Posts tonen met het label goed en kwaad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label goed en kwaad. Alle posts tonen

woensdag 6 augustus 2025

Het perspectief van leven zonder God (2)

Misschien heb je mijn vorige bericht gelezen en heb je goede tegenargumenten. Ik zal er een aantal noemen die ik heb gehoord.

Allereerst, je zou kunnen antwoorden: "Je zoekt het te hoog. Er is geen groot antwoord op de zin van het leven, maar dat hoeft ook niet. De zin van het leven ligt in het genieten van het moment. Je zou zelfs kunnen zeggen dat in het moment een wereld vol zingeving zit."

Dit is een antwoord dat deels waar is. Het deel dat waar is, is dat een moment inderdaad een wereld vol zingeving en geluk kan zijn. Maar ten eerste is dat geen tegenwerping tegen het pleidooi om open te staan voor het bestaan van God. De vrede met God kan het geluk van ieder moment alleen maar groter maken, niet kleiner. Het geluk van het moment is ook geen reden om te veronderstellen dat de rest van het leven als geheel dan zinloos moet zijn. Het is juist reden om te onderzoeken of er een grotere werkelijkheid achter dat moment zit.

Een ander tegenargument kan zijn: "Ja, lekker makkelijk. Iedereen kan wel zeggen dat er eeuwig leven is na de dood. Niemand kan je tegenspreken. Dat kan een vrijbrief zijn voor het verwaarlozen van het leven hier op aarde."

Ook dit antwoord is deels waar. Het is waar dat dit een makkelijk antwoord zou kunnen zijn, en dat het geloof in leven na de dood kan leiden tot een verachting van het leven nu. Maar dat is absoluut niet waartoe ik uitnodig als ik vraag je open te stellen voor de mogelijkheid van het bestaan van God. Ik heb het over die God en Vader die Zijn eigen Zoon Jezus voor onze zonden heeft overgegeven. Wij zondigen niet goedkoop, en heel de aarde is vol van Gods glorie. Ik heb het over die God, die persoonlijk aarde en hemel heeft gemaakt en gevraagd heeft of wij zorg willen dragen voor deze aarde, de schepselen daarop en elkaar. Ik heb het over die God die oproept om je leven te verliezen in volledige overgave aan Hem, door het liefhebben van Hem boven alles en van je naaste als jezelf, en het gelovig vertrouwen op het offer van Zijn Zoon voor onze zonden.

Een laatste, heel ander tegenargument kan zijn: "Ik wil helemaal niet eeuwig leven. Dat kan helemaal niet zingevend zijn." Dit tegenargument is met succes gesuggereerd door literatuur, bijvoorbeeld misschien door het verhaal van Toon Telligen over de dag dat de boosheid verdwenen was en de dieren helemaal niet meer weten wat ze moeten voelen en lusteloos voor zicht uit gaan zitten staren en "het ergste vrezen". Of door het verhaal over 'De onsterfelijke' van Borges, een man die van 'de rivier van de onsterfelijkheid' heeft gedronken en na duizenden jaren verlangt naar de dood die hem eindelijk van de zinloosheid zou kunnen verlossen, omdat hij alles wat hij wil al gedaan heeft en niets meer waarde lijkt te hebben als het altijd binnen bereik is.

Op dit laatste argument wil ik reageren op een aantal verschillende misvattingen die erachter kunnen zitten:

  1. het idee dat het geluk zonder de schaduwzijde van het kwaad geen geluk is;
  2. het idee dat alles zich uiteindelijk herhaalt als het eeuwig duurt;
  3. het idee dat de eeuwigheid door het christelijke geloof alleen wordt bestemd voor beloning of straf, woorden die Borges aan de onsterfelijke in de mond legt.

Allereerst over het idee dat het geluk zonder de schaduwzijde of begrenzing van het kwaad geen geluk is of overgaat in verveling. Ironisch genoeg heeft de kerkvader Augustinus ook geargumenteerd dat het kwade ten beste komt van het goede, en dat God het daarom heeft toegelaten - al bedoelde Augustinus niet dat het goede (nu of in de toekomst) niet zonder het kwade zou kunnen. Het idee dat het goede niet zonder het kwade kan is echter onjuist. Adam en Eva waren gelukkig zonder het kwaad. Ze moesten verleid worden tot iets wat ze niet kenden, bedrogen worden, om tegen God te zondigen. Wij zelf kunnen levenslang gelukkig zijn, bijvoorbeeld in een huwelijk of met een kind, zonder dat we behoefte hebben aan kwaad (zoals de dood of echtscheiding). Dit idee is dus empirisch bewezen onjuist te zijn.

Als tweede het idee dat er een eeuwige cyclus is waarin alles uiteindelijk herhaling is en niets nieuws meer is. Borges begint zijn verhaal met een citaat van Francis Bacon die op zijn beurt het bijbelboek Prediker citeert dat er niets nieuws onder de zon is. Daarmee wordt over het hoofd gezien dat deze klacht van niets nieuws onder de zon er een is die ontstaat in een ellendige en zondige wereld waarin de dood een feit is. Ieder mens snelt naar de dood, iedere nieuwe generatie is aan dezelfde wetmatigheden en ellende is onderworpen. De algemene stelling dat alles zich herhaalt is een vooronderstelling waarvoor geen enkel bewijs bestaat. Precies zo bestaat er voor de algemene stelling dat op den duur alles gaat vervelen, geen reden. Hoe zit dat in ons mensenleven? Mensen zijn als ze overlijden wel uitgekeken op de ellende, maar niet op het goede en mooie in het leven. Onze eigen ervaring spreekt het tegen. Als we dit leven niet meer willen, is dat uit wanhoop en niet uit verveling. Spreuken 5:19 heeft een mooie spreuk over het blijvend genieten van je huwelijk: "Dool altijd rond in haar liefde." Zoals je in een tuin telkens opnieuw rond kunt dwalen en telkens weer ervan geniet. Niet zoals in een cyclus waarin exact dezelfde toestand als eeuwen geleden terugkomt en alles zich opnieuw herhaalt.

Als laatste, het idee dat het christelijke geloof de eeuwigheid alleen bestemt voor beloning of straf. Dat is niet wat de Bijbel erover zegt. Beloning en straf is wel onderdeel van de eeuwigheid. Maar het is veel aangrijpender: de hel is zonder God zijn, zonder Zijn licht en zegeningen zijn, in gezelschap van de duivel, de bedrieger vanaf het begin zijn, en vol zijn van beklag maar ook van voortdurende haat tegen God. Je kunt het geen leven noemen - het wordt daarom de eeuwige dood genoemd. Dat is waar de leugen van Satan ons brengt ons brengt als we niet tot Jezus vluchten. Daartegenover staat eeuwig leven. Niet "eeuwig beloond worden" maar eeuwig leven. Dat gaat niet alleen over beloning, maar veel meer: over dat God alle tranen zal afwissen van het lijden op deze aarde, dat God een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal maken waarop vrede en gerechtigheid woont, dat we Gods aangezicht zullen zien, wat betekent dat we onze Schepper niet meer alleen maar kennen als via een verdonkerde spiegel, maar direct, dat er vrede zal zijn in de natuur tussen de dieren en ons, dat we onbevreesd om mogen gaan met en regeren over heel Gods schepping, waarvoor wij in de eerste plaats door God tot leven zijn geroepen toen Hij ons op deze aarde schiep. En dat alles zonder de droevige zonden van ons hart waarmee we nu nog dagelijks strijden.

God heeft ons altijd al voor het eeuwige leven bestemd. Daarom stond er in het midden van het Paradijs (ja echt, in het midden) de boom des levens. Het is door onze zonde dat we moeten sterven. Het eeuwige leven in de Bijbel is dus niet een beloning, maar een herstel van hoe het zou moeten zijn. Het is dus een meervoudige misvatting dat eeuwig leven niet zingevend zou kunnen zijn.

Het tegendeel is waar. Kijk ten slotte eens op naar de oneindige God die dit heelal geschapen heeft, en bedenk dat Hij het is die je uitnodigt om in Zijn nabijheid te wonen. Hij zal eeuwig dezelfde betrouwbare, barmhartige en genadige God blijven die ons het eeuwige leven geeft, de eeuwige Bron van al het goede die nooit opdroogt. Jezus, het Lam van God, zal ons weiden en naar verse waterbronnen leiden.

donderdag 26 oktober 2017

Psalmen - 18

Voor de koorleider, een psalm van de dienaar van de HEERE, van David, die de woorden van dit lied tot de HEERE gesproken heeft, op de dag waarop de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.
2 Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
3 De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
4 Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is,
en werd verlost van mijn vijanden.
5 Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6 Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7 In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
8 Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij in toorn ontstoken was.
9 Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10 Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere wolk was onder Zijn voeten.
11 Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
12 Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
13 Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14 De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
15 Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
16 De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.
17 Hij stak Zijn hand uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18 Hij redde mij van mijn sterke vijand
en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19 Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20 Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij loon naar de reinheid van mijn handen.
22 Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23 Want al Zijn bepalingen hield ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
24 maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25 Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
26 Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27 Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
28 Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
29 Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
30 Want met U ren ik door een legerbende,
met mijn God spring ik over een muur.
31 Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32 Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33 Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34 Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35 Hij oefent mijn handen voor de strijd
en leert mijn armen een bronzen boog spannen.
36 Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37 U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
38 Ik vervolgde mijn vijanden en haalde hen in;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39 Ik verpletterde hen, zodat zij niet meer konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
40 Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41 Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
42 Zij riepen, maar er was geen verlosser;
tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43 Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind,
ik ruimde hen weg als slijk van de straat.
44 U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk dat ik niet kende, heeft mij gediend.
45 Zodra hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
46 Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God van mijn heil!
48 U bent de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
49 Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
50 Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
51 Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.

Bevreemdend
In psalm 18 neemt David prachtige beelden uit de natuur om de kracht van God te schilderen: aardbevingen, vuur, wind, duisternis en licht. David heeft goed geluisterd naar de natuur en Gods grootheid gezien. Je zou deze psalm enorm gewaagd kunnen noemen omdat de kracht van God met beelden uit de natuur wordt beschreven. Maar David was een profeet en sprak het Woord van God.

De kern van de psalm is: God overwint het kwaad.

Het is geen overwinning waar geen bloed bij vloeit:
  • God redt degenen die de verlossing bij Hem zoeken. Hen blijft niet alle ellende in dit leven bespaard. "Banden van de dood hadden mij omvangen" (vers 5). Maar God is hun kracht, dus overwinnen ze in dit leven.
  • Wie de kant van het kwaad kiest, zal echter omkomen bij de overwinning van God op het kwaad.
  • Maar ook heeft het bloed gevloeid van Gods Zoon, Jezus Christus: Zijn dood aan het kruis is tot verzoening van iedereen die in Hem gelooft, zelfs de vijanden waar David zelf geen genade voor kende.

Het leven van David was een leven van fysieke oorlog: "wie mij haatten, die bracht ik om" (vers 41). Zoals eerder gezegd is dat bij ons vandaag in Nederland niet aan de orde, en daarom ook niet herkenbaar. Door het leven van Jezus, de door God beloofde Zoon van David, weten we dat God ook zelfs vijanden met Zich wil verzoenen.

Herkenbaar
Wat herkenbaar is, is het thema van overwinning. Leven met een optimistische houding en zelfvertrouwen zien we als positief, als iets waar je jezelf en anderen goed mee doet. Je hebt er daarentegen niets aan om te denken in onmogelijkheden.

