Posts tonen met het label dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dood. Alle posts tonen

maandag 28 juli 2025

Het perspectief van leven zonder God

Het is tegenwoordig heel gewoon om niet in God te geloven. Toch is dat nogal vreemd, als je bedenkt welke vooronderstellingen je daarvoor nodig hebt en hoe weinig perspectief een leven zonder God heeft.

Wat het perspectief van een leven zonder God betreft, het is vaak een perspectief van genieten wat er te genieten valt. Van 'jezelf laten gaan', zelfs als je weet dat dit maar even is en al heel gauw weer over is. Je weet dat je eigen begeerten je bedriegen en toch volg je ze. Je belijdt dat het leven zinloos is, maar tegelijkertijd verklaar je de wetenschap en technologische vooruitgang voor heilig. Zou dat niet zijn om het gevoel van macht over het onbekende en onontkoombare die ze je geven? Zou het niet zijn omdat ze de leugen stand laten houden waarin je leeft - de leugen die ontkent dat de Eeuwige deze prachtige schepping tevoorschijn heeft geroepen en dat wij er een vloek over hebben laten komen?

Zonder God is het leven zonder doel. Het is toevallig ontstaan, we hebben geen zinvolle identiteit of bedoeling. Er is geen verlossing van de dood. Er is geen verlossing van het onrecht, het grijpen naar macht en het misbruik ervan, de corruptie en het geweld op deze aarde. Er zal nooit duurzame vrede komen, want de mens blijft slecht in zijn hart - het blijft op zichzelf gericht. Of denken we onszelf te kunnen verlossen en ons DNA aan te kunnen passen zodat het nooit meer kwaad zal willen, en we eeuwig zullen leven? Welk demon heeft ons dat ingefluisterd? En wat maakt dat we denken dat we daar wat aan zullen hebben?

In dit alles zou je misschien nog een tragische held kunnen zijn, ware het niet dat er geen goed is om voor te lijden. Schoonheid is maar bedrog, je weet dat het van de ene op de andere dag vergaat en dat jouw lijden daar geen verandering in zal brengen. Liefde is goed, maar waar halen we de motivatie voor ware zelfopofferende liefde vandaan als we niet geloven in God Die ware verlossing zal brengen van de ellende over deze mensheid? Zou het uitsterven van de mensheid dan niet een grotere barmhartigheid van onze kant zijn?

Of troosten we ons misschien met de gedachte dat we in een grote komedie leven? Vergroten we onze glimlach uit en blijven we lachen als het lachen zelf belachelijk is geworden? En lachen we nog steeds als we zelf tot spot zijn geworden van anderen en als alles wat we vrezen over ons komt als we oud zijn geworden?

Ik moet denken aan wat het bijbelboek Prediker erover zegt. Hier volgt een lang citaat uit hoofdstuk 2.

Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en zie daarom het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig. 2. Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg? 3. Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen tijdens het getal van hun levensdagen.

4. Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht: Ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden. 5. Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen. 6. Ik legde mij waterbekkens aan om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen. 7. Ik verwierf slaven en slavinnen en de in huis geboren kinderen behoorden mij toe. Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. 8. Ik vergaarde mij ook zilver en goud, kostbaarheden van koningen en gewesten. Ik zorgde voor zangers en zangeressen, en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed. 9. Ik werd groter en nam toe, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. Ook bleef mijn wijsheid bij mij. 10. Al wat mijn ogen verlangden, onthield ik ze niet. Ik ontzegde mijn hart geen enkele blijdschap, want mijn hart werd verblijd vanwege al mijn zwoegen. Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen. 11. Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.

12. Daarna richtte ik mijn aandacht op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is? 13. Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis. 14. De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft. 15. Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig. 16. Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?

17. Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind. 18. Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal. 19. Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig. 20. Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon. 21. Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die als zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.

22. Ja, wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon? 23. Want al zijn dagen zijn vol leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.

Tot zover het perspectief van een leven zonder God. Het geluk is vluchtig, het leven zinloos. Wat is er eigenlijk aantrekkelijk aan? Waarom staan we niet open voor de gedachte dat dit wel eens een leugen zou kunnen zijn?

