Posts tonen met het label mens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mens. Alle posts tonen

maandag 2 juni 2025

Kennen

Het woord wat in de Bijbel wordt gebruikt voor seksualiteit is ידע jadah, kennen. Bij goede seksualiteit tenminste - zoals wanneer Adam zijn vrouw Eva kent en zij zwanger wordt van Kaïn. Bij Lamech, een nakomeling van Kaïn, staat er een schokkende tegenstelling: "Hij nam voor zichzelf twee vrouwen", Hebreeuws לָקַח laqach, wat kan worden vertaald met grijpen of nemen (Genesis 4).

Als het gaat over het huwelijk zegt Adam over Eva: "Deze is been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees". God had namelijk Eva uit een deel van Adam gemaakt. Daarop volgt: "Daarom zal een man ... zich aan zijn vrouw hechten (Hebreeuws דבק, dabaq, kleven of zich hechten) en zij zullen tot één vlees (Hebreeuws בשׂר, basaar, lichaam) zijn" (Genesis 2). God heeft man en vrouw voor elkaar bedoeld.

De kern van seksualiteit is dus niet ongeremde begeerte maar het echt zien en erkennen van en vertrouwen van elkaar. Daarom noemt Jezus ook het met wellust naar een vrouw kijken (Gr. προς το επιθυμησαι, "om het begeren") "overspel in het hart" (Mattheüs 5:28). Die begeerte is dus overtreding van het zevende gebod "U zult niet echtbreken" (Exodus 20).

In Leviticus 18 en 20 staat het zevende gebod verder uitgewerkt. Daar staat ook het verbod op homoseksualiteit erbij. Als de apostelen de christenen zeggen welke wetten van Mozes ze moeten houden, staat daar ook het zevende gebod (het zich onthouden van overspel) bij (Handelingen 15:29). Deze zonden worden in de brieven van de apostelen herhaald (1 Korinthe 6:10, Galaten 5:19-21, Ef. 5:5, Kol. 3:5-6, ook in Openb. 22:15). Daarbij staat dat wie deze dingen doet, het Koninkrijk van God niet zal beërven.

Maar is homoseksualiteit ook niet goed als het gaat om een homoseksuele relatie waarbij de ander even belangrijk is? Nee. God verbiedt niet alleen ontrouwe homoseksuele relaties, of alleen relaties tussen mannen en jongens, maar relaties tussen "mannen en mannen" in het algemeen (en ook vrouwen met vrouwen, Rom. 1:26).

Ik schrijf deze dingen niet om te veroordelen, maar om te leren van God Zelf. Ik weet wat Jezus zegt: "Wie zonder zonde is, moet de eerste steen werpen" (Johannes 8:7). Als ik zou veroordelen, zou ik als eerste beschaamd weg moeten lopen. Maar ik vind het belangrijk om te weten wat God Zelf zegt en daarnaar mijn leven te richten.

De kern van seksualiteit tussen man en vrouw in het huwelijk is dus goed: elkaar helemaal kennen en aan elkaar geven. God dienen heeft dus niets met een 'platonische' relatie te maken waarbij seksualiteit wordt afgedaan als iets lelijks. Maar het is makkelijk om deze goede kern weg te gooien en alleen de buitenste schil over te houden. Zelfs die buitenste schil geeft ons nog iets wat we begeren. Daarom misbruikt de satan seksualiteit om ons met mooie beloftes van Gods bedoeling weg te lokken. Daarbij blijft er echter altijd een gapende leegte over die blijft schreeuwen om vervulling.

donderdag 6 april 2023

Waarom moest God mens worden?

Tien jaar geleden, op Goede Vrijdag, schreef ik over het lijden en sterven van Jezus. Vandaag wil ik opnieuw stilstaan bij de vraag waarom Jezus, Gods Zoon, mens werd en moest lijden en sterven. Waarom zou de eeuwige God mens worden? En waarom moest Gods Zoon als mens vernedering ondergaan en zelfs sterven? Kon God niet een ander middel gebruiken, omdat Hij almachtig is? Als je erbij stilstaat is het inderdaad verbijsterend dat Gods Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en voor ons is gestorven. Maar waarom geloven we het dan toch?

