Posts tonen met het label Epicurii. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Epicurii. Alle posts tonen

maandag 16 mei 2016

Psalm 1 - Aristoteles en Epicurus

Vorige week schreef ik over Psalm 1. Om de implicaties van deze psalm beter te begrijpen, constrasteer ik deze vandaag met filosofische uitgangspunten die ermee in strijd zijn.

De filosoof Aristoteles spreekt niet tegen dat er goed en kwaad is, maar wel dat het kwaad door God bestraft wordt. God is bij Aristoteles de eerste beweger en fungeert alleen als hoogste gedachte. De eerste beweger bemoeit zich niet met de aarde. Dat is in tegenspraak met het laatste vers van Psalm 1:
Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan. (Psalm 1, 6)
Bij Aristoteles is het moreel onjuiste ook niet opzettelijk, maar komt het voort uit onkunde (ontbreken van theoretisch of praktisch inzicht), of uit wilszwakte (akrasia). Iedereen is volgens Aristoteles op het goede gericht, alleen weet men niet wat het goede is. Dat is in tegenstelling tot wat er in Psalm 1 wordt gezegd, want daar gaat het om opzettelijk overtreden van Gods wet en het spotten ermee (vers 1). Daarom is er ook sprake van een gericht waarvoor de goddeloze niet staande zal kunnen blijven (vers 5).

Waardoor komt deze tegenstelling? Als we daarnaar zoeken komen we erachter dat de grond ervoor al in de eerste hoofdstukken van het eerste bijbelboek Genesis te vinden is. Daar wordt immers gesproken van:
  • dat God de aarde schiep, en die heel goed was;
  • dat het kwaad in de wereld kwam met het overtreden van Gods eerste gebod aan de eerste mensen Adam en Eva.
Omdat Aristoteles niet gelooft in een Schepper die ons kent, en ook niet in een eerste gelukkige situatie waarin de mens met God in overeenstemming kon zijn, heeft Aristoteles geen perfecte en heilzame wet van God maar een wet van het juiste midden, en staat hij coulant tegenover onjuist handelen. Eigenlijk begint het erkennen van opzettelijk goed en kwaad bij het erkennen van een wet van God, en begint het erkennen van een wet van God bij het erkennen van een Schepper die ons kent, en begint het erkennen van die Schepper bij het geloof in Gods profetische openbaring aan de wereld door de profeten in de Bijbel en door de komst van Jezus Christus, Gods Zoon, naar de aarde.

Een ander filosofisch uitgangspunt dat in nog groter contrast staat tot Psalm 1 is de filosofie van Epicurus. Volgens hem dient de kosmos geen enkel doel, en bestaat er geen goden of bemoeien ze zich niet met de wereld. Het goede voor de mens is volgens Epicurus dus het in zekere mate scheppen van eigen orde waarin we ons gelukkig voelen. De filosofie van Epicurus leidde overigens weer tot de ethiek van het utilitarisme: dat het goede is datgene wat voor de meeste mensen nuttig is/tot geluk leidt. Het hoogste goed is volgens Epicurus een 'niet verontrust worden' (ataraxia). Dat staat natuurlijk in contrast met Psalm 1 die duidelijk maakt dat er zeker wel een objectief goed en kwaad is in de wet van God, en reden tot verontrust zijn is voor degene die moreel onjuist handelt.

De enige overeenstemming tussen Epicurus en Psalm 1 is dat er genieten is. Want Psalm 1 omschrijft de rechtvaardige als volgt:
(...) die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken. (Psalm 1, 2-3)
Het verschil is dat bij Epicurus het genieten niet op iets specifieks gericht is, maar in Psalm 1 het genieten is gericht op God. Ook hier begint het verschil met het geloof in een Schepper versus het geloof van Epicurus dat de kosmos door toeval tot stand is gekomen en ook weer uit elkaar zal vallen.

woensdag 21 mei 2014

Lekker eten

Eten hoort bij genieten. Het enige probleem is dat net als bij wijn, we niet vanzelfsprekend met weinig tevreden zijn. Wat dat betreft kunnen we nog wel wat leren van Epicurus, die genoot van een glas water.