Een volgende keer kan ik misschien schrijven over de vooronderstellingen die nodig zijn om te leven zonder God.

vrijdag 18 december 2020

COVID-19 en troost

We bevinden ons in een tweede golf van de COVID-19 pandemie. Wat doet het met ons? Wat ervaren en leren we in deze tijd van de daden van God?
  1. We zijn sterfelijk en kwetsbaar. Waar we ons eerst, als we rijk en onbezorgd in Nederland leefden, nergens druk om maakten, vrezen we nu voor ziekte en voor ons leven. We zien dat onze medische wetenschap niet altijd kan helpen. Behandelingen helpen niet en wetenschap weet het antwoord niet op alles.
  2. Er is alleen troost in het geloof in Jezus. De pandemie zorgt voor verdriet, angst en frustratie. Een naturalistisch wereldbeeld 'werkt' als alles voorspoedig gaat, maar bij onzekerheid en ziekte biedt het weinig of geen troost. Ook een oppervlakkig geloof in God biedt weinig troost. Pas in het gezicht van de lijdende Zoon van God, Jezus Christus, is er troost in deze moelijke tijd. Hij zal in een wereld van ziekte en dood en onmacht het Vrederijk brengen, wanneer Hij terugkomt op de wolken van de hemel.
  3. Spreken over God is taboe. Wat opvalt is dat terwijl iedereen geschokt is in zijn vertrouwen in de menselijke macht over de natuur, dat er toch met geen woord over God gerept wordt. Premier en koning roepen vooral op om het vertrouwen in de menselijke macht over de natuur terug te vinden. Er is geen ruimte voor twijfel, geen ruimte voor geloof behalve het geloof in jezelf.
Laten we in plaats van verdrietig, gefrustreerd en bang te zijn onze hoofden opheffen naar de hemel en denken aan wat het Kerstfeest betekent: dat de Zoon van God, Jezus, naar deze aarde kwam om voor ons verlossing te brengen van onze zonden en pijn. Dan hoeft deze tijd geen tijd van eenzaamheid en verdriet te zijn, maar wordt het een tijd van blijdschap, omzien naar elkaar en vrede.

zaterdag 14 maart 2015

Vechten tegen de pijn

Vorige blog schreef ik over wat de reden is om de natuur hoog te achten als 'heel goed' met het oog op de Schepper. Daarin noemde ik ook dat na de zonde van de mens de vloek over de natuur is gekomen, hoewel er nog veel van het beginontwerp over is. Maar deze vloek zorgt ook voor een verandering in hoe onze houding tegenover de natuur is.

De vloek die God over de natuur uitsprak staat in het bijbelboek Genesis:
Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen. En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u gebood: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren. (3, 16-19)

Onvermijdelijke pijn en het vechten om levensbehoud. Dat betekent het.

Allereerst vechten om levensbehoud. De natuur doet niet meer vanzelf wat goed voor ons is, maar er is inspanning en bewerking van de natuur nodig om te kunnen eten. Dat betekent niet dat we het beginontwerp van de natuur moeten negeren maar dat we ervoor moeten vechten om het goede van het begin weer te kunnen smaken. We moeten ook niet denken dat we door inspanning een situatie kunnen bereiken die beter is dan het begin van de schepping. Maar het bewerken en bebouwen van de aarde is noodzakelijk om te kunnen overleven. En ook deze noodzakelijke strijd kan maar beter respect hebben voor, of liever verlangen naar het goede van het beginontwerp, als we nog enigszins gelukkig willen zijn met het goede dat er nog is.

De vloek betekent echter ook onvermijdelijke pijn. Hoe we ook vechten, we kunnen het lijden en de dood niet afweren. Eens moeten we onszelf dus ook de vraag stellen: moeten we hier verder vechten met middelen die meer pijn doen, of moeten we hier toegeven dat de dood onvermijdelijk is?

Maar sinds de opstanding van Christus, Gods Zoon die mens werd, uit de dood, weten we dat de dood overwonnen is door het leven. Jezus zegt: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." (evangelie van Mattheüs, 28, 18). Als Christus terugkomt om allen te oordelen weten we ook dat het Koninkrijk van God, het rijk van het leven zal beginnen!

