Posts tonen met het label ontologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ontologie. Alle posts tonen

vrijdag 26 juni 2020

Exclusief geloof

Waarom is het geloof in Christus zo exclusief? Dat wil zeggen: waarom sluit het geloof in Christus het geloof in andere goden zoals de hindoestaanse goden of andere profeten zoals Mohammed uit? Waarom denken en zeggen christenen dat het geloof in Christus het enige ware geloof is, en proberen ze er anderen ook toe over te halen?

Om te beginnen, exclusief geloof betekent niet geweld en dwang. Hoewel de Heere Jezus geweld tegen niet-gelovigen verbiedt (Hij zegt zelfs: heb je vijanden lief, zegen wie je vervloeken, bid voor degenen die je geweld doen, Luk. 6) zijn er in de naam van Christus andersgelovigen vervolgd en gedood. Dat is een houding die absoluut niets met het geloof in Jezus te maken heeft. Wie in Jezus gelooft, moet doen wat Hij zegt. Ieder die geweld in de Naam van God verafschuwt, heeft gelijk. Jezus gebiedt iedere gelovige geen geweld te gebruiken tegen de vijanden van christenen, maar het eindoordeel van God af te wachten.

Maar ook zonder dat christenen geweld gebruiken, kan het als vervelend ervaren worden dat christenen anderen willen getuigen over Jezus, dat ze te pas en te onpas over Hem vertellen, dat ze zeggen dat een ander geloof een leugengeloof is waarmee je niet in het rijk van God kunt komen. Wat geeft ze het recht? Sterker nog: waarom voelen ze zich ertoe verplicht?

Er zijn volgens mij twee aspecten van 'exclusief geloof':
  1. Het eerste is het geloof dat er maar één God is: Jehova, en Jezus de Christus, Gods Zoon.
  2. Het tweede is dat christenen ervan overtuigd zijn dat ze dit heel zeker weten, dat het niet 'misschien zo is' en dat andere mensen het ook wel bij het rechte eind zouden kunnen hebben. Ik weet het zeker en heb geen twijfel, of liever: als ik twijfel heb, belijd ik nog steeds Gods Naam en zeg ik: U kent mij!
Je zou het eerste een 'ontologisch' aspect kunnen noemen, hoe de dingen zijn, en het tweede een 'epistomologisch' aspect, hoe we de dingen kennen.

Als je niet eens bent met dat christenen van Jezus getuigen als de enige Weg, kan dat dus om twee redenen zijn:
  1. Òf je denkt dat er niet één God is, maar dat er meerdere zijn, of dat Jezus Christus niet Zijn enige Zoon is en onze Verlosser;
  2. Òf je vindt dat niemand kan zeggen dat ze iets zeker weten over God. Niemand mag zeggen: ik weet het zeker, iedereen moet zeggen: ik geloof het, maar ik zou het mis kunnen hebben.

Zoals je ziet zijn deze twee tegenargumenten tegen 'exclusief geloof' ook maar meningen. Maar ik wil me er niet zó makkelijk van af maken dat ik zou zeggen: dus mag niemand klagen als een christen zegt dat Jezus de enige Weg is. Want je zou de klacht kunnen inbrengen dat het geloof dat niemand iets met zekerheid over God kan zeggen, meer bescheiden en minder vriendelijk is dan dat je zegt: Ik weet dat Jezus de Zoon van God is. Je zou kunnen zeggen: "De mening van een christen die zegt dat Jezus de enige Weg is, is onbescheidener en minder vriendelijk dan mijn mening dat je het niet zeker kunt weten, dus deze onbescheiden en ongemakkelijke, minder onvriendelijke mening moet je veranderen." Het is ironisch dat er ook in deze gedachte een soort bekeringszin zit: je wilt getuigende christenen bekeren zodat ze Jezus niet meer belijden als de enige Weg.

Maar er is meer onderbouwing mogelijk voor het getuigen van Jezus als de enige Weg, en het belijden dat je dat zeker weet. Als christen geloof je in Jezus als de enige Weg, de Waarheid en het Leven omdat Jezus dat zelf zegt (Joh. 14)! En we belijden dat er één God is en dat je geen andere goden tegelijk kunt dienen omdat God Zelf zegt: Je zult je geen andere goden voor Mij hebben (Ex. 20). Of denk aan de andere woorden van God: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45).