De Bijbel geeft heel duidelijke aanwijzingen voor waarom Jezus, Gods Zoon, mens werd en stierf aan het kruis. Allereerst heeft Jezus, Gods Zoon, plaatsvervangend geleden voor onze zonden. Met Zijn offer nam Hij de openstaande schuld weg en reinigt Hij ons geweten. Niets kan ons geweten voor altijd reinigen van onze zonden en van de herinneringen aan onze zonden, dan het ene offer van Gods Zoon dat Hij Zelf wilde geven voor onze zonden. Het geeft ons de volle zekerheid van het geloof dat we verlost zijn van onze zonden. (Hebr. 1:1, 9:14, 10:22, Matt. 1:21, 3:15, 20:28)

Niet alleen bevrijdt Hij ons van de schuld, ook maakt Hij ons gebrekkige leven uit het geloof, dat nog steeds met zondige gedachten gepaard gaat, voor God goed. Niemand van de heiligen is zelfs na geloof in dit leven heilig in eigen gedachten en werken - dat weten we allemaal als we eerlijk zijn. Zijn heilige leven, Zijn onschuld staat voor Gods ogen als Hij naar ons kijkt die door Hem zijn verlost. Daarom alleen worden we heiligen genoemd: door het heilige leven van Jezus voor God. De wet heeft nog nooit iemand tot volmaaktheid gebracht. Het lijden en sterven van Jezus Christus, onze Heere, voor onze zonden, brengt ons nader tot God omdat het een betere hoop op God geeft. (Hebr. 5:7-9, 7:19, 10:1-4, 13:21)

Ook heeft Jezus door Zijn dood degene overwonnen die ons inde greep van het oordeel van de dood hield, de duivel. Hij bevrijdde ons van de aanspraak die de duivel op ons kon maken doordat we de duivel geloofden en niet God, en de wil van de duivel deden in plaats van Gods wil. (Hebr. 2:14)

Door mens te worden gaf Jezus, Gods Zoon, het perfecte voorbeeld voor hoe wij moeten leven en hoe wij door veel lijden in Gods Koninkrijk zullen komen. Geen enkel mens, geen enkele profeet was zonder zonden. We weten dat uit ons eigen leven wel dat we onszelf heel mooi voor kunnen doen maar altijd zondig blijven in ons hart, nog afgezien van dat we door onze daden in zonden kunnen vallen. Mozes werd woedend en overtrad Gods gebod. David pleegde overspel en moord. Elia werd moedeloos en wilde liever sterven. Maar Jezus heeft geen enkele zonde begaan, want Hij was Gods Zoon en was gehoorzaam aan Zijn Vader. Zijn leven elke dag te bestuderen geeft ons kracht. Hij is de Leidsman en Voleinder van het geloof. (Hebr. 1:10, 12:2, Matt. 5:10-12, 17:5, 23:7)

De Heere Jezus is ons voorgegaan naar Zijn Vader in de hemel. Hij heeft de weg gebaand voor ons. Wij zijn in Gods Koninkrijk welkom, omdat we door Hem gekocht zijn en Hij voor ons instaat. (Hebr. 6:19-20, 10:20)

Jezus Christus wil als God en tegelijk mens voor ons als bemiddelaar voor God zijn. Hij staat tussen de zondige mens en de heilige God in als de enige heilige Mens die ooit op aarde leefde. Wij weten dat Hij ons kent. Hij reinigt onze gebeden als die zwak zijn of met verkeerde, egoïstische of hoogmoedige gedachten bevlekt zijn. Hij bidt voor ons dat ons geloof niet ophoudt in verzoekingen. Hij bad voor Petrus toen die Hem verloochende. (Hebr. 7:22, 7:25, 9:15)

Door Jezus' leven kunnen we de genade en barmhartigheid van God duidelijker zien dan ooit tevoren. Dat is beiden in Zijn daden en in Zijn prediking. We zien hoe Hij melaatsen aanraakte en genas, hoe Hij bij zondaars at en ze zich bekeerden. We zien hoe Hij blinden het gezicht gaf (en wij die blind zijn voor God, het gezicht geeft op God). We zien hoe Hij doden levend maakte (en hoe dood zijn wij, totdat Gods Geest ons levend maakt om Hem te dienen). We zien hoe Hij onze zwakheid kent en weet, en wil vergeven. Hij is gekomen als de Goede Herder die zijn verloren schapen opzoekt. (Hebr. 2:17, 3:1, 4:14-16, 13:20, Matt. 8:17, 13:37, 28:19)

Deze verlossing was door God al vanaf het begin van de wereld bekendgemaakt aan de heiligen voordat Jezus geboren werd. Jezus kwam om alle beloften van God te vervullen. Hij is de Gezalfde, de Koning van de vrede, die een eeuwig Koninkrijk van vrede zal brengen. Hij is de vervulling van de belofte van eeuwig leven door Zijn opstanding uit de dood. Hij vervult op een betere manier de bloedoffers die aan God gebracht moesten worden als een symbool van het hemelse. (Hebr. 8:5, 9:23, Matt. 2:15, 2:23, 8:17, 13:17 enz.)

