeft hebben we wel natuurwetenschappen, maar voor de wil van God niet:
"Evenmin als u weet wat de richting van de wind is, of hoe het gaat met de beenderen in de buik van een zwangere vrouw, evenmin kent u het werk van God, Die alles maakt." (11:5)

vrijdag 3 juni 2011

Geluk is het beste

Er was eens een slimme man die erachter kwam dat nadenken over het nut van het leven een ongecompliceerd geluk in de weg stond. Die man stelde toen dat het het beste was om te genieten van dat ongecompliceerde geluk. Deze man was...

Ik heb eigenlijk twee namen in gedachten: Epicurus, maar ook: Salomo, of de schrijver van het bijbelboek Prediker.

Epicurus schrijft kalm en weldoordacht over geluk in zijn brief aan Menoikeus. Op een bezadigde manier ruimt hij de obstakels voor geluk uit de weg. De goden kunnen niet anders zijn dan onverstoorde genieters van een eeuwige rust, en staan het geluk van een mens dus niet in de weg. De dood, waar ieder mens voor vreest, is een einde van het geluk maar tegelijk een einde van de mogelijkheid van ongeluk omdat we er gewoon niet meer zijn: "wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer". Epicurus is er ook van overtuigd dat er niets meer is dan atomen (in een oneindig lege ruimte) en noodzaak die slechts door toeval wordt onderbroken. De kanten van zijn hedonisme die als minder positief kunnen worden geïnterpreteerd sla ik even over.

In het bijbelboek Prediker vinden we andere observaties (zie ook een vorig bericht daarover). Daar is er geen universum van noodzaak en toeval, maar van mogelijkheid en Godsbestuur. Toch is er geen sluitend antwoord op de vraag naar het praktische nut van het leven vanuit het menselijke perspectief:
"Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. Nooit geeft hij zijn ogen rust, dag noch nacht, maar bij alles wat God doet onder de zon, zo heb ik ingezien, doet hij wat hij doet. De mens is niet in staat de zin ervan te vinden. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden." (hoofdstuk 8)

Salomo verwijst dan naar het ongecompliceerde geluk als de zin van het leven:
"Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon. Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen, want er is geen werk, geen overleg, geen kennis of wijsheid in het graf, waar u naartoe gaat." (hoofdstuk 9)

Bijzonder is dat het boek Prediker eindigt juist met de heenwijzing naar het komende verval van het lichaam en de dood. "Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd – voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer." Het boek wordt zelfs beëindigd met deze toevoeging: "Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte." Het ongecompliceerde geluk wordt ingekaderd door het einde van het aardse leven en de verhouding tot God. Het is de voorwaarde voor de mogelijkheid van geluk.

Voor een christen moet de filosofie van Epicurus altijd iets hebben van een schijnrust. Zoals ik in het vorige bericht schreef, ben ik ervan overtuigd dat er een verlangen is voor een christen dat niet genoeg kan hebben aan het huidige leven maar vooruit ziet en wacht. En ik geloof niet dat welke mens ook (christen of niet) een substituut voor die verwachting kan vinden dat totale vrede geeft in het leven. Er is dus een punt van overeenkomst tussen Salomo en Epicurus, maar de uitwerking en context is verschillend.

maandag 14 september 2009

Tijd

"Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd. (...) [God] heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe." (Prediker 3)

Alle dingen hebben een tijd; en God heeft ons "een natuurlijke genegenheid tot het onderzoeken" van wat er gebeurt (kanttekening) gegeven. Ons tijdsbegrip is gebaseerd op gebeurtenissen. In een onlangs bijgewoonde Solidamentum-lezing door de heer G. van den Brink ging het over 'creatio tempi': de schepping van de tijd. De lezing behandelde in het bijzonder de vraag over hoe tijd en eeuwigheid zich verhouden, zoals het onderwerp ook aandacht kreeg in de traditie van de kerk.

Alles heeft een begin, behalve God. God bestaat altijd of 'eeuwig'. Alle andere dingen zijn geschapen, hebben een moment van ontstaan. Eeuwigheid is niet opdeelbaar, meetbaar. Tijd in de orde zoals wij die kennen, is dus ook iets dat is ontstaan; het is 'geschapen'. God staat buiten dat schema: "een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag" (2 Petrus 3:8, vanuit Psalm 90:4). Alles heeft een bepaalde tijd; maar God heeft geen bepaalde tijd; Hij is "de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal" (Openbaring 1:8).