Het gevaar daarbij is dat het eenzijdig is. In psalm 18 spreekt David ook echte angst uit: "Banden van de dood hadden mij omvangen" (vers 5). Als we leven uit zelfvertrouwen en niet in God geloven, waar blijven we dan als ons zelfvertrouwen tekort blijkt te schieten?

Er is altijd een uitweg als we de kracht van God hebben herkend in de natuur, zoals in deze psalm:
In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

Profetisch
Er zal een moment komen waarop God het kwaad definitief zal overwinnen. Dat is wanneer Jezus zal terugkomen. Voor degenen die blijven doorgaan in het kwaad, is er dan geen mogelijkheid meer om te blijven staan. Daarom smeek ik u, alsof God door mij u smeekt: laat u met God verzoenen! (2 Korinthe, 5, 20)

maandag 26 juni 2017

Psalmen - 15

Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
2 Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
3 Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.
4 In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot zijn schade,
zijn eed verandert hij evenwel niet.
5 Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.

Bevreemdend
Niet veel is bevreemdend in deze psalm, behalve het begin: de intieme relatie tot God die wordt beschreven. 'Verblijven in Gods tent' en 'wonen op de berg van Gods heiligheid': bij een afstandelijke god kan dat niet. Voor een afstandelijke god zijn het hoogstens gedode offers die daar mogen verblijven, maar niet levende mensen (die nog niet eens priester zijn ook). Deze psalm laat ons horen dat God ieder van ons wil aanspreken en bij Zich roept!

Misschien nog een toelichting op de zin: "Ik zijn ogen is de verworpene veracht, maar wie de HEERE vrezen, eert hij" (vers 4). We moeten dit niet lezen als "Hij heeft religieuze ijver, minacht wie niet tot de kerk behoren en eert degenen die tot de kerk behoren." Het gaat hier om "de verworpene" die God verwerpt om zijn daden, dus wie onethisch handelt. De uitdrukking "wie de HEERE vrezen" gaat over degenen die Gods wet houden en dus ethisch juist handelen. Je zou het kunnen herschrijven tot "In zijn ogen is degene die onethisch handelt veracht, maar wie ethisch juist handelen, eert hij", en het gaat dus niet om religie.

Herkenbaar
De morele normen die in deze psalm genoemd worden, zijn heel herkenbaar. Zelfs zó herkenbaar dat ze redelijk universeel bekend moeten zijn, lijkt me. Ons door God ingebouwde rechtvaardigheidsgevoel herinnert ons eraan. Ze gaan vooral over waarheid: onbedriegelijk zijn, niet alleen in wat je zegt maar ook in hoe je handelt.

Voor mij werpt dat juist weer de vraag op: de dingen die hier genoemd worden zijn zo universeel, is dat voldoende om bij God te wonen? We worden toch door Jezus aan God verbonden en niet door goed doen alleen?

Het antwoord hierop is denk ik dat koning David hier een ideaalbeeld schetst. De genoemde voorwaarden beschrijven zoals het zou moeten zijn, maar niemand voldoet er helemaal aan. We mogen echter onze zonden belijden en ervan verlost worden door Jezus Christus.

Profetisch
Om de kloof tussen wie we zouden moeten zijn om bij God te wonen, en wie we werkelijk zijn te dichten, heeft God Zijn Zoon gezonden. God woonde onder ons! Van Jezus, Zoon van God, lezen we:
Hij, Die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog gevonden is; Die, toen Hij uitgescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, voor de zonden dood, voor de gerechtigheid zouden leven. Door Zijn striemen bent u genezen. (eerste brief van de apostel Petrus, 2, 22-24)

woensdag 17 mei 2017

Psalmen - 14

Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
2 De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
3 Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
4 Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten alsof zij brood aten?
Zij roepen de HEERE niet aan.
5 Daar worden zij door angst bevangen,
want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!
6 Weliswaar beschaamt u het voornemen van de ellendige,
maar de HEERE is zijn toevlucht.
7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!
Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Bevreemdend
'Er is niemand die goeddoet.' Wat een universele bewering! Je moet wel lef hebben om zoiets te zeggen! Het is een heel pessimistisch mensbeeld wat uit deze psalm spreekt. Maar dat is nogal bevreemdend, want er gaat toch heel veel goed?

Het zit zelfs in de menselijke natuur om goed te doen. De meeste mensen hebben een positieve insteek. Ze worden daarbij geholpen door hun geweten: als je iets goeds doet, wordt je beloond door het prettige gevoel dat je iets goeds gedaan hebt. Als je iets verkeerds doet, spreekt je geweten, en probeer je met jezelf in het reine te komen door jezelf te corrigeren.

Aan het eind van hun leven zullen er veel mensen zijn die eerlijk kunnen zeggen dat ze hun best gedaan hebben, positief hebben geleefd, en (meestal) trouw zijn geweest aan hun geweten. En de keren dat ze echt iets verkeerd gedaan hebben, hebben ze daar spijt van gehad en er zelf onder geleden. Dus als God de wereld zal oordelen, geloven ze dat er niet veel mis kan gaan. Ze kunnen toch niet door God veroordeeld worden voor het enkele feit dat ze Jezus Christus niet hebben erkend?

Daarnaast, er zijn ook veel mensen die niet alleen goed willen doen, maar ook God zoeken. Ze verdiepen zich in de verschillende godsdienstige tradities en lezen de heilige boeken om zich er een oordeel over te vormen, en vergelijken die met elkaar. Ze komen vaak tot het besluit dat alle 'heilige boeken' wel iets over God zullen zeggen, maar dat het te radicaal zou zijn om te zeggen dat er één waar is. Of ze zoeken God oprecht volgens een bepaalde traditie, bijvoorbeeld de boeddhistische. Dus de bewering 'er is niemand verstandig, er is niemand die God zoekt' (vers 2) lijkt onrecht te doen aan deze mensen.

'Er is niemand perfect' - in zo'n stelling zouden we ons nog wel kunnen vinden. Er is inderdaad niemand perfect, iedereen heeft wel zijn zwakke kanten. Maar dat is toch relatief onschuldig?

Herkenbaar
Het vreemde is, voor een christen is deze psalm tamelijk herkenbaar, als hij terugkijkt hoe hij tot God gekomen is en komt:
  • Voor mij is het niet vreemd te bidden 'Vergeef ons onze schulden, zoals ik degenen vergeef die mij schuldig zijn' (in het gebed dat Jezus zijn discipelen leerde). Elke dag besef je wel dat er momenten waren dat je niet leefde zoals Jezus leefde, dat je niet bewogen was met je medemens, dat je zelfingenomen was, dat je leven niet de liefde van God liet zien die Hij voor jou en de wereld heeft.
  • Al heb ik als christen een zoektocht naar God gehad, 'verstandig' zou ik die niet willen noemen (vers 2). 'Afgedwaald' en 'onverstandig' is een beter woord (vers 3). Ik belijd dat God voor mij is afgedaald om mij tot Hem te leiden. Eigenlijk is het bestaan en de Goddelijke kracht van God vrij in het oog lopend, als je naar de natuur om je heen kijkt en inziet dat die zo onbeschrijfelijk mooi gemaakt is. Maar ondanks dat ben ik niet geneigd geweest God te erkennen en te dienen, maar geneigd om mijn eigen weg te gaan en mijn eigen begeerten te volgen.
  • Als ik in liefde tot God tekortschiet - en dat doe ik - ervaar ik dat ik open sta voor allerlei leugens. Een van die leugens is dat je er zelf het beste van moet zien te maken. Het gevolg is dat je alle ellende om je heen negeert en je tijd nutteloos besteedt. Een andere leugen is dat de gevolgen niet zo ernstig zijn. Het gevolg is dat je jezelf nog meer laat misleiden. Als ik mezelf laat misleiden, ben ik niet beter dan een drugshandelaar of een kampbewaker in Noord-Korea. Daarom bid ik ook 'Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze'.
Kortom, ik heb vergeving nodig, heb nodig dat God mij opzoekt en leidt. Deze dingen zijn door Jezus Christus, Gods Zoon, bereikt: Hij kwam naar deze aarde om ons te laten zien Wie God is en gaf zijn leven voor ons.

Het lijkt misschien mee te vallen, maar de gevolgen van het niet kennen van God zijn erger dan we beseffen. Daardoor zijn we niet in staat om onze medemens echt lief te hebben als onszelf en zijn we vatbaar voor allerlei leugens over wat goed en kwaad is.

Profetisch
De laatste verzen van de psalm gaan over het onrecht dat de kinderen van God wordt aangedaan. Voor hen is de verlossing van God aanstaande. Op verschillende plekken in de wereld is ook vandaag christenvervolging. Zij zullen uit hun lijden verlost worden in het Koninkrijk van God dat zal komen.



P.S. Psalm 53 is bijna woordelijk gelijk aan Psalm 14. Er lijken wat metrische correcties te zijn doorgevoerd om de verzen even lang te laten zijn, maar inhoudelijk is er geen verschil.

maandag 17 april 2017

Psalmen - 13

Een psalm van David, voor de koorleider.
2 Hoelang nog, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?
Hoelang zult U Uw aangezicht nog voor mij verbergen?
3 Hoelang zal ik nog plannen maken in mijn ziel,
verdriet hebben in mijn hart, dag na dag?
Hoelang zal mijn vijand zich nog boven mij verheffen?
4 Zie mij aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!
Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik in de dood,
5 anders zegt mijn vijand: Ik heb hem overwonnen,
en verheugen mijn tegenstanders zich, wanneer ik wankel.
6 Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid,
mijn hart zal zich verheugen in Uw heil,
ik zal voor de HEERE zingen,
omdat Hij goed voor mij geweest is.

Bevreemdend
Deze psalm begint met veel vragen, maar eindigt met een sterke belijdenis. David looft God omdat Hij goed voor hem geweest is, en omdat hij gelooft dat God goed ís. Wat misschien bevreemdend is, is de plotselinge verandering van twijfel naar geloof.

Twijfel is iets wat elke gelovige kent. Het is iets wat bij mens-zijn hoort. Dubio, ergo cogito. Wat van belang is, is hoe we met twijfel omgaan.
Trekken we meteen (verkeerde) conclusies? Toen Maria Magdalena op de morgen na Pasen zag dat het graf van Jezus geopend was, concludeerde ze meteen dat Jezus' lichaam was weggenomen en ging ze terug. Of gaan we op onderzoek uit zoals Petrus, die het open graf van Jezus binnenging en zag dat de doeken waren achtergebleven en netjes waren opgerold, iets wat niet kon als Jezus' lichaam was weggehaald?
Kijken we naar het moment, of kijken we ook naar wat eraan vooraf is gegaan, zoals David aan het eind van deze psalm doet?

Herkenbaar
Er zijn verschillende vormen van twijfel te benoemen. Zie bijv. dit interview met prof. Schalkwijk, die morele, intellectuele, existentiële en finale twijfel noemt, of het boek 'In dubio' door Wim Rietkerk, die twijfel van de wil, van het verstand en van het gevoel onderscheidt. Ik zou als volgt een onderscheid willen maken:
  • Allereerst is er twijfel van de wil. Wat wil ik? Dat begint natuurlijk met heel oppervlakkige dingen, maar een diepere vorm ervan is morele twijfel: waar houd ik me aan als moraal? Volgens een christen vindt deze morele twijfel, het heen en weer geslingerd worden tussen goed en kwaad, zijn oorsprong in het tegelijkertijd weten wat goed is en het verleid worden door onze begeerten.
  • Daarnaast is er twijfel van het verstand ofwel intellectuele twijfel. Wat is waar? Moet ik dit op de ene of andere manier verklaren? Een diepe vorm daarvan is existentiële twijfel: Wie ben ik? Bestaat God wel?
  • Een derde vorm is wankelen van de hoop die je hebt. Heeft mijn leven wel zin? Een diepe vorm hiervan is wanhoop. Deze laatste vorm van twijfel vinden we vooral in deze psalm, al gaat die schuil onder verschillende vragen.
Er zal vaak sprake van zijn dat deze twijfels samen optreden. Het ene kan tot het andere leiden.

