Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen

vrijdag 18 december 2020

COVID-19 en troost

We bevinden ons in een tweede golf van de COVID-19 pandemie. Wat doet het met ons? Wat ervaren en leren we in deze tijd van de daden van God?
  1. We zijn sterfelijk en kwetsbaar. Waar we ons eerst, als we rijk en onbezorgd in Nederland leefden, nergens druk om maakten, vrezen we nu voor ziekte en voor ons leven. We zien dat onze medische wetenschap niet altijd kan helpen. Behandelingen helpen niet en wetenschap weet het antwoord niet op alles.
  2. Er is alleen troost in het geloof in Jezus. De pandemie zorgt voor verdriet, angst en frustratie. Een naturalistisch wereldbeeld 'werkt' als alles voorspoedig gaat, maar bij onzekerheid en ziekte biedt het weinig of geen troost. Ook een oppervlakkig geloof in God biedt weinig troost. Pas in het gezicht van de lijdende Zoon van God, Jezus Christus, is er troost in deze moelijke tijd. Hij zal in een wereld van ziekte en dood en onmacht het Vrederijk brengen, wanneer Hij terugkomt op de wolken van de hemel.
  3. Spreken over God is taboe. Wat opvalt is dat terwijl iedereen geschokt is in zijn vertrouwen in de menselijke macht over de natuur, dat er toch met geen woord over God gerept wordt. Premier en koning roepen vooral op om het vertrouwen in de menselijke macht over de natuur terug te vinden. Er is geen ruimte voor twijfel, geen ruimte voor geloof behalve het geloof in jezelf.
Laten we in plaats van verdrietig, gefrustreerd en bang te zijn onze hoofden opheffen naar de hemel en denken aan wat het Kerstfeest betekent: dat de Zoon van God, Jezus, naar deze aarde kwam om voor ons verlossing te brengen van onze zonden en pijn. Dan hoeft deze tijd geen tijd van eenzaamheid en verdriet te zijn, maar wordt het een tijd van blijdschap, omzien naar elkaar en vrede.

vrijdag 26 juni 2020

Exclusief geloof

Waarom is het geloof in Christus zo exclusief? Dat wil zeggen: waarom sluit het geloof in Christus het geloof in andere goden zoals de hindoestaanse goden of andere profeten zoals Mohammed uit? Waarom denken en zeggen christenen dat het geloof in Christus het enige ware geloof is, en proberen ze er anderen ook toe over te halen?

Om te beginnen, exclusief geloof betekent niet geweld en dwang. Hoewel de Heere Jezus geweld tegen niet-gelovigen verbiedt (Hij zegt zelfs: heb je vijanden lief, zegen wie je vervloeken, bid voor degenen die je geweld doen, Luk. 6) zijn er in de naam van Christus andersgelovigen vervolgd en gedood. Dat is een houding die absoluut niets met het geloof in Jezus te maken heeft. Wie in Jezus gelooft, moet doen wat Hij zegt. Ieder die geweld in de Naam van God verafschuwt, heeft gelijk. Jezus gebiedt iedere gelovige geen geweld te gebruiken tegen de vijanden van christenen, maar het eindoordeel van God af te wachten.

Maar ook zonder dat christenen geweld gebruiken, kan het als vervelend ervaren worden dat christenen anderen willen getuigen over Jezus, dat ze te pas en te onpas over Hem vertellen, dat ze zeggen dat een ander geloof een leugengeloof is waarmee je niet in het rijk van God kunt komen. Wat geeft ze het recht? Sterker nog: waarom voelen ze zich ertoe verplicht?

Er zijn volgens mij twee aspecten van 'exclusief geloof':
  1. Het eerste is het geloof dat er maar één God is: Jehova, en Jezus de Christus, Gods Zoon.
  2. Het tweede is dat christenen ervan overtuigd zijn dat ze dit heel zeker weten, dat het niet 'misschien zo is' en dat andere mensen het ook wel bij het rechte eind zouden kunnen hebben. Ik weet het zeker en heb geen twijfel, of liever: als ik twijfel heb, belijd ik nog steeds Gods Naam en zeg ik: U kent mij!
Je zou het eerste een 'ontologisch' aspect kunnen noemen, hoe de dingen zijn, en het tweede een 'epistomologisch' aspect, hoe we de dingen kennen.

Als je niet eens bent met dat christenen van Jezus getuigen als de enige Weg, kan dat dus om twee redenen zijn:
  1. Òf je denkt dat er niet één God is, maar dat er meerdere zijn, of dat Jezus Christus niet Zijn enige Zoon is en onze Verlosser;
  2. Òf je vindt dat niemand kan zeggen dat ze iets zeker weten over God. Niemand mag zeggen: ik weet het zeker, iedereen moet zeggen: ik geloof het, maar ik zou het mis kunnen hebben.

Zoals je ziet zijn deze twee tegenargumenten tegen 'exclusief geloof' ook maar meningen. Maar ik wil me er niet zó makkelijk van af maken dat ik zou zeggen: dus mag niemand klagen als een christen zegt dat Jezus de enige Weg is. Want je zou de klacht kunnen inbrengen dat het geloof dat niemand iets met zekerheid over God kan zeggen, meer bescheiden en minder vriendelijk is dan dat je zegt: Ik weet dat Jezus de Zoon van God is. Je zou kunnen zeggen: "De mening van een christen die zegt dat Jezus de enige Weg is, is onbescheidener en minder vriendelijk dan mijn mening dat je het niet zeker kunt weten, dus deze onbescheiden en ongemakkelijke, minder onvriendelijke mening moet je veranderen." Het is ironisch dat er ook in deze gedachte een soort bekeringszin zit: je wilt getuigende christenen bekeren zodat ze Jezus niet meer belijden als de enige Weg.

Maar er is meer onderbouwing mogelijk voor het getuigen van Jezus als de enige Weg, en het belijden dat je dat zeker weet. Als christen geloof je in Jezus als de enige Weg, de Waarheid en het Leven omdat Jezus dat zelf zegt (Joh. 14)! En we belijden dat er één God is en dat je geen andere goden tegelijk kunt dienen omdat God Zelf zegt: Je zult je geen andere goden voor Mij hebben (Ex. 20). Of denk aan de andere woorden van God: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45).

Dat geeft genoeg grond voor de eerste overtuiging, dat Jezus de enige Weg is. Maar welke onderbouwing is er voor de tweede overtuiging: Dat je dit als christen zeker weet, en geen ruimte laat voor twijfel? Zegt Jezus of God in de Bijbel ons hier ook iets over? Ja, luister maar: "Je zult Jehova, je God, liefhebben met heel je hart, heel je ziel, en heel je verstand" (Mat. 22). Liefhebben met heel je hart en ziel en verstand laat geen ruimte voor twijfel. "Maar houd het dan toch alsjeblieft voor jezelf!" zul je misschien zeggen. Dat zou kunnen als Jezus er niet op laat volgen: "Je zult je medemens liefhebben als jezelf". Als je een man op een afgrond af ziet lopen, waarschuw je hem toch en schreeuw je naar hem dat hij zo meteen inde diepte stort als hij niet stopt? Zo beleeft een christen het ook. Zo zegt Jezus het ook: "Opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat" (Joh. 3). Ja, ieder die niet in Jezus gelooft gaat verloren! Een christen moet daarbij geen beschuldigende, veroordelende houding hebben, maar gericht op redding: "God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden" (Joh. 3).

Andere woorden die over zekerheid gaan en aansporen tot getuigen:
  • "In Zijn Naam moet onder alle volken bekering en vergeving van zonden gepredikt worden" (Luk. 24)
  • Jezus noemt zelfs de verdeeldheid die het getuigenis over Hem zal oproepen (Luk. 12)
  • "Wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God" (Luk. 12)
Het belijden dat Jezus dé Weg is niet maar een detail. Het is een gevecht op leven en dood voor ieder mens die op de wereld is.

Je zegt misschien: "Maar dat is allemaal een cirkelredenering. Je baseert je mening over de zekerheid van de Bijbel op de Bijbel zelf." Dat klopt. We geloven dat Jezus echt geleefd heeft, dat de woorden van God tot ons zijn gekomen. Niet onredelijk trouwens: we geloven het met veel getuigen en niet in strijd met de bewijzen die we hebben. Maar het is inderdaad een overtuiging, een mening zo je wilt. Toch maakt dat het geloof niet ongeldig of onredelijk. Elke overtuiging is uiteindelijk gebaseerd op andere, en we proberen niemand op enkel en alleen redelijke gronden te overtuigen van het geloof in Jezus. Geloven in God is geen droge optelsom. Geloof in je Schepper en Verlosser is een levensverandering.

Dus als je een christen tegenkomt die zegt: "Ik weet het niet zo zeker, misschien zijn er wel meer goden, misschien is de God van de Bijbel hetzelfde als de hindoestaanse goden, misschien bedoelen Mohammed en Jezus hetzelfde", dan is dat geen volgeling van Jezus en hoort hij niet bij Jezus. Zo iemand is volgens Jezus op een rampzalige weg beland.