In het leven van een christen mag de hoop de pijn overwinnen. Zoals de apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Rome:
Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. (...) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere. (8, 22-39)

vrijdag 29 maart 2013

Goede vrijdag

Volgens de kerkelijke traditie heet deze dag 'goede vrijdag', waarop herdacht wordt dat Jezus is gestorven aan het kruis. Waarom is de dood van Jezus zo bijzonder?
  1. Omdat hij alles verdroeg. Eigenlijk laat dit de verdraagzaamheid van God zelf zien, die ons al heel ons leven verdraagt terwijl we hem niet geloven of niet gehoorzamen, en de hele wereld al zo lang verdraagt. Jezus heeft terwijl hij aan het kruis hing gezegd: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." (evangelie van Lukas, 23:34).
  2. Omdat het voor iedereen een teken is. Er werden met Jezus twee moordenaars gekruisigd. Het blijkt dat een van hen besefte hoeveel zijn leven van het leven van Jezus verschilde en geloofde dat hij meer was dan een mens. Het evangelie van Lukas vertelt dat:
    "En er was ook een opschrift boven Hem geschreven in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: DIT IS DE KONING VAN DE JODEN. En een van de misdadigers die daar hingen, lasterde Hem en zei: Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons. Maar de andere antwoordde en bestrafte hem: Vreest zelfs u God niet, nu u hetzelfde vonnis ondergaat? En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf overeenkomstig wat wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent. En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn." (evanglie van Lukas, 23:38-43)
  3. Omdat Jezus als Zoon van God voor ons blijft zorgen. Christus heeft door zijn dood overwonnen! En terwijl hij pijn leed zorgde hij voor zijn moeder en voor zijn volgeling Johannes die zijn lijden zagen. "Toen nu Jezus Zijn moeder zag en de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tegen Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tegen de discipel: Zie, uw moeder. En vanaf dat moment nam de discipel haar in zijn huis." (evangelie van Johannes, 19:26-27)
  4. Omdat het niet te begrijpen is dat Gods Zoon stierf. Hoe kan het dat God dat toeliet en wilde? Maar toch spreekt de profeet Zacharia er al over:
    "Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
    en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
    spreekt de HEERE van de legermachten.
    Sla die Herder
    en de schapen zullen overal verspreid worden.
    Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden." (profetie van Zacharia, 13:7)
    Jezus riep terwijl hij aan het kruis hing: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?" (evangelie van Mattheüs, 27:46)
  5. Omdat het lijden van Christus een overwinning was. Het lijden en de dood van Jezus was het begin van een nieuw leven door de opstanding uit de dood. Het verlangen van Christus naar dat nieuwe begin uit hij zelfs aan het kruis door symbolisch te zeggen "Ik heb dorst" (evangelie van Johannes, 19:28), terwijl hij een dag van tevoren tegen zijn volgelingen had gezegd: "Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader." (evangelie van Mattheüs, 26:29).
  6. Omdat het leven en de dood van Christus de verzoening van ieder mens met God mogelijk maakten. Christus' leven en dood kan ons met God verzoenen. Daarom riep Jezus voordat hij stierf: "Het is volbracht!" (evangelie van Johannes, 19:30) (Zie ook de brief van de apostel Paulus aan de Hebreeën, 2:9-10, 9:12.)
  7. Omdat Jezus God tot het einde van zijn leven gehoorzaam was. Jezus' laatste woorden waren: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest." (evangelie van Lukas, 23:46) (Zie ook de brief van de apostel Paulus aan de Hebreeën, 5:7-9.)

Iedereen een Goede vrijdag toegewenst!

donderdag 3 januari 2013

Vijandig of verzoend

Vandaag las ik de historische roman 'Oorlog en vrede' van de Russische schrijver Lev Tolstoj uit. De roman is een historische weergave van de oorlog van Rusland met Frankrijk onder Napoleon. Tolstoj doet daarbij echter langzaam maar zeker heel wat uitspraken over het leven.

