Posts tonen met het label psalmen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label psalmen. Alle posts tonen

zaterdag 19 april 2025

De wraak over Judas

Sommige delen van de Bijbel zijn moeilijk te begrijpen. Voor mij geldt dat voor veel van de psalmen. Er staan gebeden om wraak in die moeilijk te rijmen zijn met het gebod van Jezus: "Heb uw vijanden lief". Deze psalmen kunnen we dus niet als leidraad nemen voor ons eigen leven. Jezus gebiedt ons om te zegenen wie ons vervloeken, te bidden voor wie ons vervolgen.

Dit lie me nadenken over wat het betekent als we zeggen dat heel de Bijbel Gods Woord is. Zijn de psalmen misschien uitzondering op die regel? Of bevatten de psalmen persoonlijke klachten van David die God heeft getolereerd, maar die nu rechtgezet zijn door de woorden van Jezus? Betekent het dat God onvolmaaktheid in de Bijbel toelaat, en dat alleen delen ervan (zoals bijvoorbeeld de woorden van Jezus, Gods Zoon en de hoogste Profeet) de volle waarheid zijn?

Laten we een stapje terugdoen en nadenken over wat het betekent dat de Bijbel Gods Woord is. Allereerst betekent dat: het is Gods openbaring, Gods brief aan jou en mij, waardoor God ons tot Hem leidt en ons leert Wie Hij is. Het betekent dat de Bijbel betrouwbaar is. Het is geen bedenksel van mensen, maar het gezaghebbende gebod van God.

Als we beginnen bij Genesis, betekent dat dat het geen mythe is over het ontstaan van de aarde, zoals er zoveel zijn buiten de Bijbel. Het is de waarheid. Het betekent dat de straf van God voor Adam en Eva en Zijn beloften om het nageslacht van Eva te bevrijden van het nageslacht van de slang, nog steeds geldt en waar en betrouwbaar is. Wij waren er niet bij toen God de hemel en aarde maakte, maar we geloven in wat we niet gezien hebben, op Zijn Woord (Hebreeën 11). Wij geloven ook dat de beschrijving van de levens van Noach, Abraham, Izak en Jakob waarheidsgetrouw en eerlijk is, en niet verdraaid en anders gemaakt dan het was, zoals bij de meeste buitenbijbelse "historiën". We geloven dat God inderdaad tot hen gesproken heeft, en dat zij een waarheidsgetrouw voorbeeld zijn voor ons en geen onmogelijke mythe. De Bijbel geeft ons ook alle aanleiding om dat te doen, omdat ze zowel de sterke als de zwakke momenten van deze voorvaderen weergeeft - eigenlijk vooral de kracht van God door hun zwakheid. We geloven dat God de profeten de woorden in de mond gaf als ze spraken: "Dit zegt de HEERE". We geloven dat de evangeliën waarheidsgetrouwe ooggetuigenverslagen zijn van wat Jezus heeft gezegd en gedaan. We geloven dat de apostelen met de Heilige Geest zijn gezalfd om de gemeenten van Christus te onderwijzen door hun brieven.

De volgende Bijbelteksten geven ons inzicht in deze waarheid:

"Heel de Schrift is door God ingegeven" (Gr.: πασα γραφη θεοπνευστος, door God geademd) (2 Tim. 3:16)
"Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie (Gr. πασα προφητεια) van de Schrift een eigenmachtige uitleg (Gr. ιδιας επιλυσεως) toelaat. Want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar door de Heilige Geest gedreven heilige mensen van God hebben ze gesproken" (Gr. πνευματος αγιου φερομενοι, door de Heilige Geest vervoerd) (2 Petr. 1:20-21)
"Want wij zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd" (Gr. σεσοφισμενοις μυθοις, wijze mythen) (2 Petr. 1:16)

Maar hoe zit dat dan met de gebeden van wraak in de psalmen? Werden die ook door Gods Geest gedragen? Is het misschien zoals een theoloog erover schrijft:

"Het is belangrijk om te beseffen dat vóór de eerste komst van Christus de enige tastbare manier waardoor de waarheid van de Schrift aangetoond kon worden aan menselijke waarnemers was door de praktische test van ongeluk dat degenen overkwam die dwaalden, en verlossing die toebedeeld werd aan degenen die zich aan de waarheid hielden. Zolang als de kwaden bleven triomferen, leek hun voorspoed de heiligheid en soevereiniteit van de God van Israël te ontkennen. Een Joods gelovige in het Oude Testament kon alleen zuchten in diepe aanvechting van de ziel zolang die situatie voortduurde. Zichzelf volledig identificerend met Gods zaak, kon hij niet anders dan Gods vijanden als zijn eigen zien. Hij moest God bidden om Zijn eigen eer hoog te houden en Zijn eigen rechtvaardigheid te verdedigen door een vernietigende verwoesting te gebieden op degenen die of met hun gedachten of met hun daden Zijn soevereiniteit en wet ontkenden." (citaat van Gleason L. Archer in Jensen's Survey of the Old Testament)

Als dat zo is, lezen we de psalmen verkeerd als we ze lezen als ik-gerichte gebeden om wraak. Dan zijn ze gericht op Gods eer. Hoe zouden we het onderscheid kunnen zien? Natuurlijk kunnen we David (de dichter van de meeste psalmen) niet in zijn hart kijken. Maar we kunnen letten op wat David zegt.

Als David om wraak bidt gericht op het bewijzen van Gods macht en rechtvaardigheid, verwacht je deze symptomen:

  1. Het noemen van Gods eigenschappen (Zijn macht, rechtvaardigheid, ...)
  2. Het benoemen van onrecht
  3. Gebed om openbaar herstel

Als David daarentegen op persoonlijke wraak is gericht en door haat wordt gedreven, zijn dit de tegensymptomen:

  1. God overhalen door beloften te doen
  2. Benoemen van haat en van uitsluiting ("zij horen niet bij U")
  3. Onbedwongen haatgedachten en woorden, zoals gebed om langdurige pijn, of om een verachtelijke dood

Wat zien we bij de psalmen? Laten we beginnen met psalm 109. Deze psalm is speciaal omdat er zoveel gebeden om wraak in staan, maar ook omdat er expliciet naar word verwezen in Handelingen 1:20 als het gaat over het lot van Judas, die Jezus verried. De apostel Petrus zegt letterlijk dat de Heilige Geest deze woorden sprak bij monde van David (Handelingen 1:16)!

Psalm 109

We vinden de volgende symptomen:

  • Symptoom 1: David noemt Gods eigenschappen als motief: "omwille van Uw Naam, want Uw goedertierenheid is groot". Het God overhalen door beloften te doen is afwezig, David beroept zich helemaal op Gods goedertierenheid. De enige belofte staat aan het eind: "Ik zal de HEERE met mijn mond op luide toon loven, te midden van velen zal ik Hem prijzen". Maar dat is meer een lofzang en belijdenis.
  • Symptoom 2: Benoemen van "mond van bedrog", zonder reden bestreden, voor liefde aangeklaagd (vs. 1-5), de arme vervolgd (vs. 16)
  • Symptoom 3: Gebed om openbare veroordeling, uit het ambt zetten, armoede in zijn familie, vergeten worden (vs. 6-15). David bidt nergens om pijn. De gebeden om wraak gaan wel heel ver: uitroeien van de nakomelingen van en de herinnering aan iemand is nogal wat! Bidden om geen genade voor wezen ook! Ik denk dat dit gebed gericht is op het einde van het kwaad, dat anders voortgezet zou kunnen worden. Dit is verbonden met het vaste geloof dat God de nakomelingen van de oprechten zal uitbreiden op aarde (psalm 112:2) en de rechtvaardige voor altijd in herinnering zal laten blijven (psalm 112:6).

Psalm 69 wordt ook geciteerd in Handelingen 1:20. Laten we die psalm op dezelfde manier beoordelen.

Psalm 69

  • Symptoom 1: David beroept zich op Gods goedertierenheid en trouw (vs. 14, 17), barmhartigheid (vs. 17). David belooft niets als hij om wraak bidt. Hij belijdt aan het eind zelfs dit: Dat hij God zal loven en danken, en dat dit de HEERE aangenamer is dan offergaven. Dat betekent: U hoeft niet omgekocht te worden, U wilt dat we Uw Naam eren.
  • Symptoom 2: Benoemt onrecht: zonder reden haten, willen ombrengen, om valse redenen vijand, "wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven" (vs. 5), bespot terwijl hij treurde (vs. 11-13), gal als voedsel en zure wijn gegeven in dorst (vs. 22)
  • Symptoom 3: Gebed om verwoesting van hun woonplaats (vs. 26) en om hun val (vs. 23). Een vorm van het tegensymptoom (dus een motief van persoonlijke haat en wraak) zou kunnen zijn dat David bidt om de blind en het kreupel maken van degenen die hem onrecht doen (vs. 22-23). Maar het is goed om daarbij te beseffen dat blindheid en kreupelheid als openbare straf op de zonde werden gezien, dus juist als een openbare veroordeling bij uitstek. David bidt om de veroordeling van hun onrecht (vs. 28-29). "Voeg misdaad bij hun misdaad, laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid" kan beter vertaald worden als "Stapel bij hen schuld op schuld, laat ze in Uw rechtvaardiging niet komen" (Naardense Bijbel). Het is ver van de bedoeling om hier bij God te pleiten om onrecht en om een scheef oordeel, maar juist om een rechtvaardig oordeel van volledig herstel.

We kunnen dus constateren dat de gebeden van David gelovig zijn in hun vorm, omdat ze uitzien naar de eer van God. Het is voor ons gemakkelijk ze te lezen als persoonlijk gemotiveerde wraak, maar de bewijzen zijn er dat dit niet zo is. In geloof mogen we dus zeggen, zonder door de feiten tegengesproken te worden: David heeft deze woorden op een heilige manier, door de Heilige Geest gesproken.

Het is bijna Pasen 2025. In het lijden van Jezus, de enige volmaakt Rechtvaardige, voor onze zonden (ook voor die van David!) worden alle aspecten van het lijden van David vervuld. Jezus' opstanding heeft gemaakt dat het lijden van de rechtvaardige niet meer de aantasting van Gods eer is, maar de uitbreiding ervan. We mogen daarom vrijmoedig getuigen dat Zijn Koninkrijk er al is, binnen in ons, en dat Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde, ook al lijden we. Als we nu lijden, zullen we ons later des te meer mogen verheugen bij de wederkomst van Jezus Christus. Daarom kunnen de gebeden om wraak nu al ophouden, omdat we vooruit mogen zien naar de tijd dat God alle dingen nieuw zal maken. Ze mogen worden ingewisseld door een verlangend bidden om de wederkomst van onze Koning, Christus Jezus, de Zoon van God, onze Verlosser. Hij zal de levenden en de doden oordelen en een eeuwig rijk van vrede brengen.

donderdag 30 januari 2025

Psalm 23

Vandaag schrijf ik over psalm 23.