Misschien zeg je: "Wat een vreselijk geloof is dat. Zo'n overtuiging is een ramp voor de mensheid. Het zou beter nooit bestaan kunnen hebben." Maar lieve medemens, dat is precies waar de duivel je van overtuigen wil. Maar het is een overtuiging die je regelrecht de afgrond in laat lopen - onder vriendelijk gezang dat alle geloven gelijk zijn. Het is geen vriendelijke overtuiging, maar een moordende overtuiging.

Een laatste punt: het 'exclusieve' geloof in Jezus als de Weg is alleen 'exclusief' in het uitsluiten van andere geloven, maar het is niet 'exclusief' in de zin dat er mensen uitgesloten worden om tot Jezus te komen. Daarin is het juist 'inclusief': God sluit geen mensen uit, hoogstens kunnen mensen zichzelf uitsluiten door God te verwerpen. Dus 'exclusief geloof' betekent voor het christelijk geloof dat het andere geloven uitsluit, maar niet mensen uitsluit.

Laten we luisteren naar wat Jezus zegt: "Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemel is dichtbij!" (Mat. 4) En met Gods woorden door de profeten: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45)

zondag 5 juni 2016

Psalm 3 - Iedere morgen geloven

Vorige week schreef ik over de inhoud van Psalm 3. Vandaag wil ik graag de vraag stellen wat we uit deze psalm kunnen leren voor ons eigen leven.

Het meest opvallende in de psalm is het geloof van David in God. Dat geloof is niet gemakkelijk in zijn omstandigheden: hij is van koning vluchteling geworden. Daarnaast krijgt hij steeds meer tegenstanders. Ook velen geloven daarom dat hij niet door God wordt gesteund: "Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God.".

Daarentegen noemt David God zijn beschutting en schild, en zijn eer, en degene die zijn hoofd omhoog heft. David bidt ver weg van de berg Sion waarop Jeruzalem gebouwd was, maar gelooft dat God hem verhoort: "Met mijn stem riep ik tot de HEERE, en Hij verhoorde mij vanaf Zijn heilige berg.". Dus ook in moeilijke omstandigheden is het mogelijk om God te dienen:
  • God beschermt in die omstandigheden;
  • David noemt God zijn eer, dus hij gelooft nog vast dat hij een kind van God is en een roeping van God heeft;
  • De geestelijke ondersteuning van God is merkbaar, God beurt ons op;
  • Het is mogelijk op elke plek en op elk moment tot God te bidden en Hij verhoort ons gebed.

Dat hij gerust kan slapen en weer wakker worden zonder gedood te zijn ziet David als daad van God (vers 6), als bewijs dat God met hem is.

Psalm 3 wordt ook wel de morgenpsalm genoemd, Psalm 4 de avondpsalm, omdat het in Psalm 3 gaat over weer wakker worden door Gods genade, en in Psalm 4 over in vrede gaan slapen. We zouden inderdaad elke dag bij ons opstaan kunnen nadenken over Gods genade. We zijn in waarschijnlijk in betere omstandigheden als David, maar hebben we ook geloof in God dat Hij ons fysiek en geestelijk wil helpen en ons gebed verhoort? Geloven we dat we door God geroepen zijn tot geloof en verlossing, zodat we God onze eer kunnen noemen? Of houden we God liever op afstand?

zaterdag 31 oktober 2015

Wonderen

Drie weken geleden sprak ik op een symposium over Schepping over wonderen en naturalisme (zie http://oorsprong.info/). Meer in bijzonder zijn de vragen die ik heb gesteld en geprobeerd te beantwoorden:
  1. Kun je rationeel zijn en geloven in wonderen?
  2. Kun je wetenschapper zijn en geloven in wonderen?
  3. Kan geloof in wonderen samengaan met een consistent en aantrekkelijk wereldbeeld?
Hier de link naar de slides waaruit de gedachtegang redelijk te lezen is.

woensdag 5 november 2014

Vrees en beven

Deze week las ik het boek "Vrees en beven" van de 19e-eeuwse Deense filosoof Søren Kierkegaard uit. Het is een heftige aanklacht tegen iedereen met een laffe levenshouding.

Onze levenshouding wordt bepaald door onze waarden. Kierkegaard onderscheidt drie waarden: esthetisch, ethisch en gelovig.

De esthetische waarde is leven volgens de regels van de kunst. Kierkegaard noemt het ook wel 'poëtisch': je kunt esthetische daden bezingen omdat het mooi of verrassend is om te zien. Het is niet op het algemeen welzijn gericht maar op het subjectieve. Dit is de waarde die Kierkegaard bij de dichters en het theater van zijn tijd ziet (lees: de romans en de films van nu).

De ethische waarde is leven volgens een hogere norm. Dat betekent dat je je moet overgeven aan die hogere norm, die Kierkegaard het 'absolute' noemt. Ethisch leven wordt pas bewonderenswaardig als je je absoluut overgeeft, al je persoonlijke wensen opgeeft aan het absolute. Deze waarde ziet Kierkegaard terug in de klassieke helden van de Oudheid, in de tragedies, maar ook in Socrates en Pythagoras.

De meeste mensen leven volgens een mengelmoesje van iets esthetisch en iets ethisch. Kierkegaard beklaagt dat hij zo weinig doorzettingsvermogen vindt om helemaal te leven volgens zo'n levenswaarde. Hij noemt dat het ontbreken van 'hartstocht'.
Hoe velen hebben in onze tijd voldoende hartstocht om hier over na te denken en zichzelf vervolgens oprecht te beoordelen? Alleen al het idee om de tijd op zo'n manier op je geweten te nemen dat hij de tijd krijgt om in zijn slapeloze onvermoeibaarheid al je heimelijke gedachten te doorvorsen. (Vrees en beven, Damon (2014), p.107)

De waarde van het geloof begint met de ethische waarde. Echter, het geloof gaat ook verder. Het geloof kent God, en het opvolgen van Gods bevel en verwachten van Gods beloften geeft is een hogere levenswaarde. Kierkegaard noemt zelf het bevel van God om de enige zoon van Abraham en Sara, Izaäk, te offeren, als voorbeeld van het geloof van Abraham. Hij had evengoed de belofte van God van een groot nageslacht aan Abraham kunnen noemen. Er is nogal wat toewijding voor nodig om te geloven. Tussen het tijdstip dat God die belofte aan Abraham gaf en de geboorte van zijn zoon Izaäk verstreek vijfentwintig jaar! En het bevel om Izaäk te offeren gaat zelfs tegen de algemene ethiek in. Zo'n belofte van God valt niet uit te leggen aan anderen, omdat het niet te begrijpen is: hoe kan Sara op haar leeftijd nog kinderen krijgen? Het geloof is dus eerst het nastreven van de algemene ethiek, maar daarna ook het treden buiten het algemene, omdat het geloof dingen gelooft die niet zichtbaar zijn en die tegen de algemene rede ingaan. Waar de 'beweging' van de ziel in het ethische het opgeven van het persoonlijke is, volgt er bij het geloof de 'beweging' van het verwachten van het persoonlijke in de belofte van God. Het geloof is dus geen gemakkelijke opgave, maar een die de schrijver beschouwt met 'vrees en beven'.

Er zijn hier wel wat lastige vragen bij te stellen. Hoe zit het bijvoorbeeld met mensen die iets geloven wat niet waar is? Het verschil tussen een waar geloof en een inbeelding heeft Kierkegaard niet uitgelegd; hij steunt op de Bijbel als de openbaring van God. Wel schrijft hij over het verschil tussen geloof en een sekteleven: een sekte gelooft volgens hem niet, maar heeft een eigen ethiek die binnen de sekte gedeeld wordt en waaraan iedereen zich over moet geven. Er is niets persoonlijks in een sekte.

Er zijn een aantal dingen die ik wat minder fraai vind in 'Vrees en beven'. Allereerst mis ik dat Kierkegaard niet schrijft over de eenheid in het geloof die er tussen christenen kan zijn. Het christelijke geloof verbindt, omdat het dezelfde beloften en bevelen van God heeft gehad. Wel krijgen deze beloften en bevelen in ieders leven persoonlijk betekenis. Vervolgens heb ik moeite met het perspectief waar vanuit Kierkegaard schrijft: vanuit een soort ode aan de held van het geloof, waarbij de schrijver zegt dat hij er zelf niet bij kan komen. Dat is namelijk het afschuiven van de verantwoordelijkheid, een veronachtzamen van de roeping van God tot het geloof die tot ieder mens komt door het Evangelie. Daarna heb ik ook moeite met de nogal plastische manier waarop hij schrijft over de 'bewegingen' van de ziel. Spreken over 'bewegingen' van de ziel is doen alsof alle 'bewegingen' van de ziel op elkaar lijken, alsof we over onze ziel kunnen beschikken zoals we over ons lichaam beschikken, en alsof de schrijver precies begrijpt hoe de ziel in elkaar steekt. Wellicht is er een verontschuldiging voor deze dingen aan te voeren dat Kierkegaard met een pseudoniem schrijft en dus vanuit een perspectief dat niet noodzakelijk het zijne is; hij noemde zelf het boek vanuit 'esthetisch' perspectief geschreven.