In het begin dacht ik dat Tolstoj een realistisch schrijver wilde zijn die het leven wil beschrijven zoals het echt is, ontdaan van ideologie. Zijn verslagen van de veldslagen zijn dat zeker. Tolstoj was goed op de hoogte van de praktijk van oorlog omdat hij zelf in het Russische leger heeft gevochten in de Kaukasus. De karakters doen realistisch aan omdat ze fouten maken en herstellen en tijdens hun leven veranderen. Maar wie goed leest merkt dat de karakters in 'Oorlog en vrede' bijna allemaal stuk voor stuk eenzijdig zijn.

Zo is er de hoofdpersoon van Peter Besoekow die schranderheid en later in zekere mate wijsheid bezit. Hij mist echter zelfbeheersing en daadkracht. Het karakter van Andreas Bolkonsky heeft inzicht, maar mist vergevingsgezindheid. Het karakter van Maria Bolkonsky heeft vergevingsgezindheid en geloof, maar mist juist weer moed. Natasja Rostow: ze heeft hoop, maar mist wijsheid. Nicolaas Rostow: hij bezit dapperheid, maar geen zelfbeheersing. Zijn vader, graaf Rostow, heeft liefde voor zijn gezin maar geen inzicht. De vader van Andreas, graaf Bolkonsky, heeft kennis maar geen rechtvaardigheid en liefde.

Het is wel waar dat in het echte leven ook zwakke en sterke punten bij mensen te benoemen zijn. Maar de karakters in 'Oorlog en vrede' geven geen enkele aanwijzing dat er ook een combinatie van de genoemde deugden kan en moet zijn. De karakters van Tolstoj zijn allemaal 'onvolwassen', wat bij mij een mistroostige indruk achterlaat na het lezen. Ik vind in ieder geval dat de christelijke lezer moet bedenken dat als hij of zij zo leeft als een van de hoofdpersonen van Tolstoj, het niet het leven is dat het christelijke geloof vereist. Oorlog en vrede geven heel wat aanleiding tot filosofische bespiegelingen, maar dat moet niet in mysticisme of fatalisme eindigen maar in het eenvoudige gebed en in een praktisch rechtvaardig leven. Dat is wat Jezus Christus ons zegt:
"Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is." (evangelie van Mattheüs, 5:17-18)
En rechtvaardig voor die wet worden we alleen door het geloof, door de genade van God:
"God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn. Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, omdat wij verzoend zijn." (brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Rome, 5:8-10)

woensdag 17 oktober 2012

Evolutie of schepping

De wereldbeschouwing van het christendom wordt soms maar nauwelijks geaccepteerd. Daarom hier een vergelijking tussen de waarheid van het christendom en de theorieën van de evolutionist, die namelijk ook niet mis zijn. Ik bedoel dit overigens niet ter verdediging van christelijke standpunten (alsof die even slecht zouden zijn als de standpunten van het evolutionisme), maar om te laten zien dat het christelijke standpunt veel beter is dan het standpunt wat uit de evolutietheorie komt. Hopelijk heb ik de evolutietheorie consistent toegepast.

1. Doel

Het christelijke geloof: De natuur is gemaakt door God en gemaakt om goed te zijn.
Het evolutionisme: De natuur heeft geen hoger doel. Geen enkele wereldbeschouwing voegt daarom iets wezenlijks toe.

2. Man en vrouw

Het christelijke geloof: Man en vrouw zijn twee verschillende scheppingen van God. De vrouw is gemaakt om de man aan te vullen.
Het evolutionisme: Man en vrouw zijn twee rollen in de voortplanting, allebei in een aspect daarvan gespecialiseerd. Een vrouw is door de evolutie ervoor bedoeld om kinderen te baren.

3. Homoseksualiteit

Het christelijke geloof: Homoseksualiteit is een gevolg van het kwaad van de zondeval van de mens, het is niet Gods oorspronkelijke bedoeling.
Het evolutionisme: Homoseksualiteit is een variant die niet binnen het normale evolutiepatroon past. Voor de evolutie is ze schadelijk.

4. Ethiek

Het christelijke geloof: We moeten handelen volgens het principe dat we God liefhebben boven alles en onze medemens als onszelf.
Het evolutionisme: We hoeven nergens naar te handelen.

5. Doodstraf

Het christelijke geloof: We mogen elkaar niet doden. Echter, de wetten van God aan Israël bevatten ook de doodstraf door de overheid.
Het evolutionisme: Elkaar doden kan goed zijn als de beste overblijft.