De eeuwigheid van God is anders dan het bestaan van de menselijke ziel. Als we die 'eeuwig' noemen, gaat het om zijn altijd bestaan. Na de dood, waar het lichaam sterft, blijft de ziel. Maar het altijd bestaan van de mens is niet als de eeuwigheid van God: het verleden zal altijd verleden blijven en de toekomst toekomst.

In de theologie gaat het volgens Van den Brink om de verzoening van een 'dynamisch' tijdsbeeld met het beschreven beeld van eeuwigheid. De eeuwige God verordineert de tijd, en kent haar gebeurtenissen; maar vanuit het perspectief van het door de tijd bepaalde bestaan van de mens is de tijd niet statisch of deterministisch, aldus Van den Brink.

De vragen over tijd zijn niet gemakkelijk, de antwoorden ook niet. De mens blijft klein en afhankelijk, en het valt ons moeilijk van de eeuwige God te spreken.

donderdag 23 april 2009

Leven

De grootste vergissing van de filosofie is het leven te willen begrijpen buiten wat het is: ijdelheid, zoals de Prediker zegt. De zoektocht naar de zin van het leven -- op z'n breedst opgevat, dus de eigenlijke filosofie -- is bij voorbaat al verloren door de mens. Als wij God niet meer kennen zijn we immers doelmissers geworden.

Uiteindelijk is het (gelukkig) niet de mens die een levensdoel geeft, de schepping onderhoudt, regeert en begrijpt, maar God. Dat komt ook tot uitdrukking in het gebed: Gods Naam, Gods koninkrijk en Gods wil, Gods onderhouding en Gods vergeving en verlossing staan centraal.

vrijdag 20 februari 2009

Het zelf

Werkzeug deines Leibes ist auch deine kleine Vernunft, mein Bruder, die du "Geist" nennst, ein kleines Werk- und Spielzeug deiner großen Vernunft.


In het hoofdstuk "Von den Verächtern des Leibes" bedient Zarathustra zich van heel wat rethoriek om tegen te spreken dat het hoofd het lichaam regeert. "Lijdt" is een 'bevel' van het lichaam aan het verstand:
Das Selbst sagt zum Ich: "hier fühle Schmerz!" Und da leidet es und denkt nach, wie es nicht mehr leide --- und dazu eben soll es denken.
(Het is heel wat anders als we de communicatie van het lichaam naar het hoofd in plaats van als 'bevel', als 'signaal' beschouwen.)

Als we Zarathustra moeten geloven, is het 'zelf' groter dan het 'ik', en worden de bedoelingen van het hoofd bepaald door het lichaam. "Het lichaam ('zelf') wil scheppen."

De wereld is vervloekt om onze zonde. Zarathustra zegt het liever anders: de wereld is gemaakt door een dronken god, reinheid en gezondheid zullen we pas in onszelf vinden. Ehm, in een 'gezuiverd' zelf: een die alle gedachte aan de schepper (en aan de zondeval) heeft uitgebannen.

Wie het lichaam veracht, is arm; maar armer nog is wie de gevallen mens wil oprichten. Het is zoals de Prediker schreef: de mensen zijn zo als de beesten aan zichzelf (Prediker 3:18). Wie merkt dat de geest naar boven gaat, naar God die ons gemaakt heeft?

donderdag 25 september 2008

IJdelheid

Wat heeft het voor zin? Dat is een vraag die ik me vaak heb gesteld. Wat maakt filosofie nu uit, als het toch maar eindig is? Wat blijft er ooit van over?

Het Bijbelboek Prediker (hoofdstuk 9) geeft een heel actuele beschrijving van het leven na de zondeval. Na de zondeval kwam de dood over alle mensen. Na de dood gaat je loon naar iemand anders, je ziet er de uitkomst niet meer van, er is geen gedachte meer over.

Maar de Prediker weet heel goed dat God rechter is, dat de ziel van de mens naar God zal gaan. De vraag wordt zelf gesteld (3:17): "Want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?" Vers 18 geeft het antwoord: "dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien": God zal het laten zien.