Dat geeft genoeg grond voor de eerste overtuiging, dat Jezus de enige Weg is. Maar welke onderbouwing is er voor de tweede overtuiging: Dat je dit als christen zeker weet, en geen ruimte laat voor twijfel? Zegt Jezus of God in de Bijbel ons hier ook iets over? Ja, luister maar: "Je zult Jehova, je God, liefhebben met heel je hart, heel je ziel, en heel je verstand" (Mat. 22). Liefhebben met heel je hart en ziel en verstand laat geen ruimte voor twijfel. "Maar houd het dan toch alsjeblieft voor jezelf!" zul je misschien zeggen. Dat zou kunnen als Jezus er niet op laat volgen: "Je zult je medemens liefhebben als jezelf". Als je een man op een afgrond af ziet lopen, waarschuw je hem toch en schreeuw je naar hem dat hij zo meteen inde diepte stort als hij niet stopt? Zo beleeft een christen het ook. Zo zegt Jezus het ook: "Opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat" (Joh. 3). Ja, ieder die niet in Jezus gelooft gaat verloren! Een christen moet daarbij geen beschuldigende, veroordelende houding hebben, maar gericht op redding: "God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden" (Joh. 3).

Andere woorden die over zekerheid gaan en aansporen tot getuigen:
  • "In Zijn Naam moet onder alle volken bekering en vergeving van zonden gepredikt worden" (Luk. 24)
  • Jezus noemt zelfs de verdeeldheid die het getuigenis over Hem zal oproepen (Luk. 12)
  • "Wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God" (Luk. 12)
Het belijden dat Jezus dé Weg is niet maar een detail. Het is een gevecht op leven en dood voor ieder mens die op de wereld is.

Je zegt misschien: "Maar dat is allemaal een cirkelredenering. Je baseert je mening over de zekerheid van de Bijbel op de Bijbel zelf." Dat klopt. We geloven dat Jezus echt geleefd heeft, dat de woorden van God tot ons zijn gekomen. Niet onredelijk trouwens: we geloven het met veel getuigen en niet in strijd met de bewijzen die we hebben. Maar het is inderdaad een overtuiging, een mening zo je wilt. Toch maakt dat het geloof niet ongeldig of onredelijk. Elke overtuiging is uiteindelijk gebaseerd op andere, en we proberen niemand op enkel en alleen redelijke gronden te overtuigen van het geloof in Jezus. Geloven in God is geen droge optelsom. Geloof in je Schepper en Verlosser is een levensverandering.

Dus als je een christen tegenkomt die zegt: "Ik weet het niet zo zeker, misschien zijn er wel meer goden, misschien is de God van de Bijbel hetzelfde als de hindoestaanse goden, misschien bedoelen Mohammed en Jezus hetzelfde", dan is dat geen volgeling van Jezus en hoort hij niet bij Jezus. Zo iemand is volgens Jezus op een rampzalige weg beland.

Misschien zeg je: "Wat een vreselijk geloof is dat. Zo'n overtuiging is een ramp voor de mensheid. Het zou beter nooit bestaan kunnen hebben." Maar lieve medemens, dat is precies waar de duivel je van overtuigen wil. Maar het is een overtuiging die je regelrecht de afgrond in laat lopen - onder vriendelijk gezang dat alle geloven gelijk zijn. Het is geen vriendelijke overtuiging, maar een moordende overtuiging.

Een laatste punt: het 'exclusieve' geloof in Jezus als de Weg is alleen 'exclusief' in het uitsluiten van andere geloven, maar het is niet 'exclusief' in de zin dat er mensen uitgesloten worden om tot Jezus te komen. Daarin is het juist 'inclusief': God sluit geen mensen uit, hoogstens kunnen mensen zichzelf uitsluiten door God te verwerpen. Dus 'exclusief geloof' betekent voor het christelijk geloof dat het andere geloven uitsluit, maar niet mensen uitsluit.

Laten we luisteren naar wat Jezus zegt: "Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemel is dichtbij!" (Mat. 4) En met Gods woorden door de profeten: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45)

donderdag 30 juni 2016

Psalm 4 - Het gelaat van de ander en van God

Twee weken geleden schreef ik over de inhoud van Psalm 4. De persoonlijke toon van de psalm noemde ik toen als opvallend. Vandaag wilde ik het om die reden betrekken op de dialogische filosofie.