Een psalm van David.

De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3. Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.

4. Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.

5. U maakt voor mij de tafel gereed
voor de ogen van mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

6. Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.

Bevreemdend

Bijna niets uit deze psalm is bevreemdend voor mij, behalve het ene woordje "tegenstanders" in vers 5. Ik ken niet een leven van vervolging tot de dood door Saul zoals David. Het enige wat ik ervoor in de plek kan lezen is "de tegenstander", de duivel - want zijn tegenstand tegen het geloof door ontmoediging in nare gebeurtenissen, door verleiding tot zonde, kent ieder christen. Voor de ogen van deze tegenstander nodigt God mij aan Zijn tafel van overvloed.

Herkenbaar

Dat de Heere ons als een herder leidt, is heel herkenbaar. Hij geeft ons alles wat we nodig hebben, elke dag weer. Hij draagt ons als we niet meer verder kunnen. Hij beschermt ons tegen gevaar van verkeerde paden en voor gevaar van buiten ons. We mogen elke stap van ons leven naar Hem opzien en Zijn stem volgen. Hij geeft ons rust en vrede in ons hart, wat de omstandigheden ook zijn. Hij leidt ons in de eeuwige plaats van rust, waar alle tranen van de ogen afgewist zullen worden.

Hij is ook als onze gastheer (vers 5 en 6), die ons in alles verzorgt na een vermoeiende reis, die ons overvloedig voedt, zowel met dagelijks voedsel als met Zijn Woord en Geest bij het lezen van de Bijbel en overdenken van Zijn woorden. Hij geeft ons vreugde, ook in de moeilijkste omstandigheden. We mogen altijd in Zijn huis, Zijn geborgenheid blijven, elke dag van ons leven, en voor eeuwig als de nieuwe hemel en nieuwe aarde er zullen komen.

Profetisch

Jezus zegt: "Ik ben de goede Herder". Door Zijn voorbeeld is het beeld nog letterlijker op te vatten als het volgen van Jezus, Gods Zoon, onze Verlosser. Hij heeft Zijn leven gegeven voor Zijn schapen en is de Herder die ons nooit verlaat. Dat Jezus nu in de hemel is en altijd voor ons bidt, houdt de belofte in zich dat we eens voor eeuwig Gods aangezicht mogen zien.

vrijdag 1 november 2024

Psalm 22

In deze blog wil ik stilstaan bij psalm 22.

Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De hinde van de dageraad’.

2. Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
bent U ver van mijn verlossing, van de woorden van mijn jammerklacht?
3. Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.

4. Maar U bent heilig,
U troont op de lofzangen van Israël.
5. Op U hebben onze vaderen vertrouwd,
zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.
6. Tot U hebben zij geroepen en zij zijn gered,
op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.

7. Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
8. Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd en zeggen:
9. Hij heeft zijn zaak op de HEERE gewenteld – laat Die hem bevrijden!
Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is.

10. U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.
12. Blijf dan niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.

13. Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
14. Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
als een verscheurende en brullende leeuw.

15. Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
16. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.

17. Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
18. Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19. Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.

20. Maar U, HEERE, blijf niet ver weg;
mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp.
21. Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame ziel van het geweld van de hond.
22. Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
Ja, U hebt mij verhoord.

23. Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
24. U die de HEERE vreest, loof Hem;
alle nakomelingen van Jakob, vereer Hem;
wees bevreesd voor Hem, alle nakomelingen van Israël.

25. Want Hij heeft de ellendige in zijn ellende
niet veracht en niet verafschuwd;
Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen,
maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.

26. Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente,
/> mijn geloften zal ik nakomen in bijzijn van wie Hem vrezen.
27. De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.

28. Alle einden der aarde
zullen eraan denken en zich tot de HEERE bekeren:
alle geslachten van de heidenvolken
zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen.
29. Want het koningschap is van de HEERE,
Hij heerst over de heidenvolken.

30. Alle groten der aarde
zullen eten en zich neerbuigen.
Allen die in het stof neerdalen
en hun ziel niet in het leven kunnen behouden,
zullen voor Zijn aangezicht neerbukken.

31. Het nageslacht zal Hem dienen,
en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties.
32. Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.

Bevreemdend

Deze psalm gaat over de vertwijfeling en het roepen tot God in onze ellende. Ik denk dat iedereen dat kan herkennen. Wat wel vreemd aandoet zijn de poëtische beelden die in de psalm gebruikt worden. "Verdroogd als een potscherf" is een beeldspraak die wij niet meer zouden gebruiken, en "ontwrichte beenderen" vinden wij wat overdreven als poëtische omschrijving voor vermoeidheid of zwakte. Ook zullen we vijandschap van mensen om ons heen niet snel omschrijven als een kudde stieren of een troep honden. In Nederland kun je wel tegenover één stier of één hond komen te staan die je liever niet tegenkomt, maar meerdere zal niet zo snel gebeuren. Wellicht dat onze uitdrukking "een hongerige meute wolven" of "een zwerm horzels" er nog het meest in de buurt komt.

Herkenbaar

Als we door ellende getroffen worden in dit leven, bijvoorbeeld een ziekte, ernstig ongeluk of het verlies van een geliefde, kunnen we ons weleens afvragen: Waar is God? Waarom gebeurt dit? Waarom staat God toe dat dit gebeurt? In moeilijke omstandigheden gaan we bidden, ook als we dat anders nooit doen, en roepen we God om hulp of ter verantwoording. En het lijkt dan soms dat alles hetzelfde blijft, dat er geen antwoord komt. We kunnen boos worden en God de schuld geven - maar dat doet David in deze psalm niet. Zijn vertrouwen op God blijft bestaan ondanks dat hij het niet begrijpt. Zijn liefde tot God blijft, wat blijkt uit hoe hij tot God blijft bidden. Daarin kunnen wij van hem leren: wie in geloof, in vertrouwen op God blijft, zal niet beschaamd worden. Als we daarentegen in het lijden ons geloof in God overboord gooiden, zullen we dat geloof als we het goed hebben niet meer denken nodig te hebben en zullen we blijven volhouden dat God er niet is.

Als we al niet boos op God worden, vergeten we vaak om met hart en ziel op Hem te vertrouwen. Dat vergt overgave van alles van ons en het geloof in wat niet zichtbaar is (Hebreeën 10).

En als God ons op ons gebed heel veel kracht geeft en ons wonderlijk helpt, dan vergeten we soms God ervoor te danken en Hem ervan de eer te geven. Dan hebben we soms te weinig geloof om onze verlossing aan God toe te schrijven, denken we "ik heb het gewoon wat overdreven" en schamen we ons misschien zelfs dat we God gebeden hebben in onze nood. In psalm 22 is dit niet zo: David geeft God uitbundig dank voor alles wat Hij heeft gedaan.

Profetisch

De eerste zin van deze psalm werd door Jezus, Gods Zoon, geciteerd toen Hij voor onze zonden aan het kruis hing: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?" In elk lijden is de Heere Jezus daarom met ons, want deze lijdenspsalm is zoals zoveel andere lijdenspsalmen in Hem vervuld.

Aan het einde van deze psalm is er de vooruitblik op het eeuwige Vrederijk wat zal komen. "Alle einden van de aarde zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen." Zoals in veel andere psalmen is de boodschap van verlossing voor alle volken, en dat is zeker vervuld: over heel de wereld is het Evangelie verkondigd.

donderdag 26 september 2024

Psalm 21

Vandaag lezen we psalm 21:

Een psalm van David, voor de koorleider.

2. HEERE, de koning verblijdt zich over Uw macht.
Hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
3. De wens van zijn hart hebt U hem gegeven;
het verzoek van zijn lippen hebt U hem niet onthouden. Sela

4. Want U komt hem tegemoet met rijke zegeningen;
op zijn hoofd zet U een kroon van zuiver goud.
5. Leven heeft hij van U verlangd en U hebt het hem gegeven,
lengte van dagen, eeuwig en altijd.
6. Groot is zijn eer dankzij Uw heil,
met majesteit en glorie hebt U hem bekleed.
7. Want U stelt hem voor eeuwig tot grote zegen,
U verheugt hem met blijdschap, met Uw aangezicht.

8. Want de koning vertrouwt op de HEERE;
door de goedertierenheid van de Allerhoogste wankelt hij niet.
9. Uw hand zal al Uw vijanden vinden,
Uw rechterhand zal hen die U haten, vinden.
10. U zult hen als een vurige oven maken,
ten tijde dat U Uw aangezicht laat zien.
De HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden,
het vuur zal hen verteren.
11. U zult hun vrucht wegdoen van de aarde,
hun nageslacht onder de mensenkinderen.

12. Want zij hebben kwaad tegen U beraamd;
zij hebben een listig plan bedacht,
maar zijn tot niets in staat.
13. Want U zult hen tot een doelwit maken,
met Uw boog zult U op hun gezicht richten.
14. Verhef U, HEERE, in Uw macht;
dan zullen wij zingen en Uw macht met psalmen loven.

Bevreemdend

Het eerste gedeelte van de psalm is een herkenbaar danklied. Als je in plaats van "de koning" je eigen naam invult is het heel herkenbaar.

Maar vanaf vers 9 gaat het over Gods vijanden. Let op: er staat Gods vijanden, niet mijn vijanden. Het gaat dus niet om een persoonlijke vete maar om mensen die God tegenstaan. Je zou kunnen zeggen dat we daar in Nederland behoorlijk veel van hebben, niet alleen atheïsten en mensen die andere goden dienen, maar ook mensen die zich christen noemen maar niet naar Zijn Woord leven. Ook wij waren Gods vijanden, maar zijn met Hem verzoend door het bloed van Zijn Zoon. Gods vrienden zijn niet beter, maar zijn bevrijd van de gevangenschap en tegenstand tegen God.

Met Gods vijanden zal het niet goed aflopen, tenzij ze tot inkeer komen. De vreugde van degene die God dient, staat in schril contrast met de onbezorgdheid van degenen die zonder God leven. Aan zulke onbezorgdheid komt een onverwacht einde.

Herkenbaar

De vreugde die er is in het dienen van de levende God is groot. Wij mogen Zijn macht, liefde en genade elke dag zien in de schepping om ons heen, in ons eigen leven, in de rijke zegeningen die Hij ons geeft. Meer nog weten wij van Zijn liefde in het geven van Zijn Zoon om ons van onze zonden te verlossen.