Het sterke aan 'Vrees en beven' vind ik dat het een aanklacht is van lafhartigheid en lauwheid. Het is vrij gemakkelijk om als 'christen' tevreden te zijn met een halve ethiek. Het is nog armer om je te vergapen aan alle vormen van onethische en ongelovige esthetiek die onze cultuur kent.

Het is ook goedkoop om een 'geloof' te hebben waar het opgeven van het persoonlijke geen onderdeel van uitmaakt, of om af te zien van geloof omdat we het verwachten van het persoonlijke dat God belooft aanmatigend vinden. Het eerste is om in de plaats van Abraham een ram te gaan offeren in plaats van Izaäk; het tweede is om Izaäk wel te offeren maar niet te verwachten dat God hem zal behouden, of zelfs om niet te offeren en ook geen verwachting van Izaäk te hebben. Het woord van de apostel Paulus aan de Hebreeën wordt heel duidelijk:
Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

woensdag 30 juli 2014

God kennen

Eerder heb ik geschreven over de filosofie over het bestaan van God, en over de drie-eenheid in God. Nu wil ik graag schrijven over de eigenschappen van God.

Het allerbijzonderste is dat God wil dat wij tot Hem spreken als onze Vader, Heer en God. Maar alleen in een nieuw leven in Christus!

Jezus Christus zegt:
"God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid." (evangelie van Johannes, 4, 24)
Wij mensen bestaan uit geest en lichaam. We moeten God dus niet aanbidden alleen met ons lichaam terwijl onze geest er niet bij is. We moeten ook niet denken dat God ons lichaam ziet en niet kan zien wat er in onze geest omgaat. We moeten verder ook niet denken dat God een lichaam heeft. We moeten ook niet denken dat de eeuwige en allerhoogste God niet kan nadenken, overwegen en willen. Soms wordt ons denken over God heel beperkt omdat we denken: Hij is het grootste. Dan zal het wel noodzakelijk zijn dat Hij zo en zo is.

We moeten echter niet denken dat God Jehova vergoeilijkend is, of tevreden is als wij meer dan half goed handelen. Minder dan helemaal goed is namelijk helemaal slecht. God is helemaal goed, of anders gezegd Hij is heilig. God is een "verterend vuur" (Deuteronomium, 4, 24).

God is goed. Dat kunnen we alleen maar zeggen omdat we ervaring hebben met wat goed is en kwaad. We weten dat sinds we onze eigen wil gingen volgen tegen Gods gebod in (Genesis, 3). We weten ook dat of je geest goed en kwaad is bepaald wordt door je wil. God is ook een geest; Hij is dus goed omdat Hij dat wil. Het tegenovergestelde van willen is haten. God de Allerhoogste haat het kwaad.

God zegt:
"Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
(...)
Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij?
Er ís geen andere rots, Ik ken er geen." (profetie van Jesaja, 44, 6-8)
God is dus almachtig. God is ook eeuwig. Dat kunnen wij ons niet voorstellen. Daarom zegt God: "Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste." Er is altijd maar één eerste, en altijd maar één laatste, dat kunnen wij ons wel voorstellen. God zegt: Ik ben het beiden.

Nu is het gevaar dat we een geest als klein en krachteloos voorstellen, als een punt ten opzichte van de ruimte. Niets is minder waar wat God betreft. De almachtige God verschijnt daarom aan het volk Israël niet voor niets in een vurige wolk, met de krachtigste natuurverschijnselen van donder en bliksem, met een bazuingeluid die de grond laat beven (Exodus, 19). Als God het wil, maakt hij nu een nieuwe aarde of een nieuw zonnestelsel. Of een nieuw heelal. Wie kan er tegen Hem opstaan en blijven leven? Het is dus andersom: wij (onze lichaam en geest) zijn als een punt ten opzichte van de ruimte die God is. God zal dat echter niet tegen ons gebruiken want God is niet haatdragend, niet grillig, want zoals gezegd, God is goed. Daar kunnen we bijvoegen dat God zich zelfs ontfermt en vergeeft. Omdat wij ons niet goed kunnen voorstellen Wie God is moeten we zeggen: Hij is altijd dichtbij en altijd machtig. Gods Woord zegt: God is in de hemel. We kunnen ons ook proberen iets oneindigs voor te stellen, maar dan gaan we al gauw denken aan iets heel groots wat eindig is. God is groter dan oneindig, maar tegelijk niet ver weg van ieder van ons:
"Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons. Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poeten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht." (Handelingen van de apostelen, 17, 27-28)
(Zie ook dit eerdere bericht: Waar is de hemel?)

Omdat God onze Vader een geest is laat Hij het niet toe dat we hem afbeelden en dan (via) die afbeelding aanbidden. Dan zouden we te klein van God gaan denken en zo zouden we niet kunnen leven:
"Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden." (Exodus, 20, 4-5)
Gods Geest en Gods Woord (Jezus Christus) laten God wel vergelijken met beelden. De apostel Johannes noemt Gods Zoon "de Leeuw uit de stam van Juda" (Openbaring, 5, 5). Die vergelijking neemt C.S. Lewis over in zijn verhalenserie voor kinderen Narnia.

God heeft alles gemaakt, inclusief ons. Er is niets buiten Hem. God is alwetend. Deze eigenschap moet ons wel schrik aanjagen omdat wij onwetend, onheilig, onrechtvaardig zijn. Wij zijn arm en vol gebrek omdat we God verlaten hebben. Daar staat de heerlijkheid van God tegenover.

De heiligheid en almacht van God Jehova kan niet samengaan met onze zonde tenzij die weggenomen worden door een nieuw leven in het geloof in Jezus Christus, het Woord van God, Gods Zoon, die als almachtig God zwak mens werd en leed en zelfs stierf voor onze zonden, maar ook met een nieuw lichaam opstond zodat wij zouden kunnen leven door Hem. Christus zegt:
"Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." (evangelie van Johannes, 7, 37-38)

maandag 21 april 2014

Van elkaar houden

Eenheid in het geloof lijkt een van de zwakke punten van de christelijke gemeenten te zijn (in Nederland tenminste). Verschillen in opvatting worden zo uitvergroot dat men zegt dat de verlossing er van af hangt. Hoe zit dat? Hebben de apostelen in al hun brieven niet aangedrongen, bevolen tot liefde onderling?

Vroeger snapte ik die woorden over elkaar liefhebben niet goed. Als ik de apostelen niet als predikers van Gods woord had beschouwd, had ik de woorden over liefde als overdreven beschouwd. Ik kwam toen niet veel verder dan een theoretisch, geestelijk idee van liefde.

Maar elkaar liefhebben is heel praktisch. Het is heel makkelijk om geloof en opvattingen over het geloof te wantrouwen, heel moeilijk om elkaar ondanks verschillen lief te hebben. Daarom wil ik met hulp van God nadenken over wat praktische regels uit de woorden van de apostel Paulus in de eerste brief aan de gemeente van Korinthe (13:4-7):
  1. De liefde is geduldig, zij is vriendelijk. We treden elkaar tegemoet met een vriendelijk gezicht. We hebben geduld als dat niet meteen beantwoord wordt!
  2. De liefde is niet afgunstig, de liefde pronkt niet, zij doet niet gewichtig, zij handelt niet ongepast, zij zoekt niet haar eigen belang. We leven ons in in de ander in plaats van in het eigen straatje te denken en te denken: "Wij zijn beter dan hen".
  3. De liefde wordt niet verbitterd, ze denkt geen kwaad. In plaats van te kijken naar verschillen denken we aan overeenkomsten. Als we overeenstemmen over het feit dat de verlossing in Christus alleen is, zijn er dan nog belangrijker punten van overeenstemming dan deze? Veel onheil komt uit het denken van kwaad: als iemand helemaal met het Evangelie van God instemt, kunnen we zijn belijdenis nóg wantrouwen om het gevoel dat bij ons opkomt. Dat is het denken van kwaad! Als we over iemands belijdenis twijfelen, laten we dan erover in gesprek gaan door vragen te stellen, in plaats van te zwijgen en onze twijfels te houden.
  4. De liefde verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar ze verheugt zich in de waarheid. Ze bedekt alle dingen. Als we iemands belijdenis niet kunnen tegenspreken, zijn we verheugd als het gepaard gaat met een heilig leven. Als we kwaad denken van iemand kan dat maar al te gauw bevestigd worden als we ons verblijden in een misstap die iemand begaat, in plaats van iemand dan te helpen en die misstap te bedekken.
  5. De liefde gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen. Als iemand een belijdenis van zijn geloof doet, zijn we niet wantrouwig, maar geloven we en hopen we dat het oprecht is. We kunnen anderen natuurlijk wel vanuit dit principe nog steeds zachtmoedig proberen te onderwijzen in het geloof, maar dat is wat anders dan een afwachtende houding "We zullen wel zien of het uitkomt" of een wantrouwige houding "Ik geloof er niets van". Dat is geen eenheid in het geloof!
  6. De liefde verdraagt alle dingen. Ook als de liefde van een kant lijkt te komen en dus niet beantwoord wordt zoals het zou horen, vergeven we dat en bidden voor onze broeders en zusters.

