Posts tonen met het label religie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label religie. Alle posts tonen

maandag 4 februari 2013

Fabel 1: Vreemd land

Sommige dingen kunnen het best in indirecte, beeldende taal worden uitgedrukt. Dat weten we al heel lang. Daarom ook op deze blog een serie van fabels in de stijl van Phaedrus, die de fabels van Aesopus opschreef en er de zijne aan toevoegde. De inhoud is een hedendaagse weergave van christelijk perspectief op het leven, de menselijke conditie, en God. Vandaag fabel 1: "Vreemd land".

Een christelijke koning overwon een vijand uit een vreemd land. De koning trok met zijn legermacht de hoofdstad binnen om zijn regering te funderen.

Een raadsheer sprak tot hem: “Zal de huidige religie hier totaal vervangen moeten worden?” De koning zweeg. De raadsheer sprak: “Maar moet men het dan anders bij het oude houden?”

De koning sprak: “Maak dat de mensen van alle ware hoop bewust worden gemaakt, als ze die hebben. Leer die te koesteren. Maar leer hen ook met zorg de valse hoop van ware onderscheiden. Leer die te vervangen.”

Deze fabel leert hoe men elk gebied, ook filosofie, met wijsheid en liefde moet regeren.

maandag 10 oktober 2011

Nieuwe geboorte

In het evangelie van Johannes, hoofdstuk 3, wordt beschreven hoe een theoloog bij Jezus op bezoek komt. De theoloog begint het gesprek als volgt: "We weten dat u van God komt. Want anders zou u deze wonderen niet kunnen doen." Jezus antwoordt hem echter: "Niemand kan het Koninkrijk van God zien, tenzij hij opnieuw geboren wordt."

Hoe?, vraagt de theoloog. Jezus antwoordt: Als iemand niet opnieuw geboren wordt uit Gods Geest, kan hij Gods rijk niet ingaan. Ieder die geboren wordt is 'lichamelijk', als het ware op niets anders dan op het lichamelijke gericht. Maar wat uit Gods Geest geboren is, is in staat op het Koninkrijk van God gericht te zijn. U moet zich niet verwonderen dat er hier over een "geboorte uit Gods Geest" wordt gesproken: die geboorte en die Geest is als het blazen van de wind: als u het geluid hoort hoeft u nog geen idee te hebben waar die vandaan komt of heen blaast.

De theoloog vraagt weer: Maar hoe kan dat dan? Jezus antwoordt hem: Weet u dat niet eens? Als u de dingen die voor het oog zijn niet gelooft, hoe zult u geloven als ik u de hemelse dingen zou vertellen? Maar ik kan ze u vertellen omdat ik weet wat ik spreek en het gezien heb.

Niet dat er iemand in de hemel zou kunnen opklimmen en daarvan vertellen: niemand weet de hemelse dingen dan wie uit de hemel afkomstig is, de zoon uit de mensen. En zoals Mozes de slang van koper ophief (die hij op Gods bevel gemaakt had, en die het enige middel wat om genezen te worden van de beten van de giftige slangen waarmee God Israël gestraft had), zo moet de zoon uit de mensen verhoogd worden, zodat ieder die in hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.

Zoveel heeft God de wereld liefgehad, dat hij zijn enige zoon daarvoor gegeven heeft. Voor wie in hem gelooft is er behoud. Maar wie niet in hem gelooft is veroordeeld omdat hij de enige zoon van God niet geloofd heeft. Hierom is die veroordeling: dat het licht aan de wereld gegeven is, maar dat men de duisternis liever heeft gehad dan het licht.

Want ieder die hier een hekel aan heeft, haat dat licht omdat het zijn verkeerde daden laat zien. Maar wie het goede doet, komt naar dat licht, en dan blijkt dat zijn goede daden in God verricht zijn.

maandag 12 september 2011

Het proces

Van mijn broer kreeg ik het Verzameld werk van Franz Kafka (Joods-Duits schrijver, 1883-1924) cadeau (uitgeverij Querido, 1983). Het boek 'Het proces' dat na de dood van Franz Kafka is uitgegeven, is een van de bekendste; omdat de thema's van het boek me intrigeerden schrijf ik er nu wat over. Hierbij neem ik de stelregel van Joodse filosofie in de hand dat een interpretatie een synthese mag zijn tussen de bedoelingen van de auteur (van Franz Kafka) en van de lezer (van mij).

