Posts tonen met het label godsbewijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label godsbewijs. Alle posts tonen

zaterdag 1 november 2025

De problemen van ongeloof

Eerder beloofde ik een keer te schrijven over de vooronderstellingen van niet in God geloven. Die zijn problematischer dan soms wordt gedacht.

Wat zijn de vooronderstellingen van het niet geloven in God? Dat hangt er natuurlijk van af wat je rekent als "geloof in God", en ook van welke opvattingen er in de plaats komen van geloven in God. Onder "geloof in God" reken ik het geloof in een kracht groter dan wij die deze wereld regeert volgens Zijn goddelijke inzicht en bevel. Wat betreft welke opvattingen ervoor in de plaats komen, laat ik het even algemeen dus ga ik alleen in op de gemene deler.

Wat bedoel ik met "vooronderstellingen"? Ik bedoel daarmee: dat wat je moet veronderstellen om jezelf, de wereld om je heen en de kaders van je doen en laten (goed en kwaad, ethiek) te verklaren. Als je in God gelooft, is er op deze dingen een antwoord. Maar welk antwoord is er als je niet in God gelooft?

Als eerste wat betreft de wereld om ons heen. Als je niet gelooft in God is deze niet door een wijsheid buiten ons ontstaan, maar toevallig. Wat er ook gezegd wordt over de evolutietheorie, de kans dat alles om ons heen door toeval ontstaan is, is onmogelijk klein, ook als je miljarden jaren de tijd neemt om dobbelstenen te rollen. De kans op het ontstaan van de natuurwetten zoals de onze is klein, een uit de vele mogelijkheden. De kans op het ontstaan van één levende cel is onmogelijk klein. De kans op het ontstaan van complexe levensfuncties is onmogelijk klein. In één woord, de vooronderstelling van ontstaan door toeval is er eentje waar je ontzettend veel geloof voor nodig hebt, of liever gezegd: het is onredelijk.

Maar waarom geloven zoveel wetenschappers dan in de evolutietheorie? De reden daarvoor is nogal menselijk: geloven in iets anders wordt niet als wetenschappelijk gezien. Een andere reden is dat wetenschappers een eigen vakgebied hebben waar ze veel van weten, maar van andere vakgebieden nemen ze maar aan dat anderen erover nagedacht hebben. Ze nemen aan dat het natuurkundig, biochemisch, ecologisch, genetisch, of paleontologisch wel goed zit met de evolutietheorie, omdat het de heersende theorie is en omdat kritiek geen podium krijgt in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften. Enfin, genoeg over evolutie.

Als tweede is er de vooronderstelling over onszelf. Die vooronderstelling is dat wijzelf ook uit hetzelfde toeval zijn ontstaan. Het probleem hiermee is dat het niet alleen onmogelijk is, maar dat het ook tegenintuïtief is. Het betekent namelijk dat ons zelfbewustzijn, ons denken, onze wil er niet zo toe doen. Waarom zou je immers waarde hechten aan een product van toeval? Het ene zou niet belangrijker zijn dan het andere. Dat is in tegenspraak met onze grote belangstelling voor en waardering van wetenschap, van kunst, van vrijheid &emdash; dat alles zou maar schijn en een wassen neus zijn als er niet Iemand is die alles met wijsheid, met liefde, met wil heeft gemaakt. Tegenintuïtief dus.

Als derde de vooronderstelling over de kaders van wat wij doen en laten. Die is dat wij onze eigen kaders moeten bepalen, dat "goed" en "kwaad" niet meer is dan waarden die wij ergens aan geven om deze wereld leefbaarder (?) te maken. Meer kan het inderdaad niet zijn als er geen hogere macht is en als er geen hogere bedoeling achter het universum zit. Maar hoe kan die vooronderstelling waar zijn? Als we zelf bepalen wat goed en kwaad is, is er helemaal geen goed en kwaad. We zouden bijvooreeld voor maximale vrijheid kunnen kiezen omdat we dat willen &emdash; en als rijke, verslaafde dwazen jong sterven. Maximale vrijheid is heilloos &emdash; het is het soort vrijheid dat leidt tot een overdosis drugs of alcohol, tot verbroken relaties, tot ongeremde haat, tot geslachtsziektes en tot moord en een vroegtijdige dood. Zo'n moreel kompas is geen kompas, ook niet als je zegt: maximale vrijheid, als je maar rekening houdt met anderen. Het is heilloos.

