Posts tonen met het label kennis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kennis. Alle posts tonen

maandag 2 juni 2025

Kennen

Het woord wat in de Bijbel wordt gebruikt voor seksualiteit is ידע jadah, kennen. Bij goede seksualiteit tenminste - zoals wanneer Adam zijn vrouw Eva kent en zij zwanger wordt van Kaïn. Bij Lamech, een nakomeling van Kaïn, staat er een schokkende tegenstelling: "Hij nam voor zichzelf twee vrouwen", Hebreeuws לָקַח laqach, wat kan worden vertaald met grijpen of nemen (Genesis 4).

Als het gaat over het huwelijk zegt Adam over Eva: "Deze is been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees". God had namelijk Eva uit een deel van Adam gemaakt. Daarop volgt: "Daarom zal een man ... zich aan zijn vrouw hechten (Hebreeuws דבק, dabaq, kleven of zich hechten) en zij zullen tot één vlees (Hebreeuws בשׂר, basaar, lichaam) zijn" (Genesis 2). God heeft man en vrouw voor elkaar bedoeld.

De kern van seksualiteit is dus niet ongeremde begeerte maar het echt zien en erkennen van en vertrouwen van elkaar. Daarom noemt Jezus ook het met wellust naar een vrouw kijken (Gr. προς το επιθυμησαι, "om het begeren") "overspel in het hart" (Mattheüs 5:28). Die begeerte is dus overtreding van het zevende gebod "U zult niet echtbreken" (Exodus 20).

In Leviticus 18 en 20 staat het zevende gebod verder uitgewerkt. Daar staat ook het verbod op homoseksualiteit erbij. Als de apostelen de christenen zeggen welke wetten van Mozes ze moeten houden, staat daar ook het zevende gebod (het zich onthouden van overspel) bij (Handelingen 15:29). Deze zonden worden in de brieven van de apostelen herhaald (1 Korinthe 6:10, Galaten 5:19-21, Ef. 5:5, Kol. 3:5-6, ook in Openb. 22:15). Daarbij staat dat wie deze dingen doet, het Koninkrijk van God niet zal beërven.

Maar is homoseksualiteit ook niet goed als het gaat om een homoseksuele relatie waarbij de ander even belangrijk is? Nee. God verbiedt niet alleen ontrouwe homoseksuele relaties, of alleen relaties tussen mannen en jongens, maar relaties tussen "mannen en mannen" in het algemeen (en ook vrouwen met vrouwen, Rom. 1:26).

Ik schrijf deze dingen niet om te veroordelen, maar om te leren van God Zelf. Ik weet wat Jezus zegt: "Wie zonder zonde is, moet de eerste steen werpen" (Johannes 8:7). Als ik zou veroordelen, zou ik als eerste beschaamd weg moeten lopen. Maar ik vind het belangrijk om te weten wat God Zelf zegt en daarnaar mijn leven te richten.

De kern van seksualiteit tussen man en vrouw in het huwelijk is dus goed: elkaar helemaal kennen en aan elkaar geven. God dienen heeft dus niets met een 'platonische' relatie te maken waarbij seksualiteit wordt afgedaan als iets lelijks. Maar het is makkelijk om deze goede kern weg te gooien en alleen de buitenste schil over te houden. Zelfs die buitenste schil geeft ons nog iets wat we begeren. Daarom misbruikt de satan seksualiteit om ons met mooie beloftes van Gods bedoeling weg te lokken. Daarbij blijft er echter altijd een gapende leegte over die blijft schreeuwen om vervulling.

vrijdag 26 juni 2020

Exclusief geloof

Waarom is het geloof in Christus zo exclusief? Dat wil zeggen: waarom sluit het geloof in Christus het geloof in andere goden zoals de hindoestaanse goden of andere profeten zoals Mohammed uit? Waarom denken en zeggen christenen dat het geloof in Christus het enige ware geloof is, en proberen ze er anderen ook toe over te halen?

Om te beginnen, exclusief geloof betekent niet geweld en dwang. Hoewel de Heere Jezus geweld tegen niet-gelovigen verbiedt (Hij zegt zelfs: heb je vijanden lief, zegen wie je vervloeken, bid voor degenen die je geweld doen, Luk. 6) zijn er in de naam van Christus andersgelovigen vervolgd en gedood. Dat is een houding die absoluut niets met het geloof in Jezus te maken heeft. Wie in Jezus gelooft, moet doen wat Hij zegt. Ieder die geweld in de Naam van God verafschuwt, heeft gelijk. Jezus gebiedt iedere gelovige geen geweld te gebruiken tegen de vijanden van christenen, maar het eindoordeel van God af te wachten.

Maar ook zonder dat christenen geweld gebruiken, kan het als vervelend ervaren worden dat christenen anderen willen getuigen over Jezus, dat ze te pas en te onpas over Hem vertellen, dat ze zeggen dat een ander geloof een leugengeloof is waarmee je niet in het rijk van God kunt komen. Wat geeft ze het recht? Sterker nog: waarom voelen ze zich ertoe verplicht?

Er zijn volgens mij twee aspecten van 'exclusief geloof':
  1. Het eerste is het geloof dat er maar één God is: Jehova, en Jezus de Christus, Gods Zoon.
  2. Het tweede is dat christenen ervan overtuigd zijn dat ze dit heel zeker weten, dat het niet 'misschien zo is' en dat andere mensen het ook wel bij het rechte eind zouden kunnen hebben. Ik weet het zeker en heb geen twijfel, of liever: als ik twijfel heb, belijd ik nog steeds Gods Naam en zeg ik: U kent mij!
Je zou het eerste een 'ontologisch' aspect kunnen noemen, hoe de dingen zijn, en het tweede een 'epistomologisch' aspect, hoe we de dingen kennen.

Als je niet eens bent met dat christenen van Jezus getuigen als de enige Weg, kan dat dus om twee redenen zijn:
  1. Òf je denkt dat er niet één God is, maar dat er meerdere zijn, of dat Jezus Christus niet Zijn enige Zoon is en onze Verlosser;
  2. Òf je vindt dat niemand kan zeggen dat ze iets zeker weten over God. Niemand mag zeggen: ik weet het zeker, iedereen moet zeggen: ik geloof het, maar ik zou het mis kunnen hebben.

Zoals je ziet zijn deze twee tegenargumenten tegen 'exclusief geloof' ook maar meningen. Maar ik wil me er niet zó makkelijk van af maken dat ik zou zeggen: dus mag niemand klagen als een christen zegt dat Jezus de enige Weg is. Want je zou de klacht kunnen inbrengen dat het geloof dat niemand iets met zekerheid over God kan zeggen, meer bescheiden en minder vriendelijk is dan dat je zegt: Ik weet dat Jezus de Zoon van God is. Je zou kunnen zeggen: "De mening van een christen die zegt dat Jezus de enige Weg is, is onbescheidener en minder vriendelijk dan mijn mening dat je het niet zeker kunt weten, dus deze onbescheiden en ongemakkelijke, minder onvriendelijke mening moet je veranderen." Het is ironisch dat er ook in deze gedachte een soort bekeringszin zit: je wilt getuigende christenen bekeren zodat ze Jezus niet meer belijden als de enige Weg.