Ik denk dat er in het boek nogal wat thema's voorkomen die gerelateerd zijn aan onderwerpen uit de Bijbel (de Thora of ook uit het Nieuwe Testament).

  • Centraal in het boek staat 'de wet'. De hoofdpersoon Josef K. wordt op een dag gearresteerd zonder zich ergens van bewust te zijn, en zonder dat hem verteld wordt waaraan hij schuldig staat. Ik denk dat 'de wet' staat voor de boodschap van de Bijbel: er bestaat een God, er is een moraal die je verantwoordelijk maakt. Nu is de gedachte aan God en aan het bestaan van een moraal ons niet vreemd, maar ze breekt wel in ons gekoesterd ideaal van een autonome leefwereld.
  • Daarom kan de baan van Josef K. als 'bankbediende' symbool staan voor dat ideaal van een autonome leefwereld. Het is een wereldje vol eigenbelang, concurrentie met anderen, en handelingen die wat lijken te zijn maar uiteindelijk niets voorstellen. De gedachte aan de wet breekt daarop in: ze verwoest het geregelde leventje van K.
  • Tussen de wet en Josef K. zijn tal van medewerkers bij de 'kanselarijen': de personen die hem arresteren, degenen die hem het verhoor afnemen, de advocaat, ... Zij staan voor mensen die op een of andere manier een band met religie hebben of zeggen te hebben. Het is voor K. niet moeilijk een scène te maken in de kanselarijen (het is niet moeilijk fouten aan te wijzen binnen de christelijke traditie), maar het verandert helaas niet veel (met het verzet tegen een traditie is de kern van de zaak, de wet, niet verdwenen). In de beschrijving van de advocaat is het mogelijk een portret te zien van een bevaderende kerk, een hulpvaardige man die rapporten van het leven wil hebben (de biecht), en latijnse verzoekschriften (gebeden) schrijft, en er zelf ook nog eens van overtuigd lijkt te zijn dat hij het beste voor heeft maar ondertussen mensen aan zich knecht (zoals de figuur van koopman Block in 'Het proces'). Al deze mensen brengen K. niets dichter bij, maar eerder verder af.
  • De verschillende relaties met vrouwen van K. gedurende zijn proces zijn minderwaardig, hartstochtelijk, en leiden hem altijd af van zijn proces. Ze staan voor het volgen van hartstochten die niet in overeenstemming zijn met de levensovertuiging en die dus altijd verliezen zijn. Zoals het christelijk geloof hebben en tegelijk je niet aan de christelijke ethiek houden. De apostel Johannes zegt ervan in zijn eerste brief dat we liegen als we zeggen dat we niet zondigen, maar tegelijk dat we niet in het duister maar in het licht moeten wandelen. De enige die K. eerlijk behandelde, de kalme geestelijke in de kerk, schreeuwt hierover zelfs plotseling tegen K.: "Kun je dan geen twee stappen ver zien?" (p.165)

Er zijn nog tal van thema's die ik niet genoemd heb, maar die het verhaal wel compleet maken als beschrijving van de verhouding van een mens tot de wet en zijn mogelijke onderhandeling daarmee.

Een verschil met de christelijke traditie is mijns inziens dat Kafka in de toegang tot de wet vooral een rol toeschrijft voor de relatie tot de medemens. De figuur van de 'wachter' voor de wet, de mogelijke belemmering maar ook de onvermijdelijke maar niet per se negatieve confrontatie op de weg naar de wet, kan worden uitgelegd als de medemens, de 'ander' — zie Luc Anckaert en Roger Burggraeve, 'De rode huid van Adam', 2008. Hetzelfde met de verhouding van de procedure van de lagere rechtbank tot het vonnis:
"'Heb jij ook een vooroordeel tegen mij?' vroeg K. 'Ik heb geen vooroordeel tegen je,' zei de geestelijke. 'Het vonnis komt niet plotseling, de procedure gaat langzaam over in het vonnis.' 'Zo is het dus,' zei K. en boog het hoofd." (p.164)
In de beschrijving van de verhouding tot de wet lijkt geen verwijzing te zijn naar Christus als toegang tot de wet, of het moest zijn in de verwijzing naar de 'grote advocaten' (p.140) waarnaar K. helemaal van afgeleid wordt verder te zoeken door de omstandigheden.