Missschien is er een ander moreel kompas mogelijk van "het zoeken van maximale harmonie"? Maar dan bewijst de praktijk weerbarstig te zijn. Volmaakte harmonie blijkt niet mogelijk te zijn in deze gebroken wereld. Wat voor de één harmonie betekent, blijkt dan ten koste te gaan van de ander, ook onbewust. We hebben echt redding nodig. We hebben ook echt grenzen nodig die voortkomen uit het allerdiepste inzicht in wie we zelf zijn. Het lijkt er op dat we niet in staat zijn zelf te bepalen wat echt goed en kwaad is &emdash; waar de slang Eva mee verleidde.

Ten slotte is er naast deze problematische vooronderstellingen ook een problematische consequentie van niet geloven in God: dat er geen groter Iemand of Iets is waarmee je een relatie kunt hebben. Dat betekent dat we hier op onszelf zijn, en dat de "enorme leegte om ons heen" ons slechts kan "verschrikken", zoals Blaise Pascal - zelf gelovige - eens schreef. Het betekent dat er geen groter doel is, geen grotere oorzaak, geen harmonie met de wereld om ons heen behalve een schijnbare of verzonnen harmonie. Dat is opnieuw tegenintuïtief. Want als er geen God is, is er niets dat ons liefheeft.

Ik sluit af met wat er in de profetie van Jesaja genoemd staat (Jes. 40):

Weet u het niet? Hoort u het niet?
 Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
  Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
(...) Met wie zou u Mij willen vergelijken,
 of aan wie ben Ik gelijk?
  zegt de Heilige.
Sla uw ogen op naar omhoog,
 en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
 ze alle bij name roept
door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht;
 er ontbreekt er niet één.

woensdag 14 juni 2017

Psalm 14 - Bewijzen dat God niet bestaat

In de vorige blog schreef ik over Psalm 14. Daarin staat:
"De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God."
Nu zijn er vandaag de dag best veel mensen in Nederland die beweren dat God niet kan bestaan. Atheïsme is 'in', het wordt als deugd gezien om daar een lans voor te breken en gelovigen te overtuigen dat ze het niet bij het rechte eind hebben.

Als je tegen geloof bent, lijkt het me dat je moet kunnen bewijzen dat het niet waar is. Nu ben ik nog niet een heel overtuigend argument tegengekomen dat bewijst dat God niet bestaat. Laten we er eens een aantal van bekijken.

God zie ik niet

Een heel simpel argument zou zijn:
Ik kan God niet zien

Daarom bestaat God niet
Laten we eens kijken naar dit 'bewijs'. De filosoof Aristoteles leerde ons iets over logica. Daarom kunnen we zien dat er in bovenstaande argument een regel ontbreekt, namelijk het verband tussen het eerste en het tweede feit. Als we die invullen krijgen we:
Als God zou bestaan, zou hij zichtbaar zijn
Ik kan God niet zien

Daarom bestaat God niet
Aha. Nu kunnen we ook meteen inzien dat de aangenomen regel in dit 'bewijs' niet echt overtuigend is. Als we iets over het christendom weten, weten we dat christenen (en de Bijbel) zeggen dat God een Geest is (bijv. evangelie van Johannes, 4, 24). Daarom is het juist zo bijzonder dat God als Geest 'in het vlees gekomen is', dat wil zeggen dat Jezus Christus, Gods Zoon, mens is geworden. "En buiten alle twijfel, groot is het geheimenis van de godsvrucht: God is geopenbaard in het vlees" (eerste brief van de apostel Paulus aan Timotheüs, 3, 16).