In het Bijbelboek Spreuken staat een prachtige spreuk over dronkenschap (23, 29-35):
Bij wie is ach, bij wie is wee? Bij wie is geruzie? Bij wie geklaag? Bij wie zijn er wonden zonder oorzaak? Bij wie wazige ogen?

Bij hen die lang doorgaan bij de wijn, bij hen die komen om gemengde drank te proeven. Kijk niet naar de wijn, wanneer hij rood kleurt,
als hij fonkelt in de beker, al glijdt hij gemakkelijk naar binnen. Uiteindelijk bijt hij als een slang, spuwt hij gif als een adder. Je ogen zullen naar vreemde vrouwen kijken, en je hart zal verderfelijke dingen spreken. Je zult zijn als iemand die ligt te slapen in het hart van de zee, en als iemand die in de top van de mast ligt te slapen.

Men heeft mij geslagen, ik ben niet ziek geworden, men heeft op mij ingebeukt, maar ik heb het niet gevoeld. Wanneer zal ik ontwaken? Ik ga weer op zoek naar wijn!
Tegelijk staat er in de Bijbel genoeg over genieten van (met mate gedronken) wijn:
Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon. (Bijbelboek Prediker, 9, 7-9)

Maar ook met eten moet je matig zijn. In hetzelfde Bijbelboek Spreuken staat (23, 2):
Zet een mes op uw keel, als u een gulzig mens bent.
Dat staat in de contekst van het bezoek aan de rijkgedekte tafel van een heerser. Het is niet zo gek dat eraan toegevoegd wordt:
Wees niet belust op zijn smakelijke gerechten, want het is bedrieglijk voedsel.
Luxe voedsel is namelijk vaak geen gezond voedsel, omdat er ingespeeld wordt op de begeerte van de mens in plaats van de behoefte.

De Bijbel bevat ook leefregels over wat gezond voedsel is. De Joden houden een overstrenge interpretatie van deze leefregels wat ze 'kosher' noemen. Deze zijn bij het christendom buiten Israël nooit echt nagevolgd, omdat ze niet werden verplicht. Het is mooi en bijzonder dat deze leefregels door het voortschrijdend inzicht over welk voedsel schadelijk kan zijn opnieuw in de aandacht zijn gekomen bij christenen. Tessler. Toch krijgt deze opleving soms het karakter van een hype die selectieve pseudowetenschap combineert met een selectief lezen van de Bijbel. Daarom wil ik bij deze een samenvatting geven van de Bijbelse inzichten. Ik heb enkele van deze inzichten geleerd uit het boek 'Het Genesisdieet' van dr. Gordon S. Tessler en 'Wetenschap in de Bijbel' van dr. Ben Hobrink, hoewel ik enkele meningen uit het eerste boek ook wil tegenspreken en aanvullen.

Allereerst is er de schepping. God geeft de mensen alle zaden en vruchten van bomen en planten, de dieren al het groene gewas (Genesis 1, 29-30). Zaden en vruchten betekent dus ook graan!

Na de overtreding van Adam en Eva tegen God werd alles anders. Ze werden weggestuurd uit het paradijs en de aarde werd vervloekt (Genesis, 3, 17). Dat betekent dat vruchten en zaden wellicht niet meer dezelfde waarde hadden als daarvoor! Het is ook opmerkelijk dat Abel, de tweede zoon van Adam en Eva, veeherder wordt (naast Kaïn die landbouwer werd). Abel bracht God een offer van het beste van zijn vee (zoals Kaïn van de opbrengsten van de aarde), waaruit je kunt opmerken dat er toen al vlees gegeten werd!

Duidelijker is verandering te lezen bij Noach, waarvan we in de Bijbel kunnen lezen van een nieuw verbond nadat God de goddeloze mensen heeft gestraft. God spreekt tegen Noach (Genesis, 9, 3-4):
Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas. Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten.
Dus niet alleen vlees maar ook het groene gewas, dat eerst voor de dieren bestemd was, gaf God aan de mens in het nieuwe verbond dat duidelijk wordt bij Noach. Het bloed is dus verboden.