Maar omdat 'Het proces' een dringende oproep blijft om zich niet af te laten leiden door de omstandigheden van het zoeken naar de wet, blijft het een ingrijpend boek.

woensdag 22 juni 2011

Tegen een christelijk nationalisme

Over de multiculturele samenleving wordt al heel lang gedebatteerd. Toch ben ik een beetje geschrokken van de brief van minister Donner bij de integratienota. Hoewel er positieve punten van de integratienota te noemen zijn, zoals het zorgen voor beheersing van een gemeenschappelijke taal, het Nederlands, denk ik dat ik het met de algemene boodschap niet eens ben. In het debat over multiculturalisme mis ik een duidelijke christelijke visie.

De christelijke houding lijkt dubbelzinnig te zijn omdat twee dingen met elkaar worden vermengd: de houding tot de godsdienst van anderen en de ontmoeting met anderen in de 'publieke ruimte'. Ik denk dat christenen bijvoorbeeld in het debat over hoofddoekjes een ander geluid hadden laten horen als dat hoofddoekje een teken was geweest van de christelijke godsdienst.

Er is een eerste radicale opvatting van christelijke politiek mogelijk. Dat is dat zodra het christendom de meerderheid zal behalen in de politiek, de andere godsdiensten min of meer uitgeroeid moeten worden (niet de mensen, maar wel de godsdiensten en hun symbolen) (met een verwijzing naar artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis). In het verleden heeft dat bijvoorbeeld praktisch vorm gekregen bij de reformatie: Rooms-katholieke scholen werden gesloten (Rooms-katholieke onderwijzers werden uit hun beroep gezet), Rooms-katholieke kerken moesten sluiten of kregen hoogstens buiten de stad nog plaats. De vraag is of dat, zelfs in het licht van de heftige confrontatie van de reformatie met de gewelddadige macht uit Rome, de juiste houding was tegenover de ontmoeting met mensen van andere overtuigingen en gewoontes.

Deze radicale opvatting is in de praktijk wat naar de achtergrond verschoven, maar lijkt op de achtergrond nog wel eens als sluimerende overtuiging te functioneren. In het beginselprogramma van de SGP artikel een en vier heeft het nog steeds een plaats. De radicale opvatting lijkt echter ook soms vervangen door een gematigdere, die beroep doet op een onderscheid tussen private en publieke ruimte. De publieke ruimte is dan de plaats waar het mensen van andere godsdiensten moeilijk gemaakt kan worden door een verbod op hoofddoekjes of andere religieuze tekens. Die gematigde opvatting komt dicht in de buurt van de seculiere liberale opvatting, echter, met dit verschil dat het deze gematigde opvatting in tegenstelling tot de seculiere nog steeds te doen is om een onderscheid van de christelijke godsdienst met de andere godsdiensten. Dat kan betekenen dat we hier te maken hebben met een tijdelijke harmonie: nu lijkt die 'gematigde' christelijke opvatting van politiek nog redelijk harmonieus met de seculiere, maar daarom kan de seculiere opvatting ook steeds meer z'n gang gaan.

Deze beide opvattingen van christelijke politiek, de radicale en de gematigde, hebben een bepaalde vooronderstelling over 'wat van ons is'. Ze gaan samen met een bepaalde opvatting van een Nederlandse natie (nationalisme) en een romantisering daarvan: de geschiedenis van Nederland en de reformatie, enzovoort. Dit nationalisme gaat ook gemakkelijk samen met racisme, een wantrouwen tegenover degene die van buiten Nederland komt. Het is de vraag of deze houding ten opzichte van anderen niet een van de grootste oorzaken is van mislukte integratie. Alleen met een toeëigening van Nederland aan 'ons' is het mogelijk te denken aan een weren van andere godsdiensten uit 'ons Nederland', of van tekens van andere godsdiensten uit de publieke ruimte van 'ons Nederland'. (In het verband met dit perspectief op de publieke ruimte en identiteit is ook de visie van de hoogleraar filosofie Rudi Visker (2005: Vreemd gaan en vreemd blijven - Filosofie van de multiculturaliteit, 2008: Lof der zichtbaarheid) op het toeëigenen van identiteit en het toelaten van symbolen in de publieke ruimte interessant.)