Met welke motivatie kunnen we dit doen? Hiermee:
Hieraan leerden wij de liefde kennen, dat Hij [Jezus Christus] voor ons Zijn leven heeft gegeven. Ook wij moeten voor de broeders het leven geven. (eerste brief van de apostel Johannes, 3:16)

zondag 1 december 2013

Het christelijk geloof in 6 punten

Deze blog gaat over christelijke filosofie. Maar wat omvat eigenlijk het christelijk geloof? Ik zal proberen in verschillende punten een samenvatting te geven. Dat doe ik omdat je, vooral als je geen christen bent, het overzicht makkelijk verliest en alles in een beperkt perspectief kunt gaan zien.

Het christelijk geloof is:
  1. Een theorie over het ontstaan van de wereld en de menselijke conditie. De wereld is gemaakt door God, maar wij mensen hebben God verlaten waardoor we het kwaad en het lijden over onszelf hebben gebracht. Het geeft antwoord op de vraag: Waar komen we vandaan?
  2. De manier om God te kennen. Het geeft antwoord op de vraag: Is er een God? Hoe leer ik God kennen?
  3. Een ethiek. De woorden van Christus, maar ook de opgeschreven wet van God geven antwoord op de vraag: Hoe leef ik goed?
  4. Een beschrijving van hoe God zich eerder aan mensen heeft laten zien. Daarmee bedoel ik dat God zich eerder heeft verbonden aan bepaalde mensen, niet omdat ze beter waren, maar omdat God zijn genade wilde tonen: aan Abraham, Izaäk, en Israël. Het geeft antwoord op de vraag: Wie is God? Wat betekent geloven?
  5. Het evangelie van hoe we tot God kunnen komen door Christus, Gods Zoon. De woorden van Jezus en de beschrijving van zijn leven, zijn dood aan het kruis laten ons zien dat Jezus de Zoon van God is. We moeten in Jezus de Christus geloven om God te kennen. Het geeft alweer antwoord op de vraag: Wie is God? maar ook op de vraag: Hoe moet ik veranderen om God te kennen?
  6. De beschrijving van hoe degenen die God kennen uiteindelijk bij God zullen zijn en hoe deze wereld zal veranderen. Dat geeft antwoord op de vraag: Waar gaan we heen?

Zie ook mijn eerdere bericht over het credo.

donderdag 30 mei 2013

Afstand?

Vanaf het begin van dat God de wereld gemaakt heeft hebben we te maken met een bedrieger. De eerste mensen had God toestemming gegeven om overal van de vruchten van de bomen te eten, behalve van de boom in het midden van de hof van Eden. Deze bedrieger probeert Eva uit de tent te lokken door het verbod van God strenger te maken: "Is het niet zo dat God heeft verboden van alle vruchten van de bomen in deze hof te eten?" Eva trapt erin, want het is merkbaar dat ze het gebod van God als beperking gaat zien. De bedrieger zegt vervolgens: "U zult niet sterven, maar u zult zijn als God, als u van die boom eet." (bijbelboek Genesis, 3:1-5) Daarmee maakt de bedrieger eerst de afstand tot God groter door God een bedrieger te maken. Daarna maakt hij ook de afstand groter door te benadrukken dat God en de mens heel verschillend zijn en dat de mens is onderworpen aan God. Voorheen was God voor de mens als een vriend aanwezig in de hof. De bedrieger schildert God af als ver weg en afstandelijk.

Hetzelfde bedrog is nog steeds levend. Waarschijnlijk beeldt u zich in dat God ver weg is, als u in God gelooft. Waarschijnlijk gelooft u in het idee dat als er een God bestaat, die God zich niets aantrekt van wat hier gebeurt en van een totaal andere orde is dan de wereld. Waarschijnlijk gelooft u niet dat God een persoonlijke God kan zijn, en als u het gelooft, denkt u misschien dat God vooral beperkingen oplegt aan de mens.

Het thema 'afstand' komt ook terug bij de hemelvaart van Christus. Het evangelie vertelt hoe Gods Zoon, veertig dagen na zijn opstanding, van de aarde wegging naar zijn Vader. De hemel betekent trouwens niet dat God ver weg is. God is overal en dichtbij, maar God is niet persoonlijk dichtbij zoals in de hof van Eden en Christus is niet meer op aarde met zijn lichaam.

God heeft inderdaad afstand genomen van de aarde, maar is er nog steeds met zijn boodschappers. Als eerste gaf Christus aan zijn discipelen bevel om het evangelie in heel de wereld te vertellen. Ook heeft God vanaf het begin van de wereld zijn engelen naar mensen gestuurd ('angelos', 'engel', is het Griekse woord voor 'boodschapper'). Maar nog het meest is Gods Geest in deze wereld om ons te overtuigen dat God niet ver weg is. Dat herdenken christenen met Pinksteren, vijftig dagen na het lijden van Gods Zoon, Christus. Gods Zoon heeft zijn discipelen niet alleen gelaten, zoals Christus zegt (evangelie van Johannes, 14:16-18):
"Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe."

donderdag 14 februari 2013

Zorg versus geloof

Het bestaan heeft altijd onzekere factoren. Er zijn drie mogelijke reacties:
  • angst,
  • voorzichtigheid en moed, of
  • onverschilligheid en overmoed.
Voorzichtigheid en moed zijn daarbij het goede tegenovergestelde van twee negatieve reacties van onverschilligheid en overmoed, en vrees.

Als meerdere onzekere factoren samenvloeien kunnen we moedig zijn in specifieke gevallen maar toch bezorgd over het geheel. Bezorgd wil zeggen dat het je belast, ook al ben je er niet bewust mee bezig.

Bezorgdheid belemmert het geluk. Jezus zegt dat we niet bezorgd moeten zijn. Geloof is de oplossing voor de vage bezorgdheid. Zorg en geloof kunnen niet samen gaan. We kunnen daarover lezen:
"En Hij zei tegen Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven: over wat u eten zult, of over uw lichaam: waarmee u zich kleden zult. Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding. Let op de raven: zij zaaien niet en maaien niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur, en God voedt hen. Hoe ver gaat u de vogels te boven? Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? Als u dan ook het minste niet kunt, waarom bent u over de andere dingen bezorgd? Let op de lelies, hoe zij groeien. Ze werken niet en spinnen niet, en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze. Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, hoeveel te meer u, kleingelovigen! En u, vraag niet wat u eten of wat u drinken zult, en wees niet verontrust. Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld. Uw Vader echter weet dat u deze dingen nodig hebt. Maar zoek het Koninkrijk van God en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden. Wees niet bevreesd, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven. Verkoop uw bezittingen en geef de opbrengst weg als liefdegave. Maak voor uzelf beurzen die niet verslijten, een schat die niet opraakt, in de hemelen, waar de dief niet bij komt en die door de mot niet aangetast wordt. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. " (evangelie van Lukas, 12:22-34)

donderdag 3 januari 2013

Vijandig of verzoend

Vandaag las ik de historische roman 'Oorlog en vrede' van de Russische schrijver Lev Tolstoj uit. De roman is een historische weergave van de oorlog van Rusland met Frankrijk onder Napoleon. Tolstoj doet daarbij echter langzaam maar zeker heel wat uitspraken over het leven.

In het begin dacht ik dat Tolstoj een realistisch schrijver wilde zijn die het leven wil beschrijven zoals het echt is, ontdaan van ideologie. Zijn verslagen van de veldslagen zijn dat zeker. Tolstoj was goed op de hoogte van de praktijk van oorlog omdat hij zelf in het Russische leger heeft gevochten in de Kaukasus. De karakters doen realistisch aan omdat ze fouten maken en herstellen en tijdens hun leven veranderen. Maar wie goed leest merkt dat de karakters in 'Oorlog en vrede' bijna allemaal stuk voor stuk eenzijdig zijn.

Zo is er de hoofdpersoon van Peter Besoekow die schranderheid en later in zekere mate wijsheid bezit. Hij mist echter zelfbeheersing en daadkracht. Het karakter van Andreas Bolkonsky heeft inzicht, maar mist vergevingsgezindheid. Het karakter van Maria Bolkonsky heeft vergevingsgezindheid en geloof, maar mist juist weer moed. Natasja Rostow: ze heeft hoop, maar mist wijsheid. Nicolaas Rostow: hij bezit dapperheid, maar geen zelfbeheersing. Zijn vader, graaf Rostow, heeft liefde voor zijn gezin maar geen inzicht. De vader van Andreas, graaf Bolkonsky, heeft kennis maar geen rechtvaardigheid en liefde.

