Posts tonen met het label Gods Geest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gods Geest. Alle posts tonen

vrijdag 13 mei 2016

Psalmen - 2

Vorige week schreef ik over Psalm 1. Vandaag Psalm 2:

1 Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2 De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3 Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!
4 Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
6 Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
7 Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
8 Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
9 U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.
10 Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde.
11 Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
12 Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

Bevreemdend:
Wat in eerste instantie bevreemdend is in deze psalm is dat God een mens, een koning van Sion, Zijn Zoon noemt, en zelfs zegt "Ik heb u heden verwekt" of voortgebracht (vers 7). Iets begrijpelijker wordt het als we zien hoe verweven het bestuur van God en het bestuur van de genoemde koning van Sion is. Er staat niet dat de volken tegen de koning van Sion opstaan, maar dat zij tegen de HEERE en Zijn Gezalfde opstaan. Er staat niet dat zij zeggen "Laten wij zijn banden verscheuren" (nl. van de koning van Sion), maar "Laten wij hun banden verscheuren". En het dienen van God wordt in één adem genoemd met het dienen van de koning van Sion (laatste verzen). God heeft blijkbaar deze koning aangesteld en deze koning regeert namens God, dat zou een reden kunnen zijn waarom God hem Zijn Zoon en afstammeling noemt.

In de Bijbel vinden we een opgeschreven belofte van God aan David en zijn nageslacht die met de inhoud van deze psalm overeenkomt. Voor de volledigheid citeren we deze volledig:
11 (...) Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.
12 Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.
13 Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.
14 Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen.
15 Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw ogen weggenomen heb.
16 Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn (profetie van Samuël, tweede boek, 7).

De bevreemding is daarmee niet helemaal weg. Hoe kan God nu zijn wereldbestuur aan het nageslacht van David geven? Het antwoord is tweeledig:
  1. De koning is gezalfd met Gods Geest, dus heeft gaven gekregen om volgens Gods wil te handelen;
  2. Deze tekst wijst ons op Jezus Christus, de Zoon van God, die ook uit het geslacht van David was en door God als Koning van de aarde is aangesteld.
Dat laatste verklaart ook een ander element wat anders bevreemdend zou zijn: dat er staat "Ik zal u de heidenvolken als uw eigendom geven, de einden der aarde als uw bezit" (vers 8). Het rijk van Israël had niet echt de potentie om een wereldrijk te worden, hoewel de invloed van koning Salomo, de zoon van David, zich wel ver over de grenzen van Israël uitstrekte. Daarom gaat het hier om het wereldbestuur van Jezus Christus, de Zoon van God, die de aarde zal oordelen.

Herkenbaar:
Het beeld van een almachtig God wiens wil heel de aarde bestuurt is voor ons herkenbaar; of liever, dat God niet aards is en daarboven verheven is. In de tijd dat deze psalm geschreven was was men meer gewend aan goden die in een stad of koninkrijkje invloed hadden en daarbuiten niet. Eigenlijk ligt het revolutionaire van deze psalm niet in het feit dat God een koning bijstaat, maar in het feit dat God alle einden van de aarde regeert en aanspreekt!

Profetisch:
In het bijbelboek Handelingen van de apostelen worden de teksten uit deze psalm toegepast op Christus en degenen die niet in Hem geloven. Ook in de brief aan de Hebreeën wordt het koningschap van Jezus vanaf het begin benadrukt, ook om te overtuigen dat het wereldbestuur niet anders dan aan de Zoon van God gegeven zal worden, die voor ons naar de aarde kwam en leed en werd veracht voor onze zonden. De wonderen die Jezus deed waren niet om aan te tonen dat Hij de almachtige Koning is, maar staan in het teken van Zijn verlossing.

En in het evangelie van Mattheüs lezen we van de woorden van Jezus zelf. Hij gebiedt zijn onderdanen niet om geweld uit te oefenen, maar om het evangelie te vertellen zodat mensen Christus als Zoon van God en Verlosser kennen:
En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.
Amen.

donderdag 30 mei 2013

Afstand?

Vanaf het begin van dat God de wereld gemaakt heeft hebben we te maken met een bedrieger. De eerste mensen had God toestemming gegeven om overal van de vruchten van de bomen te eten, behalve van de boom in het midden van de hof van Eden. Deze bedrieger probeert Eva uit de tent te lokken door het verbod van God strenger te maken: "Is het niet zo dat God heeft verboden van alle vruchten van de bomen in deze hof te eten?" Eva trapt erin, want het is merkbaar dat ze het gebod van God als beperking gaat zien. De bedrieger zegt vervolgens: "U zult niet sterven, maar u zult zijn als God, als u van die boom eet." (bijbelboek Genesis, 3:1-5) Daarmee maakt de bedrieger eerst de afstand tot God groter door God een bedrieger te maken. Daarna maakt hij ook de afstand groter door te benadrukken dat God en de mens heel verschillend zijn en dat de mens is onderworpen aan God. Voorheen was God voor de mens als een vriend aanwezig in de hof. De bedrieger schildert God af als ver weg en afstandelijk.

