Ik heb lang de natuurwetenschap als de meest fundamentele beschrijving van de werkelijkheid gezien. Liever: als de werkelijkheid: met de overtuiging dat er niets daarbuiten bestaat, behalve nog een ander ontologisch bestaan van God, en ook van de identiteit en vrije wil van de mens.
Ik denk toch dat ik die visie genuanceerd kan worden. De reden waarom de natuurwetenschap, het fysische, als het meest fundamenteel kan worden gezien is, zoals ik het nu zie, doordat ze de meest breedsprakige en precieze beschrijving van de werkelijkheid geeft — echter, andere beschrijvingen van dezelfde werkelijkheid – zoals een ethische of perceptieve/esthetische – mogen minder woorden hebben voor wat ze zien, maar waarom zou dat ze ondergeschikt maken aan die meest breedsprakige beschrijving van het fysische? De reden van twijfel aan het fysische als de meest fundamentele is ook dat filosofie vrij zelfverzekerd moet zijn om te kunnen zeggen dat ze de werkelijkheid op de best mogelijke manier kent. Wie zegt dat de werkelijkheid toch niet uiteindelijk onverwacht veel rijker is dan we altijd hebben gezien? Het zou kunnen dat er nog aspecten van de werkelijkheid zijn die we nooit hebben gezien. Dat is vergelijkbaar met de gedachte van Kant dat het 'ding op zich' onkenbaar is, of dat we tenminste niet kunnen weten of we het kennen. De filosofie waarmee ik het hier in verband breng (zie ook dit eerdere bericht) is die van (de neokantiaans beïnvloede) Herman Dooyeweerd, die de werkelijkheid beschreef in 'zijnsaspecten': fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel.
Er zijn zeker bruggen te slaan tussen verschillende beschrijvingen van de werkelijkheid, zoals tussen het fysische en het perceptieve/esthetische. Maar is de mogelijke beschrijving in het fysische het enige objectieve aan bijvoorbeeld het perceptieve/esthetische, en is wat niet fysisch uit te drukken is allemaal subjectief? Daar valt aan te twijfelen: het is toch goed mogelijk dat er nog een andere objectiviteit bestaat in bijvoorbeeld het perceptieve/esthetische waardoor alle mensen delen in wat mooi is of wat ervaren wordt?
Voor een gelovige is het gemakkelijker een rijkdom in de werkelijkheid (zoals meerdere 'zijnsaspecten') te erkennen dan voor wie niet in God gelooft; tenminste, ik kan me voorstellen dat iemand die bijvoorbeeld evolutionisme als uitgangspunt neemt het idee van meerdere zijnsaspecten nogal fantastisch en onmogelijk vindt. Dat kan ook niet anders: evolutionisme gaat al uit van de vooronderstelling dat het fysische het meest fundamentele is. Voordat een filosofische kritiek daarvan mogelijk is, moet er eerst ruimte zijn voor twijfel aan het evolutionisme – en dat is niet makkelijk als alleen schepping het alternatief is. Maar misschien onderschat ik wel de mogelijkheden van andere ontstaanstheorieën waarmee een metafysica altijd verbonden is: ook neoplatonisme, aristotelianisme, spinozisme hebben een theorie over het ontstaan van al wat is. Niet dat ik, die in God geloof, dat als alternatieven zie.
Posts tonen met het label zijnsaspecten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zijnsaspecten. Alle posts tonen
donderdag 12 mei 2011
maandag 1 september 2008
Zijnsaspecten
De vraag wat 'is' is een belangrijk onderwerp van filosofie: ontologie.
De Nederlandse filosoof Dooyeweerd schetste in zijn "Wijsbegeerte der Wetsidee" (1935) deel twee een heel aantal "zijnsaspecten" van de Schepping: fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel. Al deze aspecten zouden niet alleen subjectief, maar ook objectief 'zijn'. Hiermee kan onderscheid gemaakt worden tussen levenloze (geen objectief biotisch aspect) en levende dingen, tussen dieren (met een objectief psychisch aspect) en andere organismen zoals planten, tussen de geest van de mens (met een objectief spiritueel aspect) en het dier. Alle zijnsaspecten zijn overigens in objectieve zin vervlochten: de lagere structuren 'gaan op in' de hogere, enkapsis.
De huidige empirische natuurwetenschap beperkt zich echter tot het fysische. Het aannemen van zijnsaspecten boven de empirische zal zich filosofisch dan ook goed moeten laten beargumenteren.
