Posts tonen met het label gerechtigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gerechtigheid. Alle posts tonen

donderdag 26 september 2024

Psalm 21

Vandaag lezen we psalm 21:

Een psalm van David, voor de koorleider.

2. HEERE, de koning verblijdt zich over Uw macht.
Hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
3. De wens van zijn hart hebt U hem gegeven;
het verzoek van zijn lippen hebt U hem niet onthouden. Sela

4. Want U komt hem tegemoet met rijke zegeningen;
op zijn hoofd zet U een kroon van zuiver goud.
5. Leven heeft hij van U verlangd en U hebt het hem gegeven,
lengte van dagen, eeuwig en altijd.
6. Groot is zijn eer dankzij Uw heil,
met majesteit en glorie hebt U hem bekleed.
7. Want U stelt hem voor eeuwig tot grote zegen,
U verheugt hem met blijdschap, met Uw aangezicht.

8. Want de koning vertrouwt op de HEERE;
door de goedertierenheid van de Allerhoogste wankelt hij niet.
9. Uw hand zal al Uw vijanden vinden,
Uw rechterhand zal hen die U haten, vinden.
10. U zult hen als een vurige oven maken,
ten tijde dat U Uw aangezicht laat zien.
De HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden,
het vuur zal hen verteren.
11. U zult hun vrucht wegdoen van de aarde,
hun nageslacht onder de mensenkinderen.

12. Want zij hebben kwaad tegen U beraamd;
zij hebben een listig plan bedacht,
maar zijn tot niets in staat.
13. Want U zult hen tot een doelwit maken,
met Uw boog zult U op hun gezicht richten.
14. Verhef U, HEERE, in Uw macht;
dan zullen wij zingen en Uw macht met psalmen loven.

Bevreemdend

Het eerste gedeelte van de psalm is een herkenbaar danklied. Als je in plaats van "de koning" je eigen naam invult is het heel herkenbaar.

Maar vanaf vers 9 gaat het over Gods vijanden. Let op: er staat Gods vijanden, niet mijn vijanden. Het gaat dus niet om een persoonlijke vete maar om mensen die God tegenstaan. Je zou kunnen zeggen dat we daar in Nederland behoorlijk veel van hebben, niet alleen atheïsten en mensen die andere goden dienen, maar ook mensen die zich christen noemen maar niet naar Zijn Woord leven. Ook wij waren Gods vijanden, maar zijn met Hem verzoend door het bloed van Zijn Zoon. Gods vrienden zijn niet beter, maar zijn bevrijd van de gevangenschap en tegenstand tegen God.

Met Gods vijanden zal het niet goed aflopen, tenzij ze tot inkeer komen. De vreugde van degene die God dient, staat in schril contrast met de onbezorgdheid van degenen die zonder God leven. Aan zulke onbezorgdheid komt een onverwacht einde.

Herkenbaar

De vreugde die er is in het dienen van de levende God is groot. Wij mogen Zijn macht, liefde en genade elke dag zien in de schepping om ons heen, in ons eigen leven, in de rijke zegeningen die Hij ons geeft. Meer nog weten wij van Zijn liefde in het geven van Zijn Zoon om ons van onze zonden te verlossen.

Wij weten ten slotte ook dat God deze wereld zal oordelen. We weten dat Zijn Vrederijk zal komen, waar geen pijn of verdriet meer is. God zal opkomen voor degenen die gedood, verdrukt, mishandeld zijn. We weten dat alle vijanden van God verslagen zullen worden, als ze niet voor Zijn genade zullen leren buigen.

Profetisch

Met deze psalm mogen we uitzien naar het komende Koninkrijk van God, waarin ook wij die door genade Gods kinderen zijn, als koningen mogen regeren. We mogen ons ook verheugen over Davids Zoon, Jezus Christus, die ons als Koning van God gegeven is, die Zijn vijanden zal overwinnen en die eeuwig zal regeren.

zaterdag 11 maart 2017

Psalmen - 12

Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.
2 Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet meer,
onder de mensenkinderen zijn er nog maar weinig trouw.
3 Valse dingen spreekt men tot elkaar,
met vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4 Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
en de tong vol grootspraak.
5 Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
6 Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen
zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE;
Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
7 De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
als zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
8 Ú, HEERE, zult hen bewaren,
U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
9 Overal draven goddelozen rond,
wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.