Hetzelfde bedrog is nog steeds levend. Waarschijnlijk beeldt u zich in dat God ver weg is, als u in God gelooft. Waarschijnlijk gelooft u in het idee dat als er een God bestaat, die God zich niets aantrekt van wat hier gebeurt en van een totaal andere orde is dan de wereld. Waarschijnlijk gelooft u niet dat God een persoonlijke God kan zijn, en als u het gelooft, denkt u misschien dat God vooral beperkingen oplegt aan de mens.

Het thema 'afstand' komt ook terug bij de hemelvaart van Christus. Het evangelie vertelt hoe Gods Zoon, veertig dagen na zijn opstanding, van de aarde wegging naar zijn Vader. De hemel betekent trouwens niet dat God ver weg is. God is overal en dichtbij, maar God is niet persoonlijk dichtbij zoals in de hof van Eden en Christus is niet meer op aarde met zijn lichaam.

God heeft inderdaad afstand genomen van de aarde, maar is er nog steeds met zijn boodschappers. Als eerste gaf Christus aan zijn discipelen bevel om het evangelie in heel de wereld te vertellen. Ook heeft God vanaf het begin van de wereld zijn engelen naar mensen gestuurd ('angelos', 'engel', is het Griekse woord voor 'boodschapper'). Maar nog het meest is Gods Geest in deze wereld om ons te overtuigen dat God niet ver weg is. Dat herdenken christenen met Pinksteren, vijftig dagen na het lijden van Gods Zoon, Christus. Gods Zoon heeft zijn discipelen niet alleen gelaten, zoals Christus zegt (evangelie van Johannes, 14:16-18):
"Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe."

maandag 3 september 2012

Geen idee van God

De belijdenis van de kerk dat de oneindige en eeuwige God uit drie personen (Vader, Zoon en Heilige Geest) bestaat wordt niet door iedereen even gelovig overgenomen.

Wat zegt de Bijbel er eigenlijk over? We citeren een tekst uit de eerste brief van de apostel Johannes:
"Wie anders is het die de wereld overwint dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? Hij is het Die kwam door water en bloed: Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het Die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één." (5:5-8)
Maar hier staan er meteen tekstkritici klaar die erop wijzen dat er hier woorden (die ze dan het 'comma Johanneum' noemen) zijn ingevoegd door latere generaties christenen, omdat de meeste handschriften de woorden over de hemelse drie-eenheid missen. Omdat deze blog niet de plek is voor een tekstkritische discussie zal ik de tekst niet als bewijs maar als idee nemen.
Wat getuigt er op de aarde van God? Dat is de Geest die in ons hart getuigt ("de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is") en ons leven vernieuwt, het water van de doop dat de afwassing van de zonde en dus de heiliging symboliseert, en het lijden en sterven van Jezus Christus, de Zoon van God, dat de zonde vergeeft. Zonder die drie dingen bestond er alleen maar ons onwetende, onheilige, onverzoenlijke leven buiten God.
Maar bij nader inzien zijn deze drie aardse getuigen meteen getuigen van wie God is.
  1. Allereerst over het getuigen van de Geest. Er staat "De Geest getuigt": "de Geest" is dus niet een opvatting van de mens, want wie zou de opvatting van een mens als getuige willen nemen voor het bestaan van God? Er staat over die Geest dat het "God is" die "in ons" blijft:
    "Niemand heeft ooit God gezien. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volmaakt geworden. Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. En wij hebben gezien en getuigen dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Zaligmaker van de wereld. Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God. En wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd. God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem." (4:12-16)
    Dus de Geest die God de Vader ons heeft gegeven getuigt, dat Jezus de Zoon van God is. Dezelfde apostel Johannes schrijft in zijn evangelie de woorden van Jezus: "Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb." (14:26)
  2. Wat het getuigen van de doop betreft, daarover kunnen we allereerst lezen hoe Jezus "gekomen is door water". In het evangelie staat hoe Jezus als profeet van God werd gedoopt:
    "Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden. Maar Johannes wilde Hem hiervan weerhouden en zei: Ik heb het nodig door U gedoopt te worden, en komt U naar mij? Maar Jezus antwoordde hem en zei: Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het Hem toe. En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!" (3:13-17)
    We zien dit ook kort herhaald in het evangelie van de apostel Johannes zelf (1:29-34). Dus Jezus is als profeet gedoopt terwijl Zijn Vader en de Geest getuigden dat Hij Gods Zoon was! En daarna kunnen we ook wijzen op de doop in de Naam van Christus: "Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen." (evangelie van Mattheüs, 28:19)
  3. Hoe getuigt het het lijden en sterven van Jezus van God? Hoe is Jezus "gekomen door het bloed"? Het lijden en sterven van de Zoon van God geeft ons de vergeving van zonden (evangelie van Mattheüs, 26:28). Daarom schrijft de apostel Johannes in deze brief: "Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden." (4:10) Het geloof in Jezus Christus staat centraal: dat is het geloof dat "de wereld overwint" en wat door de Geest van God is: "Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en die nu al in de wereld is." (vers 2-3) En dat geloof maakt ons "kinderen" van God de Vader: "Lieve kinderen, u bent uit God en u hebt hen overwonnen, want Hij Die in u is, is groter dan hij die in de wereld is." (vers 4)
Wie dus kritisch zegt dat vers 7 niet in de rest van de brief van de apostel Johannes past, lijkt de rest van die brief niet te hebben gelezen...

