Posts tonen met het label Bijbel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bijbel. Alle posts tonen

zaterdag 19 april 2025

De wraak over Judas

Sommige delen van de Bijbel zijn moeilijk te begrijpen. Voor mij geldt dat voor veel van de psalmen. Er staan gebeden om wraak in die moeilijk te rijmen zijn met het gebod van Jezus: "Heb uw vijanden lief". Deze psalmen kunnen we dus niet als leidraad nemen voor ons eigen leven. Jezus gebiedt ons om te zegenen wie ons vervloeken, te bidden voor wie ons vervolgen.

Dit lie me nadenken over wat het betekent als we zeggen dat heel de Bijbel Gods Woord is. Zijn de psalmen misschien uitzondering op die regel? Of bevatten de psalmen persoonlijke klachten van David die God heeft getolereerd, maar die nu rechtgezet zijn door de woorden van Jezus? Betekent het dat God onvolmaaktheid in de Bijbel toelaat, en dat alleen delen ervan (zoals bijvoorbeeld de woorden van Jezus, Gods Zoon en de hoogste Profeet) de volle waarheid zijn?

Laten we een stapje terugdoen en nadenken over wat het betekent dat de Bijbel Gods Woord is. Allereerst betekent dat: het is Gods openbaring, Gods brief aan jou en mij, waardoor God ons tot Hem leidt en ons leert Wie Hij is. Het betekent dat de Bijbel betrouwbaar is. Het is geen bedenksel van mensen, maar het gezaghebbende gebod van God.

Als we beginnen bij Genesis, betekent dat dat het geen mythe is over het ontstaan van de aarde, zoals er zoveel zijn buiten de Bijbel. Het is de waarheid. Het betekent dat de straf van God voor Adam en Eva en Zijn beloften om het nageslacht van Eva te bevrijden van het nageslacht van de slang, nog steeds geldt en waar en betrouwbaar is. Wij waren er niet bij toen God de hemel en aarde maakte, maar we geloven in wat we niet gezien hebben, op Zijn Woord (Hebreeën 11). Wij geloven ook dat de beschrijving van de levens van Noach, Abraham, Izak en Jakob waarheidsgetrouw en eerlijk is, en niet verdraaid en anders gemaakt dan het was, zoals bij de meeste buitenbijbelse "historiën". We geloven dat God inderdaad tot hen gesproken heeft, en dat zij een waarheidsgetrouw voorbeeld zijn voor ons en geen onmogelijke mythe. De Bijbel geeft ons ook alle aanleiding om dat te doen, omdat ze zowel de sterke als de zwakke momenten van deze voorvaderen weergeeft - eigenlijk vooral de kracht van God door hun zwakheid. We geloven dat God de profeten de woorden in de mond gaf als ze spraken: "Dit zegt de HEERE". We geloven dat de evangeliën waarheidsgetrouwe ooggetuigenverslagen zijn van wat Jezus heeft gezegd en gedaan. We geloven dat de apostelen met de Heilige Geest zijn gezalfd om de gemeenten van Christus te onderwijzen door hun brieven.

De volgende Bijbelteksten geven ons inzicht in deze waarheid:

"Heel de Schrift is door God ingegeven" (Gr.: πασα γραφη θεοπνευστος, door God geademd) (2 Tim. 3:16)
"Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie (Gr. πασα προφητεια) van de Schrift een eigenmachtige uitleg (Gr. ιδιας επιλυσεως) toelaat. Want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar door de Heilige Geest gedreven heilige mensen van God hebben ze gesproken" (Gr. πνευματος αγιου φερομενοι, door de Heilige Geest vervoerd) (2 Petr. 1:20-21)
"Want wij zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd" (Gr. σεσοφισμενοις μυθοις, wijze mythen) (2 Petr. 1:16)

Maar hoe zit dat dan met de gebeden van wraak in de psalmen? Werden die ook door Gods Geest gedragen? Is het misschien zoals een theoloog erover schrijft:

"Het is belangrijk om te beseffen dat vóór de eerste komst van Christus de enige tastbare manier waardoor de waarheid van de Schrift aangetoond kon worden aan menselijke waarnemers was door de praktische test van ongeluk dat degenen overkwam die dwaalden, en verlossing die toebedeeld werd aan degenen die zich aan de waarheid hielden. Zolang als de kwaden bleven triomferen, leek hun voorspoed de heiligheid en soevereiniteit van de God van Israël te ontkennen. Een Joods gelovige in het Oude Testament kon alleen zuchten in diepe aanvechting van de ziel zolang die situatie voortduurde. Zichzelf volledig identificerend met Gods zaak, kon hij niet anders dan Gods vijanden als zijn eigen zien. Hij moest God bidden om Zijn eigen eer hoog te houden en Zijn eigen rechtvaardigheid te verdedigen door een vernietigende verwoesting te gebieden op degenen die of met hun gedachten of met hun daden Zijn soevereiniteit en wet ontkenden." (citaat van Gleason L. Archer in Jensen's Survey of the Old Testament)

Als dat zo is, lezen we de psalmen verkeerd als we ze lezen als ik-gerichte gebeden om wraak. Dan zijn ze gericht op Gods eer. Hoe zouden we het onderscheid kunnen zien? Natuurlijk kunnen we David (de dichter van de meeste psalmen) niet in zijn hart kijken. Maar we kunnen letten op wat David zegt.

Als David om wraak bidt gericht op het bewijzen van Gods macht en rechtvaardigheid, verwacht je deze symptomen:

  1. Het noemen van Gods eigenschappen (Zijn macht, rechtvaardigheid, ...)
  2. Het benoemen van onrecht
  3. Gebed om openbaar herstel

Als David daarentegen op persoonlijke wraak is gericht en door haat wordt gedreven, zijn dit de tegensymptomen:

  1. God overhalen door beloften te doen
  2. Benoemen van haat en van uitsluiting ("zij horen niet bij U")
  3. Onbedwongen haatgedachten en woorden, zoals gebed om langdurige pijn, of om een verachtelijke dood

Wat zien we bij de psalmen? Laten we beginnen met psalm 109. Deze psalm is speciaal omdat er zoveel gebeden om wraak in staan, maar ook omdat er expliciet naar word verwezen in Handelingen 1:20 als het gaat over het lot van Judas, die Jezus verried. De apostel Petrus zegt letterlijk dat de Heilige Geest deze woorden sprak bij monde van David (Handelingen 1:16)!

Psalm 109

We vinden de volgende symptomen:

  • Symptoom 1: David noemt Gods eigenschappen als motief: "omwille van Uw Naam, want Uw goedertierenheid is groot". Het God overhalen door beloften te doen is afwezig, David beroept zich helemaal op Gods goedertierenheid. De enige belofte staat aan het eind: "Ik zal de HEERE met mijn mond op luide toon loven, te midden van velen zal ik Hem prijzen". Maar dat is meer een lofzang en belijdenis.
  • Symptoom 2: Benoemen van "mond van bedrog", zonder reden bestreden, voor liefde aangeklaagd (vs. 1-5), de arme vervolgd (vs. 16)
  • Symptoom 3: Gebed om openbare veroordeling, uit het ambt zetten, armoede in zijn familie, vergeten worden (vs. 6-15). David bidt nergens om pijn. De gebeden om wraak gaan wel heel ver: uitroeien van de nakomelingen van en de herinnering aan iemand is nogal wat! Bidden om geen genade voor wezen ook! Ik denk dat dit gebed gericht is op het einde van het kwaad, dat anders voortgezet zou kunnen worden. Dit is verbonden met het vaste geloof dat God de nakomelingen van de oprechten zal uitbreiden op aarde (psalm 112:2) en de rechtvaardige voor altijd in herinnering zal laten blijven (psalm 112:6).

Psalm 69 wordt ook geciteerd in Handelingen 1:20. Laten we die psalm op dezelfde manier beoordelen.

Psalm 69

  • Symptoom 1: David beroept zich op Gods goedertierenheid en trouw (vs. 14, 17), barmhartigheid (vs. 17). David belooft niets als hij om wraak bidt. Hij belijdt aan het eind zelfs dit: Dat hij God zal loven en danken, en dat dit de HEERE aangenamer is dan offergaven. Dat betekent: U hoeft niet omgekocht te worden, U wilt dat we Uw Naam eren.
  • Symptoom 2: Benoemt onrecht: zonder reden haten, willen ombrengen, om valse redenen vijand, "wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven" (vs. 5), bespot terwijl hij treurde (vs. 11-13), gal als voedsel en zure wijn gegeven in dorst (vs. 22)
  • Symptoom 3: Gebed om verwoesting van hun woonplaats (vs. 26) en om hun val (vs. 23). Een vorm van het tegensymptoom (dus een motief van persoonlijke haat en wraak) zou kunnen zijn dat David bidt om de blind en het kreupel maken van degenen die hem onrecht doen (vs. 22-23). Maar het is goed om daarbij te beseffen dat blindheid en kreupelheid als openbare straf op de zonde werden gezien, dus juist als een openbare veroordeling bij uitstek. David bidt om de veroordeling van hun onrecht (vs. 28-29). "Voeg misdaad bij hun misdaad, laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid" kan beter vertaald worden als "Stapel bij hen schuld op schuld, laat ze in Uw rechtvaardiging niet komen" (Naardense Bijbel). Het is ver van de bedoeling om hier bij God te pleiten om onrecht en om een scheef oordeel, maar juist om een rechtvaardig oordeel van volledig herstel.

We kunnen dus constateren dat de gebeden van David gelovig zijn in hun vorm, omdat ze uitzien naar de eer van God. Het is voor ons gemakkelijk ze te lezen als persoonlijk gemotiveerde wraak, maar de bewijzen zijn er dat dit niet zo is. In geloof mogen we dus zeggen, zonder door de feiten tegengesproken te worden: David heeft deze woorden op een heilige manier, door de Heilige Geest gesproken.

Het is bijna Pasen 2025. In het lijden van Jezus, de enige volmaakt Rechtvaardige, voor onze zonden (ook voor die van David!) worden alle aspecten van het lijden van David vervuld. Jezus' opstanding heeft gemaakt dat het lijden van de rechtvaardige niet meer de aantasting van Gods eer is, maar de uitbreiding ervan. We mogen daarom vrijmoedig getuigen dat Zijn Koninkrijk er al is, binnen in ons, en dat Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde, ook al lijden we. Als we nu lijden, zullen we ons later des te meer mogen verheugen bij de wederkomst van Jezus Christus. Daarom kunnen de gebeden om wraak nu al ophouden, omdat we vooruit mogen zien naar de tijd dat God alle dingen nieuw zal maken. Ze mogen worden ingewisseld door een verlangend bidden om de wederkomst van onze Koning, Christus Jezus, de Zoon van God, onze Verlosser. Hij zal de levenden en de doden oordelen en een eeuwig rijk van vrede brengen.

woensdag 24 juli 2024

Psalm 19

Zo'n zeven jaar geleden startte ik met een serie blogs over de psalmen. Het lezen van de psalmen geeft veel herkenning - van hoe je tot God kunt bidden, hoe je Hem kunt prijzen en danken, hoe je je kunt voelen en waarvan je verlost moet worden. Ik heb besloten om dat eens te benoemen om er minder over heen te lezen. Daarnaast zijn er ook verzen in de psalmen die niet zo herkenbaar zijn en zelfs wat afstand scheppen tot de psalmen omdat ze bevreemdend zijn. Om daar ook juist over na te denken en de psalmen meer in ons hart te kunnen sluiten, heb ik de berichten over de psalmen opgedeeld in een kopje "Bevreemdend" en een kopje "Herkenbaar". Ten slotte sluit ik af met een kopje "Profetisch" wat gaat over dingen die de dichter van de psalm niet wist maar wij inmiddels door Gods openbaring wel weten, en die in het verlengde liggen van wat de psalm zegt. 