Maar er is meer onderbouwing mogelijk voor het getuigen van Jezus als de enige Weg, en het belijden dat je dat zeker weet. Als christen geloof je in Jezus als de enige Weg, de Waarheid en het Leven omdat Jezus dat zelf zegt (Joh. 14)! En we belijden dat er één God is en dat je geen andere goden tegelijk kunt dienen omdat God Zelf zegt: Je zult je geen andere goden voor Mij hebben (Ex. 20). Of denk aan de andere woorden van God: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45).

Dat geeft genoeg grond voor de eerste overtuiging, dat Jezus de enige Weg is. Maar welke onderbouwing is er voor de tweede overtuiging: Dat je dit als christen zeker weet, en geen ruimte laat voor twijfel? Zegt Jezus of God in de Bijbel ons hier ook iets over? Ja, luister maar: "Je zult Jehova, je God, liefhebben met heel je hart, heel je ziel, en heel je verstand" (Mat. 22). Liefhebben met heel je hart en ziel en verstand laat geen ruimte voor twijfel. "Maar houd het dan toch alsjeblieft voor jezelf!" zul je misschien zeggen. Dat zou kunnen als Jezus er niet op laat volgen: "Je zult je medemens liefhebben als jezelf". Als je een man op een afgrond af ziet lopen, waarschuw je hem toch en schreeuw je naar hem dat hij zo meteen inde diepte stort als hij niet stopt? Zo beleeft een christen het ook. Zo zegt Jezus het ook: "Opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat" (Joh. 3). Ja, ieder die niet in Jezus gelooft gaat verloren! Een christen moet daarbij geen beschuldigende, veroordelende houding hebben, maar gericht op redding: "God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden" (Joh. 3).

Andere woorden die over zekerheid gaan en aansporen tot getuigen:
  • "In Zijn Naam moet onder alle volken bekering en vergeving van zonden gepredikt worden" (Luk. 24)
  • Jezus noemt zelfs de verdeeldheid die het getuigenis over Hem zal oproepen (Luk. 12)
  • "Wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God" (Luk. 12)
Het belijden dat Jezus dé Weg is niet maar een detail. Het is een gevecht op leven en dood voor ieder mens die op de wereld is.

Je zegt misschien: "Maar dat is allemaal een cirkelredenering. Je baseert je mening over de zekerheid van de Bijbel op de Bijbel zelf." Dat klopt. We geloven dat Jezus echt geleefd heeft, dat de woorden van God tot ons zijn gekomen. Niet onredelijk trouwens: we geloven het met veel getuigen en niet in strijd met de bewijzen die we hebben. Maar het is inderdaad een overtuiging, een mening zo je wilt. Toch maakt dat het geloof niet ongeldig of onredelijk. Elke overtuiging is uiteindelijk gebaseerd op andere, en we proberen niemand op enkel en alleen redelijke gronden te overtuigen van het geloof in Jezus. Geloven in God is geen droge optelsom. Geloof in je Schepper en Verlosser is een levensverandering.

Dus als je een christen tegenkomt die zegt: "Ik weet het niet zo zeker, misschien zijn er wel meer goden, misschien is de God van de Bijbel hetzelfde als de hindoestaanse goden, misschien bedoelen Mohammed en Jezus hetzelfde", dan is dat geen volgeling van Jezus en hoort hij niet bij Jezus. Zo iemand is volgens Jezus op een rampzalige weg beland.

Misschien zeg je: "Wat een vreselijk geloof is dat. Zo'n overtuiging is een ramp voor de mensheid. Het zou beter nooit bestaan kunnen hebben." Maar lieve medemens, dat is precies waar de duivel je van overtuigen wil. Maar het is een overtuiging die je regelrecht de afgrond in laat lopen - onder vriendelijk gezang dat alle geloven gelijk zijn. Het is geen vriendelijke overtuiging, maar een moordende overtuiging.

Een laatste punt: het 'exclusieve' geloof in Jezus als de Weg is alleen 'exclusief' in het uitsluiten van andere geloven, maar het is niet 'exclusief' in de zin dat er mensen uitgesloten worden om tot Jezus te komen. Daarin is het juist 'inclusief': God sluit geen mensen uit, hoogstens kunnen mensen zichzelf uitsluiten door God te verwerpen. Dus 'exclusief geloof' betekent voor het christelijk geloof dat het andere geloven uitsluit, maar niet mensen uitsluit.

Laten we luisteren naar wat Jezus zegt: "Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemel is dichtbij!" (Mat. 4) En met Gods woorden door de profeten: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45)

donderdag 6 februari 2020

Waarheid

Voor de verandering een fabel over waarheid.

Er was eens een wees die door een ontfermend man geadopteerd werd. Hem werden nieuwe kleren gegeven en hij mocht in het huis van deze man, zijn nieuwe vader, wonen. Maar het meest verheugde hij zich in de liefde die zijn vader tot hem toonde als hij bij hem was.

Vol vreugde vertelde de wees dit feit aan ieder die het wilde horen. Hij vertelde het ook aan een andere wees die door dezelfde man was geadopteerd. Deze hoorde zijn vreugdevolle relaas in stilte aan. 'Zo,' zei hij, terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste. 'Zo.'
De wees vroeg verontwaardigd: 'Gelooft u het niet?'
De andere wees antwoordde: 'Dat zeg ik niet, maar je weet dat er verschillende wezen hier beweren dat ze door iemand geadopteerd zijn, terwijl ze het niet zijn.'
'O,' zei de wees.
'Je kunt jezelf bedrogen hebben,' zei de ander, 'het was misschien een droom.'
'Maar ik heb toch nieuwe kleren?' riep de wees verbaasd uit.
'Je kunt die gestolen hebben,' reageerde de ander.
'Wat?' riep de wees uit.
'Er zijn andere wezen die dat ook hebben gedaan,' zei de ander. 'Of die gestolen kleren van anderen hebben gekregen. Misschien was de man die je ze gaf wel een bedrieger.'
'Maar ik heb hier het adoptiebewijs!' riep de wees uit. Hij liet het document zien.
'Tja,' zei de ander. Hij haalde ook een document tevoorschijn, wat in de verte ook nog op een adoptiebewijs leek, maar vol stond met allerlei aantekeningen: datum en tijd van verschillende momenten, observaties, maar vooral massa's vraagtekens, zodat het uiteindelijk leek alsof het hele document alleen maar vraagtekens bevatte.
De wees werd bleek. Hij stamelde: 'Maar hij was zo vriendelijk en vol liefde voor mij!'
'Tja,' zei de ander. 'Ik zeg alleen maar dat er bedriegers rondlopen in deze stad.'

Verdrietig vertrok de wees en ging niet terug naar het huis waarin hij was geadopteerd, maar naar de achterafstraten waar hij buiten had geleefd. Hij ging in gedachten terug naar wat hij had meegemaakt en vroeg zich af wat er waar geweest zou kunnen zijn. Hij durfde niet terug te gaan in vrees voor dat hij naar een bedrieger zou gaan.