God ervaar ik niet

Een ander argument zou kunnen zijn:
Als God zou bestaan, zou hij door mij ervaren worden
Ik ervaar God niet

Daarom bestaat God niet
Ook dit zou een geldig bewijs zijn, als de twee eerste aannames waar zijn.

De eerste aanname is "Als God zou bestaan, zou hij door mij ervaren worden". Is dit onweerlegbaar? Weer: als we iets over het christelijk geloof weten, weten we dat God ons mensen goed heeft gemaakt, maar dat onze eerste voorouders Adam en Eva tegen Gods wil in zijn gegaan en dat daardoor er een breuk is gekomen in het kennen van God. We ervaren God niet meer, omdat we niet meer in eenheid met Hem geboren worden, en dat is omdat onze ouders ook niet in eenheid met God geboren worden. De Bijbel schrijft ook over satan, "de leugenaar vanaf het begin". Er is dus een goede reden om aan te nemen dat onze ervaring wel eens bedrogen zou kunnen worden.

De tweede aanname is "Ik ervaar God niet". Is dat waar? Volgens mij moet je wel met je ogen dicht lopen als je niets wilt ervaren van wie God is. Iedereen ervaart toch schoonheid in de natuur? Iedereen overvalt toch wel eens een gevoel van verwondering over deze wereld? Iedereen streeft toch naar gerechtigheid?

God zou lijden niet toestaan

Een veel voorkomende redenering is de volgende:
Als er een rechtvaardige en liefdevolle God zou bestaan die almachtig is, zou er geen lijden zijn
Er is lijden

Daarom bestaat er geen almachtige, rechtvaardige en liefdevolle God
Het is verschrikkelijk om te zien welke verschrikkelijke dingen er op aarde gebeuren. Als God zou bestaan en almachtig zou zijn, zou hij dat toch niet toestaan? En als God dat zou toestaan, zou hij liefdeloos en onrechtvaardig zijn.

Kloppen de aannames? De tweede, "Er is lijden", is onontkenbaar. Maar de eerste? De eerste aanname is juist als er lijden is dat onrechtvaardig en liefdeloos is, om het nog wat specifieker te maken. En juist daar hebben gelovigen hun twijfels bij. De God die wij kennen, is Zelf gekruisigd, dus heeft Zelf voor ons alles gedaan! Het lijden wat er in deze wereld is, zien we dus als een verschrikkelijke werkelijkheid die niet zomaar te verhelpen is. Een paar verklaringen voor deze werkelijkheid kunnen we in de Bijbel lezen. Een ervan is: God zou wel meteen alle lijden weg kunnen nemen en het toekomende rijk van Jezus kunnen brengen, maar dat betekent dat degenen die niet in Hem geloven daar geen deel van kunnen uitmaken! Dus: het rijk van Jezus komt niet nu, omdat God wil dat er meer mensen tot geloof komen (tweede brief van de apostel Petrus, 3). Een andere is: als er geen lijden zou zijn, zouden we geen behoefte hebben om tot God te gaan. Jezus zegt: "Voorwaar, Ik zeg u dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen kan binnengaan" (evangelie van Mattheüs, 19). En ook deze woorden heeft Jezus gesproken:
"Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.
Zalig bent u die nu honger hebt, want u zult verzadigd worden. Zalig bent u die nu huilt, want u zult lachen.
Zalig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitstoten en u smaden en uw naam als slecht verwerpen omwille van de Zoon des mensen.
Verblijd u op die dag en spring op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel." (evangelie van Lukas, 6)
Wij kunnen de bedoeling van veel lijden niet zien. Maar zou alle lijden niet een hoger doel kunnen hebben? Zou het niet zo kunnen zijn, dat het lijden te vergelijken is met de pijn van een moeder om haar kind geboren te laten worden? Dat is wat de apostel Paulus schrijft:
Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God.
Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft, in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. (brief aan de gemeente van Rome, 8)