Bevreemdend:
Er is niet veel bevreemdend in deze psalm behalve het directe ingrijpen van God op de situatie. God behoudt degenen die zichzelf niet kunnen verdedigen tegen mensen die met mooie praatjes, die niet doen wat ze zeggen, maar alleen op hun eigen winst uit zijn.

Als we dit lezen vragen we ons meteen af: Hoe is het mogelijk? Hoe kunnen we geloven dat God voor altijd (vers 8) de hulpelozen zal verdedigen tegen egoïsten? De geschiedenis, elke tijd leert ons toch het tegenovergestelde? Waar was God toen Hitler met leugens en grootspraak de Joden onderdrukte en liet ombrengen?

De bedoeling van de psalm is iets anders dan dat God iedere hulpeloze altijd beschermt. In de psalm gaat het namelijk over een bepaald moment waarop God zal ingrijpen. Als antwoord op het gebed van David zegt God: "Ik zal nu opstaan" (vers 6), maar dan is er al sprake van groot onrecht, van "verwoesting" en "gekerm". God zal dus wel altijd ingrijpen, maar niet altijd voordat het kwaad al tot uitdrukking is gekomen.

Toch is het moeilijk om daar troost uit te halen op het moment dat er onrecht is. Een overlevende van de Shoah vertelt:
"God was het onderwerp van bijna elke discussie. De gedachte dat dit alles een straf van God was, kwam vaak voorbij. Er waren Joden die veel gestudeerd hadden en het Oude Testament uit hun hoofd kenden. Maar gestudeerd of niet, niemand wist het antwoord op deze ellende". (Isaac Goldfinger, interview EO)
De reden van het handelen van God is niet altijd te bevatten. Of liever: het handelen van God bevatten we sowieso niet, tenzij God het persoonlijk aan ons laat zien.

Maar ook zonder dat we deze reden weten is het mogelijk om troost vinden bij God. Isaac Goldfinger blijkt Gods troost ook in de concentratiekampen ervaren te hebben: "Ik zeg je; God was daar!".

Herkenbaar:
Egoïsme, liegen of vleien om dingen voor jezelf voor elkaar te krijgen, ontrouw, grootspraak: het is erg herkenbaar. Hier en daar ziet men het zelfs als vanzelfsprekend om niet helemaal waarheidsgetrouw te zijn (bijvoorbeeld bij het verkopen van een product). Het gaat niet altijd gepaard met grof onrecht, maar wel altijd met een beetje onrecht.

Laten we hier tegenover het beeld zetten van hoe God is: Gods woorden zijn zuiver (vers 7). Ze zijn als zilver dat zevenmaal door vuur gezuiverd is. Laten onze woorden daarom ook geen onwaarheid bevatten waarvan we bewust zijn! Als we ons best doen, blijft er nog genoeg onwaarheid en egoïsme over waar we ons niet eens van bewust zijn.

Ook voor de komende verkiezingen en de bijbehorende campagnes is dit een psalm om in gedachten te houden...

Profetisch:
Gods woorden zijn zuiver (vers 7). Dat betekent dat de profetieën in de Bijbel waar zijn en zullen uitkomen. Voor een deel kunnen we dat al zien in de profetieën die al uitgekomen zijn: de verwoesting van Israël door Assyrië en Babel zoals beschreven door de meeste profeten, de wereldrijken zoals beschreven door Daniël, het blijvende verbond van God met Israël, de komst van Jezus Christus die zou lijden maar ook zal verlossen. Voor een ander deel zal het nog komen: het verkondigen van het evangelie aan alle volken, het komen van het rijk van de antichrist, de terugkeer van de tien stammen van Israël naar hun land, de wederkomst van Jezus Christus, en het komende Rijk van God. We moeten grote waarde hechten aan elk woord wat in de Bijbel staat, want ze zijn ook voor ons nog opgeschreven. Gods woorden zijn voor ons, ze zijn waar, trouw, en voor iedereen te begrijpen.