Zo vond hem zijn vader, die hem geadopteerd had, na een zoektocht van enkele dagen. Hij omarmde zijn vermagerde zoon en zei: 'Kind!' terwijl de tranen van zijn wangen liepen. 'Wat heb je gedaan? Hoe heb je aan mijn liefde kunnen twijfelen?'

donderdag 3 januari 2013

Vijandig of verzoend

Vandaag las ik de historische roman 'Oorlog en vrede' van de Russische schrijver Lev Tolstoj uit. De roman is een historische weergave van de oorlog van Rusland met Frankrijk onder Napoleon. Tolstoj doet daarbij echter langzaam maar zeker heel wat uitspraken over het leven.

In het begin dacht ik dat Tolstoj een realistisch schrijver wilde zijn die het leven wil beschrijven zoals het echt is, ontdaan van ideologie. Zijn verslagen van de veldslagen zijn dat zeker. Tolstoj was goed op de hoogte van de praktijk van oorlog omdat hij zelf in het Russische leger heeft gevochten in de Kaukasus. De karakters doen realistisch aan omdat ze fouten maken en herstellen en tijdens hun leven veranderen. Maar wie goed leest merkt dat de karakters in 'Oorlog en vrede' bijna allemaal stuk voor stuk eenzijdig zijn.

Zo is er de hoofdpersoon van Peter Besoekow die schranderheid en later in zekere mate wijsheid bezit. Hij mist echter zelfbeheersing en daadkracht. Het karakter van Andreas Bolkonsky heeft inzicht, maar mist vergevingsgezindheid. Het karakter van Maria Bolkonsky heeft vergevingsgezindheid en geloof, maar mist juist weer moed. Natasja Rostow: ze heeft hoop, maar mist wijsheid. Nicolaas Rostow: hij bezit dapperheid, maar geen zelfbeheersing. Zijn vader, graaf Rostow, heeft liefde voor zijn gezin maar geen inzicht. De vader van Andreas, graaf Bolkonsky, heeft kennis maar geen rechtvaardigheid en liefde.

Het is wel waar dat in het echte leven ook zwakke en sterke punten bij mensen te benoemen zijn. Maar de karakters in 'Oorlog en vrede' geven geen enkele aanwijzing dat er ook een combinatie van de genoemde deugden kan en moet zijn. De karakters van Tolstoj zijn allemaal 'onvolwassen', wat bij mij een mistroostige indruk achterlaat na het lezen. Ik vind in ieder geval dat de christelijke lezer moet bedenken dat als hij of zij zo leeft als een van de hoofdpersonen van Tolstoj, het niet het leven is dat het christelijke geloof vereist. Oorlog en vrede geven heel wat aanleiding tot filosofische bespiegelingen, maar dat moet niet in mysticisme of fatalisme eindigen maar in het eenvoudige gebed en in een praktisch rechtvaardig leven. Dat is wat Jezus Christus ons zegt:
"Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is." (evangelie van Mattheüs, 5:17-18)
En rechtvaardig voor die wet worden we alleen door het geloof, door de genade van God:
"God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn. Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, omdat wij verzoend zijn." (brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Rome, 5:8-10)

maandag 3 september 2012

Geen idee van God

De belijdenis van de kerk dat de oneindige en eeuwige God uit drie personen (Vader, Zoon en Heilige Geest) bestaat wordt niet door iedereen even gelovig overgenomen.

Wat zegt de Bijbel er eigenlijk over? We citeren een tekst uit de eerste brief van de apostel Johannes:
"Wie anders is het die de wereld overwint dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? Hij is het Die kwam door water en bloed: Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het Die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één." (5:5-8)
Maar hier staan er meteen tekstkritici klaar die erop wijzen dat er hier woorden (die ze dan het 'comma Johanneum' noemen) zijn ingevoegd door latere generaties christenen, omdat de meeste handschriften de woorden over de hemelse drie-eenheid missen. Omdat deze blog niet de plek is voor een tekstkritische discussie zal ik de tekst niet als bewijs maar als idee nemen.
Wat getuigt er op de aarde van God? Dat is de Geest die in ons hart getuigt ("de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is") en ons leven vernieuwt, het water van de doop dat de afwassing van de zonde en dus de heiliging symboliseert, en het lijden en sterven van Jezus Christus, de Zoon van God, dat de zonde vergeeft. Zonder die drie dingen bestond er alleen maar ons onwetende, onheilige, onverzoenlijke leven buiten God.
Maar bij nader inzien zijn deze drie aardse getuigen meteen getuigen van wie God is.
  1. Allereerst over het getuigen van de Geest. Er staat "De Geest getuigt": "de Geest" is dus niet een opvatting van de mens, want wie zou de opvatting van een mens als getuige willen nemen voor het bestaan van God? Er staat over die Geest dat het "God is" die "in ons" blijft:
    "Niemand heeft ooit God gezien. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volmaakt geworden. Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. En wij hebben gezien en getuigen dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Zaligmaker van de wereld. Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God. En wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd. God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem." (4:12-16)
    Dus de Geest die God de Vader ons heeft gegeven getuigt, dat Jezus de Zoon van God is. Dezelfde apostel Johannes schrijft in zijn evangelie de woorden van Jezus: "Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb." (14:26)
  2. Wat het getuigen van de doop betreft, daarover kunnen we allereerst lezen hoe Jezus "gekomen is door water". In het evangelie staat hoe Jezus als profeet van God werd gedoopt:
    "Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden. Maar Johannes wilde Hem hiervan weerhouden en zei: Ik heb het nodig door U gedoopt te worden, en komt U naar mij? Maar Jezus antwoordde hem en zei: Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het Hem toe. En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!" (3:13-17)
    We zien dit ook kort herhaald in het evangelie van de apostel Johannes zelf (1:29-34). Dus Jezus is als profeet gedoopt terwijl Zijn Vader en de Geest getuigden dat Hij Gods Zoon was! En daarna kunnen we ook wijzen op de doop in de Naam van Christus: "Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen." (evangelie van Mattheüs, 28:19)
  3. Hoe getuigt het het lijden en sterven van Jezus van God? Hoe is Jezus "gekomen door het bloed"? Het lijden en sterven van de Zoon van God geeft ons de vergeving van zonden (evangelie van Mattheüs, 26:28). Daarom schrijft de apostel Johannes in deze brief: "Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden." (4:10) Het geloof in Jezus Christus staat centraal: dat is het geloof dat "de wereld overwint" en wat door de Geest van God is: "Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en die nu al in de wereld is." (vers 2-3) En dat geloof maakt ons "kinderen" van God de Vader: "Lieve kinderen, u bent uit God en u hebt hen overwonnen, want Hij Die in u is, is groter dan hij die in de wereld is." (vers 4)
Wie dus kritisch zegt dat vers 7 niet in de rest van de brief van de apostel Johannes past, lijkt de rest van die brief niet te hebben gelezen...

Laten we het nu over de filosofische kant ervan hebben. Is het niet onmogelijk dat de Zoon, de Vader en de Geest één God zijn in plaats van drie goden? De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel zegt: "één in wezen met de Vader". De geloofsbelijdenis van Athanasius: "Zo is de Vader God, de Zoon God, en de Heilige Geest God. En toch zijn zij niet drie Goden, maar één God." Hoe kan dat?