Het is het beste in het leven te genieten van Gods gaven. Maar de Prediker zegt niet: "pluk de dag, want morgen zijn we toch dood", maar: "de dood maakt alles zinloos; maar het is goed je te verheugen in je werk, want dat is van God" (9:10).

Wij zoeken die beloning vaak anders dan God ze bedoelt. Een treffend voorbeeld is het gebed wat Gods Zoon ons leerde. Het is als met een kind. Niet onze naam --- maar Gods naam. Niet onze toekomst --- maar Gods Koninkrijk. Niet onze wil --- maar Gods wil. Vergenoegd zijn met het dagelijkse brood van God. Daartegenover onze schuld, en onze zwakte.

Adam had de vrouw beschuldigd van de zonde in het paradijs: zij had gegeven. Maar nadat God het oordeel van de dood over hem -- vanaf nu de vader van alle sterfelijken -- uitsprak, kwam hij daarop terug. Daar werd voorzegd dat het zaad van de vrouw -- Jezus Christus -- de kop van de slang zou vermorzelen (Genesis 3:15). Daarom noemde hij haar Eva: moeder van alle levenden.

maandag 1 september 2008

Zijnsaspecten

De vraag wat 'is' is een belangrijk onderwerp van filosofie: ontologie.

De Nederlandse filosoof Dooyeweerd schetste in zijn "Wijsbegeerte der Wetsidee" (1935) deel twee een heel aantal "zijnsaspecten" van de Schepping: fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel. Al deze aspecten zouden niet alleen subjectief, maar ook objectief 'zijn'. Hiermee kan onderscheid gemaakt worden tussen levenloze (geen objectief biotisch aspect) en levende dingen, tussen dieren (met een objectief psychisch aspect) en andere organismen zoals planten, tussen de geest van de mens (met een objectief spiritueel aspect) en het dier. Alle zijnsaspecten zijn overigens in objectieve zin vervlochten: de lagere structuren 'gaan op in' de hogere, enkapsis.

De huidige empirische natuurwetenschap beperkt zich echter tot het fysische. Het aannemen van zijnsaspecten boven de empirische zal zich filosofisch dan ook goed moeten laten beargumenteren.

Wat betreft het verschil tussen ziel (geest) en lichaam bestaat er een argumentatie vanuit het christelijke mensbeeld: de ziel van de mens is onsterfelijk; de mens heeft een `ik', een vrije wil die verantwoording af zal moeten leggen. Het fysische en het geestelijke móet wel objectief van elkaar gescheiden zijn: de fysische wetmatigheden gelden niet voor het geestelijke, en vice versa; de geestelijke dingen zijn niet te reduceren tot de fysische. Wat mij betreft is dat het enige ontologische onderscheid dat noodzakelijk gemaakt moet worden; de andere zijnsaspecten zijn wat mij betreft te rekenen tot het subjectieve: hoe wij de dingen (kunnen) ervaren.

In de Bijbel worden de begrippen `ziel' / `geest' en `lichaam' toch ook vooral aanverwant gebruikt. (In het boek "Psychologie, een christelijke kijk op het mentale leven" door dr. W.J. Ouweneel staat een mooie uiteenzetting over zijnsaspecten, inclusief een analyse van de Bijbelse begrippen (p.58-59).) De ziel is niet zomaar een mechaniek dat los staat van het lichaam. Gevoelens zijn zaak van zowel `ziel' als `lichaam' (zie bijv. Ps.63:2,84:3,107:9).

Maar het `lichaam' sterft, de `geest' van de mens is onsterfelijk. Dat roept meteen de vraag op: hoe zit het met dieren? Ook bij dieren gaat het om een `levende ziel': dieren zijn echt, bewegen, leven. Ze zijn even bijzonder als ons lichaam, wat echt een deel van ons is.

Treffend is hoe Prediker 3:16 t/m 21 schrijft over de onsterfelijke ziel. De mens kan zonder God en gerechtigheid niet uitnemender zijn dan een dier dat geboren wordt, leeft, sterft. Wie merkt dat de adem van de mensen naar boven gaat?

Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.

Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.

Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.

Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?