Laten we stilstaan bij psalm 19.
Een psalm van David, voor de koorleider.

2. De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
3. Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
4. Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
5. Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
6. En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij Pred. 1:5is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7. Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
8. De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9. De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10. De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
11. Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
12. Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd,
in het houden ervan ligt groot loon.
13. Wie zou al zijn afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen afdwalingen.
14. Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
15. Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
Bevreemdend 
De woorden van psalm 19 zijn een wereld van herkenning. Een paar weken geleden stapte ik uit het vliegtuig - niet dat ik zo graag vlieg, want het is niet goed voor de schepping - en ik had de zon als een held zijn pad zien lopen en het gewelf Gods eer zien verkondigen. Je hoeft er niet voor in het vliegtuig te stappen trouwens - vanaf de aarde is het evengoed te zien hoe groot God moet zijn die hemel en aarde gemaakt heeft. 

Wat bevreemdend kan zijn in deze psalm is dat David zó blij is met Gods wet. Wij hebben ontzag voor Gods wet (als we in God geloven), maar zijn we er ook zó blij mee? Het is een herinnering om van harte dankbaar te zijn dat God ons onderwijs geeft hoe we moeten leven zodat het goed is voor ons en onze naaste. Het is een herinnering dat we bevrijd zijn uit de duisternis van ons hart, dat deed wat het wilde en wat niet goed was, en zijn overgebracht in het licht van de gemeenschap met God. En voor wie alleen het boek van de schepping herkent: word wakker en lees ook het boek van Gods Woord. Het is zuiverder dan goud en zoeter dan honing.

Herkenbaar
Zoals gezegd is Davids loflied op Gods schepping heel herkenbaar. Ook herkenbaar is zijn gebed dat God zijn hart onderzoekt en hem reinigt van zijn afdwalingen, ook degene die hij niet opmerkt. Wij praten ons gedrag al gauw goed en zijn makkelijk schijnheilig en hoogmoedig. We mogen steeds weer om vergeving en om reiniging en leiding vragen. Dat hebben we dagelijks nodig.

Profetisch
De HEERE is mijn rots en mijn Verlosser - zo eindigt de psalm met een heenwijzing naar Jezus,  de Verlosser van onze zonden. Ook het gebed om reiniging van het hart is een gebed om de Heilige Geest, die God door Jezus Christus heeft uitgestort voor alle gelovigen.

donderdag 6 april 2023

Waarom moest God mens worden?

Tien jaar geleden, op Goede Vrijdag, schreef ik over het lijden en sterven van Jezus. Vandaag wil ik opnieuw stilstaan bij de vraag waarom Jezus, Gods Zoon, mens werd en moest lijden en sterven. Waarom zou de eeuwige God mens worden? En waarom moest Gods Zoon als mens vernedering ondergaan en zelfs sterven? Kon God niet een ander middel gebruiken, omdat Hij almachtig is? Als je erbij stilstaat is het inderdaad verbijsterend dat Gods Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en voor ons is gestorven. Maar waarom geloven we het dan toch?

De Bijbel geeft heel duidelijke aanwijzingen voor waarom Jezus, Gods Zoon, mens werd en stierf aan het kruis. Allereerst heeft Jezus, Gods Zoon, plaatsvervangend geleden voor onze zonden. Met Zijn offer nam Hij de openstaande schuld weg en reinigt Hij ons geweten. Niets kan ons geweten voor altijd reinigen van onze zonden en van de herinneringen aan onze zonden, dan het ene offer van Gods Zoon dat Hij Zelf wilde geven voor onze zonden. Het geeft ons de volle zekerheid van het geloof dat we verlost zijn van onze zonden. (Hebr. 1:1, 9:14, 10:22, Matt. 1:21, 3:15, 20:28)

Niet alleen bevrijdt Hij ons van de schuld, ook maakt Hij ons gebrekkige leven uit het geloof, dat nog steeds met zondige gedachten gepaard gaat, voor God goed. Niemand van de heiligen is zelfs na geloof in dit leven heilig in eigen gedachten en werken - dat weten we allemaal als we eerlijk zijn. Zijn heilige leven, Zijn onschuld staat voor Gods ogen als Hij naar ons kijkt die door Hem zijn verlost. Daarom alleen worden we heiligen genoemd: door het heilige leven van Jezus voor God. De wet heeft nog nooit iemand tot volmaaktheid gebracht. Het lijden en sterven van Jezus Christus, onze Heere, voor onze zonden, brengt ons nader tot God omdat het een betere hoop op God geeft. (Hebr. 5:7-9, 7:19, 10:1-4, 13:21)

Ook heeft Jezus door Zijn dood degene overwonnen die ons inde greep van het oordeel van de dood hield, de duivel. Hij bevrijdde ons van de aanspraak die de duivel op ons kon maken doordat we de duivel geloofden en niet God, en de wil van de duivel deden in plaats van Gods wil. (Hebr. 2:14)

Door mens te worden gaf Jezus, Gods Zoon, het perfecte voorbeeld voor hoe wij moeten leven en hoe wij door veel lijden in Gods Koninkrijk zullen komen. Geen enkel mens, geen enkele profeet was zonder zonden. We weten dat uit ons eigen leven wel dat we onszelf heel mooi voor kunnen doen maar altijd zondig blijven in ons hart, nog afgezien van dat we door onze daden in zonden kunnen vallen. Mozes werd woedend en overtrad Gods gebod. David pleegde overspel en moord. Elia werd moedeloos en wilde liever sterven. Maar Jezus heeft geen enkele zonde begaan, want Hij was Gods Zoon en was gehoorzaam aan Zijn Vader. Zijn leven elke dag te bestuderen geeft ons kracht. Hij is de Leidsman en Voleinder van het geloof. (Hebr. 1:10, 12:2, Matt. 5:10-12, 17:5, 23:7)

De Heere Jezus is ons voorgegaan naar Zijn Vader in de hemel. Hij heeft de weg gebaand voor ons. Wij zijn in Gods Koninkrijk welkom, omdat we door Hem gekocht zijn en Hij voor ons instaat. (Hebr. 6:19-20, 10:20)

Jezus Christus wil als God en tegelijk mens voor ons als bemiddelaar voor God zijn. Hij staat tussen de zondige mens en de heilige God in als de enige heilige Mens die ooit op aarde leefde. Wij weten dat Hij ons kent. Hij reinigt onze gebeden als die zwak zijn of met verkeerde, egoïstische of hoogmoedige gedachten bevlekt zijn. Hij bidt voor ons dat ons geloof niet ophoudt in verzoekingen. Hij bad voor Petrus toen die Hem verloochende. (Hebr. 7:22, 7:25, 9:15)

Door Jezus' leven kunnen we de genade en barmhartigheid van God duidelijker zien dan ooit tevoren. Dat is beiden in Zijn daden en in Zijn prediking. We zien hoe Hij melaatsen aanraakte en genas, hoe Hij bij zondaars at en ze zich bekeerden. We zien hoe Hij blinden het gezicht gaf (en wij die blind zijn voor God, het gezicht geeft op God). We zien hoe Hij doden levend maakte (en hoe dood zijn wij, totdat Gods Geest ons levend maakt om Hem te dienen). We zien hoe Hij onze zwakheid kent en weet, en wil vergeven. Hij is gekomen als de Goede Herder die zijn verloren schapen opzoekt. (Hebr. 2:17, 3:1, 4:14-16, 13:20, Matt. 8:17, 13:37, 28:19)

Deze verlossing was door God al vanaf het begin van de wereld bekendgemaakt aan de heiligen voordat Jezus geboren werd. Jezus kwam om alle beloften van God te vervullen. Hij is de Gezalfde, de Koning van de vrede, die een eeuwig Koninkrijk van vrede zal brengen. Hij is de vervulling van de belofte van eeuwig leven door Zijn opstanding uit de dood. Hij vervult op een betere manier de bloedoffers die aan God gebracht moesten worden als een symbool van het hemelse. (Hebr. 8:5, 9:23, Matt. 2:15, 2:23, 8:17, 13:17 enz.)

Laten we oppassen dat we niet doen alsof we dit niet begrijpen. Laten we deze grote verlossing van God niet voorbij laten gaan! We worden daarvoor gewaarschuwd (Hebr. 2):
"Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen, die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben? God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil."
Laten we ons hart niet verharden voor dit evangelie (Hebr. 3):
"Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien, veertig jaar lang. Daarom ben Ik toornig geworden op dat geslacht en heb gesproken: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!
Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God."

Laten we daarom met Pasen geloven in Zijn verlossing en God daarvoor loven!

Als we de Bijbel lezen zien we dus heel veel verschillende redenen voor de menswording van Gods Zoon. Waarom werd God mens? Anselmus van Canterbury (1033-1109) schreef een boek met die titel. Zijn antwoord was: Gods ontnomen eer moest door het offer van Christus betaald worden, zodat aan Gods rechtvaardigheid voldaan werd. Er zijn zoals ik hierboven heb aangetoond hiernaast nog veel meer redenen aan te dragen vanuit de Bijbel. Met al deze redenen wordt onze verwondering voor Gods genade niet kleiner, maar groter, en mogen we God een lofoffer brengen door er tijdens dit Paasfeest over te spreken.




vrijdag 8 april 2022

Hoe zal Jezus terugkomen?

Het interpreteren van teksten kan soms wat moeite kosten. Dat komt vooral naar boven als er meerdere interpretaties zijn die met elkaar strijden. Toch hoeven we niet te rouwen: er zijn prima manieren om de tekst beter te begrijpen. We hoeven niet mee te gaan in de hype die zegt dat alle tekstuele interpretatie maar subjectief is en dat elke interpretatie daarom onweerlegbaar is. Mijn vriend dr. Wout Bisschop heeft daar een mooi boek over geschreven.

In dit bericht wil ik het hebben over hoe Jezus terug zal komen. We weten dat we in de laatste dagen leven. Ook is het terugkomen van Jezus het einde van deze aarde zoals we die nu kennen, en een ankerpunt van ons geloof. Daarom is het des te belangrijker om er duidelijk over te kunnen spreken. Ik hoop dat ik daarin Gods eer kan zoeken, niet mijn eigen mening of eer (Joh.7:18).

Vanmorgen in de tuin hoorde ik hoe bij het aanbreken van de eerste schemering, de merels en andere vogels beginnen te zingen en dat volop doen nog voordat de zon opgaat. Het trof me dat deze vogels zó naar het begin van de dag toeleven en dat laten horen. Op dezelfde manier moeten wij christenen beginnen te zingen bij het aanbreken van de eerste tekenen van Jezus' wederkomst, en het aan mensen laten horen die daar nog onbekend mee zijn.

Één belangrijk teken is dat als Jezus terugkomt, iedereen op aarde het teken van Christus in de wolken zal zien en zal herkennen. Het zal niet zo zijn dat Christus ergens in een huis is, of ergens op een verlaten plaats - als mensen dat zeggen moeten we ze niet geloven en er niet naar toe gaan. Dat zal een val zijn van Satan. Het zullen mensen zijn die zich voordoen als Jezus en grote tekenen doen door duivelse machten, maar het zullen anti-christussen zijn. Jezus waarschuwt hier ons nadrukkelijk voor (Matt. 24:23-28, Mark. 13:21-23). Er is dus niet zoiets als een eerste, verborgen komst van Christus. Als je dat gelooft of dat aan mensen predikt, drijf je ze eigenlijk in armen van de antichristussen, en je spreekt letterlijk de woorden van Jezus tegen.

"Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn." (Matt. 24)

Een tweede belangrijk punt is "de grote verdrukking" die voorafgaat aan de wederkomst van Christus. Er zijn mensen die zeggen dat de gelovigen deze grote verdrukking niet mee hoeven te maken, omdat ze worden 'opgenomen' in de hemel net ervoor. Dat wordt gebaseerd op 1 Thessalonicenzen 4:17, waar het gaat over dat de gelovigen de Heere Jezus tegemoet gaan bij Zijn wederkomst. Natuurlijk zullen de gelovigen Jezus tegemoetgaan, maar dat zal niet vóór, maar ná de grote verdrukking zijn. Lees maar in Openbaring 7:14, waar het gaat over "een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen volken en talen" die "voor het Lam staan": "Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen" (zie ook Mattheüs 24:21, Daniël 12:1). De eerste opstanding valt samen met de komst van Jezus, en valt ook samen met het begin van het duizendjarig vrederijk (1 Thessalonicenzen 4:16, Openbaring 20:4-5). Sommige medebroeders in Christus lezen de Openbaring alsof eerst Jezus terugkomt (Openbaring 6:16), dat daarna Israël verzegeld wordt (Openbaring 7) en dat vervolgens de gelovigen buiten Israël voor het Lam staan (Openbaring 7) en dat daarna de grote verdrukking begint (Openbaring 13, 17). Zo kan het niet zijn. De grote verdrukking vindt dus plaats voordat Jezus terugkomt, dus voordat wij - en de andere gelovigen - Hem tegemoet gaan in de lucht. Wij zullen het grote Babylon meemaken, de grote verleiding en de antichrist. We moeten erop voorbereid zijn, waakzaam zijn. Als Jezus verschijnt, is het gedaan met alle verleiding:

"En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst; hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden." (2 Thessalonicenzen 2)

Een derde belangrijk punt is dat we niet moeten denken "het zal zo'n vaart niet lopen", of, "ik hou van Jezus dus het komt wel goed". Jezus zegt zelf dat Zijn komst zal zijn als een dief in de nacht, dus onverwachts. Bij de komst van de bruidegom zullen er zelfs bruidsmeisjes zijn die uitgenodigd zijn voor het feest, maar die niet voorbereid zijn op Jezus' komst. Ten diepste laat dat zien dat ze Jezus niet liefhebben, omdat ze Zijn woorden niet gehoorzamen, maar alleen voor de vorm en voor het feest zijn meegegaan. De bruidegom zal de deur voor hen sluiten! We moeten ook niet denken "ik heb nog tijd genoeg - ik ben nog jong, en Jezus zal morgen niet terugkomen, want er gaan tekenen aan vooraf die ik toch zeker wel zal herkennen." We zien een wereldwijde milieucrisis - en slapen door. We zien een onverwachte pandemie die zelfs het westen lamlegt - en slapen door. We zien een oorlog waar de kernwapens op scherp staan - en slapen door. We zien dat God Zijn belofte van het terugbrengen van Israël in Zijn land vervult - en slapen door. We zien de wetteloosheid (2 Thess. 2) verwoestend toenemen - en slapen door. We moeten niet denken "eerst zal Israël nog tot bekering komen", want zij zullen misschien wel op het allerlaatste moment, namelijk als Jezus terugkomt, "Hem zien die zij doorstoken hebben" (Zacharia 12). Als we ondanks al deze tekenen doorslapen, blijven we in slaap totdat we opeens Jezus op de wolken van de hemel zien en wakker worden geschud uit de zoete slaap van welvaart, eigenwillige godsdienst en verleiding. Want ja, de Satan zal in de antichrist een engel van het licht lijken te zijn:

"... hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid." (2 Thess. 2)

Omdat er zoveel verschillende uitleg is van het bijbelboek Openbaring, lijkt het me goed om een paar specifieke dingen op te merken. Allereerst dat in Openbaring 6, bij het verbreken van het 6e zegel, het gaat over de wederkomst van Christus. Het gaat niet over alleen maar grote tekenen op de aarde die mensen verschrikken, maar over het verschijnen van de heerlijkheid van God. Daarvoor zullen de mensen vluchten naar de grotten en zullen ze willen dat de bergen hen daarvoor zouden bedekken. Dit is een duidelijk citaat van Jesaja 2:19:

"Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.

Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich daarvoor neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.

Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken."

Dit is in die zin belangrijk, dat we inzien dat er maar één wederkomst van Christus is, en dat die voor heel de aarde duidelijk zal zijn.

Een ander punt is dat er in Openbaring meerdere verhaallijnen door elkaar lopen. Een eerste verhaallijn is heel duidelijk. Er zijn de opeenvolgende zeven zegels van het boek van de wereldgeschiedenis die door Jezus geopend worden. Bij het zesde zegel is de wederkomst van Christus. Daarna worden de dienaren van God aan hun voorhoofd verzegeld zodat de komende plagen hen niet raken, en staan de gelovigen voor de troon en voor het Lam. Daarop volgen de zeven bazuinen. De laatste drie bazuinen worden aangekondigd met "wee, wee, wee". Bij de zevende bazuin is er geen uitstel meer. Ik denk dat het laatste "wee" van de laatste bazuin terug te vinden is in de zeven schalen van Gods toorn die over de aarde worden uitgegoten.

Een tweede verhaallijn loopt hier doorheen en begint in Openbaring 12. We zien dat daar een gezicht komt van de strijd van de gelovigen - de nakomelingen van Eva - en de duivel - de slang. Het teken gaat over een vrouw die zwanger is en het uitschreeuwt. Zij baart een Zoon - dat is Jezus, want er staat bij: "die alle heidenvolken zal hoeden met een ijzeren staf", een verwijzing naar Psalm 2, waar het gaat over de Gezalfde van de HEERE (zie ook Openbaring 19:15). Het kind wordt "weggerukt naar God en naar Zijn troon" - Jezus stierf voor onze zonden. We lezen daarna dat de satan uit de hemel wordt geworpen, omdat hij overwonnen is door het bloed van het Lam. Maar er staat ook meteen bij: "Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weing tijd heeft." In het vervolg van Openbaring staat dat het teken verder gaat met het opkomen van een beest uit de zee en een beest uit de afgrond (Openbaring 13). Later in Openbaring 17-18 wordt het oordeel van God over deze beesten, en de grote stad Babylon, die als een hoer alle mensen van de aarde verleidt, beschreven. Omdat het hier over een laatste wereldheerser en laatste wereldrijk gaat, gaat het hier ook over de "grote verdrukking" (zie ook de profeet Daniël en dit eerdere bericht daarover) waarin we zagen dat die al ophield met de komst van Jezus.

Deze twee verhaallijnen vullen elkaar heel duidelijk aan. De eerste staat helemaal in het teken van dat Jezus komt en dat de wereldgeschiedenis in Zijn hand is. De tweede heeft als thema dat we in een strijd met de duivel gewikkeld zijn, en dat die strijd aan het eind hevig zal zijn. We moeten deze verhaallijnen niet in elkaar willen vervlechten alsof ze in de tijd op elkaar volgen, want dat is juist niet de bedoeling. Juist in de grootste strijd is Jezus met ons en is Zijn wederkomst het dichtst bij.

Laten we hier met elkaar over blijven spreken, luisterend naar de woorden van onze enige Heer en Zaligmaker Jezus Christus, Gods Zoon:

"En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de poorten de stad mogen binnengaan. Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets. Want ik getuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand iets aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek geschreven zijn. En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, zal God zijn deel afdoen van het boek des levens, en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek geschreven zijn. Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen." (Openbaring 22)



P.S. Ik kreeg nog wat vervolgvragen over het tweede punt dat ik hierboven noemde, over dat de gelovigen uit de volken de grote verdrukking zullen meemaken. Hierbij een samenvatting van de bewijzen hiervoor uit de Bijbel:

  1. De gelovigen van de opname komen uit de grote verdrukking: Openb. 7:14: Johannes ziet een grote menigte uit alle volken (7:9) die "uit de grote verdrukking komen".

    1. Tegenargument: "uit de grote verdrukking" betekent dat ze eruit weggehaald zijn door de opname.
      1. Tegenwerping van het tegenargument: Dat is een rare manier van lezen. "Uit de verdrukking" betekent niet "weg vóór de verdrukking" maar betekent "zij waren eerst in de grote verdrukking, daarna zijn ze daar vandaan gekomen". Zie ook ander gebruik van het Griekse woordje εκ in Openbaring.
  2. De wederkomst is vóór de opname: Openb. 6:12-17 gaat over de zichtbare wederkomst van Jezus met heerlijkheid. Bewijs is dat de goddelozen zich voor Zijn heerlijkheid verbergen (zie Jesaja 2:19). Een ander bewijs is dat Matt. 24:29-30 dezelfde woorden beschrijft als Openb. 6 en 1 Thess. 4. Dus de opname gebeurt bij de zichtbare wederkomst van Jezus met heerlijkheid, en die is duidelijk ná de grote verdrukking, zoals te zien is in Matt. 24:29: "na de verdrukking van die dagen" en die gaat over (24:21) "een grote verdrukking, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal".

    Een ander bewijs hiervan is dat in 1 Thess. 4 gesproken wordt over dat Jezus' komst duidelijk hoorbaar is door roepen van de engel en de bazuin, en zelfs de opstanding van de doden: "Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan."

  3. De Openbaring zegt niet dat de grote verdrukking na de opname komt: Het idee dat Openb. 13 en 17 (die de grote verdrukking beschrijven) chronologisch volgen op Openb. 6 en 7 (waar het gaat over de wederkomst van Christus en de opname), omdat het achter elkaar staat, is niet juist. Bewijs: Openb. 13 is één geheel met Openb. 12., omdat de draak het beest uit de zee de macht geeft (Openb. 13:4). In Openb. 12:17 staat dat de draak heengaat "om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God in acht nemen en het getuigenis van Jezus Christus hebben". Dat wordt in Openb. 13 dus nader beschreven. Het is duidelijk dat Openb. 12 en 13 een nieuwe verhaallijn is, omdat het in Openb. 12:5 gaat over de geboorte van Christus (bewijs: Psalm 2:9, Openb. 19:15), en dat is natuurlijk in de tijd vóór Zijn wederkomst. Dus Openb. 12 en 13 is een andere verhaallijn dan Openb. 6 en 7, en het is onjuist om te zeggen dat ze chronologisch op elkaar volgen.

  4. De opname is na de eerste opstanding, en de eerste opstanding na de grote verdrukking: Openb. 20:4 noemt de eerste opstanding, en noemt dat deze gelovigen degenen waren "die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand". Dus de eerste opstanding is ná de grote verdrukking. En de eerste opstanding is vóór de opname, zie 1 Thess. 4: "En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht." Een ander bewijs dat de opstanding en opname tegelijkertijd zijn is te lezen in 1 Kor. 15:51-52.

  5. De verdrukking van alle gelovigen gaat aan de wederkomst vooraf: In 2 Thess. 1 verbindt Paulus duidelijk de verdrukking van alle gelovigen, aan de wederkomst: "Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht". Er is dus geen opname die gelovigen wegneemt vóór de verdrukking, maar juist de wederkomst maakt aan de grote verdrukking een einde en daarmee komt de opname.

  6. De verdrukking gaat over een oorlog tegen de heiligen, niet tegen Israël alleen: In Op. 13:7 en 13:10 staat dat het beest gegeven is oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen. Het woord 'heiligen' is een algemene benaming die niet laat zien dat hier alleen sprake zou zijn van Israël. Zie Op. 14:12 waar het "geduld van de heiligen" (Op. 13:10) wordt herhaald en wordt verklaard dat dit degenen zijn "die de geboden van God houden en het geloof in Jezus behouden". Zie ook Op. 8:3-4 waar het gaat over de gebeden van de heiligen: daar wordt ook niet alleen Israël bedoeld.

  7. Weerlegging van de argumenten voor de opname: De volgende argumenten voor de opname voor de grote verdrukking zijn niet geldig:

    1. Argument: "De grote verdrukking is de dag van Gods toorn. Gelovigen zullen bewaard worden voor de toorn van God (1 Thess. 5:9, Rom. 5:9)".