Wij weten ten slotte ook dat God deze wereld zal oordelen. We weten dat Zijn Vrederijk zal komen, waar geen pijn of verdriet meer is. God zal opkomen voor degenen die gedood, verdrukt, mishandeld zijn. We weten dat alle vijanden van God verslagen zullen worden, als ze niet voor Zijn genade zullen leren buigen.

Profetisch

Met deze psalm mogen we uitzien naar het komende Koninkrijk van God, waarin ook wij die door genade Gods kinderen zijn, als koningen mogen regeren. We mogen ons ook verheugen over Davids Zoon, Jezus Christus, die ons als Koning van God gegeven is, die Zijn vijanden zal overwinnen en die eeuwig zal regeren.

vrijdag 9 augustus 2024

Psalm 20

Laten we nadenken over de volgende psalm:

Een psalm van David, voor de koorleider.

2. Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
3. Moge Hij u hulp zenden uit het heiligdom
en u ondersteunen uit Sion.
4. Moge Hij aan al uw graanoffers denken
en uw brandoffer tot as verteren. Sela
5. Moge Hij u overeenkomstig de wens van uw hart geven
en al uw voornemens in vervulling doen gaan.
6. Wij zullen juichen over uw heil
en de vaandels opheffen in de Naam van onze God.
Moge de HEERE al uw verlangens vervullen.
7. Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde verlost!
Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel,
met machtige daden van heil door Zijn rechterhand.
8. Dezen vertrouwen op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
9. Zíj kromden zich en vielen,
maar wíj zijn opgestaan en staande gebleven.
10. HEERE, verlos;
moge die Koning ons verhoren op de dag dat wij roepen.
Bevreemdend
Waar wij gewend zijn aan een "scheiding van kerk en staat", of liever: een seculiere staat, waarbij de koning weinig godsdienst toont om voor iedereen koning te zijn, gaat psalm 20 over een gebed van de gemeente voor een godsdienstige koning. Trouwens, ik ben niet tegen een scheiding van kerk en staat, want God Zelf maakte die scheiding al tussen koningen en priesters. Dat voorkomt machtsmisbruik van de koning in de kerk en machtsmisbruik van de priesters in de staat, iets wat inderdaad kwalijk is. Maar die scheiding tussen een godsdienstige koning en de kerk is wel wat anders dan een seculiere staat, waarin mensen in de regering niet meer worden geacht het geloof in God te belijden. Psalm 20 vormt hier een contrast mee.

Waar wij inschattingen maken van de sterkte van onze defensie door middel van het aantal gevechtsvliegtuigen en tanks en marineboten, spreekt psalm 20 van vertrouwen op de Naam van God alleen. In Nederland kan dat ook nog steeds, maar de Naam van God is niet zo sterk verbonden met Nederland dat we onwrikbaar kunnen geloven dat God ons zal verlossen als er oorlog komt. Integendeel: in Nederland gebeurt er heel veel wat lijnrecht tegen Gods goede geboden in gaat, en een aanklacht is naar de hemel.

Zelfs al zouden we een door-en-door godsdienstige natie zijn met een godvrezende koning, dan nog zijn de zegenbeden van psalm 20 niet meteen herkenbaar. Er is wat afstand in ons om een zegenbede zomaar uit te spreken. Zou dat er mee te maken hebben dat we eeuwen van scheiding tussen geestelijkheid en het volk hebben, waarin het volk geen zegen hoorde uit te spreken? Of met welvaart-gevoed individualisme, waarin ieder voor zichzelf kan zorgen? Of is het dat we het verleerd zijn om over God te spreken in ons dagelijks leven? Of voelen we ons, ondanks het gebrachte offer van Christus tot onze vrijkoping, te onwaardig om een zegenwens in Zijn Naam uit te spreken? Er is in elk geval nogal wat nodig voordat ik deze psalm kan inleven. Toch denk ik dat dergelijke barrières doorbroken mogen worden en we naar elkaar zegenwensen mogen uitspreken en zingen.

Daarom is het extra leerzaam om deze psalm te lezen en ervan te leren. Laten we bedenken wat voor ons bevreemdend is en deze psalm weer leren zingen voor iedereen die met God wil leven.

Ten slotte, graanoffers en brandoffers (vers 4) worden al eeuwen lang niet meer gebracht, sinds de tempel in het jaar 70 werd verwoest. Als we het snel lezen zouden we het kunnen interpreteren als "mag God waarderen wat u aan Hem geeft". Alsof God offers nodig heeft! Nee, we moeten het zien in de contekst van de symboliek van het offer, zoals ik in een eerder bericht beschreef: het offer is nodig omdat wij tekortschieten en zelfs in onze ijver tot God onvolmaakt zijn. Als God onze offers niet accepteert, is er geen enkel verwijt naar Hem te maken - het zou zelfs terecht zijn. Ook het accepteren van onze offers is Genade van God.

Herkenbaar
Bijzonder is dat in één en dezelfde psalm de zegenbeden staan, en ook meteen het vaste vertrouwen dat God deze zal vervullen: "Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde verlost! Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel."

Zoals gezegd - veel herkenbaars is er niet in deze psalm, behalve het geloof dat God de bron van alle goeds is. Dat maakt deze psalm extra leerzaam.

Profetisch
"Wij zijn opgestaan en staande gebleven" - deze psalm spreekt een vast vertrouwen uit in de toekomst. Dat vaste vertrouwen zal vervuld worden in het komende Koninkrijk van God. Jezus zegt al (Matt. 28):
"Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld."

Amen. 

woensdag 24 juli 2024

Psalm 19

Zo'n zeven jaar geleden startte ik met een serie blogs over de psalmen. Het lezen van de psalmen geeft veel herkenning - van hoe je tot God kunt bidden, hoe je Hem kunt prijzen en danken, hoe je je kunt voelen en waarvan je verlost moet worden. Ik heb besloten om dat eens te benoemen om er minder over heen te lezen. Daarnaast zijn er ook verzen in de psalmen die niet zo herkenbaar zijn en zelfs wat afstand scheppen tot de psalmen omdat ze bevreemdend zijn. Om daar ook juist over na te denken en de psalmen meer in ons hart te kunnen sluiten, heb ik de berichten over de psalmen opgedeeld in een kopje "Bevreemdend" en een kopje "Herkenbaar". Ten slotte sluit ik af met een kopje "Profetisch" wat gaat over dingen die de dichter van de psalm niet wist maar wij inmiddels door Gods openbaring wel weten, en die in het verlengde liggen van wat de psalm zegt. 

Laten we stilstaan bij psalm 19.
Een psalm van David, voor de koorleider.

2. De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
3. Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
4. Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
5. Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
6. En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij Pred. 1:5is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7. Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
8. De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9. De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10. De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
11. Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
12. Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd,
in het houden ervan ligt groot loon.
13. Wie zou al zijn afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen afdwalingen.
14. Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
15. Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
Bevreemdend 
De woorden van psalm 19 zijn een wereld van herkenning. Een paar weken geleden stapte ik uit het vliegtuig - niet dat ik zo graag vlieg, want het is niet goed voor de schepping - en ik had de zon als een held zijn pad zien lopen en het gewelf Gods eer zien verkondigen. Je hoeft er niet voor in het vliegtuig te stappen trouwens - vanaf de aarde is het evengoed te zien hoe groot God moet zijn die hemel en aarde gemaakt heeft. 

Wat bevreemdend kan zijn in deze psalm is dat David zó blij is met Gods wet. Wij hebben ontzag voor Gods wet (als we in God geloven), maar zijn we er ook zó blij mee? Het is een herinnering om van harte dankbaar te zijn dat God ons onderwijs geeft hoe we moeten leven zodat het goed is voor ons en onze naaste. Het is een herinnering dat we bevrijd zijn uit de duisternis van ons hart, dat deed wat het wilde en wat niet goed was, en zijn overgebracht in het licht van de gemeenschap met God. En voor wie alleen het boek van de schepping herkent: word wakker en lees ook het boek van Gods Woord. Het is zuiverder dan goud en zoeter dan honing.

Herkenbaar
Zoals gezegd is Davids loflied op Gods schepping heel herkenbaar. Ook herkenbaar is zijn gebed dat God zijn hart onderzoekt en hem reinigt van zijn afdwalingen, ook degene die hij niet opmerkt. Wij praten ons gedrag al gauw goed en zijn makkelijk schijnheilig en hoogmoedig. We mogen steeds weer om vergeving en om reiniging en leiding vragen. Dat hebben we dagelijks nodig.

Profetisch
De HEERE is mijn rots en mijn Verlosser - zo eindigt de psalm met een heenwijzing naar Jezus,  de Verlosser van onze zonden. Ook het gebed om reiniging van het hart is een gebed om de Heilige Geest, die God door Jezus Christus heeft uitgestort voor alle gelovigen.

donderdag 26 oktober 2017

Psalmen - 18

Voor de koorleider, een psalm van de dienaar van de HEERE, van David, die de woorden van dit lied tot de HEERE gesproken heeft, op de dag waarop de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.
2 Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
3 De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
4 Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is,
en werd verlost van mijn vijanden.
5 Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6 Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7 In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
8 Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij in toorn ontstoken was.
9 Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10 Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere wolk was onder Zijn voeten.
11 Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
12 Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
13 Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14 De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
15 Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
16 De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.
17 Hij stak Zijn hand uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18 Hij redde mij van mijn sterke vijand
en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19 Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20 Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij loon naar de reinheid van mijn handen.
22 Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23 Want al Zijn bepalingen hield ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
24 maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25 Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
26 Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27 Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
28 Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
29 Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
30 Want met U ren ik door een legerbende,
met mijn God spring ik over een muur.
31 Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32 Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33 Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34 Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35 Hij oefent mijn handen voor de strijd
en leert mijn armen een bronzen boog spannen.
36 Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37 U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
38 Ik vervolgde mijn vijanden en haalde hen in;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39 Ik verpletterde hen, zodat zij niet meer konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
40 Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41 Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
42 Zij riepen, maar er was geen verlosser;
tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43 Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind,
ik ruimde hen weg als slijk van de straat.
44 U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk dat ik niet kende, heeft mij gediend.
45 Zodra hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
46 Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God van mijn heil!
48 U bent de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
49 Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
50 Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
51 Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.

Bevreemdend
In psalm 18 neemt David prachtige beelden uit de natuur om de kracht van God te schilderen: aardbevingen, vuur, wind, duisternis en licht. David heeft goed geluisterd naar de natuur en Gods grootheid gezien. Je zou deze psalm enorm gewaagd kunnen noemen omdat de kracht van God met beelden uit de natuur wordt beschreven. Maar David was een profeet en sprak het Woord van God.