Ik betwijfel of dat een christelijke houding is. Ik vraag me af of het Gods wil zou zijn dat we Rooms-katholieke kerken en islamitische moskeeën meteen zouden sluiten zodra Rooms-katholieken en islamieten minderheden zouden gaan vormen. Ik lees in het Oude Testament bijvoorbeeld niet dat het goed was om heidense tempels buiten Israël te verwoesten. In de profetische voorzeggingen van het Nieuwe Testament of in de Evangeliën en brieven lees ik naast het bevel van prediking niet dat het de taak is van de mens de andere godsdiensten of afgoden van alle creaturen te verwoesten. Wel dat Gods waarheid uiteindelijk boven alle leugen verheven zal worden, maar dat is Gods werk, niet het werk van een christelijke regering. Als ik me in deze lezing van de Bijbel vergis, heb ik graag dat iemand me daarop tegenspreekt met voorbeelden. Bínnen de kerk is het wel een taak elke dwaling de deur te wijzen. Maar de houding ten opzichte van de ander buiten de kerk is een verkondigende houding, niet een inlijvende en vervolgens sanctionerende houding. Let wel, een verkondigende houding dus: niet een waan van neutraliteit ten opzichte van de opvattingen en gebruiken van de ander.

Geen enkele orthodoxe christen zal blij zijn met de bouw van een moskee naast een kerk (ook ik niet). Maar ik pleit voor een verandering van de krampachtige houding in de politiek die de andere medebewoner van Nederland vooral als bedreigend ziet voor iets wat nooit helemaal van ons is geweest: de Nederlandse identiteit. Want de identiteit van de christen ligt in zijn lidmaatschap van de echte christelijke gemeente. Het is de taak van de overheid het zwaard te hanteren en ruimte te maken voor goede instituties, en óók voor een christelijke overheid om de verkondiging van Gods Evangelie te bevorderen, maar niet om een vaste identiteit te bepalen en te expliciteren – dat kan namelijk niet.

vrijdag 22 april 2011

Luisteren

Vanuit rationeel perspectief is geloof in God een geloof in iets abstracts. Maar dat is de 'God van de filosofen', niet de God van het christelijke geloof.

Geloof kan echter nog concreter en persoonlijker worden als het verweven is met een bepaalde traditie. Dat heeft George Eliot (schrijfster Mary Ann Evans) in de roman 'Silas Marner' mooi uitgedrukt (hoofdstuk 2):
"The white-washed walls; the little pews where well-known figures entered with a subued rustling, and where first one well-known voice and then another, pitched in a peculiar key of petition, uttered phrases at once occult and familiar, like the amulet worn on the heart; the pulpit where the minister delivered unquestioned doctrine, and swayed to and fro, and handled the book in a long-accustomed manner; the very pauses between the couplets of the hymn, as it was given out, and the recurrent swell of voices in song: these things had been the channel of divine influence to Marner — they were the fostering home of his religious emotions — they were Christianity and God's kingdom upon earth. A weaver who finds hard words in his hymn-book knows nothing of abstractions; as the little child knows nothing of parental love, but only knows one face and one lap towards which it stretches its arms for refuge and nurture."


Ceremonie kan beetje bij beetje zelfs de plaats innemen van inhoud. Dat is een van de dingen waarin de hervorming afstand wilde nemen van de Rooms-katholieke Kerk. Maar hoewel de protestantse kerken soms minder ceremonie bevatten, zonder ceremonie zijn ze natuurlijk niet, en de praktijk van een kerkdienst neemt altijd bepaalde gewoontes en vormen aan. Maar: zal dat voor de eenvoudige kerkganger niet de hele plaats van geloven innemen? Is er nog iets tussen abstractie en gewoonte mogelijk?

Ik heb al gesuggereerd van niet. Het christelijk geloof is persoonlijk, en dus niet abstract; maar dus ook niet simpel gewoonte en vorm. De boodschap van het christelijk geloof heeft houvast in de geschreven woorden van het Evangelie, en ook de wetten en de profeten: woorden die confronteren en pas gewoonte kunnen worden als er niet meer geluisterd wordt.

Het is de taak van de christelijke gemeente om die woorden levend te houden: om simpel en begrijpelijk te spreken, niet iets abstracts of duisters te maken van de woorden van Christus. Symboliek kunnen die woorden wel bevatten; maar de vergelijkingen in het Evangelie zijn wel van die aard dat ook eenvoudige mensen (zoals 'Silas Marner') die kunnen begrijpen. Het is zaak van iedereen om – en niet uit gewoonte of alleen abstractie – te luisteren.