God en wetenschap gaan niet samen

Een andere redenering is:
De wetenschap heeft een verklaring voor het ontstaan van de aarde
Als de wetenschap ons dit verklaart, hoeven we niet in God te geloven

Daarom bestaat God niet
Als ik de redering op deze manier opschrijf, is hij logisch ongeldig. Als je niet in God "hoeft te geloven", betekent dat niet dat God niet bestaat. Laten we proberen de redenering aan te passen zodat hij klopt:

Als God zou bestaan en hij de Schepper van de wereld is, zou niet alles toevallig zijn ontstaan
De wetenschap bewijst ons dat alles toevallig is ontstaan

Daarom bestaat God niet
Zo zou het een geldig bewijs zijn. Maar kloppen de aannames?

Nee. De wetenschap bewijst ons niet dat alles toevallig is ontstaan. Als je kijkt naar de natuurkunde, verbazen ook atheïstische wetenschappers zich erover dat alles zo perfect in elkaar zit. Als je uitgaat van de gangbare theorie van de oerknal, was een klein beetje meer of minder energie fataal geweest voor het evenwicht tussen bijvoorbeeld koolstof en zuurstof wat er voor leven nodig is. De zwaartekracht had maar een fractie meer of minder hoeven te zijn, en het leven op aarde was niet mogelijk geweest. Voor de natuurkunde is het niet mogelijk om de toevlucht te nemen tot miljoenen jaren waarin alles vanzelf ontstaat (het heelal heeft geen DNA). Daarom is de enige redelijke conclusie dat de wetenschap ons aantoont dat het ontzettend onwaarschijnlijk is dat alles toevallig is ontstaan. (Atheïsten nemen daarom de toevlucht tot het geloof in een oneindig aantal universa, waarvan ons universum er eentje is waar het toevallig goed is gegaan.) Kortom, de aannames van dit bewijs zijn ook niet waar.

Zijn er nog betere bewijzen? Ik hoor het graag! Maar anders kunnen we instemmen met "De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God." (Psalmen, 14).

maandag 3 oktober 2011

Waarom is er iets en niet veeleer niets?

"Waarom is er iets en niet veeleer niets?" Heidegger stelde de vraag aan het eind van zijn inaugurele rede ("Was ist Metaphysik?") zonder 'm te beantwoorden: "Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?". Toen ik verder zocht zag ik overal beweerd dat die vraag "oorspronkelijk" door Leibniz zou zijn gesteld, echter vaak zonder bronvermelding en bespreking van de contekst bij Leibniz. Uiteindelijk heb ik het gevonden in het essay "Principes de la Nature et de la Grace fondés en Raison", §7: "Pourquoi il y a plutôt quelque chose que rien?". De contekst: Leibniz stelt deze vraag aan de hand van het feit dat niets ontstaat zonder voldoende reden of oorzaak. Het antwoord van Leibniz: de dingen die 'contingent' bestaan (dat wil zeggen, dingen die ook anders hadden kunnen zijn) zullen niet het antwoord op die vraag geven; het antwoord kan alleen gevonden worden in iets wat niet 'contingent' maar 'noodzakelijk' bestaat, waarover dus geen verdere 'waarom'-vraag gesteld kan worden (omdat het een voldoende reden heeft dat geen verdere reden nodig heeft,) en die 'eerste reden' is God.

Het is duidelijk dat Leibniz deze vraag anders stelde als 'ie nu vaak gesteld wordt. Leibniz stelde de vraag vooral naar het waarom van de 'contingente dingen': waarom is de wereld zoals ze is, en niet anders? Hij gaat niet verder om de noodzakelijkheid van het bestaan van God te bewijzen. Of misschien zou hij zeggen dat het volgt uit het feit dat de wereld bestaat. Misschien bedoelde Leibniz de vraag als volgt: "Waarom is de zichtbare wereld zoals ze is, en waarom is er niet liever geen zichtbare wereld?" terwijl hij de vraag niet toepaste op de onzichtbare dingen en op God. Of anders ging Leibniz er van uit dat 'dat er geen verdere 'waarom'-vraag gesteld kan worden over God' iets is wat door iedereen zou worden ingezien.