6. Menselijk lijden

Het christelijke geloof: Het lijden van mensen is wezenlijk, en een gevolg van de zondeval, bedoeld om mensen terug te brengen tot God.
Het evolutionisme: Lijden is niet wezenlijk en heeft geen nut. Het is gewoon een natuurlijk proces zonder enige diepere betekenis.

7. Rechtvaardigheid

Het christelijke geloof: God is rechtvaardig en zal het kwade straffen.
Het evolutionisme: Er is geen rechtvaardigheid, tenzij dat toevallig is ontstaan door natuurlijke processen van zelfbehoud.

8. Vriendschap en liefde

Het christelijke geloof: Echte vriendschap en liefde is iets wezenlijks.
Het evolutionisme: Elke vriendschap en liefde is maar een natuurlijk proces, zonder diepere betekenis.

Volgens mij spreken de christelijke standpunten van veel meer liefde voor elkaar en voor de natuur dan de evolutionistische. (Maar ja, voor evolutionisme is liefde maar een kale emotie.) En volgens mij doen de christelijke standpunten veel meer recht aan de betekenissen van dit leven dan de evolutionistische. (Maar ja, voor evolutionisme bestaat er geen vaste betekenis.) De christen weet méér door de openbaring van God door Zijn Evangelie van Christus, anders was godsdienst in haar aard even leeg als evolutionisme. En daarom is er niet alleen kennis van God maar ook hoop op verlossing en terugkeer tot God die ons heeft gemaakt:
"Wij weten immers dat, wanneer ons aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. (...) Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft." (tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe, 5:1-5).

vrijdag 2 september 2011

Mooie lastige beestjes

Wanneer Augustinus in 'De stad van God' naar aanleiding van de engelen spreekt over de ordening van de natuur (deel II, boek 1, hoofdstuk 16), komt ook en passant ter sprake dat er ook lastige beestjes bestaan. Waar volgens Augustinus al het levende in de orde van de natuur staat boven het levenloze, zegt hij dat we toch ook een andere waardering kunnen hebben: liever brood in huis dan muizen, liever geld dan vlooien. Ik zou hier ook het voorbeeld van muggen aan toe willen voegen. Waarom die andere waardering? Omdat we dingen ook ordenen naar het nut voor ons.

Maar hoe gaan we in de praktijk met deze twee mogelijke waarderingen om? Wat is de ethiek? Dat er iets van ethiek meespeelt is wel duidelijk. Een voorbeeld: Augustinus zegt zelf dat de menselijke natuur, die toch meer waardigheid bezit, soms lager geschat wordt dan andere dingen: een paard meer waard dan een slaaf, edelstenen meer waard dan een slavin.

Ik denk dat voor een christen respect voor de schepping (en in het bijzonder de levende schepping) het overheersende gevoel moet zijn. Overigens hoeft dat uitgangspunt van respect voor de natuur helemaal niet in strijd te zijn met een evolutionistische overtuiging.

Uit dit uitgangspunt van respect voor de schepping volgen een heel aantal overwegingen. Een van de meest onwaardige dingen is het misbruiken van de machtspositie die de mens over dieren heeft om dieren te pesten of te doden. Dat houdt niet alleen geen rekening met de scheppingsorde, maar heeft ook nog eens geen nut. Maar daarnaast moeten we ook nogal beschaamd zijn over de manier waarop het houden van vee geoptimaliseerd is als een soort productieproces, zonder weinig te bekommeren over de waardigheid van het dier. Ik zeg niet dat boeren niet van hun dieren houden, maar ze houden zeker op dat punt geen rekening met de scheppingsorde.

Mag je sowieso dieren doden? In de Bijbel staat een expliciete toestemming om dieren te doden om te eten, na de zondvloed, aan Noach (Genesis, hoofdstuk 9). Maar mag je ook dieren doden omdat ze je nut belemmeren ('schadelijk' zijn)? Mag je een mug doden omdat die je uit je slaap houdt? Ik denk dat de scheppingsorde wel een ding daarover zegt: het is duidelijk dat ten eerste een insect een heel andere waarde van leven heeft dan een mens; ten tweede: dat een mens de machtspositie heeft om dat te doen. Maar, anderzijds, het gevoel van respect voor de natuur gaat tegen het gebruiken van die mogelijkheid in. Dat kan dus: een beest of beestje bewonderen en toch moeten doden (hoewel je die dood liever zou voorkomen). De vos die alle kippen een voor een doodt en meeneemt, doden, en toch die dood betreuren. Een mug doden en toch die dood een verspilling vinden.

