Posts tonen met het label Adam Smith. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Adam Smith. Alle posts tonen

zaterdag 21 mei 2016

Psalm 2 - Liberalisme en communisme

Vorige week schreef ik over de inhoud van Psalm 2, een lied over de koning van Sion. Vandaag wil ik wat filosofische aantekeningen erbij maken vanuit de politieke filosofie.

Allereerst een aantekening over de staatsvorm waarin in de psalm wordt uitgegaan, namelijk van de monarchie. In de tegenwoordige politieke filosofie telt die staatsvorm niet echt meer mee en hebben alternatieven als democratie, liberalisme (geen overheid, vrije markt) en communisme (verdeling van bezittingen over iedereen) de overhand. Deze overgang van centrale naar verdeelde macht is logisch als de koning onbetrouwbaar of onrechtvaardig is, wat al gauw het geval is. Over de alternatieven valt echter nog wel te twisten, want nog steeds zijn de politieke partijen verdeeld over of liberalisme werkt of de overheid bezit evenredig moet verdelen. De burgers zelf zijn blijkbaar ook niet te vertrouwen en ook niet rechtvaardig, zodat ook met democratie we niet in een perfecte wereld leven, hoewel het heel wat veiliger is dan de grillen van een alleenheerser.

In Psalm 2 is de situatie echter wel wat anders. Hier gaat het over een koning waarvan mag worden verondersteld dat die rechtvaardig en betrouwbaar is, omdat deze door God is aangesteld en gezalfd. De koningen van Sion werd gezalfd als teken dat Gods Geest deze koning de gave van bestuur zou geven, zoals meerdere keren in de Bijbel te lezen is. Alleen daarom kan er staan dat God bereid is de einden van de aarde aan deze koning van Sion in bezit te geven (vers 8). Het gaat daarentegen over de opstand van onrechtvaardige mensen tegen deze rechtvaardige koning.

Ook is het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 niet het eigen belang, zoals bij liberalisme. De filosoof Adam Smith zette in zijn boek The Wealth of Nations uiteen dat de welvaart van de naties berustte op een goede taakverdeling en ambitieuze, naar vergroting van het eigen belang strevende burgers waarin het vanzelf tot een evenwicht zou komen. Het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 is ook niet de rechten van de burger of arbeider, zoals bij het socialisme of communisme betoogd door Karl Marx en anderen.

In plaats daarvan is het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 vrees en ontzag. Ook dit gaat samen en kan alleen maar samen gaan met het ontzag voor God die deze koning van Sion leidt. Deze vrees en schrik is blijkbaar nodig om onderdanen te overtuigen voor wie de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van de koning van Sion die de wet van God houdt, niet voldoende is om zich aan deze koning te onderwerpen.
Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.

Vandaag zegt zo'n motief ons minder dan toen. Vrees voor God is niet meer vanzelfsprekend. Toch is het goed om te beseffen dat de uitgangspunten in Psalm 2 wat betreft staatsvorm en motief anders zijn met een reden, zoals al genoemd de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van deze koning van Sion door Gods wet en Gods Geest, en dat rechtvaardigheid en betrouwbaarheid juist in onze hedendaagse maatschappij nog ver te zoeken zijn. En voor een christen is Jezus Christus, Gods verhoogde Zoon, deze Koning van wie we de terugkeer mogen verwachten. Gelukkig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

donderdag 6 januari 2011

Aardse socio-economisch-ethische perspectieven

In een prachtig én lang artikel in NRC legt Bas Heijne precies uit wat het probleem is met de hoge idealen van de ethiek dat sommige ethici ertoe neigt om liever in 'realistischer' termen van eigenbelang te spreken.
"Het zijn de verlichtingsbegrippen, na de Tweede Wereldoorlog verheven tot dogma’s, die nu op een agressieve manier worden ontmaskerd als leugens, geriefelijke ontkenningen van wezenlijke behoeften. Gelijkheid, tolerantie, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid – keer op keer worden mensen die deze abstracties hoog in het vaandel hebben staan, ontmaskerd als akelig hypocriet, als zogenaamde hoogstaande geesten die er een dubbele moraal op nahouden. Daartegenover staan bij uitstek menselijke behoeften: verwantschap, eigenheid, trots – met daaronder een groot verlangen naar een zuivere gemeenschap."
In de politiek, maakt Heijne duidelijk, heeft dat de smaak van fascisme.