Het is wel waar dat in het echte leven ook zwakke en sterke punten bij mensen te benoemen zijn. Maar de karakters in 'Oorlog en vrede' geven geen enkele aanwijzing dat er ook een combinatie van de genoemde deugden kan en moet zijn. De karakters van Tolstoj zijn allemaal 'onvolwassen', wat bij mij een mistroostige indruk achterlaat na het lezen. Ik vind in ieder geval dat de christelijke lezer moet bedenken dat als hij of zij zo leeft als een van de hoofdpersonen van Tolstoj, het niet het leven is dat het christelijke geloof vereist. Oorlog en vrede geven heel wat aanleiding tot filosofische bespiegelingen, maar dat moet niet in mysticisme of fatalisme eindigen maar in het eenvoudige gebed en in een praktisch rechtvaardig leven. Dat is wat Jezus Christus ons zegt:
"Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is." (evangelie van Mattheüs, 5:17-18)
En rechtvaardig voor die wet worden we alleen door het geloof, door de genade van God:
"God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn. Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, omdat wij verzoend zijn." (brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Rome, 5:8-10)

maandag 3 september 2012

Geen idee van God

De belijdenis van de kerk dat de oneindige en eeuwige God uit drie personen (Vader, Zoon en Heilige Geest) bestaat wordt niet door iedereen even gelovig overgenomen.

Wat zegt de Bijbel er eigenlijk over? We citeren een tekst uit de eerste brief van de apostel Johannes:
"Wie anders is het die de wereld overwint dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? Hij is het Die kwam door water en bloed: Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het Die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één." (5:5-8)
Maar hier staan er meteen tekstkritici klaar die erop wijzen dat er hier woorden (die ze dan het 'comma Johanneum' noemen) zijn ingevoegd door latere generaties christenen, omdat de meeste handschriften de woorden over de hemelse drie-eenheid missen. Omdat deze blog niet de plek is voor een tekstkritische discussie zal ik de tekst niet als bewijs maar als idee nemen.
Wat getuigt er op de aarde van God? Dat is de Geest die in ons hart getuigt ("de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is") en ons leven vernieuwt, het water van de doop dat de afwassing van de zonde en dus de heiliging symboliseert, en het lijden en sterven van Jezus Christus, de Zoon van God, dat de zonde vergeeft. Zonder die drie dingen bestond er alleen maar ons onwetende, onheilige, onverzoenlijke leven buiten God.
Maar bij nader inzien zijn deze drie aardse getuigen meteen getuigen van wie God is.
  1. Allereerst over het getuigen van de Geest. Er staat "De Geest getuigt": "de Geest" is dus niet een opvatting van de mens, want wie zou de opvatting van een mens als getuige willen nemen voor het bestaan van God? Er staat over die Geest dat het "God is" die "in ons" blijft:
    "Niemand heeft ooit God gezien. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volmaakt geworden. Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. En wij hebben gezien en getuigen dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Zaligmaker van de wereld. Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God. En wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd. God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem." (4:12-16)
    Dus de Geest die God de Vader ons heeft gegeven getuigt, dat Jezus de Zoon van God is. Dezelfde apostel Johannes schrijft in zijn evangelie de woorden van Jezus: "Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb." (14:26)
  2. Wat het getuigen van de doop betreft, daarover kunnen we allereerst lezen hoe Jezus "gekomen is door water". In het evangelie staat hoe Jezus als profeet van God werd gedoopt:
    "Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden. Maar Johannes wilde Hem hiervan weerhouden en zei: Ik heb het nodig door U gedoopt te worden, en komt U naar mij? Maar Jezus antwoordde hem en zei: Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het Hem toe. En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!" (3:13-17)
    We zien dit ook kort herhaald in het evangelie van de apostel Johannes zelf (1:29-34). Dus Jezus is als profeet gedoopt terwijl Zijn Vader en de Geest getuigden dat Hij Gods Zoon was! En daarna kunnen we ook wijzen op de doop in de Naam van Christus: "Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen." (evangelie van Mattheüs, 28:19)
  3. Hoe getuigt het het lijden en sterven van Jezus van God? Hoe is Jezus "gekomen door het bloed"? Het lijden en sterven van de Zoon van God geeft ons de vergeving van zonden (evangelie van Mattheüs, 26:28). Daarom schrijft de apostel Johannes in deze brief: "Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden." (4:10) Het geloof in Jezus Christus staat centraal: dat is het geloof dat "de wereld overwint" en wat door de Geest van God is: "Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en die nu al in de wereld is." (vers 2-3) En dat geloof maakt ons "kinderen" van God de Vader: "Lieve kinderen, u bent uit God en u hebt hen overwonnen, want Hij Die in u is, is groter dan hij die in de wereld is." (vers 4)
Wie dus kritisch zegt dat vers 7 niet in de rest van de brief van de apostel Johannes past, lijkt de rest van die brief niet te hebben gelezen...

Laten we het nu over de filosofische kant ervan hebben. Is het niet onmogelijk dat de Zoon, de Vader en de Geest één God zijn in plaats van drie goden? De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel zegt: "één in wezen met de Vader". De geloofsbelijdenis van Athanasius: "Zo is de Vader God, de Zoon God, en de Heilige Geest God. En toch zijn zij niet drie Goden, maar één God." Hoe kan dat?

Allereerst moeten we natuurlijk weten dat de Zoon niet de Vader is (want anders zou de Vader de zonden vergeven door het lijden van Zichzelf...) en dat de Geest niet de Zoon of de Vader is (anders zond de Vader Zichzelf...). Maar hoe zijn ze dan één, als ze niet hetzelfde zijn?

De bisschop Augustinus heeft een boek "Over de Drie-eenheid" geschreven waarin hij deze vraag probeert te beantwoorden. Verassend is dat hij dat doet door beelden van drie-eenheid terug te vinden in de natuur, maar in het bijzonder in de menselijke geest. "Het beeld van God moet gevonden worden (...) in de redelijke of intellectuele ziel waar het beeld van de schepper op onsterfelijke wijze in haar onsterfelijkheid ingeplant is." (Over de Drie-eenheid, uitg. Peeters, 2005, XIV.4,6, p.364) Hij noemt zo herinnering, begrip, en wil, als drie elementen van één menselijke geest, zoals God de Vader de Oorsprong, God de Zoon het Woord, en God de Heilige Geest Liefde genoemd worden. En die woorden vinden we dus ook in de Bijbel terug, zoals bijvoorbeeld wat we al genoemd hebben uit de brieven of het evangelie van de apostel Johannes, die ook over de Zoon van God zegt: "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God" (evangelie van Johannes, 1:1).

Wie zou dus willen beweren dat het woord van iemand anders is dan die persoon zelf? En toch wordt is dat woord uit die persoon voortgekomen en niet andersom. Het Woord van God, Jezus Christus, is hetzelfde als God de Vader, en toch is Gods Zoon uit God de Vader voortgekomen. Of wie zou zeggen dat de liefde van iemand niet hetzelfde is als die persoon, of dat je de liefde en het woord van iemand kunt scheiden? De liefde, die door Gods Geest in ons is, is God, en de liefde van God is niet te scheiden van het Woord van God, Gods Zoon.

En hoe zou het ene meer kunnen zijn dan het andere als het ene het andere kenmerkt? De Zoon van God, Jezus Christus, is het kenmerk van God de Vader. De Heilige Geest van God is het kenmerk van de Vader en van de Zoon. Jezus Christus zegt wel: "Mijn Vader is meer dan Ik" (14:28) als Hij het heeft over dat Hij naar de hemelse heerlijkheid zou terugkeren, maar dat wordt over het Woord gezegd dat een lichaam heeft aangenomen (1:14): "het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond", en waarvan staat: "het Woord was God" (1:1).

Als de Zoon van God 'het Woord' wordt genoemd is dat wel een manier van spreken die niet letterlijk moet worden opgevat. Bij ons is het woord wat iemand uitspreekt van een andere substantie dan degene die spreekt: iemand die spreekt is fysiek, zijn woord is niet fysiek. Maar het Woord van God heeft hetzelfde zijn als God de Vader. Het is "God uit God, Licht uit Licht" (geloofsbelijdenis van Nicea). En op dezelfde manier is ook de Geest, waarvan gezegd wordt dat de Heilige Geest getuigt op aarde en de trooster van de volgelingen van het Woord is. God is dus niet één persoon, maar wel één zijn.

Zo zien we dus hoe de eeuwige en oneindige God drie is en toch één, en dat we deze drie Goddelijke personen als hemelse getuigen moeten erkennen als we God willen kennen. De filosofische God die abstract enkel en één is, is juist een onbedenkbare bespiegeling. Zonder het getuigen van de Vader, het Woord en de Geest in de hemel zouden we geen idee hebben wie God is.

donderdag 30 augustus 2012

Perfectie en geluk

Hoe perfect bent u eigenlijk?