zaterdag 11 februari 2017

Psalmen - 11

Hieronder volgt Psalm 11:
Een psalm van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe kunt u dan zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg naar uw bergen, als een vogel!
2 Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.
3 Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat kan de rechtvaardige dan doen?
4 De HEERE is in Zijn heilig paleis,
de troon van de HEERE staat in de hemel;
Zijn ogen doorzien,
Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.
5 De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
6 Hij zal op de goddelozen valstrikken, vuur en zwavel doen regenen.
Een verschroeiende stormwind zal het deel van hun beker zijn.
7 Want de HEERE is rechtvaardig,
Hij heeft rechtvaardige daden lief.
De oprechten zullen Zijn aangezicht aanschouwen.

Bevreemdend:
Bevreemdend in de Psalm kan zijn de directe lijn die er vanaf God naar de aarde loopt en die we misschien niet zo ervaren. Het eerste wat daaronder valt is dat God de mensen beproeft en ziet wat er in ze omgaat (vers 4). Tegenwoordig geloven mensen liever in een onpersoonlijke positieve kracht dan in een God die ons beproeft. Ze geloven daarmee niet alleen niet in een persoonlijk God, maar ook niet in een heilig en verheven God. Immers, als God heilig en verheven is, is het moeilijk voor te stellen dat Hij ons niet zou kennen en beproeven. Als Hij ons niet kent, is Hij niet verheven. Als Hij ons niet beproeft, is Hij niet heilig.

In het licht daarvan is het verwonderlijk dat er staat dat de oprechten het aangezicht van deze heilige en verheven God zullen zien (vers 7). Als God zó groot is, dan moet het wel grote genade zijn om Hem te zien en door Hem beproefd te worden.

Het tweede, dat God de goddelozen zal oordelen met 'valstrikken, vuur en zwavel' hoeft ons minder te verwonderen als we geloven in een heilig en verheven God. Wat we ons wel kunnen afvragen, is waarom we het oordeel van God niet zien. Het gaat toch vaak goed, ook met degenen die mens noch God ontzien in hun daden? Hoe komt het dat we de oordelen van God niet duidelijker zien?

Het antwoord hierop is tweevoudig. Allereerst moeten we de woorden van David poëtisch lezen en niet letterlijk. Het gaat erom dat God de goddeloze uiteindelijk ten val zal brengen. Dat gebeurt op heel verschillende manieren, maar we zien vaak wel dat het goede uiteindelijk het kwaad overwint en er gerechtigheid plaatsvindt. Ten tweede leven we sinds de komst van Jezus in de verwachting van Gods Koninkrijk. Het is er nog niet. Het is de tijd dat het Evangelie van Jezus Christus, Zoon van God, op heel de aarde verteld moet worden. Pas als dat voltooid is, zal Jezus terugkomen om de aarde te oordelen.

Herkenbaar:
Herkenbaar is de onmacht die uit het eerste deel van de psalm spreekt. "Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald! Wat kan de rechtvaardige dan doen?" (vers 3). Mooi is het beeld dat ertegenover staat van Gods heiligheid en verhevenheid waartoe we de toevlucht mogen nemen. Vaak blijkt dat God niet door kracht of geweld werkt, maar door Zijn Geest (profetie van Zacharia, 4, 6).

Profetisch:
Dat God de rechtvaardige beproeft en dat de oprechten Zijn aangezicht zullen zien (vers 7) kunnen we toepassen op het komende Koninkrijk van God, waarin degenen die door het geloof in God als rechtvaardig worden gerekend, bij God in de nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen leven. Deze belofte wordt herhaald in de Openbaring aan de apostel Johannes (22, 4). God zegt tot ons:
"Wie dorst heeft, zal Ik voor niets te drinken geven uit de bron van het water des levens. Wie overwint, zal alles beërven, en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn." (21, 6-7)

maandag 30 januari 2017

Psalm 9 en 10 - Liefde en haat

Vorig bericht schreef ik over Psalm 9 en 10, geschreven in een tijd van terrorisme. In Psalm 9 en 10 bidt David tot God om de aanslagen van de vijanden van Israël te stoppen en deze vijanden voor altijd uit te roeien, om zelfs hun naam voor altijd uit te wissen.