Is het probleem met de Verlichtingsidealen hun abstractie? Het lijkt van wel. Heijne stelt: "Het "durf te denken!" van Immanuel Kant is ingeruild voor een spannender adagium: durf te voelen."
"Ieder abstract principe wordt dan gezien als een hypocriete, hinderlijke leugen. Wat telt is niet de wereld, maar alleen nog je eigen belevingswereld. Daarbinnen kun je jezelf het middelpunt van alles wanen – en hoef je jezelf geen rekenschap te geven van de rest van de wereld. Het doorgeschoten relativisme van een progressieve generatie wordt nu als excuus gebruikt om iedere vorm van zelfrelativering uit de weg te gaan. Dat is geen correctie op het verlichtingsdenken, dat is verraad aan het verlichtingsdenken. Omdat men aanvoelt dat de menselijke natuur op een hypocriete manier wordt onderdrukt, wordt het ideaal nu door steeds meer mensen overbodig verklaard. Eindelijk mogen we elkaar weer haten."


Hoe is deze reflex van opstand tegen elke opgelegde moraal te keren? Heijne heeft de volgende oplossing: laten we realist zijn over onze gevoelens, dat zal ons in staat stellen de humanitaire wet desondanks te gehoorzamen. Het idealisme geeft Heijne de schuld:
"Waar is het fout gegaan? In de neiging om de Verlichting op te vatten als een geloofsleer, in plaats van een levenshouding, een loffelijk streven om onze al te menselijke aanvechtingen in goede banen te leiden. In handen van het progressieve establishment werden ze tot dogma’s waaraan een gevoel van superioriteit werd ontleend; omdat je aan de goede kant stond, was je vanzelf ook goed. Men verzuimde die dogma’s in tijden van globalisering en immigratie opnieuw te toetsen aan de werkelijkheid."
En ten slotte sluit hij af met:
"Misschien hoeven we niet van elkaar te houden. Misschien hoeven we elkaar niet eens aardig te vinden. De ware humanist laat zich geen knollen voor citroenen verkopen, die weet waarmee hij te maken heeft: de mens. De menselijke natuur ontkennen, weet hij, is even gevaarlijk als erin zwelgen. Tussen die twee smadelijke uitersten moet hij nu zijn eigen positie innemen."


Deze 'balans tussen uitersten' (het ontkennen van het rationalisme en het zwelgen van het romanticisme) klinkt Aristotelisch, en is altijd goed. Maar toch lijkt me met het gevoel meer aan de hand. Het lijkt me ook van belang dat mensen van binnenuit, niet door verstand maar juist primair door gevoel gemotiveerd zijn. Het verstand heeft een succesfactor, maar soms moet het het afleggen tegen het onderdrukte gevoel. Freud zou zeggen: het super-ego moet het soms afleggen tegen het id. Het is misschien zaak om eerst eens het gevoel op orde te krijgen in plaats van het verstand daar primair de taak voor te geven. Zoals voor de christelijke wet de liefde op de eerste plaats staat, liefde tot God en liefde voor de medemens. (Zie ook mijn eerdere bericht over ethiek.)

Of blijft het niet 'realistisch' om te hopen op een innerlijke orde op zaken? "Niet alle mensen zijn heiligen", zeggen sommigen, en dat is een voldoende argument om een zo hoge ethiek af te doen als irreëel? Neem als voorbeeld het perspectief van de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) die de samenleving een "oorlog van allen tegen allen" noemde. Of het principe van eigenbelang in de vrije markt, het liberalisme van Adam Smith (zie ook dit eerdere bericht daarover). Of de opvatting van Bernard Williams (1929-2003) die stelde dat morele verplichting verenigbaar moest zijn met eigenbelang.

Daartegenover staan de woorden van Jezus (Mattheüs 5):
U hebt gehoord dat er gezegd is: Heb uw naaste lief en haat uw vijand. Maar ik zeg u: heb uw vijanden lief en bid voor wie u vervolgen. Dan zult u kinderen zijn van uw Vader in de hemel. Want God laat zijn zon opgaan over slechte en goede mensen en hij laat het regenen voor rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Hoe kunt u verwachten dat God u zal belonen, als u alleen uw vrienden liefhebt?