De kern van de psalm is: God overwint het kwaad.

Het is geen overwinning waar geen bloed bij vloeit:
  • God redt degenen die de verlossing bij Hem zoeken. Hen blijft niet alle ellende in dit leven bespaard. "Banden van de dood hadden mij omvangen" (vers 5). Maar God is hun kracht, dus overwinnen ze in dit leven.
  • Wie de kant van het kwaad kiest, zal echter omkomen bij de overwinning van God op het kwaad.
  • Maar ook heeft het bloed gevloeid van Gods Zoon, Jezus Christus: Zijn dood aan het kruis is tot verzoening van iedereen die in Hem gelooft, zelfs de vijanden waar David zelf geen genade voor kende.

Het leven van David was een leven van fysieke oorlog: "wie mij haatten, die bracht ik om" (vers 41). Zoals eerder gezegd is dat bij ons vandaag in Nederland niet aan de orde, en daarom ook niet herkenbaar. Door het leven van Jezus, de door God beloofde Zoon van David, weten we dat God ook zelfs vijanden met Zich wil verzoenen.

Herkenbaar
Wat herkenbaar is, is het thema van overwinning. Leven met een optimistische houding en zelfvertrouwen zien we als positief, als iets waar je jezelf en anderen goed mee doet. Je hebt er daarentegen niets aan om te denken in onmogelijkheden.

Het gevaar daarbij is dat het eenzijdig is. In psalm 18 spreekt David ook echte angst uit: "Banden van de dood hadden mij omvangen" (vers 5). Als we leven uit zelfvertrouwen en niet in God geloven, waar blijven we dan als ons zelfvertrouwen tekort blijkt te schieten?

Er is altijd een uitweg als we de kracht van God hebben herkend in de natuur, zoals in deze psalm:
In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

Profetisch
Er zal een moment komen waarop God het kwaad definitief zal overwinnen. Dat is wanneer Jezus zal terugkomen. Voor degenen die blijven doorgaan in het kwaad, is er dan geen mogelijkheid meer om te blijven staan. Daarom smeek ik u, alsof God door mij u smeekt: laat u met God verzoenen! (2 Korinthe, 5, 20)

zondag 10 september 2017

Psalmen - 17

Een gebed van David.
HEERE, luister naar mijn rechtvaardige zaak,
sla acht op mijn roepen,
neem mijn gebed ter ore,
met onbedrieglijke lippen gesproken.
2 Laat van Uw aangezicht mijn recht uitgaan,
laat Uw ogen zien wat billijk is.
3 U hebt mijn hart beproefd,
het 's nachts doorzocht,
U hebt mij getoetst,
U vindt niets.
Wat ik ook moge denken,
het komt mij niet uit de mond.
4 Wat de daden van de mens betreft,
ík ben overeenkomstig het woord van Uw lippen op mijn hoede geweest
voor de paden van de gewelddadige.
5 Ik hield mijn schreden in Uw sporen,
zodat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
6 Ík roep U aan,
omdat U mij verhoort, o God;
neig Uw oor tot mij,
luister naar mijn woorden.
7 Toon de wonderen van Uw goedertierenheid,
U, Die hen verlost die tot U de toevlucht nemen,
van hen die tegen Uw rechterhand opstaan.
8 Bewaar mij als Uw oogappel,
verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels
9 voor de goddelozen die mij verwoesten,
voor mijn doodsvijanden, die mij omsingelen.
10 Met hun vet hebben zij hun hart afgesloten,
met hun mond hebben zij trotse taal gesproken.
11 Zij omringen nu onze schreden,
zij loeren op ons, door zich ter aarde neer te buigen.
12 Hij is als een leeuw die ernaar verlangt te verscheuren,
als een jonge leeuw die op verborgen plaatsen zit.
13 Sta op, HEERE, treed hem tegemoet, vel hem neer;
bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van de goddeloze,
14 bevrijd mij met Uw hand van de mannen, HEERE,
van de mannen van de wereld,
die hun deel hebben in dít leven.
U vult hun buik met Uw verborgen schatten;
hun kinderen worden verzadigd
en laten hun overschot na aan hún kinderen.
15 Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen;
ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld.

Bevreemdend
In de psalmen lezen we vaak dat in het gebed tot God eerst de oprechte intentie en de goede houding van de auteur wordt benoemd. Dat lezen we ook hier: David noemt het doel waarvoor hij bidt rechtvaardig (vers 1), zijn hart en mond oprecht (vers 3), en zijn daden volgens de aanwijzingen van God daarvoor (vers 4). Ik heb als ik bid niet gauw de neiging om dat te doen, maar om juist te erkennen dat mijn daden niet perfect, mijn motieven en woorden niet zuiver als goud zijn. Ik kan me dan ook echt verbazen over wat er hier in de psalm gezegd wordt.

Er zijn trouwens ook genoeg psalmen waarin David aan God zijn zonde erkent en vraagt om vergeving. Maar in deze en andere psalmen is dat niet het geval.

Wat is de reden dat David zijn oprechtheid benoemt? Dat is heel goed te lezen uit deze psalm. De reden is dat hij een beroep doet op Gods rechtvaardigheid, en zijn relatie met God benadrukt: 'Ik hoor bij U, help mij!' Of met de woorden van David: 'Bewaar mij als Uw oogappel' (vers 8).

Dat de manier van bidden in psalm 17 bevreemdend ervaren kan worden, is omdat elke tijd zijn eigen waarden heeft. Het kan ons dus iets leren over onze eigen tijd en waarden. Welke waarden gaat het hier om? Vandaag de dag gaat het allereerst om wat je voelt, niet om wat je doet. Wij zouden eerder onze gevoelens benoemen: liefde, bewondering, overgave, et cetera. Het is interessant dat voor ons gevoel en denken belangrijker is voor een relatie dan daden. Dat is niet zomaar anders te denken. Wat we wel kunnen doen is meer reflecteren over hoe onze daden ons dichterbij God kunnen brengen of juist verder weg. Dus: hoe we in ons dagelijks handelen meer van de relatie met God kunnen latern zien.

Verder spreekt David in deze psalm zijn angst voor zijn vijanden uit. In de tijd van David was geweld veel reëler dan in onze tijd. We zijn het zo ver ontwend dat er nog amper het nut van defensie wordt ingezien (zelf denk ik dat dat een zegen is, en dat geweld ook niet past bij een christen). Op andere plaatsen in de wereld is geweld ook vandaag nog reëel. Israël is er helaas een voorbeeld van.

Herkenbaar
Hoewel we ons niet zoveel kunnen voorstellen bij een doodsvijand, kunnen we wel lezen hoe David ermee tot God komt. Hij vraagt eerst om bescherming (vers 7-8, vers 13). Hij benoemt vervolgens dat het zo tegenstrijdig en moeilijk is dat God de zon ook laat opgaan over onrechtvaardigen ("U vult hun buik met Uw verborgen schatten", vers 14).

De vraag waarom God goede mensen laat lijden en slechte mensen voorspoed kunnen hebben, is heel herkenbaar. Toch realiseert David zich in deze psalm meteen dat hij meer vreugde heeft. De vreugde van wie zonder God leeft, blijft beperkt tot de dingen die God geeft, en komt niet - tenzij iemand zich bekeert - tot God zelf. Davids vreugde is in God.

De kinderen van de wereld worden verzadigd door lichamelijk genot (de 'buik'), maar David wordt verzadigd door het naderen tot God ('Uw aangezicht') (vers 17). Hetzelfde woord 'verzadigen' wordt twee keer achter elkaar gebruikt.

Profetisch
De kern van de psalm is dus de tegenstelling tussen de liefde voor de wereld, dat gaat om "de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven" (eerste brief van de apostel Johannes, 2, 16), en de liefde tot God. Hiervan zegt Johannes:
En de wereld gaat voorbij met haar begeerte; maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid. (eerste brief van de apostel Johannes, 2, 17)
En in de woorden van Jezus:
Verzamel geen schatten voor u op de aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamel schatten voor u in de hemel, waar geen mot of roest ze verderft, en waar dieven niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. (evangelie van Mattheüs, 6, 19-21)
Dat de liefde tot God veel kost, laat deze psalm zien.

dinsdag 25 juli 2017

Psalm 16 - Hermeneutiek

Vorige keer schreef ik over psalm 16. Daarin ging het ook over de nieuwe uitleg en toepassing van de apostelen Petrus en Paulus van een deel van die psalm op de opstanding van Jezus Christus.

De studie naar een betekenis van een tekst heet exegese en hermeneutiek. Exegese betekent letterlijk "eruit menen, eruit afleiden". Hermeneutiek gaat over de boodschap die een tekst in zich heeft (Hermes was in de Griekse mythologie de boodschapper van de goden).

De betekenis van taal is contekstgevoelig. Met dezelfde zin kun je in verschillende situaties iets anders bedoelen. Uit dezelfde geschiedenis kun je verschillende 'moralen van het verhaal' concluderen (of helemaal geen moraal toeschrijven), in hetzelfde gedicht kun je verschillende gevoelens lezen. J.L. Austin (1911-1960) en J.R. Searle (1932) hebben dit in de taalfilosofie het verschil tussen locutie (vorm) en illocutie (bedoeling) van de taalhandeling genoemd. Het is dus niet mogelijk om de bedoeling van de auteur uit de grammatica (locutie) van de tekst zelf te lezen; men moet een interpretatie doen op basis van de contekst.

Het lezen van de Bijbel heeft datzelfde probleem. Maar bij het lezen van de Bijbel blijft het niet bij de vraag: "Wat heeft de schrijver/profeet hiermee bedoeld?" Het gaat, net als literaire interpretatie en vertolking, veel verder. Het zoekt naar de moraal van een tekst, naar het plaatsen van de tekst in een nieuw daglicht (figuurlijke/allegorische lezingen), en naar de betekenis van de tekst voor vandaag en morgen. De traditionele bijbeluitleg onderscheidde daarom respectievelijk de sensus moralis, sensus allegoricus, sensus anagogicus van de sensus litteralis. De sensus allegoricus, soms typologie genoemd, werd in de vroege kerk vaak toegepast om de geschiedenissen van Israël toe te passen op het leven en het onderwijs van Jezus Christus. De sensus anagogicus ging dan over hoe de tekst van toepassing is op ons leven en het komende Rijk van God. Er is altijd een vertaling tussen de letterlijke tekst en tussen wat het voor ons leven betekent.