Is zo'n gebed goed? Jezus gebiedt toch:
Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.
Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren. Bied hem die u op de ene wang slaat, ook de andere. Verhinder hem die het bovenkleed van u afpakt, niet ook uw onderkleed te nemen. Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is. En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.
En als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben.
En als u goeddoet aan hen die aan u goeddoen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars doen hetzelfde.
En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen.
Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten. Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is (evangelie van Lukas, 6, 27-36)

Jezus roept dus op tot liefhebben van zelfs vijanden. Daarin gaf Hijzelf, Gods Zoon, het grootste voorbeeld, omdat Hij voor ons stierf aan het kruis. Zelfs toen bad Jezus voor zijn vijanden: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen" (evangelie van Lukas, 23, 34).

Ook de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan laat zien dat we onze vijanden moeten liefhebben. Daarin helpt een Samaritaan (een volk wat de Joden verachtten) een Jood die door struikrovers is overvallen en voor dood is achtergelaten, terwijl een Joodse priester en leviet de gewonde Joodse man links laten liggen. Jezus vraagt dan: "Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was?" (evangelie van Lukas, 10)

De gelijkenis maakt duidelijk dat er door iedereen een beroep op onze hulp wordt gedaan. Een filosoof die dit mooi beschrijft is de Duits-Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) in het boekje "Ik en Jij". Hij beschrijft dat er twee grondhoudingen zijn tot de ander: we kunnen een ander als een 'jij' beschouwen, of we kunnen diegene als 'een van de velen' beschouwen. De eerste relatie kun je aanduiden met het woordpaar Ik-Jij, de tweede met het woordpaar Ik-Het. Het eerste is persoonlijk, tijdelijk, alle aandacht vereisend, het tweede is onpersoonlijk, met betrekking tot het verleden of de toekomst, begrenzend. Het beroep dat de andere persoon, 'jij', op ons doet, is groot.

Wat gebeurt er als je 'jij' zegt (zoals Buber het bedoelt) tegen je vijand? Dan zullen ook zijn daden (in het verleden) even buiten beschouwing staan en zul je hem zien als mens. Je zult hem misschien zo zien als hij hulp nodig heeft en hem helpen.

In Psalm 9 en 10 lijkt het dat David niet voldoet aan het gebod van ook je vijanden zelfs lief te hebben, dat Jezus zoveel later uitsprak. Het lijkt erop dat David liefst zo snel mogelijk de dood van zijn vijand ziet.

Kan het eigenlijk wel, terroristen als personen liefhebben? Zijn zij niet te onmenselijk geworden? Moeten we stoppen ze lief te hebben?

Nee, dat moeten we niet. Jezus bad immers al: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen" (evangelie van Lukas, 23, 34).

We moeten dus een onderscheid maken tussen de daden van een terrorist, en de persoon zelf. We mogen bidden dat God de daden van IS verijdelt en tegengaat, en tegelijk bidden dat God de daders als persoon tot inkeer wil brengen.

Daarmee is niet gezegd dat een persoon die verkeerd doet niet uiteindelijk veroordeeld zal worden als hij daarin doorgaat. De ultieme rechtspraak van God zal gaan over de daden van mensen. Maar tot het definitieve oordeel, dat zal komen als Jezus naar de aarde terugkeert, en wanneer het Koninkrijk van God zal beginnen waarin geen kwaad meer zal zijn, is er uitstel. Ieder mens heeft tot zijn dood uitstel om zich als persoon te veranderen en een persoon te worden die goede daden doet door de vruchten van Gods Geest.

We schreven bij Psalm 9 en 10 al dat deze psalmen profetisch zijn en vooruitzien naar het Koninkrijk van God. Davids gebed om herstel, het verslaan van alle vijanden in zijn land, zelfs het uitwissen van de herinnering aan de daden van de vijanden, kan ook zo worden gezien als gebed om het Koninkrijk van God, en minder als een persoonlijk haatbetoon aan zijn vijanden. Het is eerder een honger en dorst naar recht!