Op perfectietest.nl heb ik een test ontwikkeld die een overzicht van Gods geboden geeft en test hoe goed je erop scoort. Op de site zelf staat al een verantwoording, maar hier nog wat uitgebreider hoe ik te werk ben gegaan:
  1. Ik ben begonnen bij de samenvatting van Jezus van de wet in het evangelie van Mattheüs, 22:35-40: "... een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken: Meester, wat is het grote gebod in de wet? Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten."
  2. Daaronder heb ik de eerste vier en de laatste zes van de tien geboden gezet, die de basis vormen voor de hele wet in Exodus, Leviticus en Deuteronomium.
  3. Daarna heb ik in Leviticus 19 en wat andere hoofdstukken van Leviticus wat verdere uitwerkingen van deze wetten gevonden. Het bijbelboek Deuteronomium voegt daar niet echt wat aan toe, het is meer een uitgebreide herhaling van deze wet.
  4. Verder heb ik in het evangelie van Mattheüs, hoofdstuk 5, gelezen hoe Jezus uitlegt hoe de wet bedoeld wordt.
  5. Verder heb ik een aantal specifieke testvragen toegevoegd zoals: "Rijdt u wel eens te hard?" die natuurlijk niet in de Bijbel te vinden zijn, maar wel horen bij het gebod dat we onszelf en anderen niet in gevaar mogen brengen, een wetregel die bij het gebod "U zult niet doden" te plaatsen is.

Is dat een subjectieve selectie? Veel mensen ergeren zich in de wetboeken (zoals Leviticus en Deuteronomium) aan de strenge straffen die God aan Zijn staat Israël gebiedt te hanteren. Zoals: de doodstraf voor het dienen van andere goden, de doodstraf voor onverbeterlijke ongehoorzaamheid aan ouders, de doodstraf voor overspel, het afhakken van een hand voor diefstal. Die straffen waren ingesteld voor de staat Israël, en laten niet de bedoeling maar de praktische uitvoering van de wet in Israël zien. Daarom is het niet raar dat de straffen zoals in de staat Israël niet toepasbaar zijn bij een staat die niet speciaal door God is opgericht, zoals Nederland.

Anderen ergeren zich aan regelgeving die niet in hun wereldbeeld past zoals de regel dat een man die een vrouw verkracht heeft met haar moet trouwen en een bruidsschat moet betalen, of de regel dat de niet-opzettelijke dood van een niet-Joodse slaaf of slavin minder streng bestraft wordt dan de niet-opzettelijke dood van een Joodse man of vrouw. Die regels horen ook bij de praktische uitvoering. Als deze regels niet bij ons wereldbeeld passen, en we daarom de bijbelse ethiek verachten, zijn we nogal intolerant. De ethiek voor het omgaan met slaven en seksualiteit is echter al heel duidelijk uit de rest van de wet: de Bijbel zegt nog steeds: "Zorg goed voor je knecht" (bijv. geef hem op de sabbat vrij) en "Ga je niet te buiten en wees trouw aan je echtgenoot".

Perfectietest.nl bewijst dat de bedoeling van de wet zoals die aan Israël werd gegeven nog springlevend is. Is het raar om bewondering te hebben voor de wet van Israël als die nog heel actueel is? Ik vind van niet. En dat is heel christelijk, want Jezus zegt:
Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. (evangelie van Mattheüs, 5:18)

De perfectietest is eigenlijk een heenwijzing naar Gods Koninkrijk. Want Jezus spoort degenen die Hem volgen aan om perfect te zijn, nadat hij een omschrijving heeft gegeven van wat het geloof en het volgen van Hem eigenlijk allemaal inhoudt:
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.

Jezus zegt dus niet: "Gelukkig zijn de perfecten", maar Hij zegt: "Gelukkig ben je als je de bron van het leven in Mij vindt. En wees dan perfect!"

woensdag 7 december 2011

Eenzaam geloven

(N.a.v. Metabletica, prof. dr. J.H. van den Berg (1956) over veranderingen in zichtbaarheid en sociale cohesie.)

Veel dingen zijn tegenwoordig minder gemeenschappelijk dan vroeger. We internetten alleen. Ik zit hier vanavond met mijn laptop op schoot in de huiskamer, en vermijd teveel interactie met mijn huisgenoten omdat ik anders niet gemakkelijk kan schrijven. Maar het gaat niet alleen om bloggen, ook om dingen opzoeken, communiceren (sociale media), post lezen (e-mail), nieuws lezen. Ondertussen sterft elke verhaalvertelling een stille dood. Ik denk dat een weggedoken houding achter een opengeslagen krant meer interactie met de omgeving mogelijk maakt dan het surfen van nieuws achter een PC. Maar er is nog meer. We werken vaker alleen. De schimmige groep van mensen die je alleen kent van het moment dat ze naar hun kantoor gaan en terug komen (file) wordt steeds groter. We reizen alleen. Hoe efficiënter het vervoer, des te afstandelijker worden de passagiers.

Alsof dit nog niet genoeg is om een leven van eenzame activiteiten te regisseren, denk ik dat er ook wel aan toegevoegd kan worden: we geloven alleen. Daarmee bedoel ik niet alleen maar dat je van iemand niet meteen kunt zeggen of hij of zij atheïst, agnost of christen is. Ook het geloof zelf is vereenzaamd en verinnerlijkt. Vroeger baden mensen hardop. De priester Eli die de vrouw Hannah geluidloos zag bidden (alleen haar lippen bewogen) dacht dat ze dronken was (bijbelboek Samuël). Vroeger lazen mensen trouwens ook hardop. Toen Augustinus (in 387) de bisschop van Milaan, Ambrosius, stil zag lezen, dacht hij eerst dat die ziek was (zie de Confessiones van Augustinus, VI, 3). Mogelijk kunnen we daarbij voegen dat anderen het ook nogal godslasterlijk en duivels zouden hebben gevonden om Gods Woord op die manier te lezen, ware het niet dat het de bisschop was die zo las. Augustinus vindt het nodig om eraan toe te voegen: "Maar met welke bedoeling hij dit ook deed, ongetwijfeld deed hij het met een goede bedoeling."

Niet alleen bidden en lezen zijn vereenzaamd; het geloof is ook gewoon particulierder geworden door de grotere onbekendheid van gemeenteleden (die op elke dag van de week hun eigen eenzamige leven leiden, mogelijk op heel andere plekken). Als er een gesprek gevoerd wordt 's zondags kun je eerst wel een half uur informatie uitwisselen over wat er die week gebeurd is. Moet je elkaar voor het delen van geloof niet beter kennen dan dat?

Mogelijk zijn er christenen en kerken in Nederland die de eenzaamheid van geloven beter tegen weten te gaan, maar het lijkt erop dat het ook op het terrein van geloof onmogelijk is te ontkomen aan de overheersende cultuur van eenzaamheid. En dat wil ik graag via deze blog met iedereen delen.

Wat nog hoop kan geven, is dat de Geest van God ook in stilte werkt.
"De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is" (Evangelie van Johannes, hoofdstuk 3).

maandag 10 oktober 2011

Nieuwe geboorte

In het evangelie van Johannes, hoofdstuk 3, wordt beschreven hoe een theoloog bij Jezus op bezoek komt. De theoloog begint het gesprek als volgt: "We weten dat u van God komt. Want anders zou u deze wonderen niet kunnen doen." Jezus antwoordt hem echter: "Niemand kan het Koninkrijk van God zien, tenzij hij opnieuw geboren wordt."

Hoe?, vraagt de theoloog. Jezus antwoordt: Als iemand niet opnieuw geboren wordt uit Gods Geest, kan hij Gods rijk niet ingaan. Ieder die geboren wordt is 'lichamelijk', als het ware op niets anders dan op het lichamelijke gericht. Maar wat uit Gods Geest geboren is, is in staat op het Koninkrijk van God gericht te zijn. U moet zich niet verwonderen dat er hier over een "geboorte uit Gods Geest" wordt gesproken: die geboorte en die Geest is als het blazen van de wind: als u het geluid hoort hoeft u nog geen idee te hebben waar die vandaan komt of heen blaast.

De theoloog vraagt weer: Maar hoe kan dat dan? Jezus antwoordt hem: Weet u dat niet eens? Als u de dingen die voor het oog zijn niet gelooft, hoe zult u geloven als ik u de hemelse dingen zou vertellen? Maar ik kan ze u vertellen omdat ik weet wat ik spreek en het gezien heb.

Niet dat er iemand in de hemel zou kunnen opklimmen en daarvan vertellen: niemand weet de hemelse dingen dan wie uit de hemel afkomstig is, de zoon uit de mensen. En zoals Mozes de slang van koper ophief (die hij op Gods bevel gemaakt had, en die het enige middel wat om genezen te worden van de beten van de giftige slangen waarmee God Israël gestraft had), zo moet de zoon uit de mensen verhoogd worden, zodat ieder die in hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.

Zoveel heeft God de wereld liefgehad, dat hij zijn enige zoon daarvoor gegeven heeft. Voor wie in hem gelooft is er behoud. Maar wie niet in hem gelooft is veroordeeld omdat hij de enige zoon van God niet geloofd heeft. Hierom is die veroordeling: dat het licht aan de wereld gegeven is, maar dat men de duisternis liever heeft gehad dan het licht.