Profetisch
Als we deze psalm lezen, herkennen we de twijfel niet alleen bij onszelf. We zien het ook terug bij Jezus, Gods Zoon die mens werd! Het is niet te peilen wat Zijn liefde voor de wereld was, om voor ons mens te worden. Mens-zijn betekent ook twijfelen!

Jezus werd door de duivel in de woestijn verleid (evangelie van Lukas, 4). Op de avond voor Pasen, in Gethsémané, bad Hij in grote angst of het lijden Hem bespaard mocht blijven (evangelie van Markus, 14, 34). En terwijl hij aan het kruis hing, riep Hij (citerend uit psalm 22): "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?" (evangelie van Markus, 15, 34)

Maar in al deze gevallen kwam Jezus met zijn twijfel bij God. In de verzoeking van morele twijfel in de woestijn citeerde Hij Gods wet, waardoor we weten wat goed is. In Gethsémané bad Hij: "Niet mijn maar Uw wil geschiede". Aan het kruis stierf Hij met de woorden: "Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest".

vrijdag 8 juli 2016

Psalmen - 5

Psalm 5 uit het bijbelboek van de Psalmen is een gebed van David.
1 Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.
2 HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
3 Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
4 's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
5 Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
6 De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7 U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.
8 Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid
Uw huis binnengaan,
mij buigen naar Uw heilig paleis
in vreze voor U.
9 HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid,
omwille van mijn belagers;
maak Uw weg vóór mij recht.
10 Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij.
11 Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
12 Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen,
laat hen voor eeuwig juichen
omdat U hen beschut;
laat in U van vreugde opspringen
wie Uw Naam liefhebben.
13 U immers zegent de rechtvaardige, HEERE;
U omringt hem met goedgunstigheid als met een schild.

Bevreemdend:
Er zijn verschillende dingen die ons vreemd kunnen voorkomen in deze psalm. Allereerst het gebed om de val van de goddeloze. David bidt heel duidelijk of God zijn belagers - die liegen en vleien (vers 10) - schuldig wil verklaren, ten val wil brengen en en wil verdrijven (vers 11).

Er staat niet letterlijk bij wat dit 'ten val brengen' en 'verdrijven' inhoudt: betekent het 'ontmaskeren' en 'macht ontnemen' of betekent het ook 'doden'? Als je even zoekt op de Hebreeuwse woorden voor 'doden' (harag/mawat/harab/nakah) in het bijbelboek Psalmen (waar meerdere psalmen van David in voorkomen) vind je dat er geen enkele keer gebeden wordt of God vijanden wil doden (mogelijk met uitzondering van Psalm 55 vers 16, waar ik de vertaling "De dood zal hen overvallen" prefereer boven "Laat de dood hen overvallen"). In Psalm 59 staat het zelfs letterlijk in negatieve zin: "Dood hen niet, anders vergeet mijn volk het; doe hen rondzwerven door Uw kracht, werp hen neer, Heere, ons schild" (Psalm 59 vers 11). In deze en andere psalmen bidt David dus wel om hulp tegen zijn belagers maar laat hij aan God over hoe God moet helpen. Dat getuigt van het geloof dat God weet wat goed is en niet specifiek om een bepaalde gunst gevraagd hoeft te worden. Het getuigt er ook van dat David zich niet zover door haat of wraak laat leiden dat hij de dood van zijn belagers wenst; zijn motief is duidelijk het vragen om hulp en niet wraak of haat.

Herkenbaar:
Herkenbaar is dat David - op dat moment koning van Israël - God zijn Koning noemt. God is dus de hoogste Koning. Dit is mijns inziens ook de vergelijking aan het begin die de rest van de psalm kleurt: David gebruikt het beeld van iemand die zich tot de koning wendt om hulp en bescherming. David vraagt God om recht te spreken (vers 9 en 11) en een beschermheer te zijn (vers 12 en 13).

Herkenbaar is ook de tekst die door de apostel Paulus wordt geciteerd in de brief aan de gemeente van Rome om aan te geven wat er allemaal mis is met de mens.
"Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij."
Het niet (compleet) weergeven van de waarheid is inderdaad een van de meest herkenbare zonden, waarbij bijna iedereen zal moeten toegeven dat hij of zij daar ook wel eens aan schuldig is. Toch is deze tekst wat radicaler: het geeft aan dat heel ons spreken van egoïsme en daardoor gedeeltelijke onwaarheid doortrokken is.

Profetisch:
De psalm gaat allereerst over hoe God als Koning in ons dagelijks leven regeert. God beschermt en straft in dit leven, hoewel ook mensen die God niet achten uiterlijke voorspoed en rijkdom hebben en gelovigen uiterlijke tegenslagen en armoede (zie psalm 73). Deze psalm is echter ook profetisch toe te passen op het komende Koninkrijk van God. Daarvan sprak Jezus dat het dichtbij gekomen is voor iedereen, en dat de wereld geoordeeld zal worden bij Zijn wederkomst uit de hemel. Dat betekent enerzijds inderdaad een Koninkrijk wat de val en verdrijving van de ongehoorzamen aankondigt (vers 11). Daarnaast zal dit een Koninkrijk zijn waar degenen die tot God de toevlucht hebben genomen, eeuwig zullen juichen omdat God hen beschut, en van vreugde zullen opspringen wie Gods Naam liefhebben (vers 12).

zaterdag 7 mei 2016

Psalmen - 1

Het bijbelboek van de Psalmen is een bijbelboek waar geloof en gevoel extra dichtbij komen. Waar bij andere bijbelboeken de morele strekking van de geschiedenis soms niet eens genoemd wordt, wordt deze hier altijd expliciet onder woorden gebracht. Waar bij andere bijbelboeken de toepassing op je eigen leven door jezelf overwogen moet worden, is deze bij het boek van de Psalmen al direct aanwezig.

Het leek me daarom mooi om in deze blog de Psalmen dichterbij te bekijken en van filosofische kanttekeningen te voorzien. Vandaag Psalm 1.

1 Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2 maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
4 Maar zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
5 Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.
6 Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.

Bevreemdend:
Bevreemdend is de scherpe tegenstelling tussen goed en kwaad in mensen in deze psalm. Is het echt zo zwart-wit dat sommige mensen goed/rechtvaardig zijn en anderen door en door slecht? Als je om je heen kijkt zie je juist dat alle mensen een mengsel van goed en kwaad bevatten, en ook in de Bijbel worden de misstappen van de bijbelheiligen genoemd.

Wat op het eerste gezicht bevreemdend is, is bij nadere beschouwing niet wat de psalm bedoelt. Er wordt niet gezegd dat de man die zijn vreugde vindt in Gods wet perfect is, wel dat hij gezegend is. De tegenstelling is niet tussen goede en slechte mensen, maar tussen goede en slechte daden. De woorden "rechtvaardige" en "goddeloze" moeten namelijk geen abstracte betekenis gegeven worden zoals wij dat al snel zouden doen, maar een heel concrete betekenis: rechtvaardig zijn betekent juist hebben gehandeld in een concreet geval, goddeloos of zondig betekent onjuist hebben gehandeld in een concreet geval. In de Bijbel moet er altijd een 'scope' van deze woorden gedacht worden, al wordt deze niet altijd genoemd. In de wetboeken Exodus en Deuteronomium wordt het woord 'goddeloos' alleen genoemd voor degene die bij een concrete rechtszaak aantoonbaar schuldig is, en 'rechtvaardig' voor degene die daarin aantoonbaar onschuldig is; en behalve dat wordt het woord 'rechtvaardig' alleen voor Gods wet gebruikt!

Weliswaar wordt later in de Bijbel de 'rechtvaardige' genoemd degene die volgens Gods wet leeft en de 'goddeloze' die Gods wet niet erkent. Hier maakt Gods Geest het verschil, door Wie zondige mensen wordt geleerd in Gods wet te wandelen, waardoor hun leven geheiligd wordt. Maar dat is een andere dimensie die niet aanduidt dat de daden van iemand perfect zijn, maar dat iemand door Gods Geest goede daden doet. Het woord 'zonde' (peshaw) wat verwant is met het woord voor 'goddeloze' (rashaw) gebruikt David ook als hij zijn schuld bekent na zijn overspel met Bathsheba: "Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid, delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid. Was mij schoon van mijn ongerechtigheid, reinig mij van mijn zonde." (Psalm 51,3-4). Koning David vraagt dan ook niet zozeer of hij van deze overtreding vrijgesproken mag worden, maar of zijn hart en geest rein gemaakt mag worden om andere zonden te voorkomen!
"Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg." (Psalm 51, 13-14)

Herkenbaar:
Herkenbaar is de vreugde die het doen van Gods wet (zowel de geboden voor het dienen van God als voor het juist handelen met onze naaste) kan geven als leidraad voor ons leven, en de vrucht die het leven naar Gods wet kan hebben. De samenvatting van de wet zoals Jezus, Gods Zoon, die geeft is: "U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf" (evangelie van Mattheüs, 22, 37-39).

Profetisch:
De psalm eindigt met: "Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht, de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen. Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen zal vergaan." Deze woorden krijgen meer diepte als we ze lezen in het licht van de opstanding van de doden bij de wederkomst van Christus. Er zijn dan twee mogelijkheden: òf we zijn onderdeel van het Koninkrijk van Christus, òf buiten zijn rijk. Tegen degene die Gods verlossing in Jezus heeft veronachtzaamd en niet de goede vrucht door Gods Geest heeft voortgebracht zal God zeggen: "Ik heb u niet gekend" (evangelie van Mattheüs, 7:22)! Voor de gemeenschap van de rechtvaardigen, voor wie de rechtvaardigheid van Jezus in genade tot hun eigen rechtvaardigheid wordt gerekend door het geloof in God, is er echter de belofte van de vergeving van zonden en het rijk van God.

zondag 27 december 2015

De hel

Afgelopen weken kwam in mijn gesprekken met niet-gelovigen het onderwerp 'de hel' twee keer ter sprake. Reden dus om er bijbelstudie naar te doen en over te bloggen. Zie ook de eerdere berichten over dit onderwerp.

Het woord voor 'hel' als eeuwige bestemming in het Nieuwe Testament van de Bijbel verwijst naar het dal van Hinnom. (Er is ook een tweede woord wat soms met 'hel' vertaald wordt dat verwijst naar het 'graf' of de tijdelijke bestemming van de mens na de dood tot de dag van de opwekking van de doden door Jezus Christus.) Het dal van Hinnom was een dal buiten Jeruzalem waar men het afval ingooide en verbrandde en waarvan men dus altijd de vuren en de rook kon zien. De beelden voor de hel als eeuwige bestemming komen daar dus vandaan: het is buiten de plaats waar God is ('Jeruzalem'), de duivel en de tegenstanders van het Koninkrijk van God worden erin 'geworpen', er brandt een blijvend 'vuur' van vernietiging.