Dit verlangen naar Gods Koninkrijk zal vervuld worden. Het is één van de beloften van Jezus:
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn. (evangelie van Mattheüs, 5)

zondag 20 november 2016

Psalmen - 7

De tekst van Psalm 7 is als volgt:
1 Sjiggajon van David, dat hij voor de HEERE gezongen heeft, vanwege de woorden van
Cusj, de Benjaminiet.
2 HEERE, mijn God, tot U neem ik de toevlucht,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij.
3 Anders verscheuren zij mijn ziel als een leeuw,
slepen zij mij weg, terwijl er niemand is die redt.
4 HEERE, mijn God, als ik dát gedaan heb,
als er onrecht aan mijn handen kleeft,
5 als ik iemand kwaad vergolden heb die vrede met mij had,
– wie mij zonder reden benauwde, heb ik juist gered! –
6 dan mag de vijand mij vervolgen, achterhalen,
mijn leven op de grond vertrappen
en mijn eer in het stof doen wonen!
7 Sta op, HEERE, in Uw toorn,
verhef U tegen de verbolgenheid van wie mij benauwen,
ontwaak ter wille van mij;
U hebt het recht ingesteld.
8 De gemeenschap van volken zal U omringen,
neem dan weer plaats hoog boven hen.
9 De HEERE zal over de volken rechtspreken.
Doe mij recht, HEERE, want ik ben rechtvaardig
en oprechtheid is bij mij.
10 Laat er toch een einde komen aan de slechtheid van de goddelozen,
maar doe de rechtvaardige standhouden,
o rechtvaardige God, Die harten en nieren beproeft.
11 Mijn schild is bij God,
Die de oprechten van hart verlost.
12 God is een rechtvaardige Rechter,
een God Die iedere dag toornt.
13 Als men zich niet bekeert,
dan zal Hij Zijn zwaard scherpen,
Zijn boog spannen, en aanleggen.
14 Hij heeft dodelijke wapens voor Zich gereedgemaakt,
Hij richt Zijn pijlen op de felle achtervolgers.
15 Zie, hij heeft weeën van onrecht
en is zwanger van kwaad,
hij zal leugen baren.
16 Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf dat hij zelf gemaakt heeft.
17 Zijn moeite zal op zijn eigen hoofd terugkeren,
zijn geweld op zijn eigen schedel neerdalen.
18 Ik zal de HEERE loven om Zijn gerechtigheid,
en voor de Naam van de HEERE, de Allerhoogste, psalmen zingen.

Bevreemdend:
Het beroep op de toorn van God in deze psalm is bevreemdend. David prijst Gods toorn: "God is een rechtvaardige Rechter, een God Die iedere dag toornt". Hij zet Gods toorn tegenover de woede van degenen die hem achtervolgen (vers 7).

Anders dan ons herkende men in de tijd van David een concept van "rechtvaardige toorn". Dat is in onze cultuur niet echt herkenbaar. We kennen wel "terecht boos" of woedend zijn. Dat komt vaak neer op het claimen van het recht om anderen (bijv. moordenaars van IS, degenen die MH17 hebben beschoten) te vervloeken. Het komt niet overeen met wat "rechtvaardige toorn" inhield. Dat is namelijk de oprechte woede van een heerser (bijv. koning), een woede die gepaard ging met daden om een situatie van onrecht recht te zetten en te herstellen. David vergelijkt God met een koning die ten strijde trekt om een onrechtvaardige overheerser te overmeesteren (vers 13-14).

Deze psalm is geschreven naar aanleiding van woorden van ene Cusj, gericht om David te doden (vers 1, 16). Dat is dus de situatie van onrecht die David God vraagt recht te zetten.

Het laatste stuk van de psalm is een loflied op God, die een rechtvaardige Rechter is. David spreekt uit dat degenen die op de dood van anderen uit zijn, zelf gedood zullen worden, en dat degenen die geweld gebruiken, zelf geweld zullen ervaren (vers 16-17). Dat is een lofzang op Gods macht die het geweld tegen de onschuldige niet toestaat. Als zodanig vind ik het echter ook confronterend, want is God niet een God van vergeving, en heeft Jezus niet geboden dat men zijn vijanden lief moet hebben (evangelie van Mattheüs, 5)?