      Weerlegging: De eerste bewering is niet juist: de grote verdrukking is niet de dag van Gods toorn, maar een dag van grote verdrukking waarin juist de heiligen overwonnen worden. De dag van Gods toorn komt ná de grote verdrukking en met de wederkomst (Openb. 6 beschrijft de wederkomst, de bazuinen en schalen van Gods toorn volgen erna). Het zou raar zijn om de grote verdrukking de dag van Gods toorn te noemen als er op dat moment juist het onrecht overheerst.

    2. Argument: Als de gelovigen in Thessalonica dachten dat de opname ná de grote verdrukking plaatsvond, zouden ze niet bezorgd zijn geweest "alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn" (2 Thess. 2:2), omdat ze al op de grote verdrukking voorbereid waren.

      Weerlegging: De gelovigen in Thessalonica moeten door Paulus juist herinnerd worden dat Jezus niet terugkomt vóór de grote verdrukking. Dat doet Paulus namelijk in 2 Thess. 2: zijn onderwijs over de grote verdrukking herhalen. Ze waren dus niet voorbereid. De verwarring in Thessalonica bestond er misschien wel in dat er gelovigen waren die stopten met werken (2 Thess. 3:11) omdat ze dachten dat dat niet meer nodig was.

    3. Argument: De grote verdrukking breekt pas aan ná de opname, want zolang de gemeente van gelovigen op aarde is zijn zij samen met de Heilige Geest de "weerhouder" waarover gesproken wordt in 2 Thess. 2:7 "Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is."

      Weerlegging: De gemeente van gelovigen op aarde is niet de weerhouder. De Heilige Geest is inderdaad de weerhouder, hij weerhoudt ook de ongelovigen nog door in hun geweten te spreken. Als de Heilige Geest zich uit de gewetens langzamerhand zal terugtrekken, wordt de wetteloosheid echt duidelijk zichtbaar (dat zien we vandaag!).

    4. Argument: Er zijn gelovigen in de hemel op het moment van de grote verdrukking, zie Openb. 12:12: "Daarom, verblijd u, hemelen, en u die daarin woont! Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft."

      Weerlegging: Het gaat hier niet over gelovigen die zijn opgenomen net voor de grote verdrukking, maar over alle gelovigen die nu al bij de Heere zijn. Deze broeders werden aangeklaagd toen de satan nog in de hemel was (vers 10): "de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen.

    5. Argument: Jes. 26:19-21 gaan over de opstanding, de opname en daarna de grote verdrukking.

      Weerlegging: Jes. 26:21 gaat niet over de grote verdrukking (waarin satan even de macht heeft), maar over het oordeel van God (waarin God de ongerechtigheid straft). Dat is een duidelijk verschil. Daarnaast is Jes. 26:20 niet een duidelijke beschrijving van de opname: "ga in uw kamers, en sluit uw deuren toe" klinkt gewoon als verbergen in je huis. Als er de opname mee bedoeld werd, zouden we duidelijker woorden kunnen verwachten zoals "kom hier in Mijn huis, en Ik zal de deuren toesluiten".

woensdag 26 januari 2022

De bijbelse grenzen van seksualiteit

De afgelopen tijd las ik het boek "De seksuele revolutie" van Gabriele Kuby. Daarin is duidelijk dat het verleggen van grenzen in seksualiteit als een grondrecht wordt gepropageerd. Ik denk dat het daarom goed is om nog een keer te kijken wat God in de Bijbel zegt over seksualiteit.

Laten we bij het begin beginnen. God heeft door Mozes heel duidelijk aangegeven welke seksualiteit niet goed is in Leviticus 18 en 20. Daarin wordt opgenoemd:

  • homoseksualiteit - Leviticus 18:22, 20:13
  • bestialiteit - Leviticus 20:13
  • incest - Leviticus 18:7-11, 18:15, 18:17, 20:11-12
  • overspel - Leviticus 18:20, 20:10
  • huwelijksbanden met naaste familie - Leviticus 18:12-14, 20:19-21
  • geslachtsgemeenschap met je vrouw als ze ongesteld is - Leviticus 18:19, 20:18

Het gaat hier niet alleen om 'ontrouwe' homoseksualiteit, er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een 'liefdevolle en trouwe homoseksuele relatie' en andere homoseksualiteit. Homoseksualiteit op zichzelf is tegen Gods wetten.

Zoals ik eerder al schreef, worden deze wetten met veel nadruk gegeven. Op de meeste ervan (huwelijksbanden met naaste familie uitgezonderd) staat de doodstraf. God zegt:

"Maar ú moet Mijn verordeningen en Mijn bepalingen in acht nemen. U mag geen enkele van die gruweldaden doen, de ingezetene van het land niet, en ook de vreemdeling niet die in uw midden verblijft. Want de mensen in dit land die er vóór u waren, hebben al die gruweldaden gedaan, zodat het land onrein geworden is. Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft. Want al wie ook maar één van al die gruweldaden doet, de personen die ze doen, moeten uit het midden van hun volk uitgeroeid worden. Daarom moet u Mijn voorschriften in acht nemen en geen van die gruwelijke gebruiken die vóór u gedaan zijn, navolgen, en u daardoor niet verontreinigen. Ik ben de HEERE, uw God." (Leviticus 18)

Door sommige theologen die homoseksualiteit goed willen praten, wordt gezegd dat deze wetten niet meer gelden. Ze voeren bijvoorbeeld als argument aan dat Abraham en Sara naaste familie van elkaar waren (Sara was de halfzus van Abraham). Toch is dat maar een halfslachtig argument. Aan het begin van de geschiedenis van de mensheid waren de regels anders - hoe zouden de kinderen van Adam en Eva anders kinderen hebben kunnen krijgen?

Een ander argument wat wordt genoemd is dat er ook polygamie voorkwam, terwijl we dat nu verafschuwen: Abraham, Jakob en ook meerdere koningen in Israël hadden meerdere vrouwen. Jezus heeft inderdaad duidelijk gemaakt dat polygamie niet Gods bedoeling is. Hoewel de koningen van Israël niet tegen een expliciet gebod van God handelden, was het niet zoals God vanaf het begin van de schepping voor ogen had. Ik denk dat iedere vrouw en man in de tijd van Lamech verbijsterd zal zijn geweest over dat Lamech (vijf generaties na Kaïn) twee vrouwen nam (Genesis 4). Hoe kun je een vrouw (en jezelf) meer vernederen dan door aan haar niet genoeg te hebben?

In alle dingen heeft Jezus Christus, Gods Zoon, het laatste Woord voor ons. Hij is immers de Waarheid zelf? Hij was bij God en heeft ons verklaard Wie God is: "Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht" (Johannes 1). Jezus heeft de wetten van Mozes op dit punt verduidelijkt. Mozes stond bijvoorbeeld echtscheiding in zijn begeleidende wetten toe (Deuteronomium 24). Jezus gaf aan dat Mozes dit "vanwege de hardheid van uw hart" schreef. Vanaf het begin van de schepping is Gods bedoeling duidelijk:

"Vanaf het begin van de schepping heeft God hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Dus, wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden." (Marcus 10:6-7)

Gelden de wetten over seksualiteit alleen voor Israël, of zijn ze ook voor ons, die later bij Gods volk zijn toegevoegd, van toepassing? Toen de heidenen tot het geloof kwamen werden hun niet alle wetten (zoals de wetten over de feestdagen, de voedselwetten, de wetten over ziekte) opgelegd, maar beperkten de apostelen zich tot de belangrijkste verschillen met de heidense praktijken van die tijd (Handelingen 15):

"Want het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen."

De apostelen geven dus aan dat de heidenen zich in het vervolg allereerst niet meer mogen bezighouden met iets wat aan de afgoden herinnert. Het 'verstikte' en het 'bloed' gaat over een basale regel voor het eten wat het respect voor het leven toont (het gebod om geen vlees te eten met bloed er nog in was al aan Noach gegeven). Het derde wat de apostelen noemen is ontucht of hoererij (het Griekse woord is 'porneia'). Dat is dus een verwijzing naar de wetten van Leviticus. Dus ja: deze wetten gelden nog voor ieder christen.

Sterker nog, ons wordt gewaarschuwd dat ook als we onze verkeerde seksuele begeerten navolgen, het Koninkrijk van God niet zullen beërven:

"Het is bekend wat de werken van het vlees zijn, namelijk overspel, hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, vijandschappen, ruzie, afgunst, woede-uitbarstingen, egoïsme, onenigheid, afwijkingen in de leer, jaloersheid, moord, dronkenschap, zwelgpartijen, en dergelijke; waarvan ik u voorzeg, zoals ik ook al eerder gezegd heb, dat wie zulke dingen doen, het Koninkrijk van God niet zullen beërven." (Galaten 5)

En nogmaals:

"Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die afgoderij is. Door deze dingen komt de toorn van God over de ongehoorzamen." (Kolossenzen 3)

Het moet dus wel duidelijk zijn dat christenen zich ver moeten houden van onreinheid. Daaronder valt ook porno en alle manieren waarop de 'vrije' seksuele moraal tot ons komt, zoals bijvoorbeeld in films. Ook binnen het huwelijk moet seksualiteit niet ontsporen en niet op begeerte gericht raken in plaats van op elkaar. Door de 'vrijheid' die mensen vandaag aan seksualiteit willen geven wordt men tot een slaaf van begeerte en gaan we te gronde in de vernieling die vanaf het begin van de zondeval haar intrede deed.

Seksualiteit is een prachtige gave van God binnen het huwelijk. God maakt man en vrouw één en schept nieuw leven in de geborgenheid van het gezin. Laten we ons als christenen blijven verheugen in God en in de grenzen die Hij heeft aangegeven.

"Houd Mijn verordeningen en doe ze. Ik ben de HEERE, Die u heiligt." (Leviticus 20)

zaterdag 2 oktober 2021

De laatste profetie

Het laatste bijbelboek is de Openbaring - de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes die op het eiland Patmos was "omwille van het Woord van God en het getuigenis van Christus". Jezus liet Johannes zien wat er zou gaan gebeuren, zodat wij deze dingen ook zouden weten en Jezus' woorden in acht zouden nemen. (Openbaring 1)

Jezus' wederkomst

De Openbaring begint met zeven brieven aan de gemeenten in Klein-Azië. Maar die brieven zijn ook aan ons gericht, want ze eindigen allemaal met "Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt." (Openbaring 2-3) Dus ja, we komen er niet aan onderuit: we hebben oren, dus we moeten luisteren naar de aansporingen en vermaningen aan de zeven gemeenten alsof ze onszelf ook gelden - ze gelden ons namelijk ook. Daarna ziet Johannes de hemel geopend en God op de troon. Dat is een boodschap van troost voor ons: God heerst elke dag nog over deze aarde, al zien we het niet. (Openbaring 4) Johannes ziet een verzegelde boekrol in Gods hand. Die boekrol kon door niemand worden geopend in de hemel en op de aarde. Maar door het offer van Jezus Christus, Gods Zoon, die zijn bloed gaf voor onze zonden, kan de boekrol wel worden geopend. Er is toekomst voor ons: Gods Koninkrijk zal er door Jezus Christus komen. (Openbaring 5) De zegels laten telkens visioenen zien van wat er over de aarde zal komen: het evangelie zal over heel de aarde gaan, er zal oorlog, armoede, hongersnood, ziekten komen (zoals ook Jezus woorden waren over de eindtijd in Mattheüs 24). Johannes ziet de zielen van degenen die om het geloof in het Woord van God en hun getuigenis gedood zijn, die roepen om recht. Johannes ziet daarna de wederkomst van Christus. (Openbaring 6) Daarna ziet hij de verzegeling van de dienaren van God op aarde voordat de aarde getroffen wordt door de straffen van God, en de lofprijzing van degenen die uit de grote verdrukking komen. (Openbaring 7) Het zevende zegel laat het visioen zien van bazuinen, waarbij elke bazuin een straf is die over de aarde komt, en een opwekking tot bekering. De eerste vier bazuinen gaan over grote tekenen in de schepping. De laatste bazuinen zijn een drievoudig "wee" over de aarde. De vijfde en de zesde zijn het toelaten van duivelse machten die de mensen pijnigen. (Openbaring 8-9). Als de zevende bazuin zal blazen, is er geen uitstel meer, en zal Gods Koninkrijk en oordeel komen. (Openbaring 10)