Wat zegt de Bijbel precies over de hel? Aangezien we belijden dat Jezus de Zoon van God is en Hij dus de waarheid sprak en de profeten de woorden van God hebben bekendgemaakt moet dat onze bron zijn. Het zijn geen gemakkelijke dingen:
  • Jezus spreekt over "onuitblusbaar vuur" van de hel (evangelie van Markus, 9, 43). "Vuur en zwavel" wordt het in de Openbaringen aan de apostel Johannes genoemd (bijv. 14, 10). Zwavel en teer werden gebruikt om een vuur te maken dat bleef branden en niets meer overliet. Er wordt ook van gesproken bij de vernietiging van Sodom en Gomorra door het oordeel van God (Genesis 19, 24). Je kunt niet spreken van een vuur van zuivering zoals vuur ook gebruikt kan worden om zilver te zuiveren. Het is een vernietigend vuur, geen zuiverend vuur.
  • Het is niet alleen bedoeld voor de duivel en voor mensen met uiterst slechte daden. Niet alleen de duivel en zijn engelen, maar ook degenen die de woorden van Jezus niet hebben opgevolgd zullen in de hel worden geworpen (evangelie van Mattheüs, 25, 41; Openbaringen, 14, 11). De zonde heeft catastrofale gevolgen van vijandschap tegen God, ook de 'kleinste' zonde gaat niet samen met het dienen van God.
  • De hel is eeuwig, niet tijdelijk. Jezus stelt het tegenover het eeuwige leven (evangelie van Mattheüs, 25, 46); in Openbaringen wordt gezegd dat het "in de eeuwen der eeuwen" zal branden (14, 11). In de Bijbel wordt "eeuwigheid" wel eens gebruikt voor een onafzienbare tijd, echter, de uitdrukking in Openbaringen is sterker en staat voor een meest onafzienbare tijd.
  • Het is een pijniging of kwelling, niet gewoon maar een vernietiging. Jezus spreekt van een eeuwige pijn (evangelie van Mattheüs, 25, 46) en van tekenen van wroeging (evangelie van Mattheüs, 25, 30).

Hoe kan zoiets samengaan met de boodschap van verlossing? God gaf zelfs Zijn Zoon over om gedood te worden uit liefde voor de wereld, hoe kan de hel bestaan met de onpeilbare genade van God?

God is namelijk barmhartig en wil niet het kwade, en Hij is rechtvaardig en zal niet meer straffen dan rechtvaardig is. En hoe zou God onze Schepper anders willen dan het behoud van Zijn schepping? Heel de geschiedenis door heeft God zich niet als onverzoenlijk getoond. Een voorbeeld is de oordeelsprofetie van Jona aan Ninevé: God wendde het oordeel af toen de mensen van Ninevé zich bekeerden, hoewel Jona probeerde zijn taak te ontvluchten zodat God Ninevé, de vijand van Israël, zou vernietigen (bijbelboek Jona). Een ander voorbeeld zijn de straffen over Israël: die waren niet als genoegdoening, maar bedoeld om Israël terug te brengen, en God zal zich dan ook ontfermen, zoals bijvoorbeeld in het bijbelboek Deuteronomium en in profetieën van Ezechiël te lezen is (maar ook in alle profetieën). Waar het gaat over Gods 'wraak' in de Bijbel gaat het over het herstel van recht, niet over wraakzucht en haatdragendheid (zie 'Wie is als Gij?', dr. H.G.L. Peels, 2007).

Ook is het opmerkelijk dat er in Openbaringen, als er gesproken wordt van genoegdoening aan de vijanden van de kinderen van God, gesproken wordt van een gelijke vergelding (13, 10) of dubbele vergelding (18, 6), dus niet van een 'oneindige vergelding'. Deze vergelding staat dus niet gelijk aan de eeuwige pijn. De uitoefening van de toorn van God wordt genoemd in zeven plagen die voorafgaan aan het oordeel van de hel (Openbaringen, 15). Het is dus de vraag of je de hel de toorn van God kunt noemen. De eeuwige pijn wordt een 'oordeel' (Gr. δίκη, κρίσις) genoemd, niet een 'vergelding' (Gr. ἀποδίδωμι) of 'toorn' (Gr. θυμος). De hel is dus niet een eeuwige vergelding voor wat anderen misdaan is.

Het is om deze redenen niet gek dat Origenes geloofde dat de hel tijdelijk was (een opvatting die als onbijbels werd veroordeeld). In de woorden van God in de Bijbel lezen we het echter anders, zoals hierboven aangetoond: de hel is wél eeuwig. Hoe kunnen we deze twee dingen met elkaar rijmen?

Er zijn twee mogelijkheden waar we aan kunnen denken:
  1. De zonde, overtreding tegen het goede en tegen God onze Schepper, is zó groot dat er niet anders dan een eeuwige straf tegenover kan staan.
  2. Er is geen mogelijkheid van terugkeer uit de hel. De onmogelijkheid van verzoening ligt dan niet aan de kant van God maar aan de kant van de mens.

Daarnaast kunnen we het vuur van de hel zien als dat wat er overblijft als God Zijn goedheid wegneemt. Er lijken maar twee mogelijkheden te zijn: het kwaad te vernietigen of het kwaad voort te laten bestaan. De wereld zoals we die nu kennen, blijft bestaan door Gods genade, maar gaat diep gebogen onder het oordeel van het kwaad en de verwachting van Gods Koninkrijk (brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Rome, 8, 22). Het is onmogelijk om te leven zonder Gods genade, dus hoe zou er iets verkwikkends kunnen zijn in de hel, tenzij God een nieuwe wereld vol onrecht zou scheppen?

Voor christenen wordt het ook duidelijk dat als God hun zonden niet had vergeven, zij zelf ook eeuwig van God verlaten zouden hebben moeten worden. "Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let, Heere, wie zal bestaan?" (Psalm 130)

Omdat wij mensen met een beperkt begrip zijn, is het moeilijk te beoordelen welke opvattingen er juist zijn. Het is ook niet nodig; voor mij en u geldt dat we ons moeten haasten om met God verzoend te worden! Die verzoening is mogelijk door de onuitsprekelijke genade van God:
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. (evangelie van Johannes, 3, 16-18)

zaterdag 31 oktober 2015

God kennen

Eerder schreef ik hoe God voor alles bestaat en geen oorzaak of reden heeft. Hij zelf is oorzaak en reden van alles, maar boven God bestaat er geen wezen of om God heen is er geen wereld die het wezen van God bepaalt. God heeft geen vader, Hij is een Vader. God heeft geen oorzaak, maar is oorzaak van onze wereld.

Waar komt rechtvaardigheid vandaan? Rechtvaardigheid betekent in onze wereld dat we elkaar behandelen zonder elkaar te benadelen. Vanuit God betekent rechtvaardigheid dus Zijn schepping behandelen zonder die te benadelen en er het goede voor te zoeken, en het kwaad straffen. Hoe komt het dat God rechtvaardig is? Dat is uit zorg en liefde voor Zijn schepping.

Waar komt rationaliteit vandaan? Rationaliteit betekent voor ons dat we volgens de regels van kennis of regels van hoe de natuur in elkaar zit handelen. Vanuit God betekent rationaliteit dus dat Hij Zijn schepping kent en volgens Zijn regels behandelt. En wat God zelf heeft gemaakt, kent Hij door en door.

Op dezelfde manier kunnen we meer eigenschappen van God herleiden tot de liefde van God en oorsprong in God, zoals ook Augustinus of middeleeuwse filosofen gedaan hebben. Deze liefde van God en oorsprong in God kennen we door niet alleen om ons heen te kijken naar de hoe bijzonder de wereld om ons heen is, maar ook door de woorden van God zoals opgeschreven in de Bijbel, en in het bijzonder in de woorden van Jezus, Gods Zoon.

Het enige wat lastig te definiëren is, is wat 'goed' betekent of wat 'liefde' is. De definitie van 'liefde' is dat je het goede voor iets zoekt. De definitie van 'goed' zou kunnen zijn: 'behandelen zonder dat het nadeel oplevert'. Maar wat is dan 'nadeel'? Misschien 'wat niet aan het doel van iets beantwoordt'? Maar dan blijft de vraag: Hoe weet je of dat doel dan goed is? Dus komen we weer uit bij het woord 'goed'.

'Goed' en 'liefde' zijn dus zaken die zich niet echt laten definiëren, maar zijn zaken die we misschien wel het kunnen kennen uit ervaring en verwachting.

Allereerst uit ervaring omdat we ons gelukkig of ongelukkig voelen, of omdat we ons verwonderd en bewogen voelen of het tegenovergestelde, of omdat we ervaren dat iets passend en volmaakt is of het tegenovergestelde. Maar meer nog kennen we het goed uit ervaring doordat Gods Geest getuigt in ons hart, door de meest persoonlijke openbaring van God in Jezus Christus, Zoon van God, die voor ons stierf en de dood heeft overwonnen.

Maar daarnaast ook uit verwachting omdat we geloven dat er een opstanding uit de dood zal zijn, dat ons geluk in God blijvend is, dat Gods rijk meer ervan zal brengen en alle tranen zal afwissen, en dat we God zullen kennen zoals we gekend zijn.

dinsdag 5 mei 2015

Zecharjah - II

Vorige keer schreef ik over de eerste vier gezichten van de profeet Zecharjah, wiens naam betekent 'Jehovah herinnert'. Deze keer de volgende vier. Deze gezichten gaan net als de eerste vier over de bevrijding, maar vooral over het herstel van Israël. Op een bevrijdingsdag als vandaag in Nederland is het ook goed om bij herstel stil te staan: wat gebeurde er na de oorlog? Hebben we stilgestaan bij het feit dat het kwaad in zoveel gewone mensen was geweest - degelijke, soms gelovige, goed opgeleide mensen zoals u en ik die het kwaad van Hitler eerst niet doorzagen en er later soms zelfs aan meewerkten? Hebben we het licht van wat echt goed is laten schijnen tegenover het vele kwaad in de oorlog?

Ik werd wakker als uit een slaap. In de ochtendschemering zag ik een zachte gloed van licht; het kwam van een kandelaar van goud. De kandelaar had zeven armen met lampen die brandden, net als in de tempel het geval geweest was. Ze leken een licht te verspreidden dat heel de aarde bevatte. Hoger dan die kandelaar zag ik een schaal waaruit zeven pijpjes naar de zeven lampen van de kandelaar liepen. Deze schaal was vol met olijfolie en ik kon de gouden olijfolie uit de pijpjes in de lampen zien druppen. Rechts en links van de schaal verhieven zich twee jonge olijfbomen. Toen ik beter keek zag ik dat er van de takken van deze olijfbomen olie drupte in twee toevoerkanalen naar de schaal bij de kandelaar. Het opvallendst aan wat ik zag vond ik de stilte. Er was niemand bij de kandelaar nodig om de olie bij te vullen. Er was niemand bij de olijfbomen die de olijven ervan plukte, de olie eruit perste, kruiken ermee vulde, deze naar de kandelaar toebracht; en toch was er licht. Er was geen menselijke inspanning voor nodig; de twee olijfbomen liet God groeien en olie geven. Daarna verdween dit gezicht, maar het liet zijn afdruk in mijn herinnering achter.