Voor deze Bijbelinterpretaties zijn twee radicaal verschillende invalshoeken mogelijk:
  1. objectief: Proberen de ene ware bedoeling van de Bijbeltekst te achterhalen die God als eerste auteur daarin heeft gelegd, die de profeten van Zijn Geest gegeven heeft;
  2. subjectief: De letterlijke betekenis van de tekst recht doen maar daarna de tekst tot nieuwe betekenis, nieuw leven brengen door deze toe te passen op het nu (met hulp van Gods Geest!).

Zelf ben ik van mening dat de tweede invalshoek, de subjectieve, de juiste is. Dat is omdat ik ervaar dat het vaak blijft wrijven tussen de sensus litteralis en de sensus moralis/allegoricus/anagogicus: het is nooit 1:1 naar een nieuwe betekenis om te zetten. Een voorbeeld daarvan is de in mijn vorige blog genoemde allegorische lezing van Petrus en Paulus van Psalm 16: die vult de letterlijke betekenis niet alleen aan, maar vervangt die ook. Bovendien voelt het krampachtig om naar een juiste morele/allegorische/anagogische uitleg te zoeken die achter de tekst verborgen zou zitten. Het lijkt me te klein van God gedacht; ik denk dat God gewild heeft dat de letterlijke tekst in elke tijd een nieuwe toepassing kan krijgen, en dat verschillende predikers, door God geïnspireerd, elkaar kunnen aanvullen.

Hiermee wil ik niet ontkennen dat er objectieve waarheden zijn die door taal doorgegeven kunnen worden. Die objectieve waarheden zijn er zeker, veel staan er in de letterlijke woorden van Jezus en in de woorden van God door de profeten en de brieven van de apostelen. Maar voor het erkennen en ervaren van de volledige waarheid van God is Gods Geest nodig. Juist bij de Bijbel is er sprake van een strijd tussen onze subjectieve ideeën en Gods bedoeling! Gods Geest moet ons te hulp komen. We moeten dus niet subjectief, maar spiritueel-subjectief lezen. Daarover zometeen meer.

De genoemde tegenstelling tussen objectieve en subjectieve interpretatie van een tekst zien we ook in de filosofie van de hermeneutiek terug. De Duitse theoloog en filosoof Friedrich Schleiermacher (1768-1834), grondlegger van de filosofische hermeneutiek, schetst een breed beeld van hoe een tekst te begrijpen is door ons in te leven in de historische en innerlijke (psychologische) situatie van de auteur, door te lezen in contekst van andere schrijvers, andere geschriften van dezelfde auteur, en van de tekst zelf. Het accent lijkt daar echter te liggen op het een-worden met de oorspronkelijke bedoeling van de tekst (objectief). De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) stelt echter dat we ons nooit helemaal in de historische en psychologische contekst kunnen verplaatsen, omdat we altijd kind van onze tijd zijn. Ik denk dat dat klopt.

Wel begint interpretatie altijd bij het zorgvuldig zoeken naar/benaderen van de letterlijke betekenis van de tekst. Daarbij is de historische situatie en vergelijking met de contekst zeker van belang. Een interpretatie van een deel van de tekst kan ook natuurlijk niet in letterlijk tegenspraak een ander deel van de tekst tegenspreken. Het onderscheid van de juiste letterlijke interpretatie wordt kritisch lezen genoemd. Dus ook de Bijbel moeten we spiritueel-subjectief-kritisch lezen.

De hervormer en theoloog Maarten Luther schrijft in zijn uitleg van de brief aan de gemeente van Galatië ook over allegorie die de apostel Paulus daar geeft van de geschiedenis van Sarah en Hagar (4, 21-31). Luther is daar ook van mening dat het de subjectieve/nieuwe betekenis is die Paulus aan de geschiedenis toevoegt. Naar zijn mening zijn allegorieën nuttig als ze de inhoud van het geloof duidelijker maken. Daarentegen is een allegorie niet nuttig als het een duidelijke letterlijke tekst nodeloos op iets anders toepast.
"Paulus nu was een voortreffelijk kunstenaar, om allegorieën te behandelen. Want hij is gewoon ze toe te passen op de leer des geloofs, op de genade, en op Christus, niet op de wet en de werken, zoals Origenes en Hieronymus doen. Deze worden, omdat zij de eenvoudigste uitspraken van de Schrift, waarbij allegorieën niet te pas komen, in ongepaste en dwaze allegorieën veranderd hebben, terecht berispt." (uitleg bij Galaten 4, 21)
Ook moeten allegorieën kritisch worden gebruikt, in harmonie met de letterlijke betekenis van de teksten uit de Bijbel:
"De allegorieën brengen in de theologie geen vaste bewijzen voort, maar zij zetten luister en sier aan de zaak bij, evenals schilderijen. (...) Omdat hij (Paulus) nu deze zaak hierboven (de inhoud van Galaten 1-4) met zeer krachtige bewijzen, ontleend aan de ervaring, aan het voorbeeld van Abraham, alsook aan de getuigenissen en gelijkenissen van de Schrift, verdedigd heeft, voegt hij er nu aan het einde van zijn verhandeling een allegorie bij als een soort versiering. (...) Want zoals een schilderij een zeker sieraad uitmaakt van een woning, die reeds geheel in orde gebracht is, zo is een allegorie, als een zekere opheldering van een redevoering of zaak, die al van elders bewezen is." (uitleg bij Galaten 4, 24)

Tot het gedachtegoed van Luther behoort ook dat Gods Geest ons moet leiden bij het lezen van de Bijbel, om tot juiste interpretaties te komen en de waarheid van God te erkennen en ervaren. Daarbij is hij echter fel tegen de mening van mensen dat de ervaring van de Geest (en openbaringen zoals dromen) belangrijker is dan de letterlijke betekenis van de Bijbel. Gods Geest wil ons met behulp van de letterlijke betekenis van de tekst aanspreken.

Ik begon deze blog met het schrijven dat het interpreteren van een tekst contekstgevoelig en dus in eerste instantie subjectief is. Daarna ben ik ingegaan op de gave van Gods Geest om de waarheid van God te kennen. Vervolgens heb ik genoemd dat we voor het interpreteren van een tekst kritisch moeten zijn en deze eerst letterlijk moeten lezen. Lezen van de Bijbel is dus het samen opgaan van deze drie: de tekst, de contekst waarin ik en jij ons bevinden, en Gods Geest. Als laatste zou ik nog willen noemen dat het lezen van de tekst ons niet onaangedaan moet laten. Ik las ergens dat hermeneutiek bij de vroeg-christelijke filosoof Aurelius Augustinus als doel had: de dubbele liefde tot God en mijn medemens. In eerste instantie vroeg ik me af hoe dat ooit een principe van hermeneutiek kon zijn. Maar bij nader inzien is dat juist het belangrijkste deel van het lezen van de Bijbel: dat ik geconfronteerd word doordat de tekst mij aanspreekt om te handelen in liefde voor God en mijn naaste. Lezen van de Bijbel kan dus alleen spiritueel-subjectief-kritisch-praktisch, dus met handelen (praktijk) gepaard gaand. Dat is waar jij Jij wordt, zou de Joodse filosoof Martin Buber zeggen, dus waar het appèl van de stem van God of het gezicht van mijn medemens me niet meer onverschillig laat.

Dat is waar Jezus zijn toespraak op de berg mee afsluit:
Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft; en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft; en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot. (evangelie van Mattheüs,
7, 24-27)

zondag 16 juli 2017

Psalmen - 16

Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
2 Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
3 maar voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.
4 Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven;
ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.
5 De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt wat het lot mij toewees.
6 De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
7 Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
8 Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
9 Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
10 Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
11 U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.

Bevreemdend
Er zijn een best een aantal dingen die in deze psalm genoemd worden die (voor ons) niet vanzelfsprekend zijn.

Allereerst de verwijzing naar 'plengoffers van bloed' voor andere goden (vers 4). Blijkbaar was dat dus in de tijd van deze psalm het geval. In de priesterwetten van Israël kon een plengoffer van wijn aan God gebracht worden, maar niet van bloed. Er werden wel bloedige offers gebracht bij het brandoffer of zondeoffer, juist waar het om vergeving van zonden gaat voor God. Bloed in de Joodse eredienst wijst dus op vergeving. Daarom schrijft de apostel Johannes ook: "het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde" (eerste brief, 1, 7).

De uitdrukking "'s nachts onderwijzen mij mijn nieren" (vers 7) is voor ons ook vreemd. Het is beeldspraak voor gevoelens en verlangen. Zoals wij zeggen "ik voelde in mijn hart dat ..." of "mijn onderbuikgevoel zei ...", vinden we in het Hebreeuws het hart als de plek van de wil en overleg, en de nieren als plek van het gevoel en verlangen. Hier betekent het dus dat David 's nachts bedacht hoe groot God was voor hem.

In vers 2 staat: "Mijn goedheid is niet voor u" (of "raakt niet tot u"). Tegenwoordig is het niet vanzelfsprekend, zoals het voor David was, dat zijn goede daden niet tot God raken. Wij denken God wel goed te kunnen doen. We denken Gods achting te winnen door in het algemeen goed te leven. Ons godsbeeld staat dus op een lager pitje en ons mensbeeld op een hoog niveau. David zag dat andersom. Zijn daden konden hoogstens het beste voor de meest geëerden onder de mensen betekenen. Op zich komt de gedachte dat onze daden 'horizontaal' zijn (dus voor andere mensen, niet voor een God) vandaag ook wel veel voor. Maar dat gaat vaak hand in hand met het niet geloven in een persoonlijke God.

"Want u zult mijn ziel in het graf niet verlaten": veel mensen geloven dat er na de dood wel 'iets' is, dat onze ziel voortbestaat. Dat zouden we hierin kunnen herkennen.

Echter, David bedoelde met deze woorden waarschijnlijk vooral op iets anders. David verwijst hier waarschijnlijk naar de belofte die God hem deed dat Hij het nageslacht van David voor altijd het koningschap van Israël zou geven (tweede boek Samuël, 7). Dus kunnen we deze woorden zo opvatten: "zelfs bij mijn dood zal Uw zorg voor mijn nageslacht voor altijd verder gaan, omdat U mij een eeuwig koningschap hebt beloofd". Deze woorden zijn dus in geloof uitgesproken, zonder dat het voor David heel duidelijk was hoe God zijn koningschap voor eeuwig zou voortzetten.