Nu is dat niet (meer) zo vanzelfsprekend. Daarom wil ik met hulp van God een korte uiteenzetting geven daarover.

Wat doen we bij de vraag "Waarom x?"? We stellen die vraag dagelijks, en beantwoorden 'm met 'oorzaken' of 'redenen'. 'Oorzaken' als het om iets fysieks gaat: deze deuk in mijn auto is er omdat er iemand tegen aan reed. 'Redenen' als het terug komt op welbewuste handelingen van een mens: ik heb voor deze auto gekozen omdat ik de kleur mooi vond. Als we de 'waarom'-vraag gaan toepassen op God, zoeken we eigenlijk al dwaas. We zoeken naar oorzaken van God: alsof er iets zou zijn vóór God, alsof God niet eeuwig zou zijn, alsof er iets machtigers dan God zou zijn! Of we zoeken naar redenen voor God: alsof er iets zou zijn met meer wijsheid dan God! Maar dat de normale antwoorden onmogelijk zijn, wil niet zeggen dat onze vragen verdwijnen.

Er zijn andere voorbeelden van zulke dwaze vragen. Bijvoorbeeld de vraag: "Bestaan er geen andere werelden buiten God?" We stellen de vraag "Bestaan er geen andere x?" wel vaker: we gaan dan naar een ander voorkomen van datgene waarnaar we vragen zoeken op aarde (bijv. "Bestaan er geen andere exemplaren van deze diersoort?"), of in het heelal (bijv. "Bestaan er geen andere planeten in ons stelsel?"); hoe dan ook, we kunnen de vraag beantwoorden omdat ons ruimtelijk denken opgaat. Ons fysiek ruimtelijk begrenzend denken toepassen op God is dwaas: het is onze begrippen gebruiken op iets waarop ze niet toepasbaar hoeven te zijn.

Toch kunnen we er in de eenentwintigste eeuw moeilijk een voorstelling van maken dat God altijd zou bestaan. Ik denk dat dat vroeger gemakkelijker was. Maar ook de Grieken namen met het bestaan van hun goden geen genoegen: ze wilden eerder aannemen dat er twee oerkrachten van liefde en haat bestonden, of dat er oneindig veel elementen bestonden (waaruit de goden waren ontstaan). Dat brengt me bij twee mogelijkheden om om te gaan met deze vraag.

Het is voor ons mensen na de Verlichting en de Griekse wetenschap gemakkelijker aan te nemen dat er iets onpersoonlijks altijd heeft bestaan. Eeuwige ruwe stof of materie, of misschien zelfs rede, daar kunnen we ons gemakkelijker een voorstelling bij maken. Dus is de eerste mogelijkheid om te stellen dat God alleen een persoonlijke God is in relatie tot zijn schepping, door zijn openbaring. Ik denk dat veel christelijke filosofen geneigd zijn een godsbeeld op te werpen dat een onpersoonlijke oneindige rede inhoudt, of andere concepten zoals 'absolute wil', 'eerste oorzaak'.

De tweede mogelijkheid is er een die stelt dat de wetenschap en filosofie over de eerste beginselen van de wereld toch beperkter zijn dan we dachten (ze zijn niet toepasbaar op God): er heeft nooit iets onpersoonlijks bestaan. Misschien maakt dat het voorstellen van het eeuwig bestaan van God eenvoudiger. De ruwe materie die we ons altijd onpersoonlijk hebben voorgesteld is uiteindelijk maar relatief tot het bestaan van een persoonlijke God. De rechtvaardigheid en redelijkheid waar we op een onpersoonlijke manier over geredeneerd hebben zijn afkomstig uit het bestaan van een persoonlijke God die ons naar zijn beeld gemaakt heeft. Dat rekent meteen af met vragen zoals "Waarom is God goed?" of "Waarom is God rechtvaardig?": die vragen zijn namelijk altijd al relatief ten opzichte van de goede en rechtvaardige God.