Of denkt u dat de christelijke woorden zich daar niet voor lenen? Dan hebt u misschien nog nooit goed geluisterd.

maandag 4 april 2011

Het echte leven

De 'maand van de filosofie' (april) heeft als thema 'het echte leven'. Dat 'echt' staat voor 'authentiek'. Om te beoordelen of iets 'authentiek' is heb je een vergelijkingspunt nodig.

Van prof. Burms heb ik bij het vak algemene moraalfilosofie geleerd dat men op zoek is naar een vast punt in het leven. Bij ernstige ziekte of vrees voor de dood zien mensen het leven vaak anders – een fundamenteler perspectief, of misschien juist een verduisterd perspectief. We zoeken naar een vast punt dat gelijk blijft in wisselende omstandigheden, een standpunt dat niet ontgoocheld of begoocheld kan worden. Aan dat vaste punt verbinden we de fundamenten van moraal, van het goede leven, aldus prof. Burms. Een voorbeeld van zo'n vast punt is religie.

Waar vinden mensen anders nog vastheid? Wetenschap zou zo'n voorbeeld kunnen zijn. Evolutionisme biedt voor veel mensen voeten voor het wereldbeeld. Als we het niet in wetenschap vinden en niet in religie, waar dan wel? In mezelf misschien: een postmoderne autonomie? Volgens prof. Burms was dat laatste idee naïef: in jezelf vind je nooit een vast punt. Immers, als je al een vast standpunt meent te hebben, waaraan ontleent dat dan z'n vastheid behalve aan jezelf? Je kunt je toch ook niet aan je eigen armen zelf een moeras uit trekken?

Misschien zeggen we: zo'n vast punt is niet nodig? Misschien beschouwen we religie al als minderwaardig alleen al omdat ze een vast punt geeft. Maar dat is dwaas; en, zoals gezegd, evolutionisme valt onder hetzelfde oordeel.

Kunnen we inderdaad zonder vast punt? We kunnen zeggen: "We moeten ons laten meevoeren door de stemming van het moment; authenticiteit is dus: op elk moment meest intens zijn wie je op dat moment kunt zijn". Authenticiteit is dan dus niet gebaseerd op een vast punt, maar op een vaste eigenschap. Of misschien kunnen we zelfs zeggen: "We moeten het ideaal van 'echt leven' maar helemaal loslaten; er is niets anders dan onvoorspelbare stromen in ons leven". Misschien is authenticiteit wel "een modieus en overspannen ideaal", staat er bij de tekst over het thema van de 'maand van de filosofie'. Met een cynische opmerking zou de laatste opvatting zelfs kunnen stellen: "Verlangen naar authenticiteit is de sleur waarvan we bevrijd moeten worden".

Maar 'echt leven' blijft ook altijd tegenover 'in een waan leven' staan; bijvoorbeeld in de sleur van een kapitalistisch werkschema, of in de waan van een onbekend bedrog. Of is zelfs bedrog en sleur geen probleem? Wie dat zegt omarmt het nihilisme: niets heeft waarde.

Ik weet niet goed hoe ik op deze perspectieven moet antwoorden. Levensperspectieven gaan vaak samen met een sterke 'blijf van mijn lijf'-strategie: "Dit is hoe ik er over denk, ik heb er recht op, het leven is van mij".

Maar misschien is dat precies waar het christelijke levensbeschouwing een ander perspectief kan bieden: het leven is niet van ons. Het is er niet zomaar gekomen; het komt uit de handen van God. We vinden ons vaste punt in waar we vandaan komen. "In het begin schiep God de hemel en de aarde."