Of is hier toch sprake van eigenbelang, omdat God zal belonen na dit leven? Ja, maar dat is dan wel een gezond eigenbelang! Eigenbelang dat liefde tot God boven (hoogmoedige) eigenliefde stelt, en liefde tot de medemens daaraan gelijk (in plaats van gierigheid en haat), is een christelijk eigenbelang. "Laten we dus eens echt realistisch worden", zouden christenen kunnen zeggen (alle goede en respectabele aardse socio-economisch-ethische perspectieven ten spijt), "en eens kijken waarom mensen zich niet om het bestaan van God en van het leven na de dood bekommeren." Dàt is de ellende van de mens.

vrijdag 31 december 2010

Geven

De laatste tijd is er in de ethiek een nadruk op socio-economische rechten, vrijheden, en ongelijkheden. De Amerikaanse filosoof John Rawls (1921-2002) formuleerde een 'theory of justice' die precies van deze begrippen uitging, en zocht daarmee naar een ethiek waarin de prioriteit van ethische principes vastgesteld waren. De theorie heeft twee principes: als eerste het principe van zoveel mogelijk gelijke rechten en vrijheden; als tweede het principe dat ongelijkheden in het voordeel van de minst bedeelden moeten zijn. De Amerikaanse filosoof Ronald Dworkin (1931) wees tekortkomingen aan van deze theorie in de waardering van eigen keuzes die tot ongelijkheden kunnen leiden: ongelijkheden zijn rechtvaardig indien een gevolg van eigen keuzes. Het nemen van risico's hoeft niet altijd gecompenseerd te worden. Dworkin illustreerde dit met het idee van een verzekeringsmarkt. Een ander voorbeeld is de theorie van basisinkomen verdedigd door de Belgische filosoof Philippe Van Parijs (1951).

De overeenkomst is dat rechten/geld als middel wordt gebruikt om sociale/economische bezittingen te verdelen. Zelf vind ik het denken in rechten of geld maar uiterst onpersoonlijk. Is geld voldoende om persoonlijke ongelijkheid (zoals handicaps) te compenseren? Hoeveel geld is daartoe in staat? Gezondheid is nu eenmaal niet in geld te waarderen. Zijn rechten voldoende om persoonlijke mogelijkheden en dus vrijheid te garanderen?

Geld ontstond ooit als ruilmiddel voor andere waren, voor vaste maten graan of water. Problemen kwamen er pas als met het geld werd gespeculeerd, als men leende aan onbekende speculanten, als er land (de erfenis) werd verkocht voor geld. In de Bijbel worden deze dingen met afkeuring genoemd: niets is zo belangrijk als dat de erfenis, het stuk land dat van de ouders was, onveranderlijk eigendom blijft van de kinderen. Het verlies ervan is de oorzaak van armoede.

In onze tijd is de markt veel vrijer. De nadelen daarvan zijn zeker: een vrije markt is al gauw oorzaak van ongelijkheid. En wat is er allemaal te koop of wordt er verkocht voor geld? Wat te denken van mensen die hun eer verkopen voor geld (prostitutie), of van iemand die zijn nier verkoopt voor geld? De vrije markt wordt al gauw een vijand van integriteit, eenvoudigheid en stabiliteit. Met als voorbeeld de kredietcrisis.

Geld als middel is mijns inziens dus niet het mooiste uitgangspunt van ethiek. De vrije markt moet een tegenpool hebben in het christelijke principe van zorg voor de ander. Liever zorg dan verzekering, liever goed dan geld. In plaats van een een stelsel van sociale zekerheid, waardoor iedereen iets van zijn bezit af moet staan voor de arme maar ieder toch voluit zijn eigen welvaart zal nastreven (vergelijk het met het idee van de 'onzichtbare hand' van de vrije markt, zoals de Schotse filosoof Adam Smith (1723-1790) verdedigde), moet men zich bewust worden van eigen mogelijkheden om te geven.

Tegenover de moderne ontwikkeling van de ethiek die steeds meer nadruk legt op rationaliteit, zelfbeschikking, universele regels en principes, is er ook sprake van de theorie van 'zorgethiek'. Deze theorie werd door de Amerikaanse psychologe Carol Gilligan (1936) ontwikkeld als antwoord op een onderzoek van de psycholoog Lawrence Kohlberg (1927-1987) die nogal discriminerende conclusies over de morele capaciteiten van de vrouw had getrokken, omdat vrouwen minder in staat bleken morele conflicten objectief te benaderen. De principes van zorgethiek zijn mijns inziens een goede poging om onze morele intuïties wakker te schudden.

In plaats van vrijheid als autonomie, is vrijheid gecombineerd met dienstbaarheid (de paradox van Luther, zie mijn eerdere bericht) een veel beter uitgangspunt. "Het is beter te geven, dan te ontvangen." (Handelingen 20:35)