Maar er staat een zin bij waar ik over heen las: De aankondiging van Gods ingrijpen wordt ingeleid door de zin "Als men zich niet bekeert" (vers 13). Het staat dus in de contekst van een waarschuwing aan ieder die onschuldigen geweld wil aandoen. Ook Jezus heeft gezegd dat als men zich niet bekeert, er uiteindelijk niets anders overblijft dan het oordeel van God! Wat dat betreft is de waarschuwing van David niet meer dan eerlijk.

Ook lees ik een ander aspect in zijn woorden. David benadrukt hoe moeilijk de mens zonder God het heeft. Hij beschrijft hoe ze weeën hebben, zwanger zijn, een kuil zelf uitgraven, en moeite hebben, en hoe al deze moeite tevergeefs is: het zal uitlopen op een miskraam, de kuil zal hun eigen graf worden, de moeite zal weer op henzelf terugkeren (vers 15-17). David waarschuwt dus niet alleen, maar beklaagt ze ook! Wat dat betreft hoopt hij dat zijn beschrijving van de situatie hen tot inkeer zal brengen.

Herkenbaar:
Herkenbaar is hoe David God beschrijft als degene die alle dingen kent, zelfs onze diepste wensen en gevoelens ("harten en nieren beproeft", vers 10), en als de God die de wereld regeert en zal oordelen.

Profetisch:
"De gemeenschap van volken zal U omringen, neem dan weer plaats hoog boven hen. De HEERE zal over de volken rechtspreken" (vers 8-9). Wij mogen Jezus verwachten die terug zal komen op de wolken van de hemel om de wereld te oordelen, als het Evangelie aan alle volken verteld is. Ook al leven we in Nederland in vrede en welvaart, er zijn zoveel situaties op aarde die schreeuwen om recht. "Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen."

maandag 19 januari 2015

Is God een God van vrede?

Hiervoor schreef ik al over het gebed om praktische gerechtigheid in de psalmen. In de psalmen wordt God gebeden om de goddeloze te beschamen en wordt gezegd dat ze in de kuil zullen vallen die ze zelf hebben gegraven (Psalm 7, 57, 94, 140). Dat betekent niet dat je mag terugdoen wat je is aangedaan. Integendeel, anders zou de emotie in de psalmen geen smeekbede om hulp in onrecht, maar een bittere wraakzang zijn. Zelfs al wordt er gevraagd om de dood van de goddeloze die probeert de godvrezende te doden dan nog staat er: "Bedek hun gezicht met schande, dan zullen zij, HEERE, Uw Naam zoeken" (Psalm 83).

Wat kunnen we hier veel van leren in deze tijd waarin we de haat van IS lezen en daar afschuw voor hebben! We kunnen allereerst leren van het vertrouwen dat uit de psalmen spreekt. Ze herinneren aan de vorige wonderlijke leiding van God en Zijn macht. Laten we daarna leren van het doel dat in het gebed genoemd wordt, namelijk om de goddelozen Gods Naam te laten zoeken. Als we op dezelfde manier voor IS bidden worden we noch door angst noch door haat overmand (zie ook dit bericht van een andere blogger over 'Besmettelijke boosheid').

Jezus gebiedt onze vijanden lief te hebben:
"Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (...) Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is." (evangelie van Mattheüs, 5, 44)

Maar is God een God van vrede? Is er geen sprake van geweld in de tijd van het volk Israël in de Bijbel? Er zijn twee dingen die zeker uitleg behoeven: zowel de wet in Israël als de oorlogen van Israël.

Wat de wet in Israël, door God gegeven, betreft, is het zeker dat de makers van het blad Charlie ook op grond van Gods wet in Israël ter dood gebracht zouden hebben moeten worden. Echter niet door wetteloos geweld maar op recht van de wet. Dat is op grond van het tweede gebod: het verbod op misbruik van Gods Naam.

Wat betekent dat? Het betekent dat als u een zoon van Abraham was of verkoos tot Jood gedoopt te worden, dat u dan gedood moest worden als u de naam van God misbruikte. Als hoogste recht in de wet van Israël gold niet dat alle mensen en godsdiensten gelijk zijn, maar dat er één God is. Als grondwet gold niet vrijheid van meningsuiting maar het heiligen van de naam van de enige ware God. Er gold geen vrijheid van godsdienst, maar het verbod op het maken van eigen beelden om God te dienen.