Deze uitleg geven de apostel Petrus en de apostel Paulus aan de psalm, maar ze geven er ook een nieuwe wending aan: ze passen het toe op de opstanding van Jezus:
"Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is. Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten, daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien." (Handelingen van de apostelen, 2, 29-31)
"Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd en heeft wel ontbinding gezien; maar Hij Die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien." (Handelingen van de apostelen, 13, 36-37)
Voor ons westerlingen is de vrije uitleg van Petrus en Paulus nogal bevreemdend; wij zouden vinden dat ze niet genoeg recht deden aan de originele betekenis van de tekst. De bedoeling van David kan moeilijk geweest zijn om met de woorden "U zult mijn ziel in het graf niet verlaten" opeens te spreken voor zijn nakomeling Jezus.

De Joodse cultuur gaat echter anders met de tekst om dan de Griekse (zie mijn eerdere blog daarover): 'ze blaast de tekst nieuw leven in', in plaats van zich helemaal te richten op de oorspronkelijke betekenis, zei mijn docent Joodse filosofie prof.dr. Luc Anckaert. Dus terwijl David als profeet voorzag dat God na zijn dood op wonderlijke wijze voortzetting zou geven aan zijn koningschap, geven Petrus en Paulus deze woorden meteen een nieuwe betekenis die ze voor David niet gehad kunnen hebben: dat Jezus zelf 'in het graf niet verlaten is geweest en geen ontbinding heeft gezien'. Het mooie van een dergelijk nieuw gebruik van oude woorden is dat ze de oorspronkelijke betekenis verrijkt. Voor mij als westers mens blijft het lastig om zo met de tekst om te gaan. Het lijkt doen alsof David als profeet de opstanding van Jezus heeft voorzegd, terwijl hij maar een vaag begrip moet hebben gehad van wat God in de toekomst voor zijn nageslacht zou gaan doen. Maar nee, ik moet niet zeggen 'vaag begrip', maar liever 'vast en vreugdevol vertrouwen' (mooie alliteratie...). Het verbinden van de vervulling met de oorspronkelijke hoop van David blijft mooi en complex.

Herkenbaar
Het vetrouwen op God is herkenbaar voor een christen, evenals dat we van God afhankelijk zijn (zie het gebed in vers 1). Eigenlijk is deze hele psalm ene uiting van vertrouwen en vreugde in God.

Profetisch
We hebben al genoemd hoe deze psalm op de opstanding van Jezus te betrekken is. We mogen ook vandaag ons verheugen in en verlangen naar Gods rijk en het pad van het leven!

donderdag 6 juli 2017

Psalm 15 - De positieve wet

Vorige keer schreef ik over psalm 15. In die psalm wordt een ideaalbeeld beschreven van iemand die aan Gods wet voldoet.

Over de wet van God valt veel te zeggen. Er staan veel praktisch uitgewerkte wetten in de Bijbel, maar de kern zijn de 'tien geboden' die God tot Israël sprak. Gods wet beschrijft geen ethiek die gericht is op een gevolg (consequentialistisch), maar een ethiek voortkomt uit een levende plicht (deontologisch).

Ook gaat de wet niet over het uiterlijk, maar over het innerlijk, wat het best te zien is in de laatste van de 'tien geboden'. Dit laatste gebod begint met "U zult niet begeren...". Een begeerte is iets innerlijks, niet iets wat je in regeltjes kunt vatten. In psalm 15 is een ander voorbeeld: "(...) die met zijn hart de waarheid spreekt". Maar hetzelfde principe kunnen we toepassen op al de geboden. Jezus spreekt dat ook uit:
"U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. Maar Ik zeg u: (...) Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. (...)
U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult geen overspel plegen. Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft. (...)
U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (...)
Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is." (evangelie van Mattheüs, 5)

Het is de neiging van mensen om voor het leven met God regeltjes te maken. Dan zien de 'tien geboden' er ongeveer zo uit:
  1. Je mag geen andere goden dienen behalve God. (Niet al te moeilijk.)
  2. Je mag geen beelden dienen. (Dat doet tegenwoordig niemand meer.)
  3. Je mag niet vloeken.
  4. Je mag op zondag niet werken.
  5. Je mag niet tegen je ouders ingaan.
  6. Je mag iemand niet haten.
  7. Je mag geen seks voor of buiten het huwelijk.
  8. Je mag niet stelen.
  9. Je mag niet liegen.
  10. Je mag niet jaloers zijn op je buurman of collega.
Het is niet raar dat het dienen van God onaantrekkelijk is als je Gods wet reduceert tot wat regeltjes. (Het is prima om te bedenken welke regels nuttig zijn, maar ze mogen niet de plaats innemen van de plicht.)

Integendeel is er achter alle geboden een positieve kant te benoemen. Jezus vatte de wet samen in het liefhebben van God boven alles en het liefhebben van je naaste (je medemens) als jezelf. Ik denk dat veel mensen het laatste (het liefhebben van je naaste) wel zouden erkennen, maar van het eerste (liefhebben van God boven alles) het nut niet echt kunnen inzien. Toch denk ik dat dat onterecht is. Juist het liefhebben van God boven alles maakt in je hart en je leven ruimte om liefde te kunnen hebben voor je naaste.

Dat wordt duidelijk als je de 'tien geboden' positief formuleert:
  1. Je moet niet alleen maar opgaan in jezelf. Je mag in alles om je heen perspectief zien, omdat God boven alles staat. Daardoor krijg je tijd om er ook voor andere mensen te zijn.
  2. Je moet je geen menselijk beeld vormen van God. Je mag beseffen dat God veel hoger is dan alles wat je ziet, en dat jouw gedachten over God waarschijnlijk onjuist zijn.
  3. Je mag Gods naam niet voor je eigen doeleinden gebruiken. God wil niet dat jij anderen jouw wil oplegt in naam van God.
  4. Je moet elke week een dag rust nemen om tot jezelf en tot God te komen. Daardoor word je niet helemaal door je werk in beslag genomen en besef je beter wat echt belangrijk is in het leven.
  5. Je moet je ouders respecteren en eer geven. Ze hebben je op de wereld gebracht en (hopelijk!) veel aandacht gegeven, en waarschijnlijk is niet alles wat jij denkt, beter.
  6. Je moet je hart niet aan haat voor mensen geven. Denk aan de liefde en het geduld van God met jou en met hen.
  7. Geef je helemaal aan de man of vrouw van wie je houdt. Besef dat je aan elkaar verbonden bent. Ontdek dat gevende liefde voor elkaar beter is dan alleen verliefd zijn.
  8. Je moet niet op een slinkse manier meer willen krijgen. Het zal je niet gelukkig maken.
  9. Je mag je naaste niet benadelen door jouw woorden. Je moet beseffen hoeveel een onwaar woord met iemands leven kan doen.
  10. Je moet niet alles voor jezelf willen hebben. Er zijn mensen die wat jij hebt even nodig of veel harder nodig hebben.

We moeten onszelf niet bedriegen met dat we deze plichten wel nakomen. Ik denk dat iedereen in zijn hart wel moet erkennen vaak, misschien wel elke dag, tekort te doen aan het leven. Daarom is er geloof in het evangelie van God nodig!

maandag 26 juni 2017

Psalmen - 15

Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
2 Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
3 Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.
4 In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot zijn schade,
zijn eed verandert hij evenwel niet.
5 Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.

Bevreemdend
Niet veel is bevreemdend in deze psalm, behalve het begin: de intieme relatie tot God die wordt beschreven. 'Verblijven in Gods tent' en 'wonen op de berg van Gods heiligheid': bij een afstandelijke god kan dat niet. Voor een afstandelijke god zijn het hoogstens gedode offers die daar mogen verblijven, maar niet levende mensen (die nog niet eens priester zijn ook). Deze psalm laat ons horen dat God ieder van ons wil aanspreken en bij Zich roept!

Misschien nog een toelichting op de zin: "Ik zijn ogen is de verworpene veracht, maar wie de HEERE vrezen, eert hij" (vers 4). We moeten dit niet lezen als "Hij heeft religieuze ijver, minacht wie niet tot de kerk behoren en eert degenen die tot de kerk behoren." Het gaat hier om "de verworpene" die God verwerpt om zijn daden, dus wie onethisch handelt. De uitdrukking "wie de HEERE vrezen" gaat over degenen die Gods wet houden en dus ethisch juist handelen. Je zou het kunnen herschrijven tot "In zijn ogen is degene die onethisch handelt veracht, maar wie ethisch juist handelen, eert hij", en het gaat dus niet om religie.

Herkenbaar
De morele normen die in deze psalm genoemd worden, zijn heel herkenbaar. Zelfs zó herkenbaar dat ze redelijk universeel bekend moeten zijn, lijkt me. Ons door God ingebouwde rechtvaardigheidsgevoel herinnert ons eraan. Ze gaan vooral over waarheid: onbedriegelijk zijn, niet alleen in wat je zegt maar ook in hoe je handelt.

Voor mij werpt dat juist weer de vraag op: de dingen die hier genoemd worden zijn zo universeel, is dat voldoende om bij God te wonen? We worden toch door Jezus aan God verbonden en niet door goed doen alleen?

Het antwoord hierop is denk ik dat koning David hier een ideaalbeeld schetst. De genoemde voorwaarden beschrijven zoals het zou moeten zijn, maar niemand voldoet er helemaal aan. We mogen echter onze zonden belijden en ervan verlost worden door Jezus Christus.

Profetisch
Om de kloof tussen wie we zouden moeten zijn om bij God te wonen, en wie we werkelijk zijn te dichten, heeft God Zijn Zoon gezonden. God woonde onder ons! Van Jezus, Zoon van God, lezen we:
Hij, Die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog gevonden is; Die, toen Hij uitgescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, voor de zonden dood, voor de gerechtigheid zouden leven. Door Zijn striemen bent u genezen. (eerste brief van de apostel Petrus, 2, 22-24)

woensdag 17 mei 2017

Psalmen - 14

Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
2 De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
3 Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
4 Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten alsof zij brood aten?
Zij roepen de HEERE niet aan.
5 Daar worden zij door angst bevangen,
want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!
6 Weliswaar beschaamt u het voornemen van de ellendige,
maar de HEERE is zijn toevlucht.
7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!
Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Bevreemdend
'Er is niemand die goeddoet.' Wat een universele bewering! Je moet wel lef hebben om zoiets te zeggen! Het is een heel pessimistisch mensbeeld wat uit deze psalm spreekt. Maar dat is nogal bevreemdend, want er gaat toch heel veel goed?

Het zit zelfs in de menselijke natuur om goed te doen. De meeste mensen hebben een positieve insteek. Ze worden daarbij geholpen door hun geweten: als je iets goeds doet, wordt je beloond door het prettige gevoel dat je iets goeds gedaan hebt. Als je iets verkeerds doet, spreekt je geweten, en probeer je met jezelf in het reine te komen door jezelf te corrigeren.