Want ieder die hier een hekel aan heeft, haat dat licht omdat het zijn verkeerde daden laat zien. Maar wie het goede doet, komt naar dat licht, en dan blijkt dat zijn goede daden in God verricht zijn.

vrijdag 23 september 2011

Moeilijke dingen om te geloven

Omdat deze blog toch al geen onderwerpen mijdt die minder over filosofie dan over geloof gaan, heb ik besloten ook een keer specifiek over geloofszaken te schrijven — over de geloofszaken die soms niet worden begrepen.

Allereerst over de hel. Daarover is het eigenlijk te verschrikkelijk om te spreken. Alle levenden zullen er met afgrijzen van zijn vervuld, zegt de profeet Jesaja (hoofdstuk 66, laatste vers). De Heer heeft gezegd dat het een plaats van pijn en haat zal zijn. Als de hel wordt vergeleken met een vuur, betekent dat de hevigheid, de onblusbaarheid, en de onhoudbaarheid van die pijn en die haat. Hoe kan het dat God zo wil straffen? God wil zo niet straffen: want het is niet Gods wil dat we sterven, maar dat we leven. Het Evangelie is voor allen. Waarom is die straf dan zo groot? Dat de hel is zoals ze is, is niet een gevolg van dat God gezocht heeft naar de zwaarste straf. Het is het gevolg van de onmogelijkheid van het samengaan van het rijk van God en een schepsel dat een vijandige wil daartegen heeft en zal blijven hebben; want in de hel is geen bekering meer mogelijk.

Over bekering. Bekering is de verandering van de wil van de mens van vijandig tegen God naar instemmend met Gods wil. Waarom is niet iedereen die goed leeft bekeerd? Niemand leeft er goed (zie brief aan de Romeinen, hoofdstuk 3). Heel het leven van een mens die Gods Geest niet verandert is gericht tegen God, en daarmee direct of indirect op de vernieling van de medemens en de wereld. Zo verschrikkelijk is de christelijke boodschap, als ik het Evangelie verzwijg.

Over uitverkiezing. Hoe komt een mens tot bekering, zodat hij door Gods Geest veranderd wordt? Ik zal mijn antwoord op deze vraag eerst breder formuleren en dan verduidelijken. Misschien is het zo dat sommige mensen tot bekering komen doordat ze zich aan God en de Godsdienst onderwerpen; en dat de rest van de mensen die zich niet onderwerpt slechts door Gods genade ingrijpend uit hun oude leven kunnen worden gehaald. De schuld van degenen die zich niet aan God onderwerpen staat dan vast: ze hebben niet gewild. Het getuigenis van christenen van wie God het leven heeft veranderd is echter altijd dat ze onder de tweede categorie van mensen vallen: dat het niet hun wil was die hen bekeerde. Dat maakt God genade alleen maar groter. Maar omdat dat ook betekent dat de schuld van wie bekeerd is even groot was als degenen die niet bekeerd worden, betekent het ook dat God hen onverdiend heeft uitgekozen. Abraham was niet beter dan anderen, Izak was niet beter dan anderen, Jakob was niet beter dan anderen. Maar als dat zo is, waarom redt God dan niet iedereen? Wie God met ernst zoekt, zal behouden worden (zie bijvoorbeeld de profeet Jesaja, hoofdstuk 55). Wie kan God dan nog verwijten dat hij nalatig is geweest met zijn verlossing? Als God degenen die Hem niet zoeken straft, toont dat zijn rechtvaardigheid.

Over voorzienigheid. Voorzienigheid wil eigenlijk zeggen: de zorg die God heeft voor de wereld, bijvoorbeeld voor alle mensen (ook voor wie niet bekeerd is!), of voor de aarde. Maar theologen hebben er een veel complexere dogmatiek aan vastgemaakt, omdat ze vonden dat het een gebrek zou zijn als God de hele toekomst niet zou kennen ('voorzien'), of dat het een gebrek zou zijn als een van Gods voornemens ooit zou wijzigen, of dat het een gebrek zou zijn als God niet zelfs de wil van de mens zou kunnen bepalen. Laat ik hier voorzichtig over zijn: het zou kunnen dat God de toekomst voorziet, en dat daarom niet een van Gods voornemens ooit wijzigt; maar zo'n eeuwigheidsperspectief is voor ons niet makkelijk te begrijpen. Wat we wel geloven met betrekking tot de voorzienigheid is dat God almachtig is, dat God daarom de toekomst bepaalt en weet, en dat God niet aan de natuurwetten gebonden is, en zelfs de besluiten van mensen kan sturen (wat niet betekent dat hij de wil van de mens op het kwade zou richten; wat het richten van de wil op het goede betreft, zie bekering), en dat God doet wat hij beloofd heeft. Maar komen rampen ook van God? Ja. Ze zijn een gevolg van de vervloeking van de aarde na de zondeval. Maar dat God ook boven die rampen staat kan niet anders dan een troost zijn voor degenen die in God geloven; voor anderen kan het een middel zijn om de verschrikkelijke waarheid van het leven in te zien en zich te bekeren tot God.

Over God. "Nog nooit heeft iemand God gezien, maar de enige Zoon, zelf God, die rust aan het hart van de Vader, heeft hem doen kennen" (Evangelie van Johannes, hoofdstuk 1). Van wie tot God bekeerd is en gelooft, is het hart gericht op de openbaring en verlossing van Jezus Christus, Gods Zoon, de verlosser. Wie meer over hem wil weten, moet de Bijbel lezen: wij geloven dat van het begin (direct na de zondeval) tot het eind naar deze verlossing wordt verwezen. Daarom: neem en lees!

vrijdag 19 augustus 2011

Een land ver weg

Mensen hebben de neiging om God zoveel mogelijk uit hun wereld te weren. Dat is niet pas met een 'secularisatie' het geval: het was al zo in de dagen van Noach of Lot, staat er in het evangelie van Lukas (einde van hoofdstuk 17):
En zoals het eraantoe ging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: ze aten, ze dronken, ze huwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. Of zoals het eraantoe ging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.

Ik schreef al eerder: soms nemen bepaalde thema's ons leven als een verhaal in bezit. Maar daarbij gebeurt nog iets ergers: de gedachte aan God wordt als de gedachte aan een land dat ver weg is. We zien in onze dagelijkse handelingen onze afhankelijkheid van God niet meer, of zien in het lijden van de natuur de afstand tot God niet meer, of denken niet meer aan onze Schepper bij het zien van de overgebleven schoonheid van de natuur. Of als we dat al doen, hebben we nog grote moeite met het denken aan de hogere dingen: we zien geen verband meer tussen de duizenden sterren en de duizenden engelen in de hemel die God dienen, we denken niet meer aan de plaats en tijd die Jezus Christus op aarde als mens had, we zien in de grote gebeurtenissen op aarde geen tekenen meer van de toekomst van het rijk van God. We oogsten niet dankbaar vruchten meer van de aarde maar we besteden onze inkomsten uit aan mensen, die mensen weer aan de technische middelen: de aarde is hoogstens nog een weerbarstig instrument. We zien onszelf als heersers, het idee van het bestaan van God als een lastige inbreuk op toegeëigende grond: voor het erkennen van een almachtige God is geloof nodig. We zien de tien geboden van Gods wet meer als ideaal dan als absolute leefregel en gebod: we geven niet alleen weinig om het dienen van God, het niet ijdel gebruiken van Gods naam, het herdenken van de rust na de schepping (en van de opstanding van Christus) op de zevende dag; maar we geven daarmee ook weinig om onze medemens.

Omdat Jezus de wet in deze twee dingen samenvatte: het liefhebben van God met heel het hart en alle inspanning, en het liefhebben van onze naaste als onszelf, is het ook duidelijk waar het aan ontbreekt als al deze dingen soms verflauwen: aan liefde tot God en tot de ander. Gelukkig is er een evangelie van verlossing.

maandag 23 mei 2011

Waarom geloven in Christus?

'Waarom geloof je?' hoeft geen moeilijke vraag te zijn. De woorden van de Bijbel hebben je bijvoorbeeld aangesproken, je bent hoe dan ook ergens door overtuigd. Geloof is overtuigd zijn van dingen die niet zichtbaar zijn (brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 11).
Moeilijker is de vraag: 'Waarom geloof je dit?' Stel dat je in een andere traditie was opgevoed, had je dan niet geloof in iets anders gehad? Wat maakt jouw geloof het enige ware?
Stel dat je één geldige reden kunt geven waarom jouw geloof beter is dan de andere, dan is dat al genoeg. Voor het christelijke geloof ten opzichte van andere geloven heb ik er vele. Maar: de vergelijking met andere geloven zorgt voor iets anders: je gaat je afvragen: als een ander geloof volgens je eigen opvatting een verzinsel is, omdat je overtuigd bent van een andere waarheid, dan kan geloof dus een verzinsel zijn dat ver gaat. Wat geloof kan verzinnen is dan veel: gebeurtenissen, openbaringen, claims van woorden van God, enzovoort.
Hoe weet je dus nog zo zeker dat wat jij gelooft (hoewel met reden) waar is, als je het vergelijkt met het door jou onwaar geachte geloof van anderen?
Ik heb al gezegd: geloof is overtuigd van dingen die niet zichtbaar zijn. Er is nooit een complete redelijke rechtvaardiging voor wat je gelooft. Er blijft altijd iets wat je 'gevoel' noemt — hoewel dat misschien een te geringschattende term is voor wat ook 'openbaring' genoemd zou kunnen worden.