Als er bij ons vragen zijn over God ontbreekt het ons aan kennis van God. Die kennis is te vinden bij Christus: "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk" (tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Kolosse).

vrijdag 19 november 2010

Anselmus' godsbewijs

De benedictijner monnik Anselmus van Canterbury (1033-1109) is beroemd (of later berucht) geworden om het godsbewijs dat hij in de eerste paar hoofdstukken van zijn Proslogion geeft. Het Proslogion is mooi geschreven, dus een aanrader, ook als godsbewijzen je niet interesseren. (Voor meer informatie over Anselmus: zie 'De man die God biddend bewees', Trouw, 8 mei 2009.)

Als reactie op het godsbewijs schreef een andere (meer sceptisch ingestelde) monnik, later geïdentificeerd als Gaunilo van Marmoutier, een prachtige opsomming van tegenargumenten tegen het godsbewijs van de eerste hoofdstukken van de Proslogion, hoewel, zoals hij zei, hij de rest van de Proslogion lezenswaardig en goed geschreven vond. Alleen moest de argumentatie van de eerste hoofdstukken nog maar wat verbeterd worden. Aldus Gaunilo.

De bijdrage van Gaunilo werd (door Anselmus of zijn kopiïsten) waardevol gevonden om bij te dragen aan het nadenken over de kwestie: ze werd in het vervolg met de verhandeling van Anselmus meegekopieerd (zie 'De man die God biddend bewees', Trouw, 8 mei 2009).

Voor een weergave van de argumentatie van Anselmus en Gaunilo heb ik deze in een argumentschema weergegeven. Ik heb ter verduidelijking en overweging ook meteen wat mogelijke antwoorden van Anselmus bij de argumenten van Gaunilo toegevoegd.

Natuurlijk geef ik hier geen warm pleidooi voor een godsbewijs --- voor het geloof is een bewijs niet noodzakelijk. Dat realiseerde Anselmus zich ook zeker, zoals hij in het eerste hoofdstuk van de Proslogion schrijft:
"God, ik erken en dank U dat U me in dit Uw beeld hebt geschapen [Genesis 1:27], opdat ik U zou herinneren, zou kennen, zou dienen. Maar dat beeld is zo weggevaagd door de uitputting van het bederf, zo door de rook van de zonde verduisterd, dat de mens niet bereikt, waarvoor hij bedoeld is, tenzij dat U hem vernieuwt en reformeert. Ik streef niet, Heer, naar dat ik tot Uw hoogte zou doordringen, want op geen enkele wijze stel ik daarmee mijn verstand gelijk; maar ik verlang enigermate Uw waarheid te verstaan, die mijn hart gelooft en liefheeft. Ik versta toch immers niet opdat ik zou geloven, maar ik geloof opdat ik zou verstaan. Want ook dit geloof ik: dat als ik niet zou geloven, ik niet zou verstaan [Jesaja 7:9]."

woensdag 9 juni 2010

De orde van de dag

Eerder schreef ik over Kant en de Godsbewijzen. Kants kritiek is er op uit om heldere onderscheiden te maken tussen wat zuivere rede is en wat niet. Hijzelf voelde zich als een vis in het water met het gebruiken van de zuivere rede, en dus een Verlichtingsdenker.