Laten we oppassen dat we niet doen alsof we dit niet begrijpen. Laten we deze grote verlossing van God niet voorbij laten gaan! We worden daarvoor gewaarschuwd (Hebr. 2):
"Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen, die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben? God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil."
Laten we ons hart niet verharden voor dit evangelie (Hebr. 3):
"Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien, veertig jaar lang. Daarom ben Ik toornig geworden op dat geslacht en heb gesproken: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!
Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God."

Laten we daarom met Pasen geloven in Zijn verlossing en God daarvoor loven!

Als we de Bijbel lezen zien we dus heel veel verschillende redenen voor de menswording van Gods Zoon. Waarom werd God mens? Anselmus van Canterbury (1033-1109) schreef een boek met die titel. Zijn antwoord was: Gods ontnomen eer moest door het offer van Christus betaald worden, zodat aan Gods rechtvaardigheid voldaan werd. Er zijn zoals ik hierboven heb aangetoond hiernaast nog veel meer redenen aan te dragen vanuit de Bijbel. Met al deze redenen wordt onze verwondering voor Gods genade niet kleiner, maar groter, en mogen we God een lofoffer brengen door er tijdens dit Paasfeest over te spreken.




woensdag 28 december 2016

Psalm 8 - Mensenrechten

Psalm 8 gaat over de natuur, de mens en zijn positie daarin: zijn macht en verantwoordelijkheid over de natuur. "Wat is de mens, dat U aan hem denkt?" is de vraag die gesteld wordt.

Tja, waar hebben we eigenlijk recht op? In relatie tot God de Schepper en tot hoe groots de natuur is (de hemel en de sterren) zijn we maar klein. Toch hebben we een grote verantwoordelijkheid.

Naar aanleiding hiervan, en ook de andere dingen die de psalm noemt, leek het me goed om het eens te vergelijken met de moderne visie op politiek. Die begint vooral bij mensenrechten. Een filosoof die daarvoor een basis heeft gelegd is Rousseau (1712-1778), de vader van de Franse Revolutie. In zijn boek 'Du Contrat Social ou principes du droit politique' zet hij uiteen wat volgens hem de juiste staatsvorm is. Hij doet de ideeën van Thomas Hobbes (1588-1679), die in zijn 'Leviathan' de pessimistische visie schreef dat de staat een monster is dat mensen in het leven roepen om zich tegen elkaar te beschermen, en van Hugo de Groot (1583-1645), die stelde dat mensen hun natuurlijke rechten en vrijheid overgeven aan de staat om hem te beschermen, als ouderwets en te kruiperig af.

Je natuurlijke rechten sta je niet zomaar af, stelt Rousseau. Jezelf opgeven is ongehoord. Dat we een samenleving hebben gaat juist om het behoud van je vrijheid. De samenleving bestaat erin dat men moet samenwerken als mensen om obstakels voor onze natuurlijke vrijheid uit de weg te ruimen. "Mensen worden vrij geboren, maar overal zijn ze in boeien", schrijft hij (boek I, 1). De gewenste samenleving bestaat dus in een 'sociaal contract': het opgeven van mijn rechten en vrijheid zodat mijn rechten en vrijheid worden gewaarborgd. Dit 'sociaal contract' vind je ook nu terug in de vorm van de grondwet.

Een aantal dingen valt daarbij op te merken. Het eerste is dat Rousseau eigenlijk begint met de aanname dat we als mensen collectief met geweld onze rechten en vrijheid moeten verdedigen. Voor een christen is deze aanname niet vanzelfsprekend. Jezus handhaafde zijn rechten niet met geweld, al had Hij als Zoon van God de macht.

Het tweede wat op te merken valt is dat Rousseau stelt dat het 'sociaal contract' alleen werkt als je alle rechten opgeeft (boek I, 6). Als je dat namelijk niet doet, houd je altijd dat mensen uiteindelijk hun eigen rechter in alles spelen omdat ze hun eigen rechten nog meerekenen. Het is de vraag of er iemand is die dat wil. Tegenwoordig is er een tussenoplossing gevonden die 'scheiding tussen publiek- en privédomein' heet, maar is dat een probleemloze scheiding? Zou een christen ooit zijn geloofsprincipes kunnen onderwerpen aan de staat voor bescherming van vrijheid van godsdienst?