Allereerst moeten we natuurlijk weten dat de Zoon niet de Vader is (want anders zou de Vader de zonden vergeven door het lijden van Zichzelf...) en dat de Geest niet de Zoon of de Vader is (anders zond de Vader Zichzelf...). Maar hoe zijn ze dan één, als ze niet hetzelfde zijn?

De bisschop Augustinus heeft een boek "Over de Drie-eenheid" geschreven waarin hij deze vraag probeert te beantwoorden. Verassend is dat hij dat doet door beelden van drie-eenheid terug te vinden in de natuur, maar in het bijzonder in de menselijke geest. "Het beeld van God moet gevonden worden (...) in de redelijke of intellectuele ziel waar het beeld van de schepper op onsterfelijke wijze in haar onsterfelijkheid ingeplant is." (Over de Drie-eenheid, uitg. Peeters, 2005, XIV.4,6, p.364) Hij noemt zo herinnering, begrip, en wil, als drie elementen van één menselijke geest, zoals God de Vader de Oorsprong, God de Zoon het Woord, en God de Heilige Geest Liefde genoemd worden. En die woorden vinden we dus ook in de Bijbel terug, zoals bijvoorbeeld wat we al genoemd hebben uit de brieven of het evangelie van de apostel Johannes, die ook over de Zoon van God zegt: "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God" (evangelie van Johannes, 1:1).

Wie zou dus willen beweren dat het woord van iemand anders is dan die persoon zelf? En toch wordt is dat woord uit die persoon voortgekomen en niet andersom. Het Woord van God, Jezus Christus, is hetzelfde als God de Vader, en toch is Gods Zoon uit God de Vader voortgekomen. Of wie zou zeggen dat de liefde van iemand niet hetzelfde is als die persoon, of dat je de liefde en het woord van iemand kunt scheiden? De liefde, die door Gods Geest in ons is, is God, en de liefde van God is niet te scheiden van het Woord van God, Gods Zoon.

En hoe zou het ene meer kunnen zijn dan het andere als het ene het andere kenmerkt? De Zoon van God, Jezus Christus, is het kenmerk van God de Vader. De Heilige Geest van God is het kenmerk van de Vader en van de Zoon. Jezus Christus zegt wel: "Mijn Vader is meer dan Ik" (14:28) als Hij het heeft over dat Hij naar de hemelse heerlijkheid zou terugkeren, maar dat wordt over het Woord gezegd dat een lichaam heeft aangenomen (1:14): "het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond", en waarvan staat: "het Woord was God" (1:1).

Als de Zoon van God 'het Woord' wordt genoemd is dat wel een manier van spreken die niet letterlijk moet worden opgevat. Bij ons is het woord wat iemand uitspreekt van een andere substantie dan degene die spreekt: iemand die spreekt is fysiek, zijn woord is niet fysiek. Maar het Woord van God heeft hetzelfde zijn als God de Vader. Het is "God uit God, Licht uit Licht" (geloofsbelijdenis van Nicea). En op dezelfde manier is ook de Geest, waarvan gezegd wordt dat de Heilige Geest getuigt op aarde en de trooster van de volgelingen van het Woord is. God is dus niet één persoon, maar wel één zijn.

Zo zien we dus hoe de eeuwige en oneindige God drie is en toch één, en dat we deze drie Goddelijke personen als hemelse getuigen moeten erkennen als we God willen kennen. De filosofische God die abstract enkel en één is, is juist een onbedenkbare bespiegeling. Zonder het getuigen van de Vader, het Woord en de Geest in de hemel zouden we geen idee hebben wie God is.

zaterdag 7 januari 2012

Schrijven met kennis

Eerder schreef ik al over het verschil tussen informatie en kennis. Ik kom er steeds meer achter dat ondanks enige 'wetenschap' op dat gebied ik nog steeds veel lees en schrijf met de blik op informatie in plaats van op kennis. Misschien komt het omdat er zoveel verschillende meningen zijn dat ik me zoveel bezighoud met jachtige, deelbare informatie in plaats van met rustende, vertrouwelijke kennis.

Je kunt op twee manieren schrijven: als overdracht van informatie en als uitdrukking van meer nabije kennis, en mijn filosofische uiteenzettingen hier zijn voor een groot gedeelte informatieoverdracht. Dat maakt ze waardevol voor wetenschap maar minder waardevol voor kennis. Wetenschap wordt bekend en nadat onze nieuwsgierigheid is uitgeblust wordt ze onbemind. Meer nabije kennis is een verhouding: die blijft levend en heeft geen vuur van nieuwsgierigheid nodig. Die kennis wordt er niet moe van hetzelfde in andere woorden te herhalen, bekommert zich niet om de volgorde of systematiek van de uitspraken, vindt het niet erg triviale of juist onbeargumenteerde uitspraken te doen. Herhaling laat je ergens langer bij stilstaan, toch? Volgorde is er toch om te verrassen? Argumentatie is toch overbodig als je iets al kent?

Maar goed, ik zal wel vooral in de eerste manier blijven schrijven, gewoon omdat het makkelijker deelbaar is. Of omdat er nog genoeg te ontdekken is qua informatie. Of omdat ik het gewoon niet zo goed kan, omdat mijn kennis ervoor ontoereikend is (tenzij ik ze van God krijg).

maandag 23 mei 2011

Waarom geloven in Christus?

'Waarom geloof je?' hoeft geen moeilijke vraag te zijn. De woorden van de Bijbel hebben je bijvoorbeeld aangesproken, je bent hoe dan ook ergens door overtuigd. Geloof is overtuigd zijn van dingen die niet zichtbaar zijn (brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 11).
Moeilijker is de vraag: 'Waarom geloof je dit?' Stel dat je in een andere traditie was opgevoed, had je dan niet geloof in iets anders gehad? Wat maakt jouw geloof het enige ware?
Stel dat je één geldige reden kunt geven waarom jouw geloof beter is dan de andere, dan is dat al genoeg. Voor het christelijke geloof ten opzichte van andere geloven heb ik er vele. Maar: de vergelijking met andere geloven zorgt voor iets anders: je gaat je afvragen: als een ander geloof volgens je eigen opvatting een verzinsel is, omdat je overtuigd bent van een andere waarheid, dan kan geloof dus een verzinsel zijn dat ver gaat. Wat geloof kan verzinnen is dan veel: gebeurtenissen, openbaringen, claims van woorden van God, enzovoort.
Hoe weet je dus nog zo zeker dat wat jij gelooft (hoewel met reden) waar is, als je het vergelijkt met het door jou onwaar geachte geloof van anderen?
Ik heb al gezegd: geloof is overtuigd van dingen die niet zichtbaar zijn. Er is nooit een complete redelijke rechtvaardiging voor wat je gelooft. Er blijft altijd iets wat je 'gevoel' noemt — hoewel dat misschien een te geringschattende term is voor wat ook 'openbaring' genoemd zou kunnen worden.