'Dialogische filosofie' wordt die filosofie genoemd waarbij de dialoog - de interactie van mens tot mens - centraal staat. In plaats van het ik en de wereld waaruit de westerse filosofie vertrok, staat de ander als vertrekpunt. Deze beweging begon met het boek 'Ich und Du' (1923) van de joodse filosoof Martin Buber, maar is wellicht nog bekender van Emmanuel Levinas, die na de oorlog 'Totalité et Infini' schreef (1961), als Joods overlevende van de Duitse krijgsgevangenis.

Bij Levinas is 'het gelaat van de ander' het centrum van de filosofie. Ethiek begint niet bij een abstract 'goede' maar bij de kennismaking en confrontatie met andere mensen om ons heen. Deze kennismaking en confrontatie met andere mensen gebeurt doordat wij ze zien, en dit 'gelaat van de ander' doet een beroep, een appel op ons handelen. Als we proberen de ander in een filosofisch systeem te gieten (waar het ik of de wereld het kader van is) doen we deze ander tekort. Volgens Levinas is de westerse filosofie in deze val gelopen; zij heeft immers het ik centraal ('egologie' genoemd door Levinas) of de wereld centraal ('ontologie' genoemd door Levinas) waarbij de 'andersheid' of 'alteriteit' van de ander wordt vergeten.

Deze kritiek is mijns inziens gedeeltelijk terecht en waardevol: het is belangrijk dat filosofie tijdens het nadenken over ik en de wereld het appel van de ander niet kleiner maakt of vergeet. Sommige filosofie was tijdens de Tweede Wereldoorlog vaag genoeg over de ander om misbruikt te kunnen worden door Hitler! De stelling dat dit door de westerse filosofie echter altijd en noodzakelijk het appel van de ander heeft verkleind is echter weer ongenuanceerd.

Voor Levinas is het denken over God ook gekoppeld aan de ander. God is niet door het 'ik' te bevatten door denken. God wordt alleen zichtbaar in ons handelen met de ander. Hierin gaat Levinas zo ver dat hij God geen (metaphysische) realiteit wil toeschrijven: Levinas is metaphysisch atheïst.

Hoe kunnen we de 'dialogische filosofie' vergelijken met de inhoud van Psalm 4? Deze psalm begint met een beroep op God:
"Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid!" (vers 2)
Er is dus geen sprake van metaphysisch atheïsme. Echter, zoals ik eerder schreef gaat deze psalm wel verder door heel persoonlijk tegen de ander te spreken. In dit geval spreekt David tegen zijn tegenstanders. Het is dus wel een heel belangrijk gegeven dat de onderwerping aan God niet samengaat met het haten van alle tegenstanders van God. Tegenstand tegen God kunnen we niet liefhebben of zelfs maar neutraal tegen staan, maar degene die God tegenstaat kunnen we alleen maar betreuren en proberen terecht te wijzen. Dat is precies wat David doet. Wat David haat zijn het lege en de leugen, niet degene die het lege liefhebben of de leugen zoeken. Hij spreekt hen aan: "Hoelang zult u het lege liefhebben, de leugen zoeken?" (vers 3).

Jezus beveelt ons op dezelfde manier dat God niet wil dat we onze vijanden haten, maar dat we hen liefhebben:
"U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." (evangelie van Mattheüs, 5, 43-45)
En als we moeten liefhebben degenen die ons kwaad doen, hoeveel te meer ook degenen die ons goed doen! Dit is ook te lezen uit de woorden van Jezus die er even aan vooraf gaan, de zogenaamde 'zaligsprekingen' van Jezus:
"Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij.
Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn." (evangelie van Mattheüs, 5, 3-12)
Jezus spreekt hier dus degenen zalig die geen geweld gebruiken. Op dezelfde manier kon David verheugd zijn ondanks dat velen zich tegen hem keerden. "U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden. In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen." (vers 8-9)

Waar David nog in een wereld van geweld leefde en ook bloedige gevechten met vijanden van Israël heeft moeten vechten, is Jezus de Koning van de vrede die geen geweld heeft gebruikt, maar Zich zelfs over heeft gegeven om gedood te worden. Jezus, Gods Zoon, is de Vredevorst die elk geweld overbodig maakt door Zijn behaalde overwinning!