Christenen van nu hebben dezelfde wet in hun hart geschreven. Ze hebben die wet echter niet in hun land als grondwet. Niemand zal in Nederland de doodstraf krijgen voor een andere godsdienst, voor godslastering of het op een eigen manier dienen van een god. Wat heeft de situatie zo drastisch veranderd na de wet van Israël? Dat is de komst van Jezus Christus! Jezus gebood niet om alle heidenen te doden, maar gebood het evangelie aan alle schepselen van God te prediken. Jezus gebood niet om alle niet-gelovigen te verbranden, maar om gewoon naar de volgende stad te gaan. Het is waar dat niet alle christenen deze regel in alle gevallen begrepen hebben. Het gebod van Christus is echter duidelijk; nogmaals:
"Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (...) Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is." (evangelie van Mattheüs, 5, 44)

Israël staat trouwens volledig apart in de geschiedenis. Het wordt "het volk van God" genoemd. Waarom? Omdat ze hun volledige identiteit van God hebben:
  1. Ze hebben hun naam van God: de voorvader Jakob kreeg de naam Israël, 'vorst van God'.
  2. Ze hebben hun wet van God.
  3. Ze hebben hun land van God; de voorvader Abraham ging er wonen en God beloofde het aan zijn nageslacht te geven.
  4. Ze hebben hun godsdienst van God.
  5. Ze hebben hun burgers van God; God beloofde Abraham namelijk een groot nageslacht, ontelbaar als de sterren, en gaf hem zijn zoon Izak.
  6. Ze hebben hun geschiedenis van God: God verloste ze uit slavernij in Egypte door grote wonderen en tekenen.
De punten die hier genoemd zijn, zijn de belangrijkste voor identiteit. Het moge duidelijk zijn dat deze punten op geen enkel andere staat van toepassing zijn. Ze zijn ook zeker niet meer een op een op het huidige Israël van toepassing.

Het tweede punt dat uitleg behoeft over of God een God van vrede is, is de oorlogen van Israël. Toen het volk van God, Israël, op bevel van God het land Kanaän binnentrok en in bezit nam nadat God hen uit onderdrukking in Egypte verlost had, kregen ze het expliciete bevel van God om alle steden die daar waren met vuur te verbranden en elke inwoner te doden. Het is verschrikkelijk om dat voor te stellen. Een gewapend man doden die zijn stad verdedigt is al moeilijk, laat staan een vrouw, of zelfs een bejaarde of een kind. Het lijkt op het oordeel van God over Sodom en Gomorra, waar het vuur uit de hemel regende en iedereen doodde; maar daar was het de hand van God.

Dat laatste is precies wat het antwoord is op de reden van dit geweld. Het was de hand van God. Het heeft niets te maken met het feit dat er mensen waren die niet tot Israël behoorden. Het doden van deze volken in Kanaän was niet om een of andere terloopse reden, maar op expliciet en nadrukkelijk bevel van God. Wat waren de redenen van dit oordeel van God? Die redenen spreekt God meerdere keren uit in de Bijbel: seksuele perversie: incest (Leviticus 18, 6-17), bestialiteit (Leviticus 18, 23), overspel (Leviticus 18, 20); kinderoffers (Leviticus 18, 21; Deuteronomium 18, 10); homoseksualiteit (Deuteronomium 18, 10); zwarte magie (Deuteronomium 18, 10-11). Israël was ook niet zomaar een volk, maar het volk van God om deze straf van God uit te voeren.

Maar waarom deze straffen? Waarom heeft God niet vanaf het begin van de wereld het Evangelie van vrede gepredikt? Is God met de tijd veranderd? Ik heb me geprobeerd voor te stellen hoe de inwoners van Kanaän op evangeliepredikers gereageerd zouden hebben, en denk dat daarin het antwoord op de vraag ligt. De moordzuchtige koningen van Kanaän die ook elkaar graag uitmoordden, zouden niet gauw een ander volk verwelkomd hebben of ook maar geluisterd hebben naar een Evangelie van vrede. Dat zouden parels voor de zwijnen geweest zijn! Een spreekwoord dat uit deze woorden van Jezus komt: "Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren." (evangelie van Mattheüs, 7, 6).