Op het kruispunt van gevoel (of openbaring) en rede zul je dus iets van je overtuiging moeten uitdrukken, als je het onzichtbare een klein beetje zichtbaar wilt maken. Maar het is moeilijk, omdat voor elk moment van overtuiging dat voor jou overtuigend is, anderen dat moment in twijfel kunnen trekken. En door die mogelijkheid van verstandelijke twijfel in de ander, kun je zelf ook elk moment van overtuiging door je eigen rede in twijfel laten trekken.
We bevinden ons daarmee helemaal niet in een nieuwe of unieke situatie: de volgelingen van Jezus hadden precies dezelfde kritiek van buitenaf. Laten we dus zien wat voor commentaar de volgelingen van Jezus geven waarmee ze hem belijden als de Heer, Gods Zoon, en de verlosser. Jezus' daden geven niet alleen een goed voorbeeld; zijn woorden en daden waren met kracht. Allereerst over Jezus' woorden:
Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, en wij geloven en weten dat u de heilige van God bent. (evangelie naar Johannes, einde van hoofdstuk 6)

Maar het gaat niet om woorden alleen, ook om daden:
Toen Johannes in de gevangenis hoorde over de daden van de Messias, liet hij Hem bij monde van zijn leerlingen vragen: ‘Bent U het die komen zou, of hebben we een ander te verwachten?’ Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd. Gelukkig degene die geen aanstoot aan Mij neemt.’ (evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 11)

Hoe belangrijk de levenswandel is, zegt Jezus ook zelf:
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan. (evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 7)


Maar we kunnen Jezus' woorden mooi vinden en toch niet geloven dat hij God is. We kunnen stellen dat de beschrijving van zijn daden min of meer verzonnen is door zijn volgelingen. Daarom is het uiteindelijk Gods Geest die ons overtuigt: die geeft dat het geheel van opgeschreven woorden en de beschrijvingen van gebeurtenissen voor ons gaat leven, zodat we niet meer anders kunnen dan geloven.
Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken.
Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’
Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’ (evangelie naar Markus, einde hoofdstuk 8)

Of je wilt geloven of niet, je wordt geconfronteerd met wie 'Jezus van Nazareth' was. Wat mij betreft is dat voor ieder persoonlijk reden tot zelfonderzoek: kan het zijn dat het waar is?

(zie ook dit eerdere bericht over Kierkegaards boek 'Oefening in christendom')

woensdag 9 maart 2011

De geschiedenis van kennis tot informatie

Gisteren schreef ik een bericht over de centraliteit van het idee 'informatie' voor ons. Nu is voor elke beweerde verandering in de tijd een bewijs nodig — vaak zijn veranderingen overdreven en een projecterend onderscheid met het verleden. Daarom zal ik proberen hier een schets van een historisch bewijs te geven. Een schets gebaseerd op technische veranderingen en in het oog lopende conceptuele veranderingen. Als voetnoot bij het vorige bericht dus.

De hypothese is: het idee van kennis begon bij tastbaar vertrouwd zijn, en is uitgekomen op losgemaakt, transporteerbaar kennen: informatie. En inderdaad was kennis vroeger een privilege dat de status van iemand bepaalde. Een goede boer kende zijn vee, een smid kende de hamer en het ijzer. Meer kennis dan dat was uitzonderlijk: veel gereisd hebben maakte je een rariteit of een orakel van de gemeenschap. Verhalen kwamen, maar van mond tot mond.

Maar was er dan geen losgemaakte, niet-tastbare kennis? Als ik me dat afvraag denk ik aan de uitvinding / het gebruik van het schrift. Het schrift maakt een voorstelling van onpersoonlijke, transporteerbare kennis mogelijk. Maar: het bezit van dat schrift was niet voor iedereen: het was voor de priester, voor de vorst, een boek van voorgeschiedenis, verbondenheid met gezag en traditie.

Ik denk vervolgens ook aan de Griekse filosofie: die filosofie had immers iets van een universaliteit die haar losmaakte van de directe vertrouwdheid? Inderdaad: met de geboorte van de Griekse filosofie, in een milieu waar er tijd over was, een stad met een cultureel centrum was, kwam er de mogelijkheid van losgemaakte kennis. Maar de losmaking van de filosofie van de filosoof is heel geleidelijk gegaan. Wij lachen wel eens om de kosmoloog of ontoloog die schreef alsof hij het zelf had meegemaakt en die beweerde dat zijn kennis geprivilegeerd was, maar dat komt omdat wij in een informatie-tijd leven, waarin kennis los verkrijgbaar is. Die ontwikkeling is geleidelijk gegaan: lang bleef de filosoof bepalend voor zijn werk, bleef hij in zijn werk; pas vrij recent is die koppeling losgeraakt en wordt filosofie als informatie gepresenteerd.

De sofisten waren een nieuwe revolutie na de kosmologen of ontologen. Die toonden aan dat kennis inwisselbaar was voor andere kennis: dat er zoiets kon bestaan als manusje-van-alles op het gebied van kennis! Het was een spotten met de eerdere idee van kennis als vertrouwdheid; maar de kennisbeheersing van de sofisten bleef nog steeds een status, een persoonlijkheidseigendom.

Ergens bij het begin van de moderne tijd werd kennis op steeds grotere schaal reproduceerbaar; met als belangrijk moment de uitvinding van de boekdrukkunst. Opeens was het afgelopen met de privilege van kennis: wie een boek kon kopen en lezen, had kennis, en dat waren steeds meer mensen, in plaats van alleen de eenzame geleerde. Scholen werden groter en dus onpersoonlijker. Wat scheidt deze opvatting van kennis nog met onze opvatting van informatie? Hierin: deze kennis was nog steeds met strengen verbonden aan haar onderwerp.

Als Descartes een universele methode voor de wetenschap ontwerpt, worden die strengen doorgeknipt, maar blijft nog iets anders: de directe verbondenheid van die kennis met de geest van wie helder en onderscheiden kent.

De modernste tijd. Er komt een einde aan de grote verhalen. Het kennen van de Verlichting wordt kennen zonder voorbehoud, zonder engagement — of liever, engagement wordt een romantische keuze, een emotioneel extra dat als predicaat aan een tele-kennis verbonden is.

Dat is een schets van de geschiedenis van het idee 'informatie'. We kunnen kennis onpersoonlijk, transporteerbaar voorstellen door het schrift, universeel door de wetenschap, inwisselbaar door de sofisten, voor ieder beschikbaar door de boekdrukkunst en de grote scholen (en het internet), methodisch door Descartes, voorbehoudsloos door de modernste tijd. En door de ontwikkeling van de wetenschappen ook overal toepasbaar. De tastbare kennis is folklore, een soort van 'inzicht' dat een entiteit 'veronderstelt' die helemaal 'niet nodig' is voor 'ons informatietijdperk' en 'het leven' alleen maar nodeloos 'ingewikkeld' maakt. Waarbij ik aanteken dat al die aanhalingstekens uitdrukking zijn van kennis die gebaseerd is op dat idee 'informatie'.