Een derde punt wat opvalt is dat Rousseau een heel rechtvaardige regering voorstelt die niet werkt volgens het principe van de helft plus één maar eerder volgens het principe van algemene stemmen. Hij noemt dit de 'algemene wil' (volonté générale) (boek II, 1). Die wil is niets anders dan datgene waarover alle mensen overeenstemmen in dat ze het willen. Rousseau geeft een aantal voorbeelden: vrijheid en het recht van het eerste bezit, als we tenminste niet meer bezitten dan we nodig hebben en het ook echt gebruiken. Het valt op dat deze rechten allen vanuit een individu zijn geredeneerd. Het individu wil vrijheid voor zichzelf, dus heeft een ander er ook recht op. Dat leidt tot een bepaalde invulling van de samenvatting die Jezus gaf van Gods wet: "Heb uw naaste lief als uzelf". Echter, dan niet zozeer gebaseerd op liefde voor de naaste (waarschijnlijk acht Rousseau dat te hoog gegrepen) maar gebaseerd op het sociale contract met de naaste. De 'algemene wil' lijkt op wat resulteert als we John Rawls' (1921-2002) 'veil of ignorance' toepassen, dat wil zeggen ons indenken wat we zouden willen als we niet zouden weten in welk lichaam we terecht zouden komen. Maar ook met het instrument van de 'veil of ignorance' kunnen we niet alle problemen van de 'algemene wil' oplossen. We lossen ermee op dat we verder kijken dan onze eigen situatie. Echter, we moeten ook, zoals Rousseau zegt, objecten zien zoals ze zijn en soms zelfs zoals ze horen te zijn, naar andere tijden en plaatsen kijken, kunnen afwegen tussen zichtbare en nabije voordelen en veraf en verborgen nadelen (boek II, 6)... Kortom, zegt Rousseau spottend, het vereist goden om mensen wetten te geven (boek II, 7)! Rousseau gelooft echter niet in een God die zijn wil bekend maakt. Hij stelt dat mensen in de geschiedenis de naam van goden gebruikten om hun wetten meer gezag te geven zodat ook iedereen die wilde gehoorzamen, en noemt daarbij ook de 'Joodse wet'.

Hetzelfde probleem zien we vandaag de dag. Een deel van de mensenrechten kan iedereen het over eens zijn. Echter, we zien steeds meer dat mensenrechten een heel rekkelijk begrip is, waar ook ideeën aan toegevoegd kunnen worden waar niet iedereen principieel achter staat. Een christen zal bijvoorbeeld het homohuwelijk nooit als hetzelfde zien als het huwelijk tussen man en vrouw. Ook zou een christen rechten toe willen voegen aan de mensenrechten waar niet iedereen achter staat, bijvoorbeeld bescherming van het ongeboren leven ook vóór de 20 weken, bescherming van ouderen, bescherming van het huwelijk.

Wat opvalt als we Rousseau verder lezen, is dat hij een vrij simplistisch mensbeeld heeft. Voor hem is komt de mens naakt, primitief, individualistisch en zonder moreel besef te wereld. Hij heeft geen andere wensen dan vrij te zijn en zijn instincten na te volgen. De radertjes van rede, plichtsbesef, rechtvaardigheid beginnen volgens Rousseau pas te draaien bij het vormen van een sociaal contract met de samenleving! En voorzover de mens niet bedrogen wordt, heeft hij een goede wil.

Rousseau beschouwt de komst van Jezus als een keerpunt in de geschiedenis, maar dan niet ten goede. Zijn optimistische mensvisie maakt dat hij alle koninkrijken van de aarde vóór de komst van Jezus als enigszins respectvol jegens elkaar en elkaars goden beschouwt, en Jezus en het christendom als totaal ontwrichtend in deze harmonieuze verhoudingen (boek IV, 8). Blijkbaar was er duurzame wereldvrede voordat Jezus kwam en hebben de christenen oorlog gebracht!? Het is nogal duidelijk dat dit beeld niet op realiteit maar op de atheïstische voorkeur van Rousseau berust, hoewel in naam van God veel onrecht is gebeurd.