Omdat er dus dieren bestaan die lastig zijn voor ons, heeft een christen reden om verdrietig te zijn over de huidige toestand van de schepping. Voor een christen is dat het teken van de vloek die over de aarde kwam door eigen schuld (Genesis, einde hoofdstuk 3).

maandag 20 juni 2011

Zoeken naar leven

In 'Sein und Zeit' beschrijft de Duitse filosoof Martin Heidegger hoe een 'eigenlijk' 'heel-zijn' van het menselijk leven mogelijk is door de verhouding tot de dood. Laat ik een christelijke variant op Heideggers idee van de dood geven in de zoektocht naar wat leven eigenlijk betekent. Heidegger stelt terecht dat de dood oereigen, betrekkingloos (anderen kunnen het niet afnemen), onoverschrijdbaar, wel zeker, maar onbepaald wanneer is. De onoverschrijdbaarheid moet volgens Heidegger onder ogen gezien kunnen worden door alles wat in ons leven komt als mogelijkheid en niet als al in bezit te beschouwen: daardoor geeft de onoverschrijdbaarheid een eigenlijk kunnen-zijn, een 'vrij zijn voor de dood'. De onbepaaldheid wanneer wordt volgens Heidegger onder ogen gezien door de angst, waarvoor men 'de moed moet opbrengen' om het niets, de begrenzing van het bestaan, onder ogen te zien.

Als christen geloof ik dat de gedachte "dat het bestaan door niets wordt begrensd" veranderd kan worden. In plaats van een vooruitlopen op de dood is het leven van een christen een vooruitlopen op Gods Koninkrijk; in plaats van de angst komt de hoop.

Maar dat de dood nog steeds vrees kan opwekken komt door nog andere eigenschappen.
  1. Ten eerste: de dood is onbekend (nog nooit ervaren). Het leven is ook wel min of meer onbekend, maar er zijn altijd bekende elementen. Een totaal onbekend leven zou afschuwelijker zijn dan de dood.
  2. Ten tweede: de dood laat het leven niet heel. Heidegger zegt wel dat het leven zich geen dingen moet toe-eigenen en alles als mogelijk moet laten, maar dat is simpelweg niet hoe leven is en ook niet hoe leven op z'n mooist is. Liefde is niet iets wat simpel bestaat in mogelijkheid, maar in het smeden van een band. De dood is een straf voor de mens.
Een christen kan echter troost vinden iets hogers te zien wat het leven omvat: dat het doel van ons leven voor God is, en ons persoonlijke leven er in dat licht niets meer toe doet.

Wat dat laatste betreft kunnen we dat ook als eigenschap van het leven beschrijven: de onbeslotenheid van het leven. Er is geen mooi einde, geen 'happy end' in ons leven: we moeten altijd weer verder leven. Er is geen levensdoel dat als we het bereikt hebben zegt: het is genoeg, dit is geluk, er is niets waar we 'voor kunnen leven'. Wel kunnen we gelovig vertrouwen op God dat Hij ons leven kan zegenen, en kan bepalen; en dat er gaven van God zijn om van te genieten.

Maar het 'happily ever after' van sprookjes is dus een retorische truc, want het leven is onbesloten: in werkelijkheid kan er nooit zoiets bestaan. Of liever, het is een heimwee naar geluk waarvan een christen gelooft dat we dat alleen van God kunnen ontvangen. Hoe kun je van eeuwig geluk verzekerd zijn? Als de Eeuwige God dat belooft. In de Bijbel wordt de metafoor gebruikt van een rivier met zuiver helder water dat altijd blijft stromen, en van een boom die iedere maand zijn vrucht geeft, en genezend is (Openbaringen, hoofdstuk 22).