Ik bedoel hiermee niet dat wij totaal vervreemd zijn van de eerste betekenis van kennis; wel dat we moeten oppassen dat we dat niet worden, of zelfs blijven. Dat wil dus zeggen: niet gewoon doorleven voor kennis in de laatste betekenis. Want: "Wie op de beloning gesteld is, moet de strijd niet afwijzen" (Augustinus, Over de zaligsprekingen).

dinsdag 8 maart 2011

Ter informatie

Het is een beetje een buzz-word: 'informatiemaatschappij'. Toch dacht ik vandaag dat dat woord best veelzeggend is. Waarschijnlijk is in de loop van de tijd kennis in de zin van informatie een steeds belangrijker woord geworden. Die ontwikkeling is ook redelijk recent, want het woord kennis speelde bijvoorbeeld tijdens de Verlichting en natuurlijk daarvoor ook al een rol, maar in een andere zin: in die van directere (tastbare) vertrouwdheid, of direct ideaal inzicht. Nu denken we met dat woord altijd een soort tele-kennis: een kennis die getransporteerd kan worden, informatie dus.

Alles wordt informatie. Bij zaken die er in ons leven fout gaan wijten we het aan gebrek aan informatieve kennis. We zeggen dan: "Vanaf nu weet ik beter.", terwijl we van te voren al even goed op de hoogte waren (waardoor we er dus weinig van leren — en dan bedoel ik leren in de dichtbij-zin, niet informatief of tele-leren). We zien vervolgens het slagen van ons leven, onze levensdoelen, als het completeren van informatie, het perfect beheersen van informatie. Zelfs op het terrein van geloof is dat zo. Informatieve kennis van de dogma's wordt essentieel voor geloof; directe kennis wordt (bijna) bijzaak. Kennis van God wordt informatieve kennis, kennis die (bijna) in woorden te vatten is.

En als die informatie ons even te veel wordt, als we de constante stroom van informatie (die we zelf van de werkelijkheid maken) even niet meer aankunnen, dan wijten we dat aan een gebrek aan inzicht, aan beheersing, gebrek aan evenwicht op het koord waarvan we denken dat het de informatie bij elkaar houdt. Ik bedoel niet dat alles van ons leven informatie en niets meer tastbare vertrouwdheid en levenservaring is, maar wel dat het eerste de overhand heeft.

Trouwens, een indirect gevolg is dat we alles op de toekomst projecteren: in de toekomst zullen we meer, zullen we beter weten. Het nu is een voorbereiding op de toekomst, een moment dat we moeten besteden om tot perfectie van inzicht, informatie te komen.

Maar wat kunnen we eraan doen? Misschien dit: eens ernstig aanvoelen hoezeer het idee van informatie, van inzicht en kennis in de hiervoor geschetste zin, ons leven beheerst. En: proberen te zoeken naar de directere manier van kennis van de zaken waarvan we voelen dat ze van belang zijn — niet alleen voor de toekomst, maar ook voor het daaraan gespiegelde, en urgente nu.

zaterdag 1 mei 2010

Doelen van kennis

Vorige berichten sprak ik van wat kennis is, daarna over hoe het woord 'kennis' wordt gebruikt, en ten slotte over bronnen van kennis of van gerechtvaardigde overtuigingen. Ten slotte nu over wat over doelen van kennis. Ik schrijf dit vooral om het onderscheid duidelijk te maken tussen wat kennis voor logisch-positivisme betekent: 'savoir pour prévoir pour pouvoir': weten om te voorspellen, om te beheersen / kunnen (Wikipedia over Logisch-positivisme) en wat kennis betekent voor het Christelijke wereldbeeld. Zomaar wat losse gedachten.

In mijn eigen opvatting over de kennisvermogens van de mens maak ik een onderscheid tussen weten van standen van zaken (hoe? wanneer? welke oorzaak?) en het kennis van zijn en van zin (wat?). We kunnen het eerste nog, het tweede vermogen is gehavend of verdwenen. Ons ontbreekt kennis van God -- tot Gods Geest ons zelf bekendmaakt Wie God is, uit Gods Woord. De natuurwetenschap lijkt hoogtij te vieren doordat ons existentiële kennis ontbreekt.

Logica en wiskunde zijn begrensd in zichzelf -- dat bewijst de onvolledigheidsstelling van Gödel. Ook andere wiskundige problemen hebben de indicatie gegeven dat meer dingen onbewijsbaar of relatief (axiomatisch) zijn. Het doel van kennis van de natuur is dus niet om verstand en getal te isoleren: de orde in de schepping is veelvormiger dan dat het in één logisch stelsel te vatten zou zijn, het is meervormig.

De mens is volgens het Christelijke wereldbeeld gemaakt om de Schepper te kennen --- zonder die kennis zijn we los van de diepste betekenis van het bestaan, "ongelukkig, zonder God in de wereld" (Efeze 2:12). Luther schrijft in zijn verklaring van de brief aan de Galaten dat (kennis van) de geschapen werkelijkheid is als middel tot kennis van God:
Dit uitwerksel of die vertoning Gods nu is het ganse schepsel. Daarenboven handelt of spreekt God niet met ons van aangezicht tot aangezicht, maar bedekt en achter het schepsel, Zijn gewrocht, vertoning, verborgen, dat is, gelijk Paulus zegt: Wij zien nu God door een spiegel in een duistere rede, maar dan zullen wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht (1 Korinthe 13:12). Daarom kunnen wij die spiegels niet ontberen, maar er wordt voorzichtigheid geëist, om God van dat schepsel, of uitwerksel te onderscheiden.

Bronnen van kennis of van gerechtvaardigde overtuigingen

Over de bronnen van kennis (of van gerechtvaardigde overtuigingen) valt veel te zeggen. Mijn doel is om kort een aantal punten te stellen over waarin het Christelijke wereldbeeld daar van invloed is of kan zijn.

In de geschiedenis van de kennisfilosofie is er een omslag geweest van 'foundationalism' naar 'coherentism'. 'Foundationalism' neemt de stelling in dat kennis op andere kennis is gegrond, en uiteindelijk op basisbouwstenen van kennis of axioma's die vanzelfsprekend zijn. Er is dan een scheiding tussen wat pas gekend kan worden door ervaring (a posteriori), bijvoorbeeld dat gras groen is, en wat zonder verdere waarnemingen gekend kan worden (a priori), bijvoorbeeld 1+1=2. 'Coherentism' neemt de stelling in dat alle kennis een samenhangend stelsel is en dat er dus geen basisbouwstenen zijn. De scheiding tussen a priori en a posteriori is er niet: er zijn geen a priori waarheden, alles hangt af van waarneming.

Vooral de filosoof Quine (1908-2000) verdedigde het 'coherentism' tegen het 'foundationalism'. Zijn positie noemde hij zelf 'naturalistic epistomology', een positie die tegengesteld is aan a priori normatieve standpunten over overtuigingen of kennis (d.w.z., dat overtuigingen bepaalde a priori regels moeten volgen), en tegengesteld aan logisch-positivistische standpunten dat kennis alleen berust op a priori wetten van de logica. In plaats daarvan betoogt de naturalistische epistemologie dat kennis, en ook misschien normen van kennis, betekenis krijgt in de verklaring van onze concepten via een natuurwetenschappelijke methode.

Wat is de verhouding van deze posities tot het Christelijke wereldbeeld?