Wat er onder het groene gewas allemaal verstaan kan worden is verder niet duidelijk. God geeft geen onderscheid aan in de wetten aan Israël, dus lijkt het eten van paddestoelen of aardappelen niet meteen ongezond te zijn. Tegelijkertijd zijn groenten niet de ingrediënten die genoemd worden als er genoemd wordt wat de beste vruchten van de aarde voor de mens zijn; dan zijn graan, olie, wijn, honing en melk.

Een verder onderscheid tussen welke soorten vlees gezond zijn en welke niet vinden we in de wet aan Israël (Leviticus 11, Deuteronomium 14). Rund, geit, schaap zijn rein, dat wil zeggen mogen gegeten worden; varken en paard zijn onder anderen onrein. De vuistregel die God geeft is: alles wat een gespleten hoef heeft en herkauwt is rein. Deze vuistregel zorgt ervoor dat er geen roofdieren worden gegeten (die hebben geen gespleten hoeven) en geen alleseters (die herkauwen niet)! Voor de vogels is er een vergelijkbare verdeling dat er geen roofvogels of aaseters gegeten mogen worden. Voor de vissen is er een andere vuistregel: alleen vissen met schubben en vinnen mogen gegeten worden. Vis die dat niet heeft zoals garnalen of paling houdt zich vaak op in de bodem van het water en is dus meer voor afvalverwerking bestemd. Insecten zijn niet eetbaar behalve de sprinkhaan.

Het deel van het vlees wat eetbaar is vinden we ook beschreven. Men mag geen vet eten (Leviticus 7, 23). Bij het offeren was het vet ook 'voor de HEERE bestemd' (Leviticus, 3, 16). Het staat nader beschreven als de staart, het vet dat de ingewanden bedekt en het vet dat daaraan vastzit. Verder werden de kwab aan de lever, de beide nieren en de kop niet gegeten (Leviticus 3, 9-10; 1, 8).

Melk en melkproducten zijn natuurlijk ook zo oud als de geschiedenis. Isaï geeft David bijvoorbeeld kazen mee als geschenk voor de bevelhebber van het leger (1 Samuël 17, 18). David krijgt terwijl hij op de vlucht was honing, boter, vlees en kazen van koeienmelk (2 Samuël 17, 29). Geitenmelk was er natuurlijk ook (Deuteronomium, 32, 14). Als de vruchtbaarheid van het land Kanaän wordt geroemd wordt het een land genoemd dat "overvloeit van melk en honing" (Exodus, 3, 8). Zowel melk als honing zijn geschenken van God!

In Het Genesisdieet heeft dr. Tessler geen goed woord over voor melk en kaas, dat combinerend met de nodige pseudowetenschappelijke uitspraken. Tessler suggereert verder dat koemelk ongezonder zou zijn, en dat in de bijbelse tijd van alle koemelk kaas en boter gemaakt werd en alleen geitenmelk gedronken. Omdat God er geen aanwijzing voor geeft ga ik ervan uit dat het matig drinken van koemelk echt geen gezondheidsprobleem hoeft op te leveren.

Ethische regels voor het omgaan met dieren staan er ook in de Bijbel. Deze regels zijn spaarzaam maar casuïstiek, dat wil zeggen, ze geven één voorbeeld en de algemene regel moet je eruit afleiden. Allereerst is er een regel tegen overbelasting van de natuur. Als je een nest met vogels vindt, moet je of de moeder of de jongen laten gaan (Deuteronomium, 22, 6-7). Dan is er een regel tegen wreedheid. Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder (Exodus, 23, 19).