Op het kruispunt van gevoel (of openbaring) en rede zul je dus iets van je overtuiging moeten uitdrukken, als je het onzichtbare een klein beetje zichtbaar wilt maken. Maar het is moeilijk, omdat voor elk moment van overtuiging dat voor jou overtuigend is, anderen dat moment in twijfel kunnen trekken. En door die mogelijkheid van verstandelijke twijfel in de ander, kun je zelf ook elk moment van overtuiging door je eigen rede in twijfel laten trekken.
We bevinden ons daarmee helemaal niet in een nieuwe of unieke situatie: de volgelingen van Jezus hadden precies dezelfde kritiek van buitenaf. Laten we dus zien wat voor commentaar de volgelingen van Jezus geven waarmee ze hem belijden als de Heer, Gods Zoon, en de verlosser. Jezus' daden geven niet alleen een goed voorbeeld; zijn woorden en daden waren met kracht. Allereerst over Jezus' woorden:
Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, en wij geloven en weten dat u de heilige van God bent. (evangelie naar Johannes, einde van hoofdstuk 6)

Maar het gaat niet om woorden alleen, ook om daden:
Toen Johannes in de gevangenis hoorde over de daden van de Messias, liet hij Hem bij monde van zijn leerlingen vragen: ‘Bent U het die komen zou, of hebben we een ander te verwachten?’ Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd. Gelukkig degene die geen aanstoot aan Mij neemt.’ (evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 11)

Hoe belangrijk de levenswandel is, zegt Jezus ook zelf:
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan. (evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 7)


Maar we kunnen Jezus' woorden mooi vinden en toch niet geloven dat hij God is. We kunnen stellen dat de beschrijving van zijn daden min of meer verzonnen is door zijn volgelingen. Daarom is het uiteindelijk Gods Geest die ons overtuigt: die geeft dat het geheel van opgeschreven woorden en de beschrijvingen van gebeurtenissen voor ons gaat leven, zodat we niet meer anders kunnen dan geloven.
Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken.
Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’
Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’ (evangelie naar Markus, einde hoofdstuk 8)

Of je wilt geloven of niet, je wordt geconfronteerd met wie 'Jezus van Nazareth' was. Wat mij betreft is dat voor ieder persoonlijk reden tot zelfonderzoek: kan het zijn dat het waar is?

(zie ook dit eerdere bericht over Kierkegaards boek 'Oefening in christendom')

vrijdag 22 april 2011

Luisteren

Vanuit rationeel perspectief is geloof in God een geloof in iets abstracts. Maar dat is de 'God van de filosofen', niet de God van het christelijke geloof.

Geloof kan echter nog concreter en persoonlijker worden als het verweven is met een bepaalde traditie. Dat heeft George Eliot (schrijfster Mary Ann Evans) in de roman 'Silas Marner' mooi uitgedrukt (hoofdstuk 2):
"The white-washed walls; the little pews where well-known figures entered with a subued rustling, and where first one well-known voice and then another, pitched in a peculiar key of petition, uttered phrases at once occult and familiar, like the amulet worn on the heart; the pulpit where the minister delivered unquestioned doctrine, and swayed to and fro, and handled the book in a long-accustomed manner; the very pauses between the couplets of the hymn, as it was given out, and the recurrent swell of voices in song: these things had been the channel of divine influence to Marner — they were the fostering home of his religious emotions — they were Christianity and God's kingdom upon earth. A weaver who finds hard words in his hymn-book knows nothing of abstractions; as the little child knows nothing of parental love, but only knows one face and one lap towards which it stretches its arms for refuge and nurture."


Ceremonie kan beetje bij beetje zelfs de plaats innemen van inhoud. Dat is een van de dingen waarin de hervorming afstand wilde nemen van de Rooms-katholieke Kerk. Maar hoewel de protestantse kerken soms minder ceremonie bevatten, zonder ceremonie zijn ze natuurlijk niet, en de praktijk van een kerkdienst neemt altijd bepaalde gewoontes en vormen aan. Maar: zal dat voor de eenvoudige kerkganger niet de hele plaats van geloven innemen? Is er nog iets tussen abstractie en gewoonte mogelijk?

Ik heb al gesuggereerd van niet. Het christelijk geloof is persoonlijk, en dus niet abstract; maar dus ook niet simpel gewoonte en vorm. De boodschap van het christelijk geloof heeft houvast in de geschreven woorden van het Evangelie, en ook de wetten en de profeten: woorden die confronteren en pas gewoonte kunnen worden als er niet meer geluisterd wordt.

Het is de taak van de christelijke gemeente om die woorden levend te houden: om simpel en begrijpelijk te spreken, niet iets abstracts of duisters te maken van de woorden van Christus. Symboliek kunnen die woorden wel bevatten; maar de vergelijkingen in het Evangelie zijn wel van die aard dat ook eenvoudige mensen (zoals 'Silas Marner') die kunnen begrijpen. Het is zaak van iedereen om – en niet uit gewoonte of alleen abstractie – te luisteren.

Of denkt u dat de christelijke woorden zich daar niet voor lenen? Dan hebt u misschien nog nooit goed geluisterd.

woensdag 13 april 2011

Fundamentalisme

Naar aanleiding van lezersinzendingen over fundamentalisme en de 'funditest' (die een 'gehalte van fundamentalisme' probeert te testen) bij het dagblad Trouw dacht ik een tijdje geleden na over wat fundamentalisme is. Ook nu houdt de vraag mij bezig: wat zorgt ervoor dat gelovigen fundamentalistisch worden gezien en daardoor anders of kwaadaardig?

Als ik zeg dat ik in God geloof, en zeg dat ik aan dat geloof niet twijfel, is dat voor anderen afschrikwekkend. Het is eenvoudig een optelsom van twee factoren:
  1. Ik geloof in iets dat voor anderen niet te bewijzen is;
  2. Ik plaats dat geloof buiten twijfel.
Misschien is dat afschrikwekkend omdat er duizend andere dingen zijn waarin ik zou kunnen geloven terwijl ze niet te bewijzen zijn, en ze buiten twijfel plaatsen, terwijl die duizend andere dingen wel eens schadelijk zouden kunnen zijn voor anderen. Of anders, als ze niet voor anderen schadelijk zijn, dan toch voor mijn geestelijke gezondheid. Ook het geloof in God is niet zomaar als onschuldige kleinigheid te zien. Stereotiepe beelden van bekeringen met het zwaard, kruistochten, censuur van wetenschap voeden een terechte angst voor dat geloof.

Maar ook als ik in mijn geval zou benadrukken dat het om een geloof van vrede gaat (Christus zegt zelfs: heb uw vijanden lief), zou er een zekere afstandelijkheid tegenover dat geloof kunnen zijn. Het geloof in God is immers zo veelomvattend dat het een drastische beperking van de mogelijkheden lijkt te zijn als je daar je hele leven naar zou inrichten. Een soort onnodige verkleining van de rationele mogelijkheden.

Misschien stelt het dan wel gerust als ik zeg dat het geloof in God geen
  • arbitraire keus is,
  • of het resultaat van een 'dogmatische' opvoeding met een rationele theologie,
  • of een zaak is van blinde 'opoffering' voor een droom;
maar dat het in mijn hele leven is geworteld. Wel geen rationele keus dus, die open staat voor twijfel, maar een geloof dat dieper geworteld is in mijn leven, niet-arbitrair, niet-dogmatisch, niet-fundamentalistisch in de zin van blinde 'opoffering' — het geloof geeft mij juist in plaats van dat het een opoffering is. Ik zei: misschien stelt dat gerust; maar niet voor iedereen, want echte atheïsten zullen dat geloof daardoor juist nog steeds als hopeloos zien.

Verschillen gelovigen en niet-gelovigen weinig of veel? Ik denk dat als men denkt dat het verschil groot is, dit gepaard kan gaan met een zekere vervreemding en angst voor elkaars opvattingen. Maar daarom denk ik ook dat het belangrijk is dat je, gelovig of niet, kunt inzien dat we allen mensen zijn. Voor de gelovige: als God bestaat, en de mens verlossing nodig heeft, zijn we allen van God verwijderd, en is niet-geloven verklaarbaar. Voor de niet-gelovige: als God niet bestaat, is een geloof van vrede een bijzondere manier van levensoriëntatie in een wereld waarin niemand zonder oriëntatie kan.

In deze zaken worstel ik om evenwicht te krijgen in sociale verhoudingen. Ik zal proberen te bewijzen dat mijn geloof niet dogmatisch, arbitrair of opofferend is door er met gevoel en levenservaring over te spreken; bewijzen dat het niet irrationeel is door het een plaats te geven in redelijke discussies. Ik kan trouwens ook niet anders – in die zin zoals Luther het zei tegenover de rijksdag te Worms in 1521 het gezegd schijnt te hebben. God helpe ons...