  1. Het Christelijke wereldbeeld propageert niet tegen een naturalistische epistemologie, het geeft alleen naturalisme een diepere grond, namelijk in een goede Schepper. De natuur is voor het Christelijke wereldbeeld een werkelijkheid die gekend kan worden doordat de Schepper ons zintuigen heeft gegeven die in normale situaties betrouwbaar zijn. (Zo betoogde ook Descartes.) Overigens is het wel mogelijk sceptisch te staan tegenover het gronden van kennis in de menselijke redelijke vermogens, omdat na de zondeval God de mens gestraft heeft met een breuk tussen de mens en de natuur: "Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten hebt, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens" (Genesis 3:17).

  2. Kennis kan voor het Christelijke wereldbeeld ook uit andere bron komen dan uit de natuur, namelijk door Gods openbaring, die 'stil spreekt' in de ziel en het verstand (Augustinus) van de mens. Zo heeft profetie bijvoorbeeld kunnen zeggen dat God de hemel en de aarde maakte.

  3. Het Christelijke wereldbeeld vereist geen uitgesproken mening over of er een scheiding is tussen a priori en a posteriori waarheden, ofwel tussen getal en logica (a priori) en natuur en ervaring (a posteriori).

zaterdag 10 april 2010

'Geloof' versus 'kennis'

Gisteren schreven we over wat 'kennis' in ruime of nauwe zin betekent: het is een bepaalde verhouding tussen overtuigingen en de werkelijkheid. Dat herinnert ons aan de vraag: wat is het verschil tussen 'geloof' en 'kennis'? We gaan bij dit onderscheid vooral in op het gebruik van deze woorden.

We kunnen zeggen dat iemand kennis heeft wanneer we overtuigd zijn dat hij overtuigd is van iets dat ook waar is, en (in nauwere zin) zijn overtuiging het 'juiste' verband met die waarheid heeft. Echter, wanneer wij daarvan niet overtuigd zijn, of anderen niet overtuigd zijn van de waarheid daarvan, zijn we genoodzaakt te spreken van geloof omdat het gebruik van het woord kennis dan niet alle draagvlak heeft. Let wel: het gaat hier om het gebruik van de woorden 'kennis' en 'geloof'.

In het geval van het Christelijk geloof hebben we gezegd dat dat volgens Christelijke overtuiging zekere kennis en vast vertrouwen is. Echter, tegenover iemand die niet van de waarheid van dat Christelijk geloof overtuigd is, kunnen we niet het woord 'kennis' gebruiken maar gebruiken we het woord 'geloof'.

Daarvan zijn er drie gevallen: of men is overtuigd van het tegendeel, namelijk dat we weten dat God niet bestaat (anti-theïsme); of men zegt dat het onmogelijk is om God te kennen, en daarom moeten aannemen dat God niet bestaat (atheïsme); of men is ervan overtuigd dat we van geen van beiden een betrouwbare overtuiging kunnen hebben (agnosticisme). (Wikipedia hanteert overigens een andere definitie van anti-theïsme.) Het anti-theïsme betoogt dat de God van het Christendom niet kan bestaan om diverse redenen, zoals dat een liefdevol God het onrecht op de wereld niet kan toestaan. Het agnosticisme betoogt dat de overtuiging van het bestaan van God bijvoorbeeld niet te toetsen is aan wat we waarnemen en soms dat het denkbeeld van het bestaan van God daarom zelfs betekenisloos is, omdat er geen bewijs of tegenbewijs voor te leveren is vanuit de wetenschappelijke methode en er geen andere redelijke bronnen bestaan. Het atheïsme voegt daarbij dat omdat de gewenste zekerheid over God ontbreekt we moeten kiezen voor de minst belastende overtuiging, namelijk dat er geen God is. Als overtuigd Christen stel ik daartegenover dat we wel weten dat er een God is; dat bijvoorbeeld het onrecht in de wereld is veroorzaakt door de verkeerde wil van mensen, en dat onze levens in zowel lijden als geluk in een groter perspectief moeten worden gezien; dat bijvoorbeeld de schoonheid van de natuur wel op een God wijst; dat God door de Bijbel Israël en later door de openbaring van Jezus Christus, die geleden heeft en is opgestaan, waarmee voor ons duidelijk is dat Jezus de beloofde Messias, Gods Zoon was, ook de Bron voor onze opvattingen over God gegeven heeft.

vrijdag 9 april 2010

Kennis

In de filosofie is er veel over nagedacht wat kennis is: wanneer we kunnen zeggen dat iemand iets weet. Eerder schreef ik over de betekenis van Christelijk geloof.

Wat is dan kennis? Waarom stel ik deze vraag? Het doet ertoe hoe we het woord 'kennis' gebruiken. Laat ik Wittgenstein citeren: "De problemen worden niet opgelost door nieuwe informatie te geven, maar door te ordenen wat we altijd al wisten. Filosofie is de oorlog tegen de betovering van onze intelligentie door middel van de taal" (Philosophische Untersuchungen, §109). Het gaat er uiteindelijk om hoe we de term hanteren.

'Kennis' is een woord wat we gebruiken in verband met de werkelijkheid. De zin "Ik weet dat het vandaag vrijdag is" is niet waar als het vandaag geen vrijdag is. Daarom kan kennis niet subjectief zijn: we weten van veel dingen niet of we ze weten, of er alleen maar van overtuigd zijn. Verder is kennis iets van het verstand: er komt een overtuiging bij te pas. Naïef kunnen we zeggen: als we overtuigd zijn dat het zes uur is, en het is werkelijk zes uur, weten we dat het zes uur is.

De laatste uitspraak blijkt echter nog problemen te hebben met bepaalde gevallen. Stel dat je elke ochtend om zes uur, als je wakker wordt op de wekker kijkt. Stel nu dat de wekker vanavond precies om zes uur stil is blijven staan, en je wordt morgenochtend weer wakker en kijkt precies om zes uur op de wekker: weet je dan dat het zes uur is?

Uit dit voorbeeld blijkt dat kennis niet kan steunen op de rechtvaardiging van onze overtuiging (het op de wekker zien rechtvaardigde ons geloof dat het zes uur was) of op de betrouwbaarheid van de methode (op een wekker kijken die gisteren nog liep is een methode die betrouwbaar is). De enige reparatie is de band met de juistheid van onze overtuigingen te verstevigen, om alle gevallen te voorkomen wanneer we ten onrechte overtuigd zijn. Voor mijzelf hanteer ik daarom twee mogelijke definities van kennis:

  1. De ruime definitie: Kennis van p is iedere ware overtuiging van p. In deze definitie weten we heel veel -- namelijk alles waarvan we overtuigd zijn en wat waar is. In het geval van de stilstaande wekker weten we nog steeds dat het zes uur is. Kennis is het samentreffen van een propositionele attitude van overtuiging en de werkelijkheid.

  2. De nauwe definitie: Kennis van p is een ware overtuiging die in 'het juiste' verband staat met (de oorzaak van) p. Een voorbeeld van een 'juist' verband is dat het tijd-geregeld mechanisme van een lopende wekker via de stand van de wijzers via mijn visuele waarneming leidt tot de overtuiging dat het zo en zo laat is: de tijd, die de wekker regelt, staat in een juist causaal verband met mijn overtuiging1.



We zien concluderend dat kennis een begrip is wat eigenlijk direct uit ons begrip van 'realiteit' en 'waarheid' voortkomt. Het is op een of andere manier het samentreffen van een overtuiging met de werkelijkheid. Maar daarachter ligt nog een hele wereld over hoe een bepaalde overtuiging tot stand gekomen is -- daarover later misschien meer.