Maar heeft Kant daarmee 'bewezen' of voorgevochten dat de natuur (zoals we die kennen) niets met bovennatuur (die immers niet met de zuivere rede uit de natuur te kennen is) te maken heeft? Wel dat de zuivere rede binnen haar voorgedefinieerde domein niets vanuit de natuur over de bovennatuur kan concluderen. Maar zegt Kant ook iets metafysisch over wat die rede is? Kant begint zijn kritiek van de zuivere rede met een inleiding over hoe filosofie en wiskunde dwaalt als ze niet de "betrouwbare weg van de wetenschap" volgt. Zonder dat is metafysica "een louter rondtasten", en "aan de hand van louter begrippen". Kant heeft dus met passer en lineaal de de oude metafysica opnieuw berekend.

Maar tegelijk beseft Kant goed dat "de rede dus zelf haar eigen leerling" moet zijn op dit gebied. Wat zegt Kant nog meer over metafysica?

  1. Kant bewijst dat er een werkelijkheid buiten hem moet zijn, op een mooie redelijke manier, beginnend bij de (vanzelfsprekende) veronderstelling van het eigen bestaan. Van dit bestaan zijn we ons bewust als bepaald in de tijd. Een tijdbepaling vooronderstelt iets bestendigs in de waarneming waarmee we het kunnen vergelijken. Dat bestendige kan niet in mijzelf zijn, want anders kon ik mezelf er niet mee bepalen. Het is dus niet mijzelf, en ook geen voorstelling in mezelf --- het is dus een ding buiten mij wat werkelijk bestaat. Zonder bewust te zijn van de mogelijkheid van tijdbepaling (door bestendige dingen buiten mij) kan ik mezelf niet bewust zijn in de tijd, en dus is mijn bewustzijn van mijn eigen bestaan direct verbonden met mijn bewustzijn van dingen buiten mij. (De drie kritieken, samengesteld door Raymund Schmidt, p.134)

  2. Kant bewijst het bestaan van God, niet uit "speculatieve" ideeën die de rede zich uit de natuur zou kunnen maken, maar direct vanuit de morele plicht, de uitoefening van de morele wet, die in zuivere a-priori redelijkheid gegrond is. Daarmee wordt "aan het begrip van het object van een moreel bepaalde wil (dat van het hoogste goed), en hiermee aan zijn mogelijkheidsvoorwaarden, de ideeën van God, vrijheid en onsterfelijkheid, realiteit verleend, maar altijd alleen in relatie tot de uitoefening van de morele wet (niet voor enig speculatief doel)". (a.w., p.253)



Binnen het domein van de zuivere rede is er voldoende van te zeggen, volgens Kant, en andere gebruiken van de rede zijn "speculatief" en moeilijk te beoordelen. Maar de zuivere rede gebruiken wil niet zeggen dat er opeens een scheiding valt tussen natuur en bovennatuur --- alsof een filosoof zijn opvattingen niet als totaal kan overzien.

Een terechte handelswijze is om naast de toepassingen van de zuivere rede, ook de toepassing van hypothetisch gebruik van de rede of van de ervaring te stellen. Ik las vandaag in een column van 2008 in Trouw een toepassing van Kant om de opvatting van 'Intelligent Design' te diskwalificeren als het mengen van ideeën, een cirkelredenering, en een vormsel van de rede. Deze toepassing strekt mijns inziens te ver, en doet aan Kant als filosoof geen eer.

Allereerst over de kwalificatie van het mengen van ideeën: het trekken van conclusies over het bovennatuurlijke is als het spelen van een kaart in het verkeerde spel:
"Het is een beetje alsof iemand tijdens het bridgen plotseling een kaart op tafel legt en zegt „Dit is troef nel, deze slag is voor mij.” Dat is een term die bij klaverjassen past en dus niet geldig is bij het bridgen. Op dezelfde wijze gebruiken ID’ers argumenten uit het ene domein (de natuur) om iets binnen een ander domein (het bovennatuurlijke) te willen bewijzen."

Het antwoord hierop is simpel: bij de opvatting van 'Intelligent Design' gaat het niet om de spelregels van de zuivere rede, het gaat om hypotheses en begripsvorming. Niet dat het spel van de zuivere rede op de achtergrond niet een rol speelt; zeker wel, maar zij bepaalt hier geen uitkomst.