Aan het eind van hun leven zullen er veel mensen zijn die eerlijk kunnen zeggen dat ze hun best gedaan hebben, positief hebben geleefd, en (meestal) trouw zijn geweest aan hun geweten. En de keren dat ze echt iets verkeerd gedaan hebben, hebben ze daar spijt van gehad en er zelf onder geleden. Dus als God de wereld zal oordelen, geloven ze dat er niet veel mis kan gaan. Ze kunnen toch niet door God veroordeeld worden voor het enkele feit dat ze Jezus Christus niet hebben erkend?

Daarnaast, er zijn ook veel mensen die niet alleen goed willen doen, maar ook God zoeken. Ze verdiepen zich in de verschillende godsdienstige tradities en lezen de heilige boeken om zich er een oordeel over te vormen, en vergelijken die met elkaar. Ze komen vaak tot het besluit dat alle 'heilige boeken' wel iets over God zullen zeggen, maar dat het te radicaal zou zijn om te zeggen dat er één waar is. Of ze zoeken God oprecht volgens een bepaalde traditie, bijvoorbeeld de boeddhistische. Dus de bewering 'er is niemand verstandig, er is niemand die God zoekt' (vers 2) lijkt onrecht te doen aan deze mensen.

'Er is niemand perfect' - in zo'n stelling zouden we ons nog wel kunnen vinden. Er is inderdaad niemand perfect, iedereen heeft wel zijn zwakke kanten. Maar dat is toch relatief onschuldig?

Herkenbaar
Het vreemde is, voor een christen is deze psalm tamelijk herkenbaar, als hij terugkijkt hoe hij tot God gekomen is en komt:
  • Voor mij is het niet vreemd te bidden 'Vergeef ons onze schulden, zoals ik degenen vergeef die mij schuldig zijn' (in het gebed dat Jezus zijn discipelen leerde). Elke dag besef je wel dat er momenten waren dat je niet leefde zoals Jezus leefde, dat je niet bewogen was met je medemens, dat je zelfingenomen was, dat je leven niet de liefde van God liet zien die Hij voor jou en de wereld heeft.
  • Al heb ik als christen een zoektocht naar God gehad, 'verstandig' zou ik die niet willen noemen (vers 2). 'Afgedwaald' en 'onverstandig' is een beter woord (vers 3). Ik belijd dat God voor mij is afgedaald om mij tot Hem te leiden. Eigenlijk is het bestaan en de Goddelijke kracht van God vrij in het oog lopend, als je naar de natuur om je heen kijkt en inziet dat die zo onbeschrijfelijk mooi gemaakt is. Maar ondanks dat ben ik niet geneigd geweest God te erkennen en te dienen, maar geneigd om mijn eigen weg te gaan en mijn eigen begeerten te volgen.
  • Als ik in liefde tot God tekortschiet - en dat doe ik - ervaar ik dat ik open sta voor allerlei leugens. Een van die leugens is dat je er zelf het beste van moet zien te maken. Het gevolg is dat je alle ellende om je heen negeert en je tijd nutteloos besteedt. Een andere leugen is dat de gevolgen niet zo ernstig zijn. Het gevolg is dat je jezelf nog meer laat misleiden. Als ik mezelf laat misleiden, ben ik niet beter dan een drugshandelaar of een kampbewaker in Noord-Korea. Daarom bid ik ook 'Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze'.
Kortom, ik heb vergeving nodig, heb nodig dat God mij opzoekt en leidt. Deze dingen zijn door Jezus Christus, Gods Zoon, bereikt: Hij kwam naar deze aarde om ons te laten zien Wie God is en gaf zijn leven voor ons.

Het lijkt misschien mee te vallen, maar de gevolgen van het niet kennen van God zijn erger dan we beseffen. Daardoor zijn we niet in staat om onze medemens echt lief te hebben als onszelf en zijn we vatbaar voor allerlei leugens over wat goed en kwaad is.

Profetisch
De laatste verzen van de psalm gaan over het onrecht dat de kinderen van God wordt aangedaan. Voor hen is de verlossing van God aanstaande. Op verschillende plekken in de wereld is ook vandaag christenvervolging. Zij zullen uit hun lijden verlost worden in het Koninkrijk van God dat zal komen.



P.S. Psalm 53 is bijna woordelijk gelijk aan Psalm 14. Er lijken wat metrische correcties te zijn doorgevoerd om de verzen even lang te laten zijn, maar inhoudelijk is er geen verschil.

maandag 17 april 2017

Psalmen - 13

Een psalm van David, voor de koorleider.
2 Hoelang nog, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?
Hoelang zult U Uw aangezicht nog voor mij verbergen?
3 Hoelang zal ik nog plannen maken in mijn ziel,
verdriet hebben in mijn hart, dag na dag?
Hoelang zal mijn vijand zich nog boven mij verheffen?
4 Zie mij aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!
Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik in de dood,
5 anders zegt mijn vijand: Ik heb hem overwonnen,
en verheugen mijn tegenstanders zich, wanneer ik wankel.
6 Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid,
mijn hart zal zich verheugen in Uw heil,
ik zal voor de HEERE zingen,
omdat Hij goed voor mij geweest is.

Bevreemdend
Deze psalm begint met veel vragen, maar eindigt met een sterke belijdenis. David looft God omdat Hij goed voor hem geweest is, en omdat hij gelooft dat God goed ís. Wat misschien bevreemdend is, is de plotselinge verandering van twijfel naar geloof.

Twijfel is iets wat elke gelovige kent. Het is iets wat bij mens-zijn hoort. Dubio, ergo cogito. Wat van belang is, is hoe we met twijfel omgaan.
Trekken we meteen (verkeerde) conclusies? Toen Maria Magdalena op de morgen na Pasen zag dat het graf van Jezus geopend was, concludeerde ze meteen dat Jezus' lichaam was weggenomen en ging ze terug. Of gaan we op onderzoek uit zoals Petrus, die het open graf van Jezus binnenging en zag dat de doeken waren achtergebleven en netjes waren opgerold, iets wat niet kon als Jezus' lichaam was weggehaald?
Kijken we naar het moment, of kijken we ook naar wat eraan vooraf is gegaan, zoals David aan het eind van deze psalm doet?

Herkenbaar
Er zijn verschillende vormen van twijfel te benoemen. Zie bijv. dit interview met prof. Schalkwijk, die morele, intellectuele, existentiële en finale twijfel noemt, of het boek 'In dubio' door Wim Rietkerk, die twijfel van de wil, van het verstand en van het gevoel onderscheidt. Ik zou als volgt een onderscheid willen maken:
  • Allereerst is er twijfel van de wil. Wat wil ik? Dat begint natuurlijk met heel oppervlakkige dingen, maar een diepere vorm ervan is morele twijfel: waar houd ik me aan als moraal? Volgens een christen vindt deze morele twijfel, het heen en weer geslingerd worden tussen goed en kwaad, zijn oorsprong in het tegelijkertijd weten wat goed is en het verleid worden door onze begeerten.
  • Daarnaast is er twijfel van het verstand ofwel intellectuele twijfel. Wat is waar? Moet ik dit op de ene of andere manier verklaren? Een diepe vorm daarvan is existentiële twijfel: Wie ben ik? Bestaat God wel?
  • Een derde vorm is wankelen van de hoop die je hebt. Heeft mijn leven wel zin? Een diepe vorm hiervan is wanhoop. Deze laatste vorm van twijfel vinden we vooral in deze psalm, al gaat die schuil onder verschillende vragen.
Er zal vaak sprake van zijn dat deze twijfels samen optreden. Het ene kan tot het andere leiden.

Profetisch
Als we deze psalm lezen, herkennen we de twijfel niet alleen bij onszelf. We zien het ook terug bij Jezus, Gods Zoon die mens werd! Het is niet te peilen wat Zijn liefde voor de wereld was, om voor ons mens te worden. Mens-zijn betekent ook twijfelen!

Jezus werd door de duivel in de woestijn verleid (evangelie van Lukas, 4). Op de avond voor Pasen, in Gethsémané, bad Hij in grote angst of het lijden Hem bespaard mocht blijven (evangelie van Markus, 14, 34). En terwijl hij aan het kruis hing, riep Hij (citerend uit psalm 22): "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?" (evangelie van Markus, 15, 34)

Maar in al deze gevallen kwam Jezus met zijn twijfel bij God. In de verzoeking van morele twijfel in de woestijn citeerde Hij Gods wet, waardoor we weten wat goed is. In Gethsémané bad Hij: "Niet mijn maar Uw wil geschiede". Aan het kruis stierf Hij met de woorden: "Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest".

zaterdag 11 maart 2017

Psalmen - 12

Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.
2 Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet meer,
onder de mensenkinderen zijn er nog maar weinig trouw.
3 Valse dingen spreekt men tot elkaar,
met vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4 Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
en de tong vol grootspraak.
5 Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
6 Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen
zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE;
Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
7 De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
als zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
8 Ú, HEERE, zult hen bewaren,
U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
9 Overal draven goddelozen rond,
wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.

Bevreemdend:
Er is niet veel bevreemdend in deze psalm behalve het directe ingrijpen van God op de situatie. God behoudt degenen die zichzelf niet kunnen verdedigen tegen mensen die met mooie praatjes, die niet doen wat ze zeggen, maar alleen op hun eigen winst uit zijn.

Als we dit lezen vragen we ons meteen af: Hoe is het mogelijk? Hoe kunnen we geloven dat God voor altijd (vers 8) de hulpelozen zal verdedigen tegen egoïsten? De geschiedenis, elke tijd leert ons toch het tegenovergestelde? Waar was God toen Hitler met leugens en grootspraak de Joden onderdrukte en liet ombrengen?

De bedoeling van de psalm is iets anders dan dat God iedere hulpeloze altijd beschermt. In de psalm gaat het namelijk over een bepaald moment waarop God zal ingrijpen. Als antwoord op het gebed van David zegt God: "Ik zal nu opstaan" (vers 6), maar dan is er al sprake van groot onrecht, van "verwoesting" en "gekerm". God zal dus wel altijd ingrijpen, maar niet altijd voordat het kwaad al tot uitdrukking is gekomen.

Toch is het moeilijk om daar troost uit te halen op het moment dat er onrecht is. Een overlevende van de Shoah vertelt:
"God was het onderwerp van bijna elke discussie. De gedachte dat dit alles een straf van God was, kwam vaak voorbij. Er waren Joden die veel gestudeerd hadden en het Oude Testament uit hun hoofd kenden. Maar gestudeerd of niet, niemand wist het antwoord op deze ellende". (Isaac Goldfinger, interview EO)
De reden van het handelen van God is niet altijd te bevatten. Of liever: het handelen van God bevatten we sowieso niet, tenzij God het persoonlijk aan ons laat zien.