zaterdag 27 februari 2010

Geloof

In het blad 'Wapenveld', jaargang 60, nummer 1 las ik een bespreking van het boek 'A Secular Age' van de engelse filosoof Charles Taylor. De filosoof Talor richt zich in zijn boek op de geschiedenis van hoe het geloof van een vanzelfsprekendheid een optie werd, en beschrijft de geschiedenis van modern humanisme beginnend bij de late middeleeuwen en de hervorming. De conclusies van Taylor, waarmee de schrijver van het artikel, getiteld 'Seculier gereformeerd', grotendeels lijkt in te stemmen, zijn uitermate negatief voor het hervormd christelijk geloof. De hervorming zou een "ordeningswoede" en "mobilisatie" zijn "die de religie van de massa op het niveau van die van de gelovige elite wil brengen". Het was een appel op persoonlijke verantwoordelijkheid met een "sterk individuerend effect", een "meer innerlijke en persoonlijke devotie" stimulerend. De uiteindelijke effecten daarvan zouden in de verzuiling, en ten slotte in een huidig "tijdperk van authenticiteit" waarin "de geloofspraktijk waar ik deel van uit wil maken, niet alleen mijn eigen keuze moet zijn, maar ook mij moet aanspreken" terug te vinden zijn. Bovendien was de kritiek van de hervorming op het magische gebruik van de rituelen uiteindelijk een drijfveer "om de wereld te rationaliseren en van mysterie te ontdoen". De uiteenzetting van de christelijke leer in bijvoorbeeld de Institutie van Calvijn waar de verlossing als genoegdoening voor misdaad wordt geleerd, is een begrijpelijk maken van het mysterie van Gods genade, en zulke "verheldering van het mysterie" doet afbreuk aan het christelijk geloof. De hervorming zou volgens Taylor in dit afwijzen van "persoonlijke belichaming van ritueel" twee van de drie niveaus van menselijk talig-communicatieve actie afwijzen: het niveau van houding en mimicry, het niveau van symbolische expressie in kunst, poëzie, muziek en dans; en alleen het niveau van proza en descriptieve taal overhouden. Om deze dingen ("verheldering van het mysterie, klare taal, het vermijden van ritueel en lichamelijkheid, een eindeloze concentratie op woorden, zodat in feite alleen het woord nog sacramentele kracht bezit") is het "DNA van de gereformeerde traditie" afstotend en onaantrekkelijk voor de samenleving.

In mijn ogen is deze uiteenzetting een ernstige vertekening van het christelijk geloof en van de hervorming. Omdat ik deel uitmaak van die traditie van de hervorming, wil ik er met een aantal hoofdpunten op reageren:

  1. Geloof is niet alleen een toestemmen en kennen met het hoofd. Je zou het bijna gaan geloven door alle wetenschappelijke en filosofische twisten die er om het geloof met het hoofd worden uitgevochten, en waarin christenen meer dan klaar moeten staan om te verdedigen. Het is juist andersom: door het geloof in God geloven we in Zijn Woord, en door Zijn Woord kennen we. Geloof is met heel het hart en door Gods Geest, het verstand wordt daardoor wakker gemaakt. De oproeping tot nuchter zijn, waken en bidden is gericht tot het totaal van de mens, naar lichaam en ziel.

  2. De hervorming was er in eerste instantie op uit om de waarheid weer onverlet te verkondigen, de goede boodschap te doen horen, en het bedrog en de misstanden in de kerk te bestrijden -- niet uit menselijk activisme, maar omdat de kerk het evangelie aan het verliezen was. De hervorming hoeft geen wijze mensen, maar het onvervalste Woord van God maakte mensen zelf wijs in de kennis van God en van de verlossing. Als het Woord van God prediken mobiliseren was, als het aanwijzen en het bestrijden van de misstanden orde scheppen was, dan mobiliseerde de hervorming en schiep ze orde, maar anders niet.

  3. Geloven gaat niet om begrijpen. In de theologie mag het zo zijn dat dogma's van tijd tot tijd een uitgewerkte uitleg behoefden, echter, tegen de veelkoppige dwaling waren deze gericht en niet als middel tot verlossing, wat het geloof is. Wel moeten uitwerkingen van leerstukken bewaard blijven in de bibliotheek van de leraars en niet in de woorden van het evangelie. Dat zou het evangelie van snelvoetig tot geharnast en lomp maken.

  4. De kerk kent twee sacramenten, en die zijn van God ingesteld. De kerk volgt daarin eenvoudig haar grondlegger, de Heere Jezus Christus, na, en vindt daarin Gods Geest en leven. De doop is een teken van de afwassing van onze zonden en de verlossing door Jezus, het heilig avondmaal is om de dood van Christus te herdenken. Het geloof is helder en direct, licht als de dag geworden door de vervulling van de belofte en de komst van de Verlosser van de wereld. Het behoeft geen schaduwendienst meer, alleen maar geloof, en de goede werken en het geluk komen eruit voort. Ander ritueel is niet nodig; het is door de vroegchristelijke kerk niet beoefend, en ook de hervorming bracht de christelijke kerk terug bij dat uitgangspunt. Het is gevaarlijk meer ritueel te gebruiken, omdat de betekende zaak al gauw wordt vergeten. Bovendien komt het gevaar van het eren van God op een manier zoals Hij het niet wil; en dat is een zonde die bij Israël meermalen tot afgoderij heeft geleid.