Wat ook bijzonder is, is dat David noemt dat Gods aangezicht hem het goede laat zien:
"Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien?
Verhef over ons het licht van Uw aangezicht, HEERE!" (vers 7)
Voor Levinas is het gelaat (van de ander) weerloos en doet het een appel op onze verantwoordelijkheid. Het gelaat van God is echter niet weerloos. Het ziet en helpt de weerloze! Daarom brengt Gods aangezicht vreugde en verlossing.

donderdag 12 mei 2011

Objectiviteit en bestaan

Ik heb lang de natuurwetenschap als de meest fundamentele beschrijving van de werkelijkheid gezien. Liever: als de werkelijkheid: met de overtuiging dat er niets daarbuiten bestaat, behalve nog een ander ontologisch bestaan van God, en ook van de identiteit en vrije wil van de mens.

Ik denk toch dat ik die visie genuanceerd kan worden. De reden waarom de natuurwetenschap, het fysische, als het meest fundamenteel kan worden gezien is, zoals ik het nu zie, doordat ze de meest breedsprakige en precieze beschrijving van de werkelijkheid geeft — echter, andere beschrijvingen van dezelfde werkelijkheid – zoals een ethische of perceptieve/esthetische – mogen minder woorden hebben voor wat ze zien, maar waarom zou dat ze ondergeschikt maken aan die meest breedsprakige beschrijving van het fysische? De reden van twijfel aan het fysische als de meest fundamentele is ook dat filosofie vrij zelfverzekerd moet zijn om te kunnen zeggen dat ze de werkelijkheid op de best mogelijke manier kent. Wie zegt dat de werkelijkheid toch niet uiteindelijk onverwacht veel rijker is dan we altijd hebben gezien? Het zou kunnen dat er nog aspecten van de werkelijkheid zijn die we nooit hebben gezien. Dat is vergelijkbaar met de gedachte van Kant dat het 'ding op zich' onkenbaar is, of dat we tenminste niet kunnen weten of we het kennen. De filosofie waarmee ik het hier in verband breng (zie ook dit eerdere bericht) is die van (de neokantiaans beïnvloede) Herman Dooyeweerd, die de werkelijkheid beschreef in 'zijnsaspecten': fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel.

Er zijn zeker bruggen te slaan tussen verschillende beschrijvingen van de werkelijkheid, zoals tussen het fysische en het perceptieve/esthetische. Maar is de mogelijke beschrijving in het fysische het enige objectieve aan bijvoorbeeld het perceptieve/esthetische, en is wat niet fysisch uit te drukken is allemaal subjectief? Daar valt aan te twijfelen: het is toch goed mogelijk dat er nog een andere objectiviteit bestaat in bijvoorbeeld het perceptieve/esthetische waardoor alle mensen delen in wat mooi is of wat ervaren wordt?

Voor een gelovige is het gemakkelijker een rijkdom in de werkelijkheid (zoals meerdere 'zijnsaspecten') te erkennen dan voor wie niet in God gelooft; tenminste, ik kan me voorstellen dat iemand die bijvoorbeeld evolutionisme als uitgangspunt neemt het idee van meerdere zijnsaspecten nogal fantastisch en onmogelijk vindt. Dat kan ook niet anders: evolutionisme gaat al uit van de vooronderstelling dat het fysische het meest fundamentele is. Voordat een filosofische kritiek daarvan mogelijk is, moet er eerst ruimte zijn voor twijfel aan het evolutionisme – en dat is niet makkelijk als alleen schepping het alternatief is. Maar misschien onderschat ik wel de mogelijkheden van andere ontstaanstheorieën waarmee een metafysica altijd verbonden is: ook neoplatonisme, aristotelianisme, spinozisme hebben een theorie over het ontstaan van al wat is. Niet dat ik, die in God geloof, dat als alternatieven zie.

maandag 4 oktober 2010

Kant over vrije wil

Interviewer: Professor Kant, eerder heb ik u gesproken over ethiek. Graag zou ik nu wat vragen stellen over de vrije wil. Heeft volgens u de mens een vrije wil, of is die vrijheid maar een illusie?
Kant: Dat is een probleem waarmee de mens zich al eeuwen bezighoudt. Het antwoord dat ik erop geef is gebaseerd op mijn onderscheid tussen het fenomenale en het noumenale, dus tussen de verschijningsvorm van de dingen en de dingen op zich, wat ik heb uitgelegd in mijn 'Kritik der reinen Vernunft'. Als de mens uitgaat van de verschijningsvormen, en op die manier ook zichzelf bekijkt, dus fenomenaal, zal hij denken dat zijn vrijheid een illusie is. Maar de mens beseft temidden van zijn aanschouwing dat hij op zich beschouwd, dus noumenaal, vrij is.