Maar ook zonder dat we deze reden weten is het mogelijk om troost vinden bij God. Isaac Goldfinger blijkt Gods troost ook in de concentratiekampen ervaren te hebben: "Ik zeg je; God was daar!".

Herkenbaar:
Egoïsme, liegen of vleien om dingen voor jezelf voor elkaar te krijgen, ontrouw, grootspraak: het is erg herkenbaar. Hier en daar ziet men het zelfs als vanzelfsprekend om niet helemaal waarheidsgetrouw te zijn (bijvoorbeeld bij het verkopen van een product). Het gaat niet altijd gepaard met grof onrecht, maar wel altijd met een beetje onrecht.

Laten we hier tegenover het beeld zetten van hoe God is: Gods woorden zijn zuiver (vers 7). Ze zijn als zilver dat zevenmaal door vuur gezuiverd is. Laten onze woorden daarom ook geen onwaarheid bevatten waarvan we bewust zijn! Als we ons best doen, blijft er nog genoeg onwaarheid en egoïsme over waar we ons niet eens van bewust zijn.

Ook voor de komende verkiezingen en de bijbehorende campagnes is dit een psalm om in gedachten te houden...

Profetisch:
Gods woorden zijn zuiver (vers 7). Dat betekent dat de profetieën in de Bijbel waar zijn en zullen uitkomen. Voor een deel kunnen we dat al zien in de profetieën die al uitgekomen zijn: de verwoesting van Israël door Assyrië en Babel zoals beschreven door de meeste profeten, de wereldrijken zoals beschreven door Daniël, het blijvende verbond van God met Israël, de komst van Jezus Christus die zou lijden maar ook zal verlossen. Voor een ander deel zal het nog komen: het verkondigen van het evangelie aan alle volken, het komen van het rijk van de antichrist, de terugkeer van de tien stammen van Israël naar hun land, de wederkomst van Jezus Christus, en het komende Rijk van God. We moeten grote waarde hechten aan elk woord wat in de Bijbel staat, want ze zijn ook voor ons nog opgeschreven. Gods woorden zijn voor ons, ze zijn waar, trouw, en voor iedereen te begrijpen.

zaterdag 11 februari 2017

Psalmen - 11

Hieronder volgt Psalm 11:
Een psalm van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe kunt u dan zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg naar uw bergen, als een vogel!
2 Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.
3 Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat kan de rechtvaardige dan doen?
4 De HEERE is in Zijn heilig paleis,
de troon van de HEERE staat in de hemel;
Zijn ogen doorzien,
Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.
5 De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
6 Hij zal op de goddelozen valstrikken, vuur en zwavel doen regenen.
Een verschroeiende stormwind zal het deel van hun beker zijn.
7 Want de HEERE is rechtvaardig,
Hij heeft rechtvaardige daden lief.
De oprechten zullen Zijn aangezicht aanschouwen.

Bevreemdend:
Bevreemdend in de Psalm kan zijn de directe lijn die er vanaf God naar de aarde loopt en die we misschien niet zo ervaren. Het eerste wat daaronder valt is dat God de mensen beproeft en ziet wat er in ze omgaat (vers 4). Tegenwoordig geloven mensen liever in een onpersoonlijke positieve kracht dan in een God die ons beproeft. Ze geloven daarmee niet alleen niet in een persoonlijk God, maar ook niet in een heilig en verheven God. Immers, als God heilig en verheven is, is het moeilijk voor te stellen dat Hij ons niet zou kennen en beproeven. Als Hij ons niet kent, is Hij niet verheven. Als Hij ons niet beproeft, is Hij niet heilig.

In het licht daarvan is het verwonderlijk dat er staat dat de oprechten het aangezicht van deze heilige en verheven God zullen zien (vers 7). Als God zó groot is, dan moet het wel grote genade zijn om Hem te zien en door Hem beproefd te worden.

Het tweede, dat God de goddelozen zal oordelen met 'valstrikken, vuur en zwavel' hoeft ons minder te verwonderen als we geloven in een heilig en verheven God. Wat we ons wel kunnen afvragen, is waarom we het oordeel van God niet zien. Het gaat toch vaak goed, ook met degenen die mens noch God ontzien in hun daden? Hoe komt het dat we de oordelen van God niet duidelijker zien?

Het antwoord hierop is tweevoudig. Allereerst moeten we de woorden van David poëtisch lezen en niet letterlijk. Het gaat erom dat God de goddeloze uiteindelijk ten val zal brengen. Dat gebeurt op heel verschillende manieren, maar we zien vaak wel dat het goede uiteindelijk het kwaad overwint en er gerechtigheid plaatsvindt. Ten tweede leven we sinds de komst van Jezus in de verwachting van Gods Koninkrijk. Het is er nog niet. Het is de tijd dat het Evangelie van Jezus Christus, Zoon van God, op heel de aarde verteld moet worden. Pas als dat voltooid is, zal Jezus terugkomen om de aarde te oordelen.

Herkenbaar:
Herkenbaar is de onmacht die uit het eerste deel van de psalm spreekt. "Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald! Wat kan de rechtvaardige dan doen?" (vers 3). Mooi is het beeld dat ertegenover staat van Gods heiligheid en verhevenheid waartoe we de toevlucht mogen nemen. Vaak blijkt dat God niet door kracht of geweld werkt, maar door Zijn Geest (profetie van Zacharia, 4, 6).

Profetisch:
Dat God de rechtvaardige beproeft en dat de oprechten Zijn aangezicht zullen zien (vers 7) kunnen we toepassen op het komende Koninkrijk van God, waarin degenen die door het geloof in God als rechtvaardig worden gerekend, bij God in de nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen leven. Deze belofte wordt herhaald in de Openbaring aan de apostel Johannes (22, 4). God zegt tot ons:
"Wie dorst heeft, zal Ik voor niets te drinken geven uit de bron van het water des levens. Wie overwint, zal alles beërven, en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn." (21, 6-7)

maandag 30 januari 2017

Psalm 9 en 10 - Liefde en haat

Vorig bericht schreef ik over Psalm 9 en 10, geschreven in een tijd van terrorisme. In Psalm 9 en 10 bidt David tot God om de aanslagen van de vijanden van Israël te stoppen en deze vijanden voor altijd uit te roeien, om zelfs hun naam voor altijd uit te wissen.

Is zo'n gebed goed? Jezus gebiedt toch:
Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.
Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren. Bied hem die u op de ene wang slaat, ook de andere. Verhinder hem die het bovenkleed van u afpakt, niet ook uw onderkleed te nemen. Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is. En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.
En als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben.
En als u goeddoet aan hen die aan u goeddoen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars doen hetzelfde.
En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen.
Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten. Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is (evangelie van Lukas, 6, 27-36)

Jezus roept dus op tot liefhebben van zelfs vijanden. Daarin gaf Hijzelf, Gods Zoon, het grootste voorbeeld, omdat Hij voor ons stierf aan het kruis. Zelfs toen bad Jezus voor zijn vijanden: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen" (evangelie van Lukas, 23, 34).

Ook de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan laat zien dat we onze vijanden moeten liefhebben. Daarin helpt een Samaritaan (een volk wat de Joden verachtten) een Jood die door struikrovers is overvallen en voor dood is achtergelaten, terwijl een Joodse priester en leviet de gewonde Joodse man links laten liggen. Jezus vraagt dan: "Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was?" (evangelie van Lukas, 10)

De gelijkenis maakt duidelijk dat er door iedereen een beroep op onze hulp wordt gedaan. Een filosoof die dit mooi beschrijft is de Duits-Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) in het boekje "Ik en Jij". Hij beschrijft dat er twee grondhoudingen zijn tot de ander: we kunnen een ander als een 'jij' beschouwen, of we kunnen diegene als 'een van de velen' beschouwen. De eerste relatie kun je aanduiden met het woordpaar Ik-Jij, de tweede met het woordpaar Ik-Het. Het eerste is persoonlijk, tijdelijk, alle aandacht vereisend, het tweede is onpersoonlijk, met betrekking tot het verleden of de toekomst, begrenzend. Het beroep dat de andere persoon, 'jij', op ons doet, is groot.

Wat gebeurt er als je 'jij' zegt (zoals Buber het bedoelt) tegen je vijand? Dan zullen ook zijn daden (in het verleden) even buiten beschouwing staan en zul je hem zien als mens. Je zult hem misschien zo zien als hij hulp nodig heeft en hem helpen.

In Psalm 9 en 10 lijkt het dat David niet voldoet aan het gebod van ook je vijanden zelfs lief te hebben, dat Jezus zoveel later uitsprak. Het lijkt erop dat David liefst zo snel mogelijk de dood van zijn vijand ziet.

Kan het eigenlijk wel, terroristen als personen liefhebben? Zijn zij niet te onmenselijk geworden? Moeten we stoppen ze lief te hebben?

Nee, dat moeten we niet. Jezus bad immers al: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen" (evangelie van Lukas, 23, 34).

We moeten dus een onderscheid maken tussen de daden van een terrorist, en de persoon zelf. We mogen bidden dat God de daden van IS verijdelt en tegengaat, en tegelijk bidden dat God de daders als persoon tot inkeer wil brengen.

Daarmee is niet gezegd dat een persoon die verkeerd doet niet uiteindelijk veroordeeld zal worden als hij daarin doorgaat. De ultieme rechtspraak van God zal gaan over de daden van mensen. Maar tot het definitieve oordeel, dat zal komen als Jezus naar de aarde terugkeert, en wanneer het Koninkrijk van God zal beginnen waarin geen kwaad meer zal zijn, is er uitstel. Ieder mens heeft tot zijn dood uitstel om zich als persoon te veranderen en een persoon te worden die goede daden doet door de vruchten van Gods Geest.

We schreven bij Psalm 9 en 10 al dat deze psalmen profetisch zijn en vooruitzien naar het Koninkrijk van God. Davids gebed om herstel, het verslaan van alle vijanden in zijn land, zelfs het uitwissen van de herinnering aan de daden van de vijanden, kan ook zo worden gezien als gebed om het Koninkrijk van God, en minder als een persoonlijk haatbetoon aan zijn vijanden. Het is eerder een honger en dorst naar recht!

Dit verlangen naar Gods Koninkrijk zal vervuld worden. Het is één van de beloften van Jezus:
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn. (evangelie van Mattheüs, 5)