Honing is een andere gave van God. Salomo vergelijkt het met de wijsheid, dus met het beste wat er is!
Eet honing, mijn zoon, want dat is goed, en honingzeem is zoet voor je gehemelte. Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel: als je haar vindt, dan is er toekomst, en wordt je hoop niet afgesneden. (Spreuken, 24, 13-14)
Maar juist met het beste wat moet je ook matig zijn! Want even later lezen we:
Hebt u honing gevonden, eet dan tot u genoeg hebt, anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit. (Spreuken, 25, 16)

zaterdag 26 november 2011

Christelijke politiek: de Stad van God

Politiek is een gek ding. Hobbes beschreef het als een verscheurend beest dat tussen alle egoïsten op wacht ligt. Dat sluit een beetje aan op de epicureïsche vaststelling dat de mens gericht is op eigenbelang, hoewel dingen als vriendschap een eigen dynamiek kunnen hebben. De Stoa lijken heel wat positiever over politiek: de overlevingsdrang van een levend wezen heeft affiniteit met de gemeenschap, met de kosmos: de Stoa waren ongetwijfeld goed in superstaten en wereldverdragen.

Doordat de ethiek van Plato en Aristoteles heel anders was, is hun staatsbegrip ook anders. Plato zag de staat als de ziel in het groot. Aristoteles zag de staat als het lichaam in het groot, en waar hij ethiek beschouwde als het persoonlijk welbevinden, beschouwde hij politiek als de gemeenschappelijke welvaart en dus belangrijker.

Wie moet de staat dus besturen of vormen? Iets onafhankelijks (Hobbes, Epicurus)? Iedereen (de Stoa)? De meest deugdzamen (Plato, Aristoteles)?

Voor de christelijke visie is het duidelijk dat ieder mens kan falen, en dat er geen betere bestuurder kan zijn dan God. Het is mooi om te lezen hoe Augustinus de "Stad van God" stap voor stap beschrijft. De mens heeft het hoogste geluk door het liefhebben en gehoorzamen van God. De Stad van God is in de hemel: de burgers op de aarde zijn dus min of meer vervreemd.

Toen ik dit stukje begon te schrijven dacht ik misschien een definitief antwoord te kunnen geven op wat praktische vragen die bij me opkwamen, zoals: Hoe zit het met de ambtenareneed en het geweten van de ambtenaar? In hoeverre kan de overheid rituele slacht verbieden? Maar ik zie nu in dat er geen absoluut antwoord is. De politieke constitutie van een staat is, althans volgens een christen, maar relatief.

Er is nog wel meer te zeggen over politiek, maar het hoofdgebod is dit: "Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken." (Het evangelie van Mattheüs, hoofdstuk 5, de woorden van Jezus)

vrijdag 3 juni 2011

Geluk is het beste

Er was eens een slimme man die erachter kwam dat nadenken over het nut van het leven een ongecompliceerd geluk in de weg stond. Die man stelde toen dat het het beste was om te genieten van dat ongecompliceerde geluk. Deze man was...

Ik heb eigenlijk twee namen in gedachten: Epicurus, maar ook: Salomo, of de schrijver van het bijbelboek Prediker.

Epicurus schrijft kalm en weldoordacht over geluk in zijn brief aan Menoikeus. Op een bezadigde manier ruimt hij de obstakels voor geluk uit de weg. De goden kunnen niet anders zijn dan onverstoorde genieters van een eeuwige rust, en staan het geluk van een mens dus niet in de weg. De dood, waar ieder mens voor vreest, is een einde van het geluk maar tegelijk een einde van de mogelijkheid van ongeluk omdat we er gewoon niet meer zijn: "wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer". Epicurus is er ook van overtuigd dat er niets meer is dan atomen (in een oneindig lege ruimte) en noodzaak die slechts door toeval wordt onderbroken. De kanten van zijn hedonisme die als minder positief kunnen worden geïnterpreteerd sla ik even over.

In het bijbelboek Prediker vinden we andere observaties (zie ook een vorig bericht daarover). Daar is er geen universum van noodzaak en toeval, maar van mogelijkheid en Godsbestuur. Toch is er geen sluitend antwoord op de vraag naar het praktische nut van het leven vanuit het menselijke perspectief:
"Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. Nooit geeft hij zijn ogen rust, dag noch nacht, maar bij alles wat God doet onder de zon, zo heb ik ingezien, doet hij wat hij doet. De mens is niet in staat de zin ervan te vinden. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden." (hoofdstuk 8)

Salomo verwijst dan naar het ongecompliceerde geluk als de zin van het leven:
"Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon. Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen, want er is geen werk, geen overleg, geen kennis of wijsheid in het graf, waar u naartoe gaat." (hoofdstuk 9)

Bijzonder is dat het boek Prediker eindigt juist met de heenwijzing naar het komende verval van het lichaam en de dood. "Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd – voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer." Het boek wordt zelfs beëindigd met deze toevoeging: "Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte." Het ongecompliceerde geluk wordt ingekaderd door het einde van het aardse leven en de verhouding tot God. Het is de voorwaarde voor de mogelijkheid van geluk.