De grote verdrukking en de grote heerlijkheid

De engel die de zevende bazuin aankondigt, zegt Johannes dat hij "opnieuw" moet profeteren, "over vele volken, naties, talen en koningen". Dat luidt het tweede deel van de Openbaring in. Het tweede deel gaat over de grote verdrukking in de laatste tijd, en over de grote heerlijkheid die daarna wacht. In Openbaring 11 zou je een soort samenvatting daarvan kunnen lezen. Het begint met het bevel aan Johannes om de tempel van God te meten. We kunnen dat terugvinden in de profetie van Ezechiël, 40-48. Er staat dan ook geen verder verslag in van wat Johannes meet, want het is er al (bij Ezechiël). Je zou kunnen zeggen: we moeten eerst stilstaan bij de heerlijkheid van God voordat we over de korte verdrukking nadenken. De heilige stad (Jeruzalem) zal namelijk 42 maanden (3 en een half jaar) vertrapt worden. Dat is de tijd van de grote verdrukking, die meermaals in Openbaring en in Daniël genoemd wordt. Tijdens die 42 maanden (1260 dagen) zullen twee getuigen van God profeteren. Zij hebben de macht om de hemel te sluiten voor regen zoals Elia, en om de aarde te treffen met plagen zoals Mozes. Aan het eind zullen ze gedood worden door het beest uit de afgrond (zie onder). Maar hun dood is niet definitief: zij zullen opstaan en tot God gaan. Dit is de toekomst van heel de kerk van Christus: getuigen, gedood worden en opstaan in heerlijkheid. Na de hemelvaart van Christus is de duivel op de aarde geworpen. Johannes ziet het gebeuren. Maar er staat ook: "Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft." (Openbaring 12) Jezus zegt daarover: "Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal." (Mattheüs 24:21) Johannes ziet een beest uit de zee komen, net als de profeet Daniël zo lang geleden (Daniël 7). Anders dan bij Daniël, waarbij de beesten vier wereldrijken voorstelden, stelt dit beest een koning voor (zie Openbaring 17:11) - de laatste koning uit het laatste wereldrijk waarover Daniël profeteerde. Het beest heeft een dodelijke wond maar herstelt ervan. Dit beest krijgt macht over heel de aarde en lastert God, en voert oorlog tegen de heiligen en overwint ze (neemt Jeruzalem in). Daarna ziet Johannes nog een tweede beest uit de aarde, wat op het Lam (Jezus) lijkt maar spreekt als de draak (de duivel). Het is een valse profeet (Openbaring 19:20). Het doet grote tekenen, zodat mensen misschien wel zullen denken dat het Jezus zelf is die teruggekomen is (zie Mattheüs 24:23). Het verleidt heel de aarde om een beeld van het beest (de koning) te maken en dat beeld te aanbidden, en doodt degenen die dat niet doen. Het laat dat beeld zelfs spreken. Daarnaast geeft het een merkteken aan iedereen die het beeld aanbidt, op het voorhoofd of op de rechterhand, met de naam van het beest. Zonder dat teken mogen mensen niets meer kopen of verkopen. Maar wie het beeld van het beest aanbidt of zijn teken ontvangt zal gedood worden door Gods oordeel. Wie Gods geboden houdt en gelooft in Jezus staat alleen het eeuwige geluk te wachten (Openbaring 14). Ik raad aan het boek Openbaring goed te lezen, zodat we het in acht kunnen nemen. Het is geen onduidelijk boek, als je je niet laat afleiden van het doel. Het doel van de Openbaring is om God te dienen ook in de laatste tijd. Het doel is niet om precies de tijd en de tekenen van tevoren te weten, maar om die te herkennen als ze daar zijn. Hier is een kort overzicht van de beelden die in de visioenen van het tweede deel naar voren komen:
Beeld Betekenis Verwijsteksten
Het beest uit de zee Een wereldheerser die zijn macht van de duivel krijgt, die God lastert en gelovigen vervolgt Openbaring 17:8, 17:11
Het beest uit de aarde Een valse profeet (die doet alsof hij Jezus is?) Openbaring 19:20
De hoer op het beest, ook het grote Babylon genoemd Een grote stad op zeven bergen (Rome?) Openbaring 17:9, 17:18
Tien hoornen op het beest Tien machthebbers, die tegelijk met de godlasterende wereldheerser hun macht krijgen, en Rome zullen verwoesten Openbaring 17:12, 16

dinsdag 18 mei 2021

Inspanning voor het rijk van God

Een woord van de Heere Jezus wat heel bekend is is deze:
"Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden."
Deze tekst staat in het evangelie door Mattheüs, 6.

Eigenlijk vind ik het op deze manier wat ongelukkig vertaald. Er staat namelijk "zoek eerst het Koninkrijk van God". Dat klinkt als dat het koninkrijk van God verborgen is, en je het moet zien te vinden, of dat de weg ernaartoe gevonden moet worden. Maar dat is niet wat er bedoeld wordt. In de voorgaande verzen staat het precies hetzelfde woord "zoeken" nog een keer:

"Wees daarom niet bezorgd en zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt."
Hier gaat het dus duidelijk om "moeite doen voor": als je niet op God vertrouwt, houd je je bezig met je eten, drinken en kleding. Je doet er moeite voor, bent bezorgd dat je tekort zult komen als je er niet genoeg aan denkt en niet genoeg aandacht aan besteedt. Voor een rijk land kun je gerust aan het rijtje toevoegen: je doet moeite voor je huis, je vakantie, je carrière, de financiële toekomst van je kinderen.

Maar, zegt de Heere Jezus: doe dat niet. Doe eerder moeite voor het koninkrijk van God en de gerechtigheid die daarbij hoort. Als je dat op de eerste plek hebt staan, krijg je de rest erbij gegeven. Ik denk dat de "gerechtigheid" die hier genoemd wordt terugwijst naar waar de Heere Jezus eerst over sprak:

"Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zul u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan" (Mattheüs 5:20).
Wat die gerechtigheid dan inhoudt, legt de Heere Jezus vervolgens uit aan de hand van Gods geboden. Daarbij gaat het niet alleen om niet doden, maar ook om niet haten. Niet alleen om niet echtbreken, maar ook om niet naar andere vrouwen te kijken. Niet alleen om niet je plechtige belofte te breken, maar ook om volkomen betrouwbaar te zijn in wat je zegt. Niet alleen om niet je naaste te haten, maar ook om zelfs je vijand lief te hebben. Om zo te leven is alleen mogelijk door het volgen van Jezus. Alleen door het lijden en sterven van Jezus Christus, Gods Zoon, kunnen onze zonden vergeven worden en kunnen wij Zijn voetstappen leren volgen.

Dus: Span je eerder in voor het Koninkrijk van God en de gerechtigheid die daarbij hoort, en alle andere dingen die je nodig hebt zullen erbij gegeven worden.

donderdag 6 februari 2020

Waarheid

Voor de verandering een fabel over waarheid.

Er was eens een wees die door een ontfermend man geadopteerd werd. Hem werden nieuwe kleren gegeven en hij mocht in het huis van deze man, zijn nieuwe vader, wonen. Maar het meest verheugde hij zich in de liefde die zijn vader tot hem toonde als hij bij hem was.

Vol vreugde vertelde de wees dit feit aan ieder die het wilde horen. Hij vertelde het ook aan een andere wees die door dezelfde man was geadopteerd. Deze hoorde zijn vreugdevolle relaas in stilte aan. 'Zo,' zei hij, terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste. 'Zo.'
De wees vroeg verontwaardigd: 'Gelooft u het niet?'
De andere wees antwoordde: 'Dat zeg ik niet, maar je weet dat er verschillende wezen hier beweren dat ze door iemand geadopteerd zijn, terwijl ze het niet zijn.'
'O,' zei de wees.
'Je kunt jezelf bedrogen hebben,' zei de ander, 'het was misschien een droom.'
'Maar ik heb toch nieuwe kleren?' riep de wees verbaasd uit.
'Je kunt die gestolen hebben,' reageerde de ander.
'Wat?' riep de wees uit.
'Er zijn andere wezen die dat ook hebben gedaan,' zei de ander. 'Of die gestolen kleren van anderen hebben gekregen. Misschien was de man die je ze gaf wel een bedrieger.'
'Maar ik heb hier het adoptiebewijs!' riep de wees uit. Hij liet het document zien.
'Tja,' zei de ander. Hij haalde ook een document tevoorschijn, wat in de verte ook nog op een adoptiebewijs leek, maar vol stond met allerlei aantekeningen: datum en tijd van verschillende momenten, observaties, maar vooral massa's vraagtekens, zodat het uiteindelijk leek alsof het hele document alleen maar vraagtekens bevatte.
De wees werd bleek. Hij stamelde: 'Maar hij was zo vriendelijk en vol liefde voor mij!'
'Tja,' zei de ander. 'Ik zeg alleen maar dat er bedriegers rondlopen in deze stad.'

Verdrietig vertrok de wees en ging niet terug naar het huis waarin hij was geadopteerd, maar naar de achterafstraten waar hij buiten had geleefd. Hij ging in gedachten terug naar wat hij had meegemaakt en vroeg zich af wat er waar geweest zou kunnen zijn. Hij durfde niet terug te gaan in vrees voor dat hij naar een bedrieger zou gaan.

Zo vond hem zijn vader, die hem geadopteerd had, na een zoektocht van enkele dagen. Hij omarmde zijn vermagerde zoon en zei: 'Kind!' terwijl de tranen van zijn wangen liepen. 'Wat heb je gedaan? Hoe heb je aan mijn liefde kunnen twijfelen?'

woensdag 5 februari 2020

Vervangingstheologie

Een mooi scrabblewoord, zou je kunnen denken. Of: Nee! Theologie!

Ik zal maar gauw voor degenen die het niet herkennen uitleggen wat het betekent: Vervangingstheologie is een naam voor als christenen denken dat God het Joodse volk niet meer belangrijk vindt en het heeft vervangen door de wereldwijde kerk van gelovigen uit Joden en niet-Joden. Dus waar het in de Bijbel over het Joodse volk gaat, gaat het nu over de christelijke kerk.

Ik begrijp de pijn en woede van Joden over deze misvatting. Het is alsof een geadopteerde zoon tegen de natuurlijke zoon zegt: "Joh, jij doet er niet meer toe, mijn vader houdt alleen nog maar van mij. Het is nu mijn vader, niet meer de jouwe." Of als hij zegt: "Ik heb vanaf nu evenveel recht op de erfenis als jij, dus kom maar hier met mijn helft."

Tegelijkertijd is er ook een andere kant. Laten we in de analogie van de geadopteerde zoon blijven, want dat lijkt op wat de christelijke gemeente eigenlijk is. Het is terecht als hij zegt: "Jouw vader is nu ook onze vader en jouw vader houdt nu ook van mij." Ik heb niets met vervangingstheologie, en wil hiermee er absoluut geen advocaat van worden. Maar ik wil beide kanten van het gevoel vertolken - zodat ook de geadopteerde zoon zich niet ontheemd gaat voelen. Maar als we de natuurlijke zoon dat gevoel van ontheemd zijn ook maar enigszins bezorgen, past het ons dat we ons terugtrekken, en hem de volle aandacht en liefde van onze vader gunnen.