Laten we het nu over de filosofische kant ervan hebben. Is het niet onmogelijk dat de Zoon, de Vader en de Geest één God zijn in plaats van drie goden? De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel zegt: "één in wezen met de Vader". De geloofsbelijdenis van Athanasius: "Zo is de Vader God, de Zoon God, en de Heilige Geest God. En toch zijn zij niet drie Goden, maar één God." Hoe kan dat?

Allereerst moeten we natuurlijk weten dat de Zoon niet de Vader is (want anders zou de Vader de zonden vergeven door het lijden van Zichzelf...) en dat de Geest niet de Zoon of de Vader is (anders zond de Vader Zichzelf...). Maar hoe zijn ze dan één, als ze niet hetzelfde zijn?

De bisschop Augustinus heeft een boek "Over de Drie-eenheid" geschreven waarin hij deze vraag probeert te beantwoorden. Verassend is dat hij dat doet door beelden van drie-eenheid terug te vinden in de natuur, maar in het bijzonder in de menselijke geest. "Het beeld van God moet gevonden worden (...) in de redelijke of intellectuele ziel waar het beeld van de schepper op onsterfelijke wijze in haar onsterfelijkheid ingeplant is." (Over de Drie-eenheid, uitg. Peeters, 2005, XIV.4,6, p.364) Hij noemt zo herinnering, begrip, en wil, als drie elementen van één menselijke geest, zoals God de Vader de Oorsprong, God de Zoon het Woord, en God de Heilige Geest Liefde genoemd worden. En die woorden vinden we dus ook in de Bijbel terug, zoals bijvoorbeeld wat we al genoemd hebben uit de brieven of het evangelie van de apostel Johannes, die ook over de Zoon van God zegt: "In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God" (evangelie van Johannes, 1:1).

Wie zou dus willen beweren dat het woord van iemand anders is dan die persoon zelf? En toch wordt is dat woord uit die persoon voortgekomen en niet andersom. Het Woord van God, Jezus Christus, is hetzelfde als God de Vader, en toch is Gods Zoon uit God de Vader voortgekomen. Of wie zou zeggen dat de liefde van iemand niet hetzelfde is als die persoon, of dat je de liefde en het woord van iemand kunt scheiden? De liefde, die door Gods Geest in ons is, is God, en de liefde van God is niet te scheiden van het Woord van God, Gods Zoon.

En hoe zou het ene meer kunnen zijn dan het andere als het ene het andere kenmerkt? De Zoon van God, Jezus Christus, is het kenmerk van God de Vader. De Heilige Geest van God is het kenmerk van de Vader en van de Zoon. Jezus Christus zegt wel: "Mijn Vader is meer dan Ik" (14:28) als Hij het heeft over dat Hij naar de hemelse heerlijkheid zou terugkeren, maar dat wordt over het Woord gezegd dat een lichaam heeft aangenomen (1:14): "het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond", en waarvan staat: "het Woord was God" (1:1).

Als de Zoon van God 'het Woord' wordt genoemd is dat wel een manier van spreken die niet letterlijk moet worden opgevat. Bij ons is het woord wat iemand uitspreekt van een andere substantie dan degene die spreekt: iemand die spreekt is fysiek, zijn woord is niet fysiek. Maar het Woord van God heeft hetzelfde zijn als God de Vader. Het is "God uit God, Licht uit Licht" (geloofsbelijdenis van Nicea). En op dezelfde manier is ook de Geest, waarvan gezegd wordt dat de Heilige Geest getuigt op aarde en de trooster van de volgelingen van het Woord is. God is dus niet één persoon, maar wel één zijn.

Zo zien we dus hoe de eeuwige en oneindige God drie is en toch één, en dat we deze drie Goddelijke personen als hemelse getuigen moeten erkennen als we God willen kennen. De filosofische God die abstract enkel en één is, is juist een onbedenkbare bespiegeling. Zonder het getuigen van de Vader, het Woord en de Geest in de hemel zouden we geen idee hebben wie God is.