Voor een christen moet de filosofie van Epicurus altijd iets hebben van een schijnrust. Zoals ik in het vorige bericht schreef, ben ik ervan overtuigd dat er een verlangen is voor een christen dat niet genoeg kan hebben aan het huidige leven maar vooruit ziet en wacht. En ik geloof niet dat welke mens ook (christen of niet) een substituut voor die verwachting kan vinden dat totale vrede geeft in het leven. Er is dus een punt van overeenkomst tussen Salomo en Epicurus, maar de uitwerking en context is verschillend.

dinsdag 31 mei 2011

Filosofie van het wachten

Als je geen vrede met jezelf hebt, is het beter eerst te bedenken wat je eigenlijk verlangt en wat de echte vervulling van je verlangen is, dan een directe afleiding ervan te zoeken. Ik heb de ervaring dat ik daar wel eens in faal, daarom schrijf ik het op.

Een voorbeeld is verveling. Het is dom om dan afleiding in iets te zoeken wat je uiteindelijk 'alleen maar doet omdat je je verveelt', het is veel beter om even afstand te doen van de reflex tot afleiding en na te denken over wat je mist, en proberen te genieten van iets prachtigs om je heen (zoals de natuur).

Soms is het ook gewoon nodig een verlangen te cultiveren. Een voorbeeld wat ik bij moraalfilosofie leerde was het mogelijk onvervulbare verlangen van een echtpaar naar kinderen. De boodschap van Epicurus: probeer niet de werkelijkheid aan te passen, maar pas je verlangens aan.

Maar volgens mij is meestal het probleem dat we niet eens weten wat we zoeken. En sorry, simpele antropologieën zoals van Freud (levensdrift en doodsdrift) of van Deleuze en Guattari (genot in het koppelen van de vele 'machientjes' waar het lichaam uit zou bestaan) volstaan voor mij niet. Natuurlijk is het wel mogelijk om alle menselijke verlangens volgens deze modellen min of meer te beschrijven, maar zulke modellen lijken altijd een abstractie te maken van de diepte en toestand van menselijke gevoelens.

Weten dat en wat je verlangt betekent dat je soms moet wachten. Ik bedoel hier niet mee te zeggen dat het leven vooral uit terughouden moet bestaan, want er bestaat evengoed vervulling van verlangen waar je met overgave van kunt genieten (als goede gaven van God).

Voor christelijke filosofie betekent dit wel ook de erkenning van een verlangen dat nooit vervuld zal worden in dit leven, een 'verwachting' of 'hoop'. De realisatie dat het onmogelijk is hier complete vrede met alles te hebben, geeft weer de mogelijkheid tot rust.

Zo schrijft ook de apostel Paulus (aan het einde van de eerste brief aan Tessalonica):
Onderzoek alles op zijn waarde en houd vast wat goed is. Ga elk soort kwaad uit de weg. Wij vragen dat God, die een God van vrede is, u in alle opzichten heiligt, en dat heel uw persoon, naar geest, ziel en lichaam, onberispelijk bewaard blijft tot de komst van onze Heer Jezus Christus.

donderdag 21 oktober 2010

Telos

Dat goed handelen ook geluk met zich meebrengt, is dat alleen maar wensend denken? Zo van: goed handelen moet beloond worden, dus moet ieder die goed handelt met geluk worden beloond? Niet helemaal. Het gaat er van uit dat de mens mogelijkheid heeft om zijn leven op een manier in te delen die hem van het ongelukkig-zijn weerhoudt. Voorbeelden zijn de Stoa en de Epicurii, en de recentere filosoof André Comte-Sponville, die stelt dat geluk het genieten van het aanwezige is. Het gaat bij deze voorbeelden trouwens niet alleen om geluk, maar ook in het kunnen incasseren van ongeluk in het lot. Maar het gelukkig leven staat dus centraal.