Sommige mensen zouden kunnen denken dat een leven met hoop afbreuk doet aan het leven zelf. Tegengeworpen kan worden dat leven zonder hoop nog meer afbreuk kan doen aan het leven, en dat de christelijke hoop niet samen kan (of mag) gaan met slecht leven.

maandag 14 maart 2011

Alle mensen zijn sterfelijk

Eerder schreef ik hoe een christen dit leven altijd als spiegel van een toekomend leven na de dood ziet. Als we hier met God leven, zullen we hierna met God leven. Als we hier niet met God leven, zullen we hierna ook zonder God leven. Een christen gelooft in de opwekking van het dode lichaam, een oordeel van alle mensen, en een toekomstig Koninkrijk van God.

Maar ik heb opgemerkt dat ik geneigd ben daar een horizon van te maken: iets om heel je leven naar te richten, dat wel, maar toch iets wat altijd 'toekomst' zal blijven. Hetzelfde geldt voor onze beleving van anderen. Als iemand die we goed kennen plotseling zou overlijden, zouden we zijn of haar laatste contacten met ons als de dierbaarste bewaren. Eigenlijk is dat onjuist: de huidige contacten zouden even dierbaar ervaren moeten worden. En het schoolvoorbeeldzinnetje van logica is een ontstellende werkelijkheid als we het bewust worden: alle mensen zijn sterfelijk.

Ik schrijf dit omdat ik zelf daarmee geconfronteerd ben: pas had ik onverwacht een gevoel dat mijn hart faalde. Dat klinkt niet zo ernstig, maar terwijl ik opeens de energie uit me voelde wegtrekken en merkte dat mijn hart zwakker klopte, dacht ik: en wat als dit nu eens het einde van mijn leven is? Dat mijn leven hier en nu beëindigd wordt? En, daarmee, ik God zal zien?

Als iets wat je altijd als toekomst voorstelt nu wordt, ben je daar niet klaar voor. Die voorstelling kan daarom religieus niet kloppen. Ook filosofen hebben over vergelijkbare thema's van angst en het niet-bewustzijn gesproken: vergelijk het idee van de 'vertwijfeling' bij Kierkegaard of van 'mauvaise foi' bij Sartre.

Er moet iets aan het idee van leven en dood voorafgaan, iets wat leven en dood overstijgt: dat is volgens mij de vereniging met God door het geloof en de liefde. Dat is zoals Paulus schrijft:
"Niemand van ons leeft immers voor zichzelf alleen, en niemand sterft voor zichzelf alleen. Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer: of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe. Daarvoor is Christus gestorven en weer levend geworden: om Heer te zijn over doden en levenden." (Brief aan de Romeinen, hoofdstuk 14)


Met de dood is niet te rekenen, want die komt onverwacht. Filosofie die dus levenswaarde wil hebben moet over de dood heen kunnen zien — niet in een horizonperspectief maar in een perspectief van 'nu, misschien' — iets wat zowel voor onszelf als voor anderen geldt.

vrijdag 11 juni 2010

Dichtbij

Tussen alle gedachten van een christen komt altijd de gedachte: hoe verhoudt dit zich tot God? En als het over de verhouding van ons en onze gedachten tot God gaat, gaat het over heel ons leven, maar -- omdat God eeuwig is -- ook over het eeuwige Koninkrijk van God. Daarover schrijft de apostel Johannes in Openbaring: "want de tijd is nabij".

Over wat er in de Bijbel over het hiernamaals staat las ik het volgende (wat ik niet beter kan verwoorden):
In de bijbel worden leven en dood nooit op zich zelf bezien. In leven en dood gaat het altijd om een levende relatie met God. Aandacht voor het hiernamaals hebben zonder een levende relatie met God de HEER is in het Oude Testament uitgesloten. (...) En het echte leven is ten diepste leven in gehoorzaamheid aan wat God van de mens vraagt. We moeten ook maar niet te veel gaan fantaseren over de dood, maar geloven in de Levende.


Daarom is voor ieder die nu leeft het Koninkrijk van God elk moment actueel. Want: het is dichtbij.