Terwijl ik overdag aan deze dingen dacht, voelde ik me ineens ongemakkelijk alsof ik werd gadegeslagen. Een huivering trok door me en ik keek om me heen. Eerst stelde me dat gerust omdat ik niets zag. Tot ik mijn ogen opsloeg en daar het volgende gezicht zag wat me verschrikte: ik zag in de lucht een stuk papyrus van ongeveer tien meter breed, en wel zo’n twintig meter lang. Het kwam mijn richting op. Toen het dichterbij kwam zag ik dat het kolom voor kolom volgeschreven was met zwarte inkt. De letters waren voor me leesbaar, en ik las de volgende zinnen: ‘Vervloekt zij hij die steelt, want deze vloek zal over hem komen en hij zal uitgeroeid worden. Vervloekt zij hij die bij de naam van Jehovah een valse eed doet, want deze vloek zal over hem komen en hij zal uitgeroeid worden. Deze vloek zal in het midden van zijn huis komen, daar overnachten en dat huis met zijn hout en zijn steen verwoesten.’

Toen ik hier nog over dacht zag ik een grote kruik. Er was niet zoveel speciaals aan te ontdekken. Alle kruiken zien er hier ongeveer hetzelfde uit, zodat je niet kunt weten wat erin zit, net als je aan het uiterlijk van een mens niet kunt bepalen wat zijn innerlijk is. Maar toen opende de engel die met mij sprak de kruik door de plaat van lood die hem afsloot eraf te halen. Tot mijn grote verbazing kwam er een vrouw uit. Ze was gekleed als een hoer, de belichaming van de zonde. De engel wierp haar terug in de kruik en sloot deze weer af. Daarna zag ik twee andere vrouwen die het grootst mogelijk contrast vormden met de vrouw uit de kruik. Ze waren in helder wit gekleed. Ze hadden grote vleugels en tilden de kruik op. Langzaam vlogen ze omhoog en begonnen in de richting van het noorden, naar Babylon te vliegen. Ik was opgelucht toen ik dat zag: de goddeloosheid werd dus niet in Israël geduld maar zou God daarvan verwijderen!

Toen ik me omdraaide en omhoog keek zag ik aan de horizon tussen twee bergen vier paardenspannen komen. De bergen leken bergen van koper door de rode gloed die daarover lag. De vier paardenspannen hadden paarden van elk verschillende kleuren: de eerst met rode, de tweede met zwarte, de derde met witte en de vierde met gevlekte paarden. Ze reden met grote snelheid en al spoedig zag ik dat de rode, zwarte en witte paarden zich naar het noorden richtten, richting Babylon, en de gevlekte paarden deze kant op kwamen in het zuiden. De paarden kwamen briesend dichterbij en ik sprong opzij naar de kant van de weg. Het span stond echter stil vlak voor mij voor de engel die met mij sprak die naar voren was gelopen en ze tegenhield. Hij sprak tegen die paarden: ‘Doorkruis het land!’ En met grote snelheid en kracht galoppeerden de paarden weg, alles wat hen in de weg stond omverlopend. De rode, zwarte en witte paarden zag ik echter in een rechte lijn naar het noorden stormen. En de engel sprak tegen mij: ‘Dezen hebben mijn geest in het noorden gebracht’. Hieruit begreep ik dat het oordeel over Babel en de bevrijding van Jeruzalem was begonnen.

woensdag 30 juli 2014

God kennen

Eerder heb ik geschreven over de filosofie over het bestaan van God, en over de drie-eenheid in God. Nu wil ik graag schrijven over de eigenschappen van God.

Het allerbijzonderste is dat God wil dat wij tot Hem spreken als onze Vader, Heer en God. Maar alleen in een nieuw leven in Christus!

Jezus Christus zegt:
"God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid." (evangelie van Johannes, 4, 24)
Wij mensen bestaan uit geest en lichaam. We moeten God dus niet aanbidden alleen met ons lichaam terwijl onze geest er niet bij is. We moeten ook niet denken dat God ons lichaam ziet en niet kan zien wat er in onze geest omgaat. We moeten verder ook niet denken dat God een lichaam heeft. We moeten ook niet denken dat de eeuwige en allerhoogste God niet kan nadenken, overwegen en willen. Soms wordt ons denken over God heel beperkt omdat we denken: Hij is het grootste. Dan zal het wel noodzakelijk zijn dat Hij zo en zo is.

We moeten echter niet denken dat God Jehova vergoeilijkend is, of tevreden is als wij meer dan half goed handelen. Minder dan helemaal goed is namelijk helemaal slecht. God is helemaal goed, of anders gezegd Hij is heilig. God is een "verterend vuur" (Deuteronomium, 4, 24).

God is goed. Dat kunnen we alleen maar zeggen omdat we ervaring hebben met wat goed is en kwaad. We weten dat sinds we onze eigen wil gingen volgen tegen Gods gebod in (Genesis, 3). We weten ook dat of je geest goed en kwaad is bepaald wordt door je wil. God is ook een geest; Hij is dus goed omdat Hij dat wil. Het tegenovergestelde van willen is haten. God de Allerhoogste haat het kwaad.

God zegt:
"Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
(...)
Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij?
Er ís geen andere rots, Ik ken er geen." (profetie van Jesaja, 44, 6-8)
God is dus almachtig. God is ook eeuwig. Dat kunnen wij ons niet voorstellen. Daarom zegt God: "Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste." Er is altijd maar één eerste, en altijd maar één laatste, dat kunnen wij ons wel voorstellen. God zegt: Ik ben het beiden.

Nu is het gevaar dat we een geest als klein en krachteloos voorstellen, als een punt ten opzichte van de ruimte. Niets is minder waar wat God betreft. De almachtige God verschijnt daarom aan het volk Israël niet voor niets in een vurige wolk, met de krachtigste natuurverschijnselen van donder en bliksem, met een bazuingeluid die de grond laat beven (Exodus, 19). Als God het wil, maakt hij nu een nieuwe aarde of een nieuw zonnestelsel. Of een nieuw heelal. Wie kan er tegen Hem opstaan en blijven leven? Het is dus andersom: wij (onze lichaam en geest) zijn als een punt ten opzichte van de ruimte die God is. God zal dat echter niet tegen ons gebruiken want God is niet haatdragend, niet grillig, want zoals gezegd, God is goed. Daar kunnen we bijvoegen dat God zich zelfs ontfermt en vergeeft. Omdat wij ons niet goed kunnen voorstellen Wie God is moeten we zeggen: Hij is altijd dichtbij en altijd machtig. Gods Woord zegt: God is in de hemel. We kunnen ons ook proberen iets oneindigs voor te stellen, maar dan gaan we al gauw denken aan iets heel groots wat eindig is. God is groter dan oneindig, maar tegelijk niet ver weg van ieder van ons:
"Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons. Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poeten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht." (Handelingen van de apostelen, 17, 27-28)
(Zie ook dit eerdere bericht: Waar is de hemel?)

Omdat God onze Vader een geest is laat Hij het niet toe dat we hem afbeelden en dan (via) die afbeelding aanbidden. Dan zouden we te klein van God gaan denken en zo zouden we niet kunnen leven:
"Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden." (Exodus, 20, 4-5)
Gods Geest en Gods Woord (Jezus Christus) laten God wel vergelijken met beelden. De apostel Johannes noemt Gods Zoon "de Leeuw uit de stam van Juda" (Openbaring, 5, 5). Die vergelijking neemt C.S. Lewis over in zijn verhalenserie voor kinderen Narnia.

God heeft alles gemaakt, inclusief ons. Er is niets buiten Hem. God is alwetend. Deze eigenschap moet ons wel schrik aanjagen omdat wij onwetend, onheilig, onrechtvaardig zijn. Wij zijn arm en vol gebrek omdat we God verlaten hebben. Daar staat de heerlijkheid van God tegenover.

De heiligheid en almacht van God Jehova kan niet samengaan met onze zonde tenzij die weggenomen worden door een nieuw leven in het geloof in Jezus Christus, het Woord van God, Gods Zoon, die als almachtig God zwak mens werd en leed en zelfs stierf voor onze zonden, maar ook met een nieuw lichaam opstond zodat wij zouden kunnen leven door Hem. Christus zegt:
"Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." (evangelie van Johannes, 7, 37-38)

vrijdag 12 oktober 2012

Fashion in story-telling

"There are changes of fashion in story-telling; and the ancient world, like our own, has seen times where people thought it 'modern' to say they liked disgusting stories, though the ancients never quite reached the modern fancy for tales of such very dirty little people, living dingy lives and doing mean things. Not all vulgarity is modern. But, if the fashion for such stuff appears and re-appears, it never lasts very long. Dirt and dinginess lack variety and are not really interesting. Esquemeling's stories of the pirates, for instance, are in the end dull, and they would be a great deal duller but for the seamanship that enables the pirate to scour the Caribbean, and the great fighting qualities, courage, strategy, tactics, and so on, that help him to sack the Spanish towns and capture his thousands of pieces of eight. The rest of his story is tiresome enough. It takes a lot of virtue to make vice interesting; and the great Greek poet [Homer] saw (and, as the Greeks said, he was always right) that the splendid qualities in men and women are the interesting ones." (The ancient world, T.R. Glover, p.29)

Ik las dit pas, en vond het een mooi citaat. Eerder schreef ik al zoiets over moraal en schoonheid. Overigens is het altijd al de mode om een beetje vuiligheid in verhalen te stoppen omdat men onrustig lijkt te worden als het echt over het goede gaat. De Griekse sagen hebben echter misschien wel dezelfde tekortkoming.

donderdag 30 augustus 2012

Perfectie en geluk

Hoe perfect bent u eigenlijk?

Op perfectietest.nl heb ik een test ontwikkeld die een overzicht van Gods geboden geeft en test hoe goed je erop scoort. Op de site zelf staat al een verantwoording, maar hier nog wat uitgebreider hoe ik te werk ben gegaan:
  1. Ik ben begonnen bij de samenvatting van Jezus van de wet in het evangelie van Mattheüs, 22:35-40: "... een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken: Meester, wat is het grote gebod in de wet? Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten."
  2. Daaronder heb ik de eerste vier en de laatste zes van de tien geboden gezet, die de basis vormen voor de hele wet in Exodus, Leviticus en Deuteronomium.
  3. Daarna heb ik in Leviticus 19 en wat andere hoofdstukken van Leviticus wat verdere uitwerkingen van deze wetten gevonden. Het bijbelboek Deuteronomium voegt daar niet echt wat aan toe, het is meer een uitgebreide herhaling van deze wet.
  4. Verder heb ik in het evangelie van Mattheüs, hoofdstuk 5, gelezen hoe Jezus uitlegt hoe de wet bedoeld wordt.
  5. Verder heb ik een aantal specifieke testvragen toegevoegd zoals: "Rijdt u wel eens te hard?" die natuurlijk niet in de Bijbel te vinden zijn, maar wel horen bij het gebod dat we onszelf en anderen niet in gevaar mogen brengen, een wetregel die bij het gebod "U zult niet doden" te plaatsen is.

Is dat een subjectieve selectie? Veel mensen ergeren zich in de wetboeken (zoals Leviticus en Deuteronomium) aan de strenge straffen die God aan Zijn staat Israël gebiedt te hanteren. Zoals: de doodstraf voor het dienen van andere goden, de doodstraf voor onverbeterlijke ongehoorzaamheid aan ouders, de doodstraf voor overspel, het afhakken van een hand voor diefstal. Die straffen waren ingesteld voor de staat Israël, en laten niet de bedoeling maar de praktische uitvoering van de wet in Israël zien. Daarom is het niet raar dat de straffen zoals in de staat Israël niet toepasbaar zijn bij een staat die niet speciaal door God is opgericht, zoals Nederland.