Het is natuurlijk een wens dat die mogelijkheid om het leven zo (gericht op het geluk) in te delen samenvalt met het goed doen. Of dat ook zo is? Het maakt het leven misschien gelukkiger om te denken van wel. Ertegenin te brengen is het voorbeeld van de tevreden slaaf: is de slaaf subjectief (volgens zichzelf) gelukkig, maar objectief (volgens anderen) ongelukkig? Meer algemeen: is degene met een gelukkige illusie gelukkig? [Vgl. Antoon Vandevelde, 'Een wetenschap van het geluk?'; ook Robert Nozick, 'The Experience Machine']

Er zijn veel ethische theorieën die de vraag stellen: wat is dat 'goed doen' dan wel, als het niet samenvalt met het geluk?

Een mogelijk modern antwoord is: het gaat niet alleen om mijn geluk, maar ook hoe anderen mijn leven beoordelen en waarderen. Het gaat om hoe mijn nageslacht en de toekomstige generaties over mij denken. Dat lijkt een redelijk antwoord. Maar: dit antwoord lost de paradox van de tevreden slaaf of gelukkige illusie, zoals hierboven genoemd, niet op. Stel dat iemand gelukkig wordt beoordeeld door zijn omgeving en door zijn landgenoten en door de volgende generaties van zijn landgenoten. Zo iemand is binnen zijn land objectief gelukkig te noemen. Maar stel nu dat het land in een achtergestelde positie is waardoor mensen in alle andere landen de inwoner van dat land objectief ongelukkig zouden noemen. Op die manier zou het veronderstelde geluk toch geen geluk zijn. Hoe groot moeten we de kring van beoordelaars maken? Alle mensen? Alle mensen die gelijktijdig met, na, of voor iemand hebben geleefd? Misschien leven alle mensen wel in een gelukkige illusie, vanuit een objectief standpunt bezien. Afgezien van deze logische objectie is de menselijke maat ook een heel onzekere (kan door ontwikkelingen in de toekomst veranderen), en tegenstrijdige maat (mensen van verschillende tijden en plaatsen spreken elkaar tegen).

Een ander mogelijk modern antwoord op wat 'goed doen' is, kan zijn: we moeten leven voor iets. Bijvoorbeeld, leven voor: de natuur; of voor: een perfect lichaam; of voor: een geliefde; of voor: wetenschap of filosofie. Het gaat dan om het vinden van een doel wat het leven 'waard is'. Maar: moet dat doel objectief zijn? Het lijkt van wel. Maar dan: hoe bepaal ik dat doel?

Het postmodernisme trekt zich hier misschien niets van aan, en zegt: elk subjectief doel (dat wat ik mezelf stel en waar ik 'voor ga') is goed. Maar toch strijdt die opvatting met wat gevoeld werd bij de paradox van de tevreden slaaf. Stel dat iemand heeft geleefd met als doel in harmonie samen te leven met zijn geliefde; maar stel dat zijn geliefde hem heel zijn leven bedroog door in het geheim een verhouding met iemand anders te hebben? Het leven in harmonie en dus dienst van het doel was er; maar het doel blijkt het niet waard te zijn. Dus weer: hoe bepalen we wat iets waard is? Als we niet zeker kunnen weten of leven voor een geliefde alles waard is, kunnen we dan wel zeker weten dat leven voor bijvoorbeeld een perfect lichaam alles waard is? Natuurlijk kan de natuur ons niet zo bedriegen, maar wij kunnen onszelf bedriegen.

Dat maakt dat we zeker moeten zijn van ons doel. Want wat als iemand anders kan zeggen: je leven was het niet waard, en dat kan aantonen door de echte waarde aan te wijzen?

We zijn niet alleen waarheidszoekers, we zijn ook doelzoekers.