Wat betreft het verschil tussen ziel (geest) en lichaam bestaat er een argumentatie vanuit het christelijke mensbeeld: de ziel van de mens is onsterfelijk; de mens heeft een `ik', een vrije wil die verantwoording af zal moeten leggen. Het fysische en het geestelijke móet wel objectief van elkaar gescheiden zijn: de fysische wetmatigheden gelden niet voor het geestelijke, en vice versa; de geestelijke dingen zijn niet te reduceren tot de fysische. Wat mij betreft is dat het enige ontologische onderscheid dat noodzakelijk gemaakt moet worden; de andere zijnsaspecten zijn wat mij betreft te rekenen tot het subjectieve: hoe wij de dingen (kunnen) ervaren.
In de Bijbel worden de begrippen `ziel' / `geest' en `lichaam' toch ook vooral aanverwant gebruikt. (In het boek "Psychologie, een christelijke kijk op het mentale leven" door dr. W.J. Ouweneel staat een mooie uiteenzetting over zijnsaspecten, inclusief een analyse van de Bijbelse begrippen (p.58-59).) De ziel is niet zomaar een mechaniek dat los staat van het lichaam. Gevoelens zijn zaak van zowel `ziel' als `lichaam' (zie bijv. Ps.63:2,84:3,107:9).
Maar het `lichaam' sterft, de `geest' van de mens is onsterfelijk. Dat roept meteen de vraag op: hoe zit het met dieren? Ook bij dieren gaat het om een `levende ziel': dieren zijn echt, bewegen, leven. Ze zijn even bijzonder als ons lichaam, wat echt een deel van ons is.
Treffend is hoe Prediker 3:16 t/m 21 schrijft over de onsterfelijke ziel. De mens kan zonder God en gerechtigheid niet uitnemender zijn dan een dier dat geboren wordt, leeft, sterft. Wie merkt dat de adem van de mensen naar boven gaat?
De Nederlandse filosoof Dooyeweerd schetste in zijn "Wijsbegeerte der Wetsidee" (1935) deel twee een heel aantal "zijnsaspecten" van de Schepping: fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel. Al deze aspecten zouden niet alleen subjectief, maar ook objectief 'zijn'. Hiermee kan onderscheid gemaakt worden tussen levenloze (geen objectief biotisch aspect) en levende dingen, tussen dieren (met een objectief psychisch aspect) en andere organismen zoals planten, tussen de geest van de mens (met een objectief spiritueel aspect) en het dier. Alle zijnsaspecten zijn overigens in objectieve zin vervlochten: de lagere structuren 'gaan op in' de hogere, enkapsis.
De huidige empirische natuurwetenschap beperkt zich echter tot het fysische. Het aannemen van zijnsaspecten boven de empirische zal zich filosofisch dan ook goed moeten laten beargumenteren.
Wat betreft het verschil tussen ziel (geest) en lichaam bestaat er een argumentatie vanuit het christelijke mensbeeld: de ziel van de mens is onsterfelijk; de mens heeft een `ik', een vrije wil die verantwoording af zal moeten leggen. Het fysische en het geestelijke móet wel objectief van elkaar gescheiden zijn: de fysische wetmatigheden gelden niet voor het geestelijke, en vice versa; de geestelijke dingen zijn niet te reduceren tot de fysische. Wat mij betreft is dat het enige ontologische onderscheid dat noodzakelijk gemaakt moet worden; de andere zijnsaspecten zijn wat mij betreft te rekenen tot het subjectieve: hoe wij de dingen (kunnen) ervaren.
In de Bijbel worden de begrippen `ziel' / `geest' en `lichaam' toch ook vooral aanverwant gebruikt. (In het boek "Psychologie, een christelijke kijk op het mentale leven" door dr. W.J. Ouweneel staat een mooie uiteenzetting over zijnsaspecten, inclusief een analyse van de Bijbelse begrippen (p.58-59).) De ziel is niet zomaar een mechaniek dat los staat van het lichaam. Gevoelens zijn zaak van zowel `ziel' als `lichaam' (zie bijv. Ps.63:2,84:3,107:9).
Maar het `lichaam' sterft, de `geest' van de mens is onsterfelijk. Dat roept meteen de vraag op: hoe zit het met dieren? Ook bij dieren gaat het om een `levende ziel': dieren zijn echt, bewegen, leven. Ze zijn even bijzonder als ons lichaam, wat echt een deel van ons is.
Treffend is hoe Prediker 3:16 t/m 21 schrijft over de onsterfelijke ziel. De mens kan zonder God en gerechtigheid niet uitnemender zijn dan een dier dat geboren wordt, leeft, sterft. Wie merkt dat de adem van de mensen naar boven gaat?
Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.
Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.
Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.
Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.
Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
Abonneren op:
Posts (Atom)