Anderen ergeren zich aan regelgeving die niet in hun wereldbeeld past zoals de regel dat een man die een vrouw verkracht heeft met haar moet trouwen en een bruidsschat moet betalen, of de regel dat de niet-opzettelijke dood van een niet-Joodse slaaf of slavin minder streng bestraft wordt dan de niet-opzettelijke dood van een Joodse man of vrouw. Die regels horen ook bij de praktische uitvoering. Als deze regels niet bij ons wereldbeeld passen, en we daarom de bijbelse ethiek verachten, zijn we nogal intolerant. De ethiek voor het omgaan met slaven en seksualiteit is echter al heel duidelijk uit de rest van de wet: de Bijbel zegt nog steeds: "Zorg goed voor je knecht" (bijv. geef hem op de sabbat vrij) en "Ga je niet te buiten en wees trouw aan je echtgenoot".

Perfectietest.nl bewijst dat de bedoeling van de wet zoals die aan Israël werd gegeven nog springlevend is. Is het raar om bewondering te hebben voor de wet van Israël als die nog heel actueel is? Ik vind van niet. En dat is heel christelijk, want Jezus zegt:
Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. (evangelie van Mattheüs, 5:18)

De perfectietest is eigenlijk een heenwijzing naar Gods Koninkrijk. Want Jezus spoort degenen die Hem volgen aan om perfect te zijn, nadat hij een omschrijving heeft gegeven van wat het geloof en het volgen van Hem eigenlijk allemaal inhoudt:
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.

Jezus zegt dus niet: "Gelukkig zijn de perfecten", maar Hij zegt: "Gelukkig ben je als je de bron van het leven in Mij vindt. En wees dan perfect!"

woensdag 18 januari 2012

Zwartwitdenken

Een van de mogelijke tegenwerpingen tegen het christelijke geloof in God is dat het simplistisch, zwart-wit, fundamentalistisch, en daarom onvolwassen is. Dat is trouwens een tegenwerping die je op alle mogelijke standpunten kunt maken, en dan bedoel ik echt alle: van elk standpunt kun je nog zeggen "er is nog te weinig onderscheid gemaakt". Natuurlijk gaat het er dan om uit te leggen welk onderscheid te weinig is gemaakt. (Dat simplistisch of zwart-wit hoort bij onvolwassenheid is trouwens een typisch psychoanalytische opmerking; we kunnen ze (wellicht in een minder simplistische vorm) terugvinden in de uitwerking van het gedachtegoed van Sigmund Freud door Melanie Klein (1882-1960).)

De toepassing van deze tegenwerping tegen het christelijk geloof gaat om zwartwitdenken in de categorie goed-kwaad. God is dan mogelijk een onvolwassen personificatie van het goede, de duivel in ieder geval een onvolwassen personificatie van het kwaad. En verder: de verworpenen zijn het absolute kwaad, bestemd voor de hel, en de uitverkorenen zijn het absolute goed, bestemd voor de hemel.

Deze omschrijving van de tegenstellingen is echt een onterechte karikatuur van het christelijke geloof, want de Bijbel toont juist aan dat ook de rechtvaardigen onder de zonde zijn begrepen. Abraham, Jakob, David, Salomo: van hen allen staan ook de overtredingen tegen God. En daarom zegt Paulus ook terecht dat de verlossing alleen genade is, niet om iets wat een mens zelf heeft gedaan, maar uit genade van God.

Nog een tegenwerping tegen deze bewering dat het christelijke geloof zwart-wit denkt over goed en kwaad kunnen we vinden in de antropologie van René Girard (1923). Girard stelt dat alle religies behalve de christelijke een ideologie van de zondebok hebben: een deel dat het kwaad veroorzaakt (de zondebok) moet gedood worden om de vrede voor het geheel te herstellen. De christelijke religie geeft juist het tegenbeeld: Christus herstelde de vrede, maar hij belichaamde juist niet het kwaad.

Maar met deze inleiding wil ik de aandacht vestigen op de opmerkelijke uitleg van het christelijke gedachtegoed door de Duitse theoloog Karl Barth (1886-1968). In diens commentaar op de Romeinenbrief stelt hij dat er geen echt onderscheid bestaat tussen gelovigen en ongelovigen, maar dat de tegenstelling in de mens zelf bestaat en blijft. Die stelling is aantrekkelijk voor christenen om wat ik al genoemd heb: het christelijke geloof erkent het kwade in zich, ook als ze tot de kerk van Christus behoren. Mensen zijn dus niet zwart-wit, maar grijs. Daartegenover stelt Barth dat God radicaal anders is dan de mensen, en het goede alleen verkiest. Dat is ook een stelling die ieder christen gelovig zal erkennen. Maar zijn uitleg wijkt van het algemene geloof af als hij stelt dat er helemaal geen scheiding tussen gelovigen en ongelovigen is (of dat die maar tijdelijk zichtbaar is), dat het maar twee kanten van een penning zijn, en dat hel en hemel door mensen beide bezocht worden.

Voor een tijdje is dat perspectief, wat het grijs goed uit doet komen en niet neigt naar simplificatie in wit of zwart, best aantrekkelijk. Maar wat is er problematisch aan deze gedachten? Juist dat dat aantrekkelijke grijze perspectief het niet lang volhoudt. Wat mist in de theologie van Barth is verlossing: dat we van dat uiteindelijk verschrikkelijke grijs over kunnen gaan naar wit, van bevlekte kleren naar een onbevlekt kleed. De apostel Paulus merkt juist op: "Als we alleen in dit leven op Christus hopen, dan zijn we de ellendigste van alle mensen." (1 Korinthe 15). Wat nog meer mist in deze theologie is het verschrikkelijke van het kwaad: bij het wit steekt alle grijs uiteindelijk als zwart af. Zou iemand nog enig licht kunnen zien in de daden van de duivel die tegen God opstaat? Of, wat erger is, in de daden van een mens die nooit in Christus geheiligd zal worden, en altijd vijand van God zal zijn? Als mensen zijn we als opgesloten in een grot, waarin er maar één lichtende uitweg is: Christus. Wie anders zal ons uit dat donker naar de dag brengen?

dinsdag 13 december 2011

Natuurlijk goed

In de ethiek met betrekking tot technologie wordt door conservatieven wel eens een beroep gedaan op de notie 'natuur': iets wat onnatuurlijk is, kan niet goed zijn, iets wat volgens de natuur is, moet goed zijn. Om dat argument geldig te maken moet eerst duidelijk worden gemaakt wat 'natuur' precies betekent, en wat het verschil is tussen 'volgens de natuur' en 'tegen de natuur', maar ook waarom de natuur goed is. Aan die complete uiteenzetting wil ik niet beginnen, maar in plaats daarvan wil ik in wat grote lijnen beschrijven wat de natuur en het goede met elkaar te maken hebben.

God is zichtbaar in de natuur. Misschien brengt een theoloog daar meteen tegenin: "Maar er is een verschil tussen de Schepper en de schepping!" Dat is waar; maar de natuur getuigt van Gods tegenwoordigheid. Als je overtuigd wilt worden van het bestaan van God, kijk dan even niet naar de straten, maar naar de bermen; niet naar de wolkenkrabbers, maar naar de wolken; niet naar de stenen huizen maar naar de rotsen en rivieren; niet naar de straatverlichting maar naar de maan en de zon.

"Goed," zult u zeggen, "maar dan zit ik met een probleem: hoe zit het dan met natuurrampen? Hoe zit het dan met dodelijke ziektes?" Op die dringende vragen zijn wat gehaaste onjuiste antwoorden te geven die ik even opnoem:
  1. "God straft met rampen en ziektes." Dit foute antwoord gaven ook de vrienden van Job. In het bijbelboek Job laat God de Satan toe dat hij Job kwaad doet om te laten zien dat Job God niet zal vervloeken. De drie vrienden die bij Job komen om hem te troosten bij zijn ziekte en rampen zeggen tegen Job dat hij moet zien wat hij verkeerd gedaan heeft om die straf te verdienen. Dat was kortzichtig. Aan het eind van het bijbelboek wijst God ze terecht om die kortzichtigheid.
  2. "De natuur is wel gemaakt door God maar een onpersoonlijke wetmatige kracht, God staat er buiten, en grijpt hoogstens in met bovennatuurlijke wonderen." Volgens mij geloven zelfs de meeste hedendaagse christenen hierin. Toch denk ik dat het een ernstige vorm van ongeloof is. Men verklaart: "God is onzichtbaar; God is niet te kennen; we kunnen hoogstens zeggen wat God niet is." Dat God niet zichtbaar is als een mens, of als de rest van de natuur, is duidelijk — maar dat God niet te kennen is is het grootste ongeloof dat er bestaat. We zien de kunst en wetenschap van God in de natuur. We zien Gods zorg in de natuur, zelfs voor de kleinste dingen.


Hoe kunnen we dan Gods rechtvaardigheid verdedigen? Dat is heel eenvoudig. Ook de rampen in de natuur komen van God, en wij begrijpen ze niet; maar God is veel groter dan wij. Het is zo dwaas als wat om God aan te spreken op zijn daden. Daarmee denken we dat wij God iets kunnen leren: maar het is uit de natuur zo zichtbaar als wat dat dat onmogelijk is. Je hoeft maar naar je hand te kijken om te zien dat God meer weet dan jij.
In het gesprek van Job met zijn vrienden verdedigt Job dat hij niets misdaan heeft, maar hij klaagt daarna ook God aan dat die onrechtvaardig is. Daarna geeft God een antwoord aan Job. Dat antwoord is eigenlijk één lange opsomming van de pracht van de natuur. Maar ergens staat er ook: "Is het twisten met de Almachtige onderrichten? Wie God bestraft die antwoordde daarop" (zie het bijbelboek Job, einde hoofdstuk 39).

Wie het boek Job oppervlakkig leest, denkt misschien dat God "misbruik maakt van zijn machtspositie", dat het antwoord van God aan Job autoritair is.
Maar dat is totaal onjuist. God vraagt juist aan Job: "Kun jij de hoogmoedige mensen vernederen en de goddeloze bestraffen?" (begin hoofdstuk 40). Het is immers zo duidelijk als wat dat God veel meer weet dan ons om voor de goeden te zorgen, en ook veel meer weet dan ons om de mens die hoogmoedig is en God haat te vernederen en te verslaan.
God is niet onrechtvaardig of kwaad, want dan zouden alle mensen al lang vergaan zijn (hoofdstuk 34). De Heer verdrukt niet, daarom zijn de mensen met eerbied voor hem vervuld (einde hoofdstuk 37).

Dus als er nog mensen zijn die God beschuldigen: laten ze een betere aarde maken en een betere geschiedenis schrijven. En dus ook u, filosofen: als u de hypothese dat de natuur goed is verwerpt, beschrijf dan alsjeblieft wat het goede wel is.


N.B. Een nawoord aan de waarde heer Descartes en de waarde heer Kant, die beiden God een dienst wilden doen door hem uit de natuur te halen: u hebt de mens een abstracte God gegeven omdat u de grootheid van de natuur niet genoeg hebt ingezien, of doordat u meende dat er met de natuurwetenschap niets van de oogverblindendheid van de natuur zou overblijven. Dat is verklaarbaar; het is zoiets als de restaurateur die niet durft te denken aan de faam van de schilder van het werk waaraan hij zijn hand heeft geslagen; maar om dat bij het eindwerk te blijven denken was niet goed.

maandag 11 april 2011

Moraal en schoonheid

Is schoonheid verbonden met moraal? Die vraag stelde ik me nadat ik in een voorwoord van een hedendaags literatuurboek (ik ben de titel vergeten) las dat moraal en schoonheid niet direct verbonden waren, en dat daarom een schrijver vooral geen morele plicht had. Mijns inziens kon het toch onmogelijk zo zijn dat iets wat moreel onjuist is, volkomen mooi zou kunnen zijn.