1 Met de laatste definitie is de definitie van 'het juiste' verband niet altijd even makkelijk. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat iemand expres onwaarheid vertelt aan jou, jou overtuigend dat het eten vanavond om zes uur begint. Stel nu dat degene die het eten klaarmaakt dat hoort en daaruit bedenkt: laat ik het eten dan nu maar om zes uur klaarmaken. Kun je dan zeggen dat je weet dat het eten om zes uur begint, doordat je daarvan overtuigd bent en je overtuiging in een direct verband staat met de waarheid ervan? Als we dat willen ontkennen, kunnen we bijvoorbeeld zeggen dat de overtuigingen niet overeenkomen: je overtuiging was dat het eten om onbekende reden was verzet, de waarheid was dat het eten verzet was om reden van de jou vertelde leugen. Merk op dat overtuigingen afgeleid van een onware overtuiging verder ook niet tot kennis kunnen leiden.

Als bron voor de verschillende opvattingen over kennis en hun problemen heb ik gebruikt Modern Epistemology: A New Introduction (1995) door N. Everitt en A. Fisher.

zaterdag 3 april 2010

"De redelijkheid van de atheïst betwist"

Aanstaande 15 april gaan drs. Van den Brink (godsdienstfilosoof, schrijver van het boek "Er is geen God en Philipse is zijn profeet" (2010)) en prof. Philipse (hoogleraar in filosofie te Utrecht, schrijver van o.a. "Atheïstisch manifest" (1994)) met elkaar in debat te Utrecht, Lutherse Kerk, Hamburgerstraat 9, 19:30. Verplichte aanmelding via promotie@kok.nl. Zie verder het Reformatorisch Dagblad van 3 april. Voor een overzicht van de argumentatie, zie http://www.contradictio.org/nl/arguments/237.

maandag 16 maart 2009

Subjectivisme

"Gedrag zit in de genen." Onze gedragingen worden veel bepaald door genetische aanleg. "Op de Veluwe worden maar weinig Hindoes geboren." (Minister Plasterk, 4 oktober 2008.) --- geloof heeft een nauwe band met opvoeding. (Zie ook Spreuken 4.) Geloof is ongetwijfeld zelfs te lokaliseren als hersenactiviteit. Wat deze opmerkingen zeggen: ze raken het lichamelijke om het geestelijke te verbijzonderen, te subjectiveren.

Dat is natuurlijk een drogreden. We kunnen net zo goed zeggen: "Partnerkeus zit in de genen.", "In de volksstammen van Afrika werden weinig wetenschappers geboren.", "Filosofie is te lokaliseren in het brein." --- maar dat maakt liefde, kennis en geloof niets minder universele waarden.

Van het geloof weten we: het is door het gehoor, en dat is door de prediking van het Woord (Romeinen 10:17-18) --- maar dat is geen subjectief, privé-Woord. En Paulus zegt verder van de profeten:
"Hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld."

vrijdag 6 maart 2009

Filosofisch inzicht

Filosofie en inzicht hebben alles met elkaar te maken. De vraag "wat doet er werkelijk toe?" begint met een concept voor "er toe doen", de vraag "wat weten we?" gaat over ons concept voor "kennis". Het is moeilijk om te zeggen of onze concepten voor "er toe doen" en "kennis" er werkelijk toe doen, en op ware kennis berusten. Hoewel we goed, dat is niet onwetend of onbekwaam tot het goede, maar in "ware kennis, gerechtigheid en heiligheid" (Heidelbergse catechismus) gemaakt zijn --- maar na de zondeval kennen we God niet meer.

Zonder een zeker 'Decartiaans' vertrouwen dat onze 'zintuigen' ons niet doorlopend bedriegen, omdat ze door een goede God gemaakt zijn, kan filosofie niet bestaan. Zonder gegeven inzicht is àlle filosofie een betekenisloze stroom woorden. Het goede rust niet in handen van de filosoof -- gelukkig niet --, maar in Gods hand. Bij christelijke filosofie past dus bescheidenheid.

zaterdag 6 september 2008

Zekerheid als utopie

Ik weet nergens wat van. Hoewel ik nergens wat van weet, probeer ik hier toch enkele woorden te posten. Dat ik nergens wat van weet komt door mijn definitie van het woord 'weten'. Dit interpreteer ik namelijk als '100% zekerheid' en naar mijn bescheiden mening is dat een utopie. Waarom? Omdat het mij zo voorkomt. Het zou goed kunnen dat die 100% zekerheid wel bereikbaar is, maar mijn ogen hebben het nog niet gezien en zien zeer veel leeuwen en beren op die weg. De bewering '100% zekerheid is onmogelijk' is zelf dus niet 100% zeker, wat immers ook niet zou kunnen. (Leuke vraag: is dat wel 100% zeker, dat dat niet zou kunnen?)
De constatering dat zekerheid een utopie is, is meer een ervaring dan een bewezen feit. Als men het daar niet mee eens is, moet er dus naar gekeken worden of die ervaringen dit scepticisme rechtvaardigen. En met deze vraag zitten we midden in een volgend, of eigenlijk hetzelfde probleem, namelijk het waarderen van deze ervaringen.

dinsdag 26 augustus 2008

Verlichting

Christelijke filosofen zoeken net als elke filosoof naar antwoorden op vragen. Maar christenen zijn beducht voor hoogmoed --- het 'als God willen zijn', de zonde van Adam in het paradijs --- en eigenwaan. Dat bepaalt hoe we de antwoorden van ons mondige verstand -- volgens Kant: "Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbst verschuldeten Unmündigkeit" -- een plaats geven.

Antwoorden op vragen brengen een bepaalde zekerheid met zich mee. Dat is een gave; het toont de vermogens van de menselijke geest en kennis. Van zo'n gave van de Schepper mag de mens genieten.

Genuanceerd genieten. Want onze kennis is niet volmaakt, en daarom niet het laatste rustpunt. (Dat ligt in het geloof in Christus.)

Soms wordt de stelling aangescherpt: 'Alleen geloof biedt zekerheid', met een zekere scepsis ten opzichte van elke aanspraak op kennis. Daar sta ik nogal kritisch tegenover, omdat het de filosofie -- en daarmee de gaven van kennis -- zowat veracht. Laten we het zeker over grondslagen hebben --- later, maar eerst respect voor stralende antwoorden.

dinsdag 19 augustus 2008

Filosofie

Filosofie: liefde om te weten, wijsbegeerte. Het leven van een doorsnee lezer van deze blog (schat ik) is voor een groot deel gewijd aan wetenschap; daar waar filosofie mee begon (maar mijns inziens ook doorgaat).

Wetenschap

Sinds we weten dat geluid uit trillingen bestaat
en elk beeld uit licht,
en we die kunnen namaken en opvangen
zijn we verzamelaars geworden van
de schaduwen van de dingen.

We zijn stappentellers geworden,
niet meer hardlopers, want we weten niet waarheen,
waarom we gaan.

Sinds we weten wat het goed en wat het kwaad is. Ons
ontbreekt nog net het eeuwig leven.