Vanaf een grotere afstand bekeken zijn we allebei (Jood en niet-Jood) geadopteerd, beiden van hetzelfde stof en naar hetzelfde beeld, en hebben we allen onze eigenheid en erkenning nodig. Gelukkig geeft God ons die.

vrijdag 22 mei 2015

Zecharjah - slot

In twee vorige blogs schreef ik over de eerste acht gezichten van de profeet Zecharjah. Nu als slot over de laatste drie hoofdstukken van zijn profetie, waarin een visionaire boodschap staat aan Israël. Deze boodschap tekent hoe de toekomst van Israël zou zijn in Jezus Christus. De beelden die de profetie beschrijft moeten niet letterlijk opgevat worden (wie dat doet verliest zich in vele onmogelijkheden) maar zijn beschrijvingen van het geestelijke Israël, van de Kerk van Jezus Christus. In die zin zijn ze ook opgevat en geciteerd in de Evangeliën. De beelden zijn rijk en de boodschap is ook vandaag nog actueel en spreekt ook nu tot ons.

Ik zag hoe Jeruzalem door alle volken belegerd werd, maar dat God voor haar bescherming zorgde; dat het leger van de vijanden met blindheid en paniek werd geslagen, en dat de leiders en het volk van Israël sterk was in Jehovah.

Ik zag hoe de geringste onder hen als David zou zijn, en de aanzienlijkste onder hen als engelen van God, ja als God Zelf die persoonlijk bij hen zal zijn.

Ik zag hoe alle tegenstanders van de Stad van God in die dag verdelgd zouden worden, maar hoe over allen in Israël, aanzienlijk of onaanzienlijk, de Geest van genade en van gebeden werd uitgestort. Ik zag hoe zij tot inzicht kwamen en Jehovah zouden zien, Die zij doorstoken hebben (Joh. 19:37), en daarover zullen rouwen met een grote rouw, zoals over koningen gerouwd is. En ik zag hoe in alle geslachten van Israël, ook in de geslachten van aanzien, getreurd werd door zowel mannen als vrouwen.

(13) Ik zag hoe er een bron geopend werd voor zowel de aanzienlijken als de onaanzienlijken in Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.

Ik zag hoe alle afgoden uit Israël werden uitgeroeid zodat hun naam zelfs niet meer herinnerd werd; dat ook alle valse profeten uit het land zouden verdwijnen. Ik zag hoe degenen die profeteren zouden door hun wijze vader en moeder gestraft werden en beschaamd zouden terugkeren tot hun roeping.

Ik zag hoe Jehovah het zwaard bracht over ook over de Herder en Vorst van Israël, die geslagen werd, zodat de schapen verstrooid werden; maar dat Jehovah zich over de kleinen ontfermde (Matth. 26:31). Ik zag hoe twee derde van Israël omkwam, maar hoe de overblijvende een derde gelouterd werd als zilver in het vuur en de Naam van Jehovah aanriep. Ik zag dat Jehovah hen verhoorde en tot Zijn volk rekende.

(14) Ik zag hoe Jeruzalem door alle heidenen belegerd en ingenomen werd, en hoe de helft daarvan werd uitgeroeid. De andere helft bleef echter over, en ik zag hoe Jehovah uittrok en tegen de heidenen streed. Ik zag hoe Hij op de Olijfberg stond, en hoe Hij deze in twee delen spleet, zodat er een vallei ontstond, waardoor een vluchtweg werd geopend voor de Joden in Jeruzalem en een toegangsweg voor Jehovah met al Zijn engelen. Er was maar één weg, één verlossing, één mogelijkheid ten leven.

Ik zag hoe er niet meer telkens een afwisseling van het kostbare licht van de dag was door het verstikkende duister van de nacht. Integendeel zag ik dat het continu licht zou zijn.

Ik zag levend water uit de Stad van God stromen, zowel naar waar de zon opkomt als naar waar de zon ondergaat, en dat dit water zowel ’s winters als ’s zomers bleef stromen. En Jehovah zal tot Koning over heel de aarde zijn, en niet geëerd worden als een van de vele goden maar als enige God. En ik zag hoe de Stad van God uitgebreid werd zodat velen erin konden wonen, en zag ook dat ze door velen bewoond werd; en zag hoe zij daarin beschermd zouden wonen, zonder ooit uit de Stad van God weggevoerd te worden; het zou een veilige plaats zijn.

Ik zag bij de heidenen die de Naam van God niet aannamen het volgende gebeuren. Eerst zag ik hoe de welgestelde heidenen, die bepaald niet mager waren, maar duidelijke tekenen van rijkdom vertoonden, mager werden. Daarna zag ik hoe hun ogen werden geslagen met blindheid, zodat ze hun weg moesten tasten. Vervolgens zag ik dat hun tong, waarmee ze zo goed konden spreken, met stomheid werd geslagen zodat ze niets tegen de grote Naam van God in konden brengen. Ten slotte zag ik hoe ze tegen elkaar verdeeld werden en tegen elkaar streden. Hetzelfde zag ik met al hun bezit gebeuren: het werd aangetast en vernietigd, terwijl Gods Stad steeds rijker werd in allerlei goederen.

Ik zag dat alle overige heidenen die eerst tegen de Stad van God streden, overtuigd werden van de Naam van God en kwamen om God te aanbidden, en daarin zelfs trouw bleven, terwijl bij degenen die niet kwamen om God te aanbidden, de regen ophield zodat hun land verdroogde.

Ik zag dat zelfs de snelle en krachtige paarden van de heidenen aan God gewijd werden. Ik zag dat alle heidenen naar de Stad van God zouden komen om daar de middelen van Israël te gebruiken om te offeren, en dat zij de Tempel van God nooit meer zouden vertreden in verachting maar dat het voor het Huis van God zouden erkennen.

dinsdag 5 mei 2015

Zecharjah - II

Vorige keer schreef ik over de eerste vier gezichten van de profeet Zecharjah, wiens naam betekent 'Jehovah herinnert'. Deze keer de volgende vier. Deze gezichten gaan net als de eerste vier over de bevrijding, maar vooral over het herstel van Israël. Op een bevrijdingsdag als vandaag in Nederland is het ook goed om bij herstel stil te staan: wat gebeurde er na de oorlog? Hebben we stilgestaan bij het feit dat het kwaad in zoveel gewone mensen was geweest - degelijke, soms gelovige, goed opgeleide mensen zoals u en ik die het kwaad van Hitler eerst niet doorzagen en er later soms zelfs aan meewerkten? Hebben we het licht van wat echt goed is laten schijnen tegenover het vele kwaad in de oorlog?

Ik werd wakker als uit een slaap. In de ochtendschemering zag ik een zachte gloed van licht; het kwam van een kandelaar van goud. De kandelaar had zeven armen met lampen die brandden, net als in de tempel het geval geweest was. Ze leken een licht te verspreidden dat heel de aarde bevatte. Hoger dan die kandelaar zag ik een schaal waaruit zeven pijpjes naar de zeven lampen van de kandelaar liepen. Deze schaal was vol met olijfolie en ik kon de gouden olijfolie uit de pijpjes in de lampen zien druppen. Rechts en links van de schaal verhieven zich twee jonge olijfbomen. Toen ik beter keek zag ik dat er van de takken van deze olijfbomen olie drupte in twee toevoerkanalen naar de schaal bij de kandelaar. Het opvallendst aan wat ik zag vond ik de stilte. Er was niemand bij de kandelaar nodig om de olie bij te vullen. Er was niemand bij de olijfbomen die de olijven ervan plukte, de olie eruit perste, kruiken ermee vulde, deze naar de kandelaar toebracht; en toch was er licht. Er was geen menselijke inspanning voor nodig; de twee olijfbomen liet God groeien en olie geven. Daarna verdween dit gezicht, maar het liet zijn afdruk in mijn herinnering achter.

Terwijl ik overdag aan deze dingen dacht, voelde ik me ineens ongemakkelijk alsof ik werd gadegeslagen. Een huivering trok door me en ik keek om me heen. Eerst stelde me dat gerust omdat ik niets zag. Tot ik mijn ogen opsloeg en daar het volgende gezicht zag wat me verschrikte: ik zag in de lucht een stuk papyrus van ongeveer tien meter breed, en wel zo’n twintig meter lang. Het kwam mijn richting op. Toen het dichterbij kwam zag ik dat het kolom voor kolom volgeschreven was met zwarte inkt. De letters waren voor me leesbaar, en ik las de volgende zinnen: ‘Vervloekt zij hij die steelt, want deze vloek zal over hem komen en hij zal uitgeroeid worden. Vervloekt zij hij die bij de naam van Jehovah een valse eed doet, want deze vloek zal over hem komen en hij zal uitgeroeid worden. Deze vloek zal in het midden van zijn huis komen, daar overnachten en dat huis met zijn hout en zijn steen verwoesten.’

Toen ik hier nog over dacht zag ik een grote kruik. Er was niet zoveel speciaals aan te ontdekken. Alle kruiken zien er hier ongeveer hetzelfde uit, zodat je niet kunt weten wat erin zit, net als je aan het uiterlijk van een mens niet kunt bepalen wat zijn innerlijk is. Maar toen opende de engel die met mij sprak de kruik door de plaat van lood die hem afsloot eraf te halen. Tot mijn grote verbazing kwam er een vrouw uit. Ze was gekleed als een hoer, de belichaming van de zonde. De engel wierp haar terug in de kruik en sloot deze weer af. Daarna zag ik twee andere vrouwen die het grootst mogelijk contrast vormden met de vrouw uit de kruik. Ze waren in helder wit gekleed. Ze hadden grote vleugels en tilden de kruik op. Langzaam vlogen ze omhoog en begonnen in de richting van het noorden, naar Babylon te vliegen. Ik was opgelucht toen ik dat zag: de goddeloosheid werd dus niet in Israël geduld maar zou God daarvan verwijderen!

Toen ik me omdraaide en omhoog keek zag ik aan de horizon tussen twee bergen vier paardenspannen komen. De bergen leken bergen van koper door de rode gloed die daarover lag. De vier paardenspannen hadden paarden van elk verschillende kleuren: de eerst met rode, de tweede met zwarte, de derde met witte en de vierde met gevlekte paarden. Ze reden met grote snelheid en al spoedig zag ik dat de rode, zwarte en witte paarden zich naar het noorden richtten, richting Babylon, en de gevlekte paarden deze kant op kwamen in het zuiden. De paarden kwamen briesend dichterbij en ik sprong opzij naar de kant van de weg. Het span stond echter stil vlak voor mij voor de engel die met mij sprak die naar voren was gelopen en ze tegenhield. Hij sprak tegen die paarden: ‘Doorkruis het land!’ En met grote snelheid en kracht galoppeerden de paarden weg, alles wat hen in de weg stond omverlopend. De rode, zwarte en witte paarden zag ik echter in een rechte lijn naar het noorden stormen. En de engel sprak tegen mij: ‘Dezen hebben mijn geest in het noorden gebracht’. Hieruit begreep ik dat het oordeel over Babel en de bevrijding van Jeruzalem was begonnen.

vrijdag 1 mei 2015

Zecharjah - I

De boeken van het Hebreeuwse Oude Testament kun je naar Joodse manier verdelen in de Torah (wetten van God maar ook de geschiedenis vanaf de schepping), profeten (de boeken met geschiedenis van Israël en profetische woorden of visioenen van God door verschillende profeten gesproken), en geschriften (de overige boeken, waaronder allegorieën en wijsheidsboeken). Wat opvalt aan de profetische woorden of visioenen van God in de profetische boeken is dat ze heel beeldend zijn. Daardoor moeten ze op hun hoorders extra indruk gemaakt hebben. Ook werden de woorden gedeeltelijk in poëtische vorm uitgesproken (of gezongen?), zodat ze voor de hoorder nog beter te onthouden geweest moeten zijn.