  5. Waar vragen mensen diep in hun hart om? Is het om lichamelijke ontspanning? Of is het om totale rust? Dat laatste gaat dieper, en dat is nu juist wat het geloof kan geven. Kunst en symbolische expressie zijn rijke giften van God, maar ze geven geen innerlijke rust zonder de kern, het geloof. Het geloof is een uitkomst voor de vermoeide en belaste mens die geen rust heeft in deze wereld.

  6. Alleen als geloof gemist wordt, mist de christen dit vaste fundament en kan het 'gereformeerde DNA' weinig verlossing bieden. Het fundament van de kerk ligt in Christus, de verlosser.

zaterdag 24 januari 2009

Natuur en geest

Uitgestrekte, indrukwekkende schoonheid. Dat is de indruk van de natuur. Na de zondeval werd de natuur vervloekt om ons, en dat maakt bijna een einde aan vrede --- en rust.

Toch blijft in zoveel tekens een indruk van de Schepper. En dat is er niet een van onrust of wilde emotie --- maar een van rust. Extase -- buiten jezelf staan, een andere wereld zien -- heeft daarom een totaal andere christelijke betekenis dan de heidense. Als mensen door Gods Geest 'buiten zintuigen' en 'uit zichzelf' zijn, gaat dat niet gepaard met woeste, verscheurende emotie -- dat is van een andere geest, van de duivel.

Anderzijds, we moeten niet denken dat een doodse, of op niets of op de mens gerichte meditatie enig licht van God met zich heeft. Menselijke overtuiging is overigens een hoogst onbetrouwbare gids als het gaat om geestelijke dingen --- een blinde gids, die zelfs graag dwaalt. Daarom moet alle vertrouwen op de andere openbaring van de Schepper -- het Woord, de Bijbel -- gegrond zijn.

maandag 29 december 2008

Parodie

De kerk van het vliegend spaghettimonster ontstond in 2005 als een satire op de theorie van Intelligent Design. Het vliegend spaghettimonster is dan een belachelijke personificatie van de "intelligent designer".

In feite laten de mensen die deze parodie bedacht hebben niets anders zien dan: "er zijn dingen die van A gezegd kunnen worden, die ook van B gezegd kunnen worden", waarbij B bespottelijk is. Eigenlijk gaat het dus om een vernietiging van de waardigheid van wie het zo spreken over A serieus neemt. En dat is zeer ernstig, want in dit geval gaat het niet om een zaak die er nauwelijks toe doet: het gaat namelijk om het bestaan van God, die door Christenen als de Schepper en onderhouder van de wereld wordt beleden.
Aan de ene kant is er dus sprake van een grove, totaal ongepaste spot.

Aan de andere kant hebben de "spagnostics" gelijk met hun kritiek: het woord 'god' is ook bijna inhoudsloos, er zijn er zoveel die van God een karikatuur hebben gemaakt. We zouden kunnen zeggen: "Spagnostics, jullie zijn al ver onderweg om een godsdienst te worden, zoals er zoveel bestaan. Je hebt een variant op het scheppingsverhaal (zoals er wel vaker scheppings- en zondvloedverhalen terug te vinden zijn in andere culturen; waarvan wij zeggen dat ze ooit gehoord zijn van degenen die echt het paradijs of de zondvloed hebben meegemaakt), en andere overnames uit de bijbelse leer, je hebt wie je uitkwam heilig verklaard (zoals zoveel godsdiensten die door mensen voor hun voordeel geschapen zijn), je hebt een eigen kring van mensen die door de zelfde overtuiging verenigd zijn."
Maar blijkbaar hebben deze mensen niet bedacht dat God, waarvan zij een karikatuur maken, echt zou kunnen bestaan, en dat het verhaal van de zondeval waar zou kunnen zijn. Dat die God de Eerste en de Laatste is, en toch verderfelijke mensen in het leven heeft willen houden.