Toch moet ik daarop terugkomen: bij het lezen van een hedendaags literair werk kun je ook door de adembenemende schoonheid van de beschrijving worden getroffen, ook al wijkt de moraal van de gebeurtenissen mijlenver af van de christelijke. Handelingen die volgens de christelijke moraal niet goed zijn, kunnen een perfectie hebben en met een gedetailleerdheid beschreven worden die je toch in een droom van harmonie achterlaat.

Het adembenemende boek dat ik als voorbeeld wil noemen is "Huis van de aanrakingen" van Peter Verhelst (uitgegeven in 2010). Het is een vlechtwerk van liefdesverhalen, mythen, zoeken naar de zin van het leven, en beschrijft de schoonheid van de dimensies mens en natuur tot in de kleinste details. Ja: ook in de details van menselijke handelingen komt de grootheid van de mens naar voren, en – en dat is verbazend – ook als die handelingen niet volgens de christelijke moraal zijn. Ik weet niet zeker of Peter Verhelst daar iets van bedoeld heeft als hij uit de mond van een archeologe schrijft:
"Soms praten we. [...] Gisteren zei hij dat de duivel in de details zit. Zomaar. Nu pas begrijp ik wat hij bedoelt. De details van de beelden zijn zo overweldigend dat ik me moet dwingen om naar het hele beeld te kijken, laat staan dat ik de beeldengroep kan overzien. De duivel zit in de details. 'En God dan?' vraag ik.

Hij zwijgt. Ten slotte zegt hij: 'God zit in ons verlangen om het geheel te zien.' Uren later zegt hij: 'God zit in ons verlangen naar een geheel.' Ik wijs naar de sterrenhemel: 'Er is geen geheel.' Hij grinnikt." (p.296-297)

Misschien spreekt de schrijver deze laatste stelling tegen doordat dit gesprek in de contekst staat van een groter geheel. Ik zal niet proberen een hermeneutiek te geven van de mening van de schrijver. Waar het om gaat is dat hieruit dezelfde tegenstelling opgemaakt zou kunnen worden: schoonheid van details hoeft nog niet te betekenen dat het geheel voldoet aan een morele schoonheid.

Perfectie van handelingen hoeft nog niet een goede handeling te betekenen. Hoe zou Aristoteles hierop gereageerd hebben? Zijn ethiek is immers dat datgene moreel goed is, wat perfect is. Misschien dat perfectie en imperfectie met elkaar vermengd zijn? Perfectie op een niveau (de details), imperfectie op een ander (het geheel). Maar dan zou een perfecte immorele handeling even goed of beter kunnen zijn dan een imperfecte morele handeling – dat is onjuist.

Hoe dan ook, ik ben er nog steeds niet mee eens dat immorele handelingen als geheel schoonheid kunnen hebben. Nadat de betovering van de perfecte details optrekt en we ons meer bewust worden van de handeling zelf, wekt die handeling als ze immoreel is afkeer. Het is mijns inziens zoals de bewustwording die volgens Hannah Arendt nodig is om het banale kwaad te voorkomen: de banaliteit van het kwaad van bijvoorbeeld het ontwerp van de holocaust door SS-functionaris Adolf Eichmann. Overigens maakt Arendt bij haar bestudering van dat kwaad wel een onderscheid tussen de mogelijkheid de morele oordelen te maken (door je te verplaatsen in het perspectief van de ander, van alle mensen) en oordelen van smaak. Zijn dit inderdaad twee oordelen, het oordeel van schoonheid, en het morele oordeel, die gescheiden zijn? Zit de duivel, het kwaad, in de details, en God, het goede, in het geheel?

Er is nog een andere dimensie hieraan: de contekst van het 'aanzien' in het leven. Er is niets saaiers dan een braaf persoon, luidt het gangbare oordeel. En een sluwe schurk is veel aantrekkelijker. Is dat niet de genadeslag voor moraliteit? Is dat ook niet wat Nietzsche met geslaagd leven bedoelt? Een geslaagd leven volgens Aristoteles is ook niet alleen een moreel juist leven, maar ook liefst een prachtig en eervol leven.

Laat ik met dat laatste beginnen. In de Bijbel staat een gelijkenis (parabel) van een rijke man en arme bedelaar met de naam Lazarus. De rijke "leefde elke dag vrolijk en prachtig". De arme bedelaar zat aan zijn poort en was bedekt met zweren. Maar, vertelt Jezus, de arme man stierf, en werd naar de hemel gedragen. De rijke man stierf ook, maar hij sloeg zijn ogen op in de hel. Wiens leven was er mooier? Dat van die arme man dus.

Maar dat gaat meer over 'aanzien' in het leven, en niet zozeer over de schoonheid die bij het kwaad nog altijd in de details kan zitten. Ik ben sowieso van mening dat de duivel niet in de details zit: ook de schoonheid van het kleine is een gift van God. Maar er is dus een goed en een slecht gebruik van die schoonheid. Het goede leven gaat niet om schoonheid, maar voor wie goed leeft is (naast de schoonheid van het moreel goed leven) ook de algemene schoonheid van perfectie in het leven een beloning. Voor wie niet goed leeft is die schoonheid niet verdiend, hoewel men die toch geniet.

Genieten van kleine dingen is een groot goed en straalt bescheidenheid uit. "Is dat niet te verkiezen boven moraal?", lijkt men zich af te kunnen vragen. Of: "Bestaat die God van het geheel wel? Meer dan dit hebben we niet nodig", lijkt men te kunnen stellen. Dat is wel een grote overmoed van een mens; een mens die voor de toekomst nog altijd door God geoordeeld zal worden voor wat hij heeft gedaan met zijn leven. Het leven is een gift, de mogelijkheden zijn oneindig, en dat is juist de ellende van de mens: dat hij zijn eigen ellende niet lijkt te voelen. Men waardeert creativiteit boven het leven volgens een geloof in een enige juiste weg. Zo voel ik deze stelling tenminste. Het best kan dat nog omschreven met de woorden van de profeten (tot Israël, het 'volk van God', dat echter even afkerig was van het zoeken naar een God) (Jeremia 4):

De HEER zegt: ‘Dwaas is mijn volk,
het is met mij niet vertrouwd.
Het zijn kinderen zonder verstand,
inzicht hebben ze niet.
Zij zijn wel wijs, maar in het kwaad;
tot het goede zijn ze niet in staat.’

Hier zegt God dus zelf: hoe lang nog? Hoeveel kan de Heer nog doen om een mens op de weg van het leven te brengen, nadat Christus op aarde heeft geleefd en is gekruisigd?

woensdag 16 februari 2011

De band door de tijd

Als het over klassieke filosofen gaat, word ik altijd geslingerd tussen twee dimensies: zijn andere mensen verschillend of hetzelfde? Allebei, maar in een verschillend aspect. Er zijn veel verschillen op te noemen, er zijn ook veel overeenkomsten op te noemen. Wat zwaarder weegt is wat wij het zwaarst wegen.

Voor mij weegt overeenkomst het zwaarst. Mensen zijn medemensen. Onder de o zo verschillende filosofische systemen ligt volgens mij, onder de oppervlakte, een werkelijk leven. De waarde van een filosofisch systeem inzien betekent die sporen van leven opzoeken en meebeleven — of tot leven wekken (zie mijn eerdere bericht over Joodse filosofie, en over 'belangrijke filosofen').

Betekent dat dat er geen onware filosofie bestaat, of dat elke filosofische uitspraak geldig is alleen binnen een kader van de tijd, ofwel een 'discours' (zoals de Franse filosoof Foucault (1926-1984) zou zeggen)? Allereerst: zeker bestaat er onware filosofie; volgens definitie natuurlijk altijd binnen het discours — een discours kan niet onwaar zijn, hoogstens kan het zo zijn dat binnen een discours niet genoeg of geen ware uitspraken gedaan kunnen worden, maar dat terzijde. Wat afhankelijkheid van discours betreft: er is inderdaad altijd een mate van afhankelijkheid van discours: datgene wat besproken wordt en dat wat onbesproken blijft. Onze begrippen kunnen met de tijd verfijnder worden, grover worden, of vervangen worden. Maar dat betekent niet dat alle betekenis discontinu is — ik ben er tenminste van overtuigd dat er belangrijke woorden zijn die ik hier schrijf met een realiteitswaarde die continu is, in overeenstemming met eerdere generaties christenen. Ook waarden veranderen met de tijd: in verschillende tijdperken worden verschillende begrippen meer of minder gewaardeerd; maar die verschillende waarderingen kunnen elkaar ook aanvullen in plaats van tegenspreken. Ook discontinuïteit en continuïteit van uitspraken moeten precies onderscheiden worden.

Het voorgaande bevindt zich al binnen een discours: bepaalde begrippen, bepaalde waarde aan begrippen. Maar die begrippen zijn niet allemaal arbitrair, en die waardering is zeker niet imaginair, door de continuïteit van realiteitswaarde die ik al noemde. Waarderingen die volgens mij de eeuwen verduren zijn de waardering van waarheid, de waardering van het goede en rechtvaardige, de waardering van geluk. Los van de ornamenten die de tijd deze begrippen kan geven, bezitten ze mijns inziens een realiteit die niet herleidbaar is naar andere begrippen. Waarheid is niet te herleiden tot wat praktisch werkt, of tot wat onze behoeftes serieus neemt — waarheid is wat echt zo is. Het goede is niet te herleiden tot wat wij werkelijk willen (geluk), hoewel het evenals bij Aristoteles ook in de christelijke filosofie samen op kan gaan. Geluk is niet te herleiden tot waarheid of rechtvaardigheid, hoewel dat noodzakelijke voorwaarden zijn voor geluk.

Bovenstaande is niet pretentieloos, maar heeft ook niet de pretentie om de belangrijkste waarheid, en zeker niet het grootste goed of geluk hier te willen vatten. Meta-filosofie heeft weinig waarde voor mij, tenzij het aan God als oorsprong is verbonden. Daarin waardeer ik de woorden van Augustinus:
Echt geluk is zich in u te verheugen, o God, die de Waarheid bent, u, mijn God, mijn ware Licht, naar wie ik uitzie voor verlossing. Dit is het geluk dat allen zoeken. (Belijdenissen X, §23)

donderdag 30 december 2010

Gevolgen, plichten

In het Evangelie van Mattheüs, hoofdstuk 12, legt Jezus als antwoord op een vraag uit waarom het niet om het strikt houden van religieuze regels gaat, maar om het hart. Daarbij citeert hij de profeet Micha: "De HEER heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt: Hij wil niets anders dan dat u recht doet, dat u de trouw eerbiedigt, en dat u nederig wandelt met uw God" (Micha 6:8)

Het gaat om het doel en om het hart, niet om de regel. Dat is precies het verschil tussen 'deontologische' ethiek (δέον = plicht) en 'consequentialistische' ethiek (consequens = gevolg). Echter, het gaat om een gelaagde ethiek. De regels aan de oppervlakte (het houden van de sabbath, het geven van de eerste vruchten, enz.) zijn gegeven om hun goede gevolg: recht doen, trouw eerbiedigen, nederig wandelen met God. Maar recht doen zelf, trouw eerbiedigen, en het eren van God is plicht.