Om deze indrukwekkende visioenen te begrijpen, moet je soms wel een taal- en cultuurdrempel over. Om die reden heb ik voor mezelf de gezichten van de profeet Zecharjah geprobeerd voor te stellen. De naam van Zecharjah betekent: Jehovah herinnert. Hij kreeg het woord van God voor Israël in de tijd dat Israël door Babylonië was ingenomen en de belangrijkste inwoners daarheen waren gedeporteerd. Een groep Israëlieten onder aanvoering van Zerubbabel waren echter vrijgelaten door de Perzische koning Cyrus. Het was zo'n 500 jaar voor de geboorte van Christus.

Ik laat hier de vier visioenen in de eerste drie hoofdstukken van Zecharjah volgen:
Het was nacht. Een diepdonkere nacht waarin wolken vreemd helder afstaken tegen de duisternis op de aarde. Plotseling hoorde ik het langzame klikken van hoeven. Het was ver weg en kwam dichterbij. Mijn handen trilden en ik verborg me in het struikgewas aan de kant van de weg. Wat deed een eenzame reiziger met een ezelskaravaan op een nacht als deze? Maar terwijl ik me dat afvroeg zag ik opeens de oorzaak van het geluid, in het midden van de ravijn voor mij. Er kwam een dieprood paard stapvoets het ravijn binnen. Op het paard zat een man in verhullende kleding, zodat ik zijn gezicht niet kon zien. Het paard stond precies stil tussen de mirten die in de diepte groeiden. Tussen de witte mirten in de donkere nacht leek de kleur van het paard als bloed. Toen het paard stilstond hoorde ik opeens andere hoeven. Ze waren van snelbereden paarden die snel, in galop, dichterbij kwamen. Toen ik beter luisterde hoorde ik dat het van paarden uit verschillende richtingen moest zijn. Na korte tijd reden er achter elkaar van verschillende richtingen andere ruiters bij de eerste ruiter. Ze reden op bloedrode, op zachtbruine, en op blinkend witte paarden. Wie reisde er nu met paarden, behalve Koninklijke boden of adjudanten? Dat zij ’s nachts reisden wees erop dat het een geheime missie was. En wie was de Koning in het midden van de mirten? Wat kwamen de boden van alle kanten van Israël hier, in het midden van Israël, aan deze Vorst rapporteren, en wat zou zijn missie zijn? Waarom had hij het kleine en geringe Israël, met de koningsstad Jeruzalem uitgekozen als doel? (Zech. 1, 7-17)

De volgende nacht sliep ik in een kleine open ruimte omringd door een aantal grote bomen. Mijn handen warmde ik aan mijn eigen kleine vuur, en ik was daarmee vergenoegd tot ik in de verte een licht zag flikkeren. Ik sloop erheen, en zag van een afstandje al dat het een kampvuur was. Maar toen ik dichterbij kwam sidderde ik. Rondom het kampvuur lagen van de vier zijden van de windstreken vier grote slagtanden. Het waren enorme gekromde slagtanden die met de punten naar het midden van het vuur gericht waren en waaruit als het ware de vlammen voortgekomen leken te zijn. Ze vervulden me meteen met afschuw alsof ik het bloed van velen die deze tanden verwond hadden kon zien. Plotseling echter zag ik vanuit de schaduwen vier mannen opdoemen die met zich zagen meedroegen en ander gereedschap. Ze stootten de tanden omver en begonnen ze te verdelen. Na enige tijd was er van de tanden niets meer over, doofden ze het vuur en vertrokken ze met hun fakkels in alle richtingen, zodat het was alsof er niets geweest was. Het schokte me, omdat ik het gevoel had dat er een grote macht zojuist in een handomdraai vernietigd en weggenomen was. (Zech. 1, 18-21)

Toen ik de volgende dag met mijn ezel stilhield niet ver van Jeruzalem, zag ik tussen de reizigers op de Koninklijke weg een die me uitermate veel belangstelling inboezemde. Waarom precies kan ik niet zeggen; er was iets in zijn trekken dat me ontzag inboezemde. Met zich droeg hij een meetsnoer zoals dat gebruikt wordt om akkers of gebouwen uit te meten. Ik moet hem aangestaard hebben, want op een gegeven moment toen hij dichtbij was keek hij mij onbevangen aan. Terwijl het bloed me naar het hoofd steeg groette ik hem met Sjalom! Meteen liet ik er zonder verder na te denken op volgen: Waar bent u naar op weg? Hij keek me met heldere ogen aan en antwoordde zonder reserve: Naar Jeruzalem, om haar toekomstige omtrek uit te meten. Meteen vervolgde hij zijn weg. Ik verbaasde me hogelijk over dit antwoord, maar er was iets in zijn stem wat me niet de gelegenheid gaf om zijn woorden in twijfel te trekken. Wie zou er ooit heel Jeruzalem opmeten? Alleen iemand wie Jeruzalem tot zijn bezit rekenen zou. Iets herinnerde mij aan de onbekende Vorst die ik in de nacht tussen de mirten had zien staan. Ik zag dat de reiziger met het meetsnoer een andere man die uit de richting van Jeruzalem kwam, staande hield en daar enkele woorden mee wisselde. Deze man haastte zich tot mij en sprak: ‘Wat betreft de omtrek van Jeruzalem moet u dit weten van mijn Meester. Jeruzalem zal zodanig vervuld worden dat ze ver buiten haar muren zal treden. Er zal zelfs geen muur meer nodig zijn. En Jehovah zal een muur van vuur om haar heen zijn, en de stad met heerlijkheid vervullen. Dit is het woord van Jehovah: vlucht uit Babel, want Israël zal uitgebreid en Babel zal beroofd worden. En dit is Zijn belofte: Jehovah zal in het midden van u wonen, en hij zal vele heidenvolken aan u toevoegen.’ (Zech. 2)

Daarna droomde ik van het volgende. Ik bevond me in het Koninklijke paleis, in de raadzaal. De Vorst die ik eerder had gezien zat daar om recht te spreken. Toen ik zag wie er voor hem stond was het alsof ik in een afgrond viel. Het was namelijk Joshua, de hogepriester, die juist dit jaar uit Babel terug was gekomen en bij de herbouwing van de tempel aanwezig was. Voor welk vreselijk misdrijf stond hij terecht? Hoe had het zover kunnen komen dat hij voor het recht gedaagd was? Zijn prachtige hogepriesterlijk gewaad was bevlekt en gescheurd. Verder naar rechts stond een aanklager die er zeer belangrijk en welgesteld uitzag. Hij droeg meerdere gouden ringen aan zijn vingers. Het viel me op dat zijn rede welsprekend was en veel bijval oogstte. De Vorst ging aan het eind van zijn toespraak staan en sprak met een stem die door heel het paleis te horen was tegen de aanklager: ‘Jehovah zal u bestraffen, satan! Is deze Joshua niet een brandhout dat uit het vuur gered is?’ Daarna sprak hij tot zijn dienaren die om hem heen stonden: ‘Doe hem deze klederen uit, en geef hem nieuwe.’ Terwijl dit gebeurde wachtte ik en de andere omstanders met spanning op het uiteindelijke vonnis. De Vorst sprak dit vonnis uit: ‘Zo zegt Jehovah: Indien u in Mijn weg wandelt zult u in Mijn tempel dienen. U en de andere priesters en levieten zullen tot een wonderteken zijn dat Mijn dienaar naar deze tempel zal komen. Over de stenen van de tempel die Ik in uw bijzijn gelegd heb, zullen zeven wachters waken; ik zal er Mijn Naam in graveren ten teken van dat deze tempel aan Mijn eer gewijd is, en ik zal de ongerechtigheid van dit land op een dag wegnemen. En vanaf die dag zal er grote overvloed in het land zijn!’ (Zech. 3)

Ik hoop dat deze beelden van uitverkiezing, verlossing, zegening en vergeving ook nu nog tot zegen mogen zijn!

zaterdag 14 maart 2015

Vechten tegen de pijn

Vorige blog schreef ik over wat de reden is om de natuur hoog te achten als 'heel goed' met het oog op de Schepper. Daarin noemde ik ook dat na de zonde van de mens de vloek over de natuur is gekomen, hoewel er nog veel van het beginontwerp over is. Maar deze vloek zorgt ook voor een verandering in hoe onze houding tegenover de natuur is.

De vloek die God over de natuur uitsprak staat in het bijbelboek Genesis:
Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen. En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u gebood: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren. (3, 16-19)

Onvermijdelijke pijn en het vechten om levensbehoud. Dat betekent het.

Allereerst vechten om levensbehoud. De natuur doet niet meer vanzelf wat goed voor ons is, maar er is inspanning en bewerking van de natuur nodig om te kunnen eten. Dat betekent niet dat we het beginontwerp van de natuur moeten negeren maar dat we ervoor moeten vechten om het goede van het begin weer te kunnen smaken. We moeten ook niet denken dat we door inspanning een situatie kunnen bereiken die beter is dan het begin van de schepping. Maar het bewerken en bebouwen van de aarde is noodzakelijk om te kunnen overleven. En ook deze noodzakelijke strijd kan maar beter respect hebben voor, of liever verlangen naar het goede van het beginontwerp, als we nog enigszins gelukkig willen zijn met het goede dat er nog is.

De vloek betekent echter ook onvermijdelijke pijn. Hoe we ook vechten, we kunnen het lijden en de dood niet afweren. Eens moeten we onszelf dus ook de vraag stellen: moeten we hier verder vechten met middelen die meer pijn doen, of moeten we hier toegeven dat de dood onvermijdelijk is?

Maar sinds de opstanding van Christus, Gods Zoon die mens werd, uit de dood, weten we dat de dood overwonnen is door het leven. Jezus zegt: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." (evangelie van Mattheüs, 28, 18). Als Christus terugkomt om allen te oordelen weten we ook dat het Koninkrijk van God, het rijk van het leven zal beginnen!

In het leven van een christen mag de hoop de pijn overwinnen. Zoals de apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Rome:
Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. (...) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere. (8, 22-39)

vrijdag 13 februari 2015

Natuurlijker is beter

Is de natuur altijd goed? Er wordt wel eens gedaan alsof een ingreep in de natuur slecht is alleen omdat het een ingreep in de natuur is. Bijvoorbeeld, kunstmatige inseminatie is slecht omdat het een ingreep is in de natuur. Bij deze bewering lijkt het juist te zijn dat er de natuur geweld wordt aangedaan. Maar ethici geven terecht aan dat er problemen zijn met het argument. Wat is namelijk natuur? In de loop van de tijd is dat wat wij als 'natuur' ervaren al vele malen door menselijk handelen aangepast. En waarom is ingrijpen in de natuur slecht? Er zijn veel voorbeelden van ingrepen in de natuur zoals het bouwen van dijken die goed zijn. En is de natuur altijd goed? Ziektes en natuurrampen komen er ook in voor. Wat is er dus foutgegaan?

Laten we de vragen een voor een nagaan. Allereerst, wat is natuur? De natuur is dat wat zonder menselijk ingrijpen bestond en bestaat. Als christen belijd ik dat de natuur datgene is wat God gemaakt heeft. Er is dus een beginontwerp en een beginsituatie die 'heel goed' is, zoals in het bijbelboek Genesis staat. Weliswaar is over de natuur na de zonde van de mens de vloek gekomen, maar veel van dat beginontwerp is nog aanwezig en is nog 'heel goed'. Veel van wat we nu als natuur hebben is beïnvloed door menselijk ingrijpen, maar het beginontwerp is zelfs daardoorheen nog zichtbaar en is nog steeds 'heel goed'.

De volgende vraag is, wanneer is ingrijpen in de natuur slecht? Zoals hiervoor genoemd is niet elke ingreep in de natuur slecht. Als christen belijd ik dat God de mens zelfs opdracht gaf om de aarde te bebouwen en te bewaren. De zonen van Adam en Eva zijn er voorbeeld van: Kaïn was landbouwer, Abel schaapherder. Om landbouwer te zijn moet je de grond bewerken, als schaapherder moet je schapen houden en hen doden om van te leven. Dat ingrijpen was noodzakelijk om te overleven. Wanneer is ingrijpen in de natuur dan slecht?