Daarom heeft Christus ook niet in het begin van de wereld geleden, maar op het moment dat God dat wilde. Daarom moeten we God niet alleen dienen met liefde, maar ook met vrees, omdat Hij niet alleen goed is, maar ook de Rechter van de aarde.

zaterdag 22 november 2014

Emoties in de psalmen

Thuis zijn wij de psalmen aan het lezen. Er zijn daarbij een paar aspecten waarover ik me verbaasde. Waarom spreekt David in zijn psalm tot God over het onrecht dat hem wordt aangedaan en vraagt hij of God zijn tegenstanders wil straffen? Denkt David dat God zijn onrecht niet gezien heeft? Of denkt hij dat God niet altijd rechtvaardig is? Of speelt er soms de begeerte naar vergelding mee?

Het eerste, dat David denkt dat God zijn onrecht niet heeft gezien, lijkt niet waar te kunnen zijn omdat hij in andere psalmen belijdt dat God alle onrecht en al zijn daden, ja zelfs zijn gedachten ziet en kent. Hoewel het zo zou kunnen zijn dat David door ongeloof wordt overvallen, lijkt het anders te zijn.

Maar is dan het tweede waar? Verwijt David dat God te weinig optreedt, niet snel genoeg reageert? Opmerkelijk is voor het antwoord op deze vraag dat de smeekbeden van David om hulp worden afgewisseld met de allerzekerste belijdenis dat God zal helpen. Het getuigt dus van de emotie in de psalm, waarbij vragen afgewisseld worden door antwoorden.

Hoe zit het dan met het derde aspect: heeft David begeerte naar vergelding van zijn vijanden? Als je de psalmen goed leest zul je merken dat David niet uitweidt over de straf of kwelling die hij voor zijn tegenstanders zou wensen. Dat zou je wel verwachten als begeerte naar vergelding mee zou spelen; dat lijkt dus niet het geval te zijn. Dr. Jan Hoek noemde het motief van vergelding in zijn opiniebijdrage voor het RD vandaag een soort "leedvermaak" waar hij zich niet mee kon verenigen. In zijn visie is het blijdschap om verlost te zijn in plaats van blijdschap over de straf van anderen. Hoewel ik denk dat dat een deel van het goede antwoord is en ik me ook verder helemaal kan vinden in zijn bijdrage, denk ik dat dat het halve antwoord is. De andere helft van het antwoord is mijns inziens toch: gerechtigheid.

Denk niet dat ik hier een pleidooi ga voeren voor een filosofisch soort 'gerechtigheid'. Sommige mensen maken van gerechtigheid iets mystieks dat ons verstand te boven gaat en dat we niet begrijpen maar moeten aanbidden. Ik voer ook geen pleidooi voor een hoogst redelijk soort gerechtigheid die helemaal aan de eisen van onze rede voldoet en daarom lofwaardig is.

Volgens mij gaan de psalmen juist over een concept dat we niet kennen: praktische gerechtigheid. Praktische gerechtigheid betekent dat je vrede kunt vinden met het feit dat je onrecht wordt aangedaan, omdat je weet dat het uiteindelijk een pad is dat niet beloond zal worden. Het betekent dat je ervan overtuigd bent dat God je van de ondergang zal redden door je tegenstanders ten val te brengen. Het betekent dat zelfs al zullen je tegenstanders het in hun leven gemakkelijker hebben dan jij, terwijl ze anderen onrecht aandoen en alles verachten wat waarde heeft, dat God hen na dit leven zal oordelen en straffen volgens een rechtvaardig oordeel.

Als je de woorden uit de psalmen zó opvat, zijn ze zelfs niet in strijd met wat Jezus Christus, de Zoon van God, gebiedt: dat we onze vijanden moeten liefhebben, en moeten zegenen die ons vervloeken. Je tegenstander is namelijk niet degene die veranderd wordt door het Evangelie en berouw heeft, maar juist degene die, hoe goed hij ook leefde, Gods geboden besluit eens vaarwel te zeggen.