Men kan zelfs zeggen dat elke 'consequentialistische' ethiek altijd op een 'deontologische' ethiek moet rusten, op vooronderstellingen welke gevolgen goed zijn of niet. Daarom hoeft een 'consequentialistische' ethiek niet te worden opgevat als koud en berekenend. Een ethiek wordt pas koud en berekenend als haar motieven niet meer tot de oppervlakte van het doen doordringen. (Daardoor heb ik ook 'utilitarisme' (utilitas = nut) altijd wat onbegrijpelijk gevonden. 'Nut' is immers maar een weinig bezielende term.) Waar ik hiervoor een 'deontologische' ethiek noemde, bedoelde ik met plicht ook geen regel die koud-redelijk gehoorzaamd moet worden, maar een bezielend principe dat zich misschien als regel laat formuleren maar die niet als regel 'bestaat'. Lees voor 'plicht' dus (bezielend) 'principe', (levend) 'beginsel'.

Bij het toepassen van ethiek, dus bij het handelen, kunnen er problemen ontstaan als twee plichten van een onderliggende 'deontologische' ethiek met elkaar botsen. Mag je bijvoorbeeld je medemens bestelen of zijn eigendom gebruiken om het leven van een ander te redden? Mag je een leugen vertellen om levens te redden?

Hoe zit het met de volgorde, het belang van plichten in de christelijke ethiek? Traditioneel wordt in de wetten van Israël die in de Bijbel worden beschreven de volgende delen benoemd: de ceremoniële wet (offerplichten etcetera) de burgerlijke wet (precieze wetten voor straf en vergoeding bij zaken waar medemensen benadeeld zijn), en daarnaast de zedelijke wet: de 'tien woorden'. De tien woorden werden bij de berg Sinaï door God gegeven en in steen gegraveerd: een symbool voor hun belang en duur. Moeten we ook binnen deze geboden een volgorde onderscheiden? Daarover kan de volgende geschiedenis ons iets zeggen:
Toen de farizeeën hoorden dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: 'Meester, wat is het grootste gebod in de wet?' Jezus zei hem: 'U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.' (Mattheüs 22:34-40)


Kortom, aan de tien woorden liggen nog twee diepere plichten ten grondslag: het liefhebben van God en het liefhebben van de medemens. Daarin krijgt de ethiek een levend begin. Het levende begin bepaalt de zedelijke wet van de tien woorden, en kan zich dan verder uitkristalliseren in meer consequentialistische (staats)regels. Als plichten van de uitgekristalliseerde wetten met elkaar botsen, handel dan vanuit het bezielend principe.

Kunnen deze twee plichten, liefde tot God en tot de medemens, met elkaar strijden? Nee: God gebiedt ons onze medemens lief te hebben, en de liefde tot onze medemens krijgt gestalte in de liefde van en tot God.

Maar zeggen dat deze twee plichten nooit met elkaar strijden is te goedkoop. In het bijbelboek Genesis staat hoe Abraham door God beproefd werd doordat hem werd gevraagd om zijn enige zoon, Isaäk, te offeren. Abraham gehoorzaamde, maar werd tegengehouden. Er was een ram in de struiken die in plaats van Isaäk werd geofferd.

Die ram wijst heen naar het offer van Gods Zoon, Jezus Christus, die mens werd en aan het kruis stierf. God die Zijn Zoon gaf om mensen die zich van Hem hadden afgekeerd te redden: een onbegrijpelijk offer.

vrijdag 17 december 2010

Wet en adem

Bij de Middeleeuwse filosoof William van Ockham (1288-1347) stelt zich het probleem van hoe moraal als Gods wil verzoenbaar is met moraal als noodzakelijk en uit de natuur kenbaar. Ockham stelt dat moraal erin bestaat dat de mens aan Gods wil gehoorzaamt. Hij stelt echter ook dat de mens de moraal uit de natuur (voor een groot deel) kan kennen. In A History of Medieval Philosophy schetst Copleston het probleem als volgt:
Ockham evidently wishes to free ethics from any elements of Greco-Islamic necessitarianism, which would represent the divine will as subject to norms in a manner analogous to that in which the created free will is subject to norms and to obligation. He sets the concept of an absolutely free and omnipotent divine will over agains the concept of a God who is bound to act in certain ways. But he shows little sign of being clearly aware of the difficulties to which his ethical authoritarianism gives rise. Besides, while he is evidently opposed to the idea of a secular of purely humanistic ethics, it is arguable that he in fact, and contrary to his intentions, tends to promote this idea by insisting on reason as the norm of morality in such a way that his theologically based authoritarianism appears as a superstructure which does not fit in with the substructure. (p.254)


Dus, is het idee van plicht als gehoorzamen aan Gods wil verzoenbaar met het idee van een moraal die men kan kennen uit de natuur? Naar mijn mening wel. Dat wordt duidelijk als de volgende vraag wordt gesteld: Wat was er eerst, de wet of de schepping? De geschreven wet werd volgens de Bijbel pas later aan het volk Israël gegeven, lang na de schepping. Maar dat er geen wet kan bestaan zonder schepping is duidelijker in te zien door te zien dat een wet geen zin heeft (of liever: niet kan bestaan) voordat er een mens bestaat.

De wet is dus na de schepping. De wet is ook Gods wil. Ze sluit in ieder geval dus aan bij de natuur, omdat voordat de mens bestond er geen wet bestond. Maar hoe is zij dan kenbaar uit de natuur? Dat kan niet anders dan hierdoor: dat in de schepping sporen zijn nagelaten van wat het goede is. Met sporen van het goede bedoel ik dus sporen van Gods grootheid: datgene wat de mens goed noemt is niet anders dan wat van God is.

Daarom is "gehoorzamen om Gods wil" niet in tegenspraak met "gehoorzamen om (sporen van) het goede in de natuur". God geeft ten opzichte van de natuur de wet niet uit willekeur, maar aansluitend bij de natuur. God geeft de wet wel volgens Zijn wil, maar dat kan slechts een tegenspraak lijken doordat we niet inzien dat wat wij als het goede zien juist de sporen zijn van Gods wil. Het is enerzijds verraderlijk om te zeggen dat alles betekenis krijgt in God, omdat wij leven vanuit een directe ervaring van betekenis voor ons. Anderzijds is het zonder tegenspraak dat alles betekenis krijgt in God, terwijl wij leven vanuit een directe ervaring van die betekenis. God gaf de mens zijn adem. Adem betekent: leven en afhankelijkheid.

maandag 29 november 2010

Goed bestaat

Met de vraag naar wat bestaat wordt al gauw de vraag naar wat goed is gesteld. Een drieluik over christelijke antwoorden over het goede: uit de natuur, uit orde, en uit doel.

Ten eerste natuur. In prewijsgerige contekst (als dat bestaat) wordt allereerst naar de natuur gekeken voor het goede. Vruchtbaarheid (kinderen) of het slagen van de oogst zijn een zegen, onvruchtbaarheid of het mislukken van een oogst zijn een vloek. Wat is daar specifiek christelijk aan? Laten we de straf in de woorden van God na de overtreding van Adam en Eva daarvoor eens lezen (Genesis 3):
Tot de vrouw zeide [God]: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.


Als ik vervolgens een wijsgerig perspectief op het goede geef, wil ik daarmee niet zeggen dat het het prewijsgerige overtreft of vervangt. Maar ik geef het perspectief van de vroegchristelijke filosoof en bisschop Aurelius Augustinus (354-430). Augustinus waardeerde Plato als filosoof en apprecieerde een groot deel van diens filosofie. Laten we hem daarom op dit punt met Plato vergelijken.

Plato stelde de ideeën, de ware kennis, hoger dan de dingen en de meningen. Alle ideeën hebben deel aan het hoogste Idee van het Goede. Net als Plato gaat Augustinus er van uit dat het geestelijke hoger is dan het lichamelijke. Plato geeft ook een beschrijving van de ordelijke schepping van de wereld volgens een scheppende kracht (Timaeus). Volgens Plato was die scheppende kracht goed, en dat citeert Augustinus in zijn werk De Civitate Dei (De stad Gods) met instemming (boek I, hoofdstuk 1, paragraaf 20). Augustinus beroept zich verder op de bijbeltekst van Genesis 1, waar bij de schepping staat: "En God zag dat het goed was."

Volgens Augustinus is het kwaad ontstaan door de verkeerde wil van de mens: hoewel de natuur van een mens goed is, wordt door een verkeerde wil die natuur verkeerd gebruikt (a.w., I.1.17). Dingen zijn goed op zich: alles wat is, is goed. Alleen ten opzichte van de mens kunnen zij schadelijk of nuttig zijn: de zon is nuttig, maar bij voorbeeld schadelijk voor een misdadiger die veroordeeld is om de hele dag in de zon te moeten zitten (I.2.4). "Zo dan, al de naturen die er zijn, en diensvolgens haar orde, mate, gedaante en ook haar zekere vrede met zich zelf, die alle samen zijn voorwaar goed" (I.2.5). Bovendien is het zijn blijvend: wat is, kan niet niets worden, net als niets niet iets kan worden (behalve door de schepping van God van hemel en aarde) (I.2.5). Voor zover het perspectief van het goede uit orde.

Ten slotte een perspectief vanuit doel. Daarvoor geef ik de uiteenzetting van de middeleeuwse filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274), die vooral gebruikmaakt van de concepten van Aristoteles. Thomas van Aquino stelt dat zijn en het goede hetzelfde zijn, voorzover zijn actualiteit is (de 'vormen' bij Aristoteles). (Daarbij noemt Thomas nog een bijbeltekst: uit de eerste brief aan Timotheüs, 4:4: elk ding wat God gemaakt is, is goed.) Als we het zijn in contekst beschouwen van zijn totaliteit (dus inclusief potentialiteit) en zijn doel, kunnen we zeggen dat er kwaad is: er zijn namelijk dingen die niet aan hun doel beantwoorden (Summa Theologiae, Quaestio 5). Alleen als er iets ontbreekt ('privatio', vanuit het natuurlijke doel) is er kwaad; als er niets ontbreekt, kunnen we het niet kwaad noemen. We kunnen het niet kwaad noemen dat een mens de buigzaamheid van een riet niet heeft, want die is niet in zijn natuurlijke doel begrepen (Summa Theologiae, Quaestio 48). Samengevat: wat goed is beantwoordt aan zijn doel, wat niet goed is is er van verwijderd.

Aan het eind van deze drieluik volgt geen mooie harmoniërende synopsis van de perspectieven; veeleer wil ik een algemene opmerking maken over de vragen die zijn gesteld naar het zijn en het goede. Hoe weten we wat goed is? Kunnen we als mens op zo'n vraag wel een antwoord geven?

Bij het beoordelen wat goed is kan de mens als maat dienen. Als de mens niet gelukkig is, moet er althans iets zijn wat niet goed is. Als Augustinus en Thomas dus stellen dat wat is, goed is voorzover niet bedorven door de wil of door het verwijderd zijn van zijn doel, geeft dat vooral een geloofsperspectief van een betere toekomst. Dat is het geloof in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaringen 22), waar degenen die Gods geboden hebben gedaan door de bladeren van de boom van het leven -- door de verlossing van Christus -- genezen zullen worden.