Ik denk dat dit het antwoord is: bij ingrijpen in de natuur moeten we natuurbewust handelen. Je moet eerst goed weten wat de orde van de natuur is voordat je die doorbreekt. Je moet eerst gezien en begrepen hebben hoe een plant groeit voordat je er zelf een poot of oogst. Je moet eerst gezien en begrepen hebben hoe een dier natuurlijk leeft voordat je een dier zelf kunt leiden. Elke ingreep in de natuur moet weloverwogen zijn. De natuur is volgens een perfect ontwerp ontworpen, jouw ingreep in de natuur moet dit perfecte ontwerp kennen en daar een nieuw ontwerp in maken dat opnieuw goed is. Je moet je realiseren dat als je een volwassen plant oogst, je er mogelijk weer meerdere terug moet poten om over een tijdje weer een plant te kunnen oogsten. Je moet hebben ingezien dat als je iets van de natuur neemt, je dit nooit te veel en te massaal moet doen omdat je het eerste perfecte ontwerp van de natuur dan schaadt.

In de geschiedenis zijn niet alle christenen daar even goed mee omgegaan en dat is nog steeds niet zo. Sommigen beschouwen de aarde gewoon als bron van inkomsten en proberen alleen maar die optimaal uit te putten zonder dat die op raakt. In die visie is totaal vergeten dat de aarde volgens een perfect ontwerp gemaakt is en dat we dat eerst moeten bestuderen voordat we onze eigen kleine ontwerp maken. Sommigen verzinnen hun eigen regeltjes of wetenschap om volgens eigen inzicht de aarde te beheren in plaats van goed te kijken naar de orde die er al in ligt. Er is soms nog meer respect voor een recent pseudowetenschappelijk artikel over gezond eten dan voor de voedselwetten die God aan Israël gaf. Sommigen gebruiken ingrepen voor een goed doel zonder op de neveneffecten te letten of te zoeken, kortom, zonder veel ontzag voor de perfecte orde van God. Kortom, er valt nog veel te leren!

zaterdag 22 november 2014

Emoties in de psalmen

Thuis zijn wij de psalmen aan het lezen. Er zijn daarbij een paar aspecten waarover ik me verbaasde. Waarom spreekt David in zijn psalm tot God over het onrecht dat hem wordt aangedaan en vraagt hij of God zijn tegenstanders wil straffen? Denkt David dat God zijn onrecht niet gezien heeft? Of denkt hij dat God niet altijd rechtvaardig is? Of speelt er soms de begeerte naar vergelding mee?

Het eerste, dat David denkt dat God zijn onrecht niet heeft gezien, lijkt niet waar te kunnen zijn omdat hij in andere psalmen belijdt dat God alle onrecht en al zijn daden, ja zelfs zijn gedachten ziet en kent. Hoewel het zo zou kunnen zijn dat David door ongeloof wordt overvallen, lijkt het anders te zijn.

Maar is dan het tweede waar? Verwijt David dat God te weinig optreedt, niet snel genoeg reageert? Opmerkelijk is voor het antwoord op deze vraag dat de smeekbeden van David om hulp worden afgewisseld met de allerzekerste belijdenis dat God zal helpen. Het getuigt dus van de emotie in de psalm, waarbij vragen afgewisseld worden door antwoorden.

Hoe zit het dan met het derde aspect: heeft David begeerte naar vergelding van zijn vijanden? Als je de psalmen goed leest zul je merken dat David niet uitweidt over de straf of kwelling die hij voor zijn tegenstanders zou wensen. Dat zou je wel verwachten als begeerte naar vergelding mee zou spelen; dat lijkt dus niet het geval te zijn. Dr. Jan Hoek noemde het motief van vergelding in zijn opiniebijdrage voor het RD vandaag een soort "leedvermaak" waar hij zich niet mee kon verenigen. In zijn visie is het blijdschap om verlost te zijn in plaats van blijdschap over de straf van anderen. Hoewel ik denk dat dat een deel van het goede antwoord is en ik me ook verder helemaal kan vinden in zijn bijdrage, denk ik dat dat het halve antwoord is. De andere helft van het antwoord is mijns inziens toch: gerechtigheid.

Denk niet dat ik hier een pleidooi ga voeren voor een filosofisch soort 'gerechtigheid'. Sommige mensen maken van gerechtigheid iets mystieks dat ons verstand te boven gaat en dat we niet begrijpen maar moeten aanbidden. Ik voer ook geen pleidooi voor een hoogst redelijk soort gerechtigheid die helemaal aan de eisen van onze rede voldoet en daarom lofwaardig is.

Volgens mij gaan de psalmen juist over een concept dat we niet kennen: praktische gerechtigheid. Praktische gerechtigheid betekent dat je vrede kunt vinden met het feit dat je onrecht wordt aangedaan, omdat je weet dat het uiteindelijk een pad is dat niet beloond zal worden. Het betekent dat je ervan overtuigd bent dat God je van de ondergang zal redden door je tegenstanders ten val te brengen. Het betekent dat zelfs al zullen je tegenstanders het in hun leven gemakkelijker hebben dan jij, terwijl ze anderen onrecht aandoen en alles verachten wat waarde heeft, dat God hen na dit leven zal oordelen en straffen volgens een rechtvaardig oordeel.

Als je de woorden uit de psalmen zó opvat, zijn ze zelfs niet in strijd met wat Jezus Christus, de Zoon van God, gebiedt: dat we onze vijanden moeten liefhebben, en moeten zegenen die ons vervloeken. Je tegenstander is namelijk niet degene die veranderd wordt door het Evangelie en berouw heeft, maar juist degene die, hoe goed hij ook leefde, Gods geboden besluit eens vaarwel te zeggen.

woensdag 5 november 2014

Vrees en beven

Deze week las ik het boek "Vrees en beven" van de 19e-eeuwse Deense filosoof Søren Kierkegaard uit. Het is een heftige aanklacht tegen iedereen met een laffe levenshouding.

Onze levenshouding wordt bepaald door onze waarden. Kierkegaard onderscheidt drie waarden: esthetisch, ethisch en gelovig.

De esthetische waarde is leven volgens de regels van de kunst. Kierkegaard noemt het ook wel 'poëtisch': je kunt esthetische daden bezingen omdat het mooi of verrassend is om te zien. Het is niet op het algemeen welzijn gericht maar op het subjectieve. Dit is de waarde die Kierkegaard bij de dichters en het theater van zijn tijd ziet (lees: de romans en de films van nu).

De ethische waarde is leven volgens een hogere norm. Dat betekent dat je je moet overgeven aan die hogere norm, die Kierkegaard het 'absolute' noemt. Ethisch leven wordt pas bewonderenswaardig als je je absoluut overgeeft, al je persoonlijke wensen opgeeft aan het absolute. Deze waarde ziet Kierkegaard terug in de klassieke helden van de Oudheid, in de tragedies, maar ook in Socrates en Pythagoras.

De meeste mensen leven volgens een mengelmoesje van iets esthetisch en iets ethisch. Kierkegaard beklaagt dat hij zo weinig doorzettingsvermogen vindt om helemaal te leven volgens zo'n levenswaarde. Hij noemt dat het ontbreken van 'hartstocht'.
Hoe velen hebben in onze tijd voldoende hartstocht om hier over na te denken en zichzelf vervolgens oprecht te beoordelen? Alleen al het idee om de tijd op zo'n manier op je geweten te nemen dat hij de tijd krijgt om in zijn slapeloze onvermoeibaarheid al je heimelijke gedachten te doorvorsen. (Vrees en beven, Damon (2014), p.107)

De waarde van het geloof begint met de ethische waarde. Echter, het geloof gaat ook verder. Het geloof kent God, en het opvolgen van Gods bevel en verwachten van Gods beloften geeft is een hogere levenswaarde. Kierkegaard noemt zelf het bevel van God om de enige zoon van Abraham en Sara, Izaäk, te offeren, als voorbeeld van het geloof van Abraham. Hij had evengoed de belofte van God van een groot nageslacht aan Abraham kunnen noemen. Er is nogal wat toewijding voor nodig om te geloven. Tussen het tijdstip dat God die belofte aan Abraham gaf en de geboorte van zijn zoon Izaäk verstreek vijfentwintig jaar! En het bevel om Izaäk te offeren gaat zelfs tegen de algemene ethiek in. Zo'n belofte van God valt niet uit te leggen aan anderen, omdat het niet te begrijpen is: hoe kan Sara op haar leeftijd nog kinderen krijgen? Het geloof is dus eerst het nastreven van de algemene ethiek, maar daarna ook het treden buiten het algemene, omdat het geloof dingen gelooft die niet zichtbaar zijn en die tegen de algemene rede ingaan. Waar de 'beweging' van de ziel in het ethische het opgeven van het persoonlijke is, volgt er bij het geloof de 'beweging' van het verwachten van het persoonlijke in de belofte van God. Het geloof is dus geen gemakkelijke opgave, maar een die de schrijver beschouwt met 'vrees en beven'.

Er zijn hier wel wat lastige vragen bij te stellen. Hoe zit het bijvoorbeeld met mensen die iets geloven wat niet waar is? Het verschil tussen een waar geloof en een inbeelding heeft Kierkegaard niet uitgelegd; hij steunt op de Bijbel als de openbaring van God. Wel schrijft hij over het verschil tussen geloof en een sekteleven: een sekte gelooft volgens hem niet, maar heeft een eigen ethiek die binnen de sekte gedeeld wordt en waaraan iedereen zich over moet geven. Er is niets persoonlijks in een sekte.

Er zijn een aantal dingen die ik wat minder fraai vind in 'Vrees en beven'. Allereerst mis ik dat Kierkegaard niet schrijft over de eenheid in het geloof die er tussen christenen kan zijn. Het christelijke geloof verbindt, omdat het dezelfde beloften en bevelen van God heeft gehad. Wel krijgen deze beloften en bevelen in ieders leven persoonlijk betekenis. Vervolgens heb ik moeite met het perspectief waar vanuit Kierkegaard schrijft: vanuit een soort ode aan de held van het geloof, waarbij de schrijver zegt dat hij er zelf niet bij kan komen. Dat is namelijk het afschuiven van de verantwoordelijkheid, een veronachtzamen van de roeping van God tot het geloof die tot ieder mens komt door het Evangelie. Daarna heb ik ook moeite met de nogal plastische manier waarop hij schrijft over de 'bewegingen' van de ziel. Spreken over 'bewegingen' van de ziel is doen alsof alle 'bewegingen' van de ziel op elkaar lijken, alsof we over onze ziel kunnen beschikken zoals we over ons lichaam beschikken, en alsof de schrijver precies begrijpt hoe de ziel in elkaar steekt. Wellicht is er een verontschuldiging voor deze dingen aan te voeren dat Kierkegaard met een pseudoniem schrijft en dus vanuit een perspectief dat niet noodzakelijk het zijne is; hij noemde zelf het boek vanuit 'esthetisch' perspectief geschreven.

Het sterke aan 'Vrees en beven' vind ik dat het een aanklacht is van lafhartigheid en lauwheid. Het is vrij gemakkelijk om als 'christen' tevreden te zijn met een halve ethiek. Het is nog armer om je te vergapen aan alle vormen van onethische en ongelovige esthetiek die onze cultuur kent.

Het is ook goedkoop om een 'geloof' te hebben waar het opgeven van het persoonlijke geen onderdeel van uitmaakt, of om af te zien van geloof omdat we het verwachten van het persoonlijke dat God belooft aanmatigend vinden. Het eerste is om in de plaats van Abraham een ram te gaan offeren in plaats van Izaäk; het tweede is om Izaäk wel te offeren maar niet te verwachten dat God hem zal behouden, of zelfs om niet te offeren en ook geen verwachting van Izaäk te hebben. Het woord van de apostel Paulus aan de Hebreeën wordt heel duidelijk:
Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.