Hoe verhoudt dit zich tot psalm 8? In psalm 8 lezen we allereerst dat Gods Naam groot is op aarde, en dat Hij mensen daar zo'n hoge positie in heeft gegeven. Het probleem van misbruik van die macht begint dus met het niet respecteren van God en de natuur die God gemaakt heeft. Mensenrechten erkennen kan dat maar gedeeltelijk proberen te herstellen. Wat mij betreft komen er ook dierenrechten en natuurrechten bij! Maar zelfs dan is het niet compleet, want wat God gebiedt is niet alleen respect, maar ook liefde. Jezus vatte Gods wil samen met God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.

Doordat Rousseau de eer van God op deze aarde niet erkent, zijn er meerdere zwakke punten in zijn ideologie. Deze punten zijn hierboven al genoemd. Het eerste is dat het uitgangspunt verdediging van rechten met geweld is, iets wat Jezus niet deed. Het tweede is dat het heel veel wijsheid vereist om een rechtvaardige wet te geven, en dat het weer veel moeite kost om dit aan de mensen uit te leggen, iets wat ik bijna een 'terug bij af'-situatie zou noemen. Het derde is dat Rousseau uitgaat van een vrij simplistisch mensbeeld heeft.

In de profetie van Daniël wordt de staatsvorm van democratie afgebeeld als de lemen voeten van het grote beeld, met ijzer vermengd. Dat wijst op het vermengen van macht met de menselijke factor. "Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem" (Daniël 2, 43). Voor een christen is het eerder van belang om door deze tijdelijke staatsvorm heen uit te kijken naar het komende Koninkrijk van God, wat als de steen in de profetie van Daniël het grote beeld zal vermorzelen en de aarde zal vervullen. Uiteindelijk is geen enkel menselijk koninkrijk blijvend en perfect, hoeveel rechtvaardigheid er ook bereikt kan worden met mensenrechten. Echte hoop biedt alleen het Evangelie, waarvan kan worden gezegd:
"Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U een sterk fundament gelegd" (Psalm 8, 3).

zaterdag 9 juli 2011

Hoeveelheid

Een mens raakt gauw gewend aan zijn omstandigheden. Ik merk dat niet alleen een overgang van minder naar meer prikkels voor spanning zorgt, maar ook een overgang van meer naar minder. Aan het eind van mijn studie filosofie ben ik zoveel prikkels tot denken kwijt dat ik gespannen en gedesoriënteerd zoek naar meer. Na verblijf onder veel studiegenoten moet ik wennen aan alleen en met mijn familie zijn.

Ligt de zin van het leven in de hoeveelheid? Is het zo dat hoe minder mensen ik ontmoet, hoe minder zinvol mijn leven is, en andersom? Is het zo dat mijn leven zinvoller wordt als ik meer denk of meer schrijf? Ik merk dat als er een vermindering van dingen optreedt, dat het nodig voor me is te heroriënteren.

Ik ga hier niet zoveel over zeggen: het is echt niet zo dat er een mooi lijntje te trekken is tussen kwantiteit en kwaliteit in aspecten van het leven. Het perspectief is gewoon verkeerd: wat voor me vaststaat is dat het raar is om te tellen (hoeveel ontmoetingen, hoeveel boeken, hoeveel zin) en daaraan de zin van het leven te ontlenen. Hetzelfde geldt voor het vergelijken van levens: alsof de ene veel zin, de andere minder, en de derde weinig zin zou hebben, alsof zin een ladder zou zijn waarin je een trede hoger of lager kunt komen. Geluk is misschien kwantificeerbaar, relatieve begaafdheid is misschien kwantificeerbaar, resultaten zijn misschien kwantificeerbaar, maar de zin van het leven is volgens mij (volgens het christelijke wereldbeeld) totaal niet afhankelijk van die factoren. Waarschijnlijk komt die misvatting uit de hedendaagse neoliberale opvatting van de mens: maximale besteding van z'n 'resources' en constante meting van prestatie (zie Rudi Laermans, 'The Condition of Neoliberalism', in A Prior, 2009).

donderdag 9 juni 2011

Wat is de mens?

Bij wijsgerige antropologie (mensleer) is de vraag altijd: als we een bepaalde beschrijving van de mens hebben gebaseerd op zijn functioneringen en gevoel, hoe realistisch zijn die onderscheidingen dan? Is seksualiteit een 'drift' of slechts het aangetrokken zijn tot bepaalde handelingen, of