Interviewer: Wat moet ik precies onder fenomenaal of verschijningsvormen verstaan?
Kant: Daaronder moet u verstaan de wereld zoals u ze waarneemt, in ruimte, tijd, waardoor bijvoorbeeld principes als causaliteit worden afgeleid. Met andere woorden, dat is precies het onderwerp van de empirische wetenschappen. Binnen die waarneming is er geen ruimte voor vrijheid: alles gebeurt volgens causale wetten.

Interviewer: Het systeem van natuurwetten is dus echt sluitend, met een ander woord, elke gebeurtenis is gedetermineerd? Zijn er op het laagste niveau geen toevalligheden? Als er op het laagste niveau gebeurtenissen los van de natuurwetten zouden gebeuren, zou dat een mogelijkheid openhouden voor gebeurtenissen die niet volgens de wet gebeurt en dus vrij zijn.
Kant: U bedoelt dat er nog gebieden open liggen voor natuurwetenschappelijk onderzoek? Maar hoe veronderstelt u dat deze vragen niet door de natuurwetenschap zullen worden beantwoord in de toekomst? Ik denk dat de natuurwetenschap nog genoeg voor de boeg heeft om te ontdekken volgens haar empirische wetenschap.

Interviewer: Goed. U veronderstelt dus dat causaliteit in de natuur die we waarnemen, wat u het fenomenale noemde, sluitend is en geen idee van vrijheid openlaat. Wat bedoelde u precies met het noumenale, en hoe geeft dat een idee van vrijheid?
Kant: Daarvoor moet u eerst begrijpen dat tijd en ruimte als transcedentale begrippen geen dingen op zich zijn, maar a priori begrippen van de rede die we niet uit de waarneming kunnen halen zoals a posteriori begrippen, maar opleggen aan de waarneming. Zonder een voorafgaand begrip van tijd zouden we niet eens gebeurtenissen waarnemen! De dingen die we waarnemen zijn wel dingen op zich, maar niet-ruimtelijk, niet-tijdelijk. Als de mens zich op zich beschouwt, beseft hij zijn vrijheid.

Interviewer: Maar bedoelt u nu dat ruimte en tijd maar schijn is, en niet echt bestaat?
Kant: Tijd en ruimte bestaan niet als objecten in tijd en ruimte. Maar u moet niet denken dat a priori begrippen waarmee we redeneren automatisch niet echt bestaan als aspecten van de werkelijkheid. Ze zijn wellicht wel aspecten (want ze zijn de verschijningsvormen), maar op welke manier kunnen we niet zeggen.

Interviewer: Maar als tijd en ruimte, en dus ook causaliteit, ook aspecten van de werkelijkheid zijn, zowel als vrijheid, hoe gaat dat dan samen op? Wordt vrijheid dan niet een puur theoretisch iets dat in de praktijk niet werkt?
Kant: Causaliteit is een categorie die we zelf toepassen met ons intellect nadat onze zintuigelijkheid in vormende principes van tijd en ruimte heeft waargenomen. In hoeverre het een aspect van de werkelijkheid is kan ik niet zeggen. Omdat vrijheid voor de mens als moreel wezen een basisidee is, is vrijheid het praktische idee, dus een zaak van de praktische rede, en natuurcausaliteit eerder een theoretische, dus een zaak van de theoretische rede, zou ik zeggen. Recapitulerend, er zijn dus twee beschouwingen: een intellectuele aanschouwing van de mens, noumenaal, en de sensibele aanschouwing, fenomenaal. De sensibele aanschouwing ziet de mens als natuurwezen, dus met door de natuur gedetermineerde handelingen. De intellectuele aanschouwing ziet de mens als vrij.

Interviewer: Maar u levert nu wellicht een stukje van de realiteit van causaliteit in.
Kant: Inderdaad. Dat is ook noodzakelijk, om de realiteit van vrijheid.