Verder wordt de opvatting van Kant over de idee van doelgerichtheid verwoord:
"Kant vond het onzinnig om vanuit de doelgerichtheid van organismen (hun ’design’, zeg maar) het bestaan van God te willen bewijzen. Hij maakte onderscheid tussen drie soorten doelgerichtheid. Je kunt doelgerichtheid onderkennen in de samenhang van delen binnen organismen – tussen het wortelgestel en de bladeren van een plant, om maar wat te noemen. Een tweede vorm van doelgerichtheid is denkbaar tussen organismen onderling: bijvoorbeeld het gras dat de koe tot voedsel dient, koeien die weer nuttig zijn voor mensen. De derde vorm van doelgerichtheid bestaat in de veronderstelling dat de hele natuur een doel heeft, weloverwogen zo is geschapen.

De eerste vorm van doelgerichtheid noemde Kant acceptabel, de tweede hypothetisch, en de derde een hersenschim.

(...) De derde vorm van doelgerichtheid – de welgeordendheid van de natuur als geheel – onttrekt zich volkomen aan welke waarneming en bewijsvoering dan ook. Je kunt niet het geheel van de natuur waarnemen, alleen delen ervan. Daarom blijft een dergelijke totaliteit een concept of idee. Om daar nu doelgerichtheid aan toe te schrijven is het schuiven van een idee onder een idee. Het is de kwadratuur van verbeeldingskracht en voor Kant niet meer dan een hersenschim."

Deze redenering spreekt uit dat de vaste grond voor de zuivere rede om te deduceren uit de ervaring van de natuur als geheel, ontbreekt. Echter, buiten deze deductie kan de rede vanuit de ervaring en vanuit andere hypotheses zeker wel bijdragen aan hypotheses over de natuur als geheel.

Daarna over de kwalificatie van een cirkelredenering: het trekken van conclusies over het bovennatuurlijke uit de natuur vooronderstelt al dingen van het bovennatuurlijke. Deze kwalificatie is een verwarring van een hypothese met een bewijs. 'Intelligent Design' is geen bewijs, maar een hypothese. Met het natuurlijke wordt een hypothese van het bovennatuurlijke verbonden, die vervolgens als aannemelijk of niet kan worden beoordeeld --- weliswaar niet door de zuivere rede.

Ten slotte over de kwalificatie van een vormsel van de rede: vanuit kennistheoretisch perspectief stelde Kant dat alles wat wij waarnemen, gevormd werd door a priori categorieën van het denken; ook doelgerichtheid is zo'n categorie. "Kortom: de orde die fysicotheologische auteurs (en de huidige ID’ers) onderkennen in de natuur is niet een bewijs van de Voorzienigheid, maar een weerspiegeling van het ordenend vermogen van hun eigen geest".
Deze kwalificatie ten slotte laat helemaal buiten beschouwing dat er ook nog een werkelijkheid is die we waarnemen, hoewel met het ordenend vermogen van de geest. De opvatting van 'Intelligent Design' is niet gegrond op dat er een orde wordt waargenomen, maar juist op de complexiteit en de schitterendheid van de natuur binnen die orde van waarneming.

Gemakkelijk is het niet om de hypotheses van de rede te waarderen. Maar voor het leven en voor de filosofie is het niets vreemds.

woensdag 20 januari 2010

Godsbewijzen

Mijn vorige bericht is al even geleden. Intussen heb ik me nog wel een klein beetje met filosofie beziggehouden: Dit artikel geschreven over de Godsbewijzen, "de hoogste wetenschap van de Middeleeuwen". Fascinerend voor mij was te ontdekken hoe de vraag naar de kennis van en het bewijs voor het bestaan van God als een rode draad door het werk van de filosoof Immanuël Kant loopt, terwijl zijn filosofie ten onrechte vaak als een kritische benadering, en vervolgens als een afscheid van theïsme (het geloof in God als een persoonlijke God) wordt gelezen.