En het Koninkrijk is van Christus, de Zoon van God, de Verlosser, die veracht mens werd om ons te behouden; die uit de dood is opgestaan, en die eens uit de hemel terugkomen zal en alle ogen openen als een licht dat zich uitstrekt over de hele aarde. Waarop ieder voorbereid moet zijn.

maandag 24 mei 2010

Een goede dood

Onlangs (18 mei) werd de Tweede Kamer een burgerinitiatief 'Voltooid Leven' ingediend, een initiatief dat pleit om zelfbeschikking die kan leiden tot een "humaan en waardig zelfgekozen levenseinde". Als tegeninitiatief is er nu de actie "Mijn leven maak ik zelf niet uit".

In 'De Stad Gods' van Augustinus, een filosofisch - apologetisch boek, spreekt Augustinus uit dat iedereen wil leven. Nadat hij van een algemene wens tot onsterfelijkheid heeft gesproken, argumenteert Augustinus dat de wens tot zijn of leven natuurlijk is.
"Maar wat zal ik ook zeggen van de onredelijke dieren, die dergelijke dingen niet gegeven is te denken, zelfs van de allergrootste draken tot de allerkleinste wormpjes? Geven zijn niet met al hun bewegingen te kennen, dat zij willen zijn, en zo dat zij hun verderf en ondergang vlieden?" ('De Stad Gods', eerste boek, H.27)


Maar afgezien daarvan, is het beëindigen van het leven uit eigen initiatief niet een overweging die "intiem" en voor ons zelf is? vraagt de toelichting bij 'Voltooid Leven' zich retorisch af. Een citaat van H.M. Kuitert wordt aangehaald:
"De achtergrond van het klassieke Neen tegen suïcide, wordt gevormd door een verzwegen, niet te bewijzen, zelfs niet plausibel te maken onvoorwaardelijke plicht tot leven. Onder plicht tot leven versta ik daarbij: de plicht van iedereen die leeft om verder te leven. Ik noem het een verzwegen plicht omdat hij nergens met zoveel woorden wordt uitgesproken en toch heel de argumentatie van het klassieke Neen tegen suïcide bepaalt. Zou ze er niet zijn, dan zou het de suïcidant vrij staan bij zichzelf te overleggen of zijn leven nog de moeite waard was. Dat zou niet tot suïcide behoeven te leiden: er zijn meer dingen te overwegen dan deze ene vraag. Maar het zou het recht op zelfbeschikking betekenen." (H.M. Kuitert in zijn boek 'Suïcide: wat is er tegen? (zelfdoding in moreel perspectief)', 1984)

Deze argumentatie is nogal eenzijdig. De zin "Ik maak mijn leven zelf niet uit" wil natuurlijk niet zeggen dat er een "plicht tot leven" is, ook geen verzwegen plicht. Maar ons handelen -- en ook ons handelen met ons leven -- moet zijn vanuit het besef dat het leven van God is, omdat we het geluk niet in onszelf kunnen vinden. Dat las ik ook bij Augustinus:
"Indien derhalve onze natuur van ons zelf was, zouden zij ook voortgebracht hebben onze eigen wijsheid, en wij zouden geen moeite doen om die door leren te verkrijgen, en onze liefde, van ons voortgekomen -- en weer tot ons gekeerd, zou ons genoeg zijn om gelukzalig te leven. Maar aangezien onze natuur God tot haar Werkmeester heeft, zo moeten wij ook buiten alle twijfel, om waarlijk wijs te zijn, Hem tot leraar hebben en evenzo moeten wij ook opdat wij gelukzalig mogen zijn, Hem tot een Gever hebben van de allerverborgenste zoetigheid." ('De Stad Gods', eerste boek, H.25)

Het geluk van de mens is uit God: "Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht" (Psalm 36:10).

Opvallend is hoe Augustinus na zijn filosofische uiteenzetting over hoe zijn, weten en wil (beminnen of liefhebben) zich verhouden, komt tot een directe persoonlijke aansporing:
"[L]aat ons in ons zelf weerkeren zoals de jongste zoon in het Evangelie (Lukas 15), en laat ons opstaan en tot Hem weerkeren, van wie wij door ons zondigen afgeweken zijn; daar zal ons zijn geen dood hebben, daar zal ons weten zonder dwaling zijn, daar zal ons beminnen geen verstoring noch kwetsing hebben." ('De Stad Gods', eerste boek, H.28)