Interviewer: Hoe kan de sensibele aanschouwing, met haar natuurcausaliteit, ooit afgestemd zijn op de intellectuele aanschouwing, met haar causaliteit in de vrije wil, als de wetten verschillend zijn?
Kant: U hebt gelijk, die twee wetten in aspecten van de werkelijkheid te verenigen in één werkelijkheid blijft een moeilijk punt.

Interviewer: Hebt u het probleem van vrijheid hiermee niet verplaatst?
Kant: Jazeker. Maar het was precies mijn bedoeling haar te verplaatsen tot waar ze nu is.

Interviewer: En hoe is deze werkelijkheid ontstaan?
Kant: Als christen geloof ik in God as Schepper van de wereld. Nu moet u dit onderscheid inzien: God maakte als Schepper de dingen op zich, niet de gebeurtenissen. De mens maakte Hij vrij. Er is dus een verschil in de gebeurtenissen en de natuurwetten die uit de dingen op zich voortkwamen, en de dingen op zich waarvan God de directe oorzaak is. Gods bestuur bestaat dus niet in het aansturen van natuurwetten, maar in het maken van de dingen.

Dit interview is een interpretatie van de mening van Immanuel Kant in zijn Kritiek van de zuivere rede. Gebaseerd op De drie kritieken, Raymund Schmidt, Nederlandse vertaling (2003), p.236-248.

maandag 1 september 2008

Zijnsaspecten

De vraag wat 'is' is een belangrijk onderwerp van filosofie: ontologie.

De Nederlandse filosoof Dooyeweerd schetste in zijn "Wijsbegeerte der Wetsidee" (1935) deel twee een heel aantal "zijnsaspecten" van de Schepping: fysisch, biotisch, perceptief en sensitief (psychisch), spiritueel. Al deze aspecten zouden niet alleen subjectief, maar ook objectief 'zijn'. Hiermee kan onderscheid gemaakt worden tussen levenloze (geen objectief biotisch aspect) en levende dingen, tussen dieren (met een objectief psychisch aspect) en andere organismen zoals planten, tussen de geest van de mens (met een objectief spiritueel aspect) en het dier. Alle zijnsaspecten zijn overigens in objectieve zin vervlochten: de lagere structuren 'gaan op in' de hogere, enkapsis.

De huidige empirische natuurwetenschap beperkt zich echter tot het fysische. Het aannemen van zijnsaspecten boven de empirische zal zich filosofisch dan ook goed moeten laten beargumenteren.

Wat betreft het verschil tussen ziel (geest) en lichaam bestaat er een argumentatie vanuit het christelijke mensbeeld: de ziel van de mens is onsterfelijk; de mens heeft een `ik', een vrije wil die verantwoording af zal moeten leggen. Het fysische en het geestelijke móet wel objectief van elkaar gescheiden zijn: de fysische wetmatigheden gelden niet voor het geestelijke, en vice versa; de geestelijke dingen zijn niet te reduceren tot de fysische. Wat mij betreft is dat het enige ontologische onderscheid dat noodzakelijk gemaakt moet worden; de andere zijnsaspecten zijn wat mij betreft te rekenen tot het subjectieve: hoe wij de dingen (kunnen) ervaren.

In de Bijbel worden de begrippen `ziel' / `geest' en `lichaam' toch ook vooral aanverwant gebruikt. (In het boek "Psychologie, een christelijke kijk op het mentale leven" door dr. W.J. Ouweneel staat een mooie uiteenzetting over zijnsaspecten, inclusief een analyse van de Bijbelse begrippen (p.58-59).) De ziel is niet zomaar een mechaniek dat los staat van het lichaam. Gevoelens zijn zaak van zowel `ziel' als `lichaam' (zie bijv. Ps.63:2,84:3,107:9).

Maar het `lichaam' sterft, de `geest' van de mens is onsterfelijk. Dat roept meteen de vraag op: hoe zit het met dieren? Ook bij dieren gaat het om een `levende ziel': dieren zijn echt, bewegen, leven. Ze zijn even bijzonder als ons lichaam, wat echt een deel van ons is.

Treffend is hoe Prediker 3:16 t/m 21 schrijft over de onsterfelijke ziel. De mens kan zonder God en gerechtigheid niet uitnemender zijn dan een dier dat geboren wordt, leeft, sterft. Wie merkt dat de adem van de mensen naar boven gaat?

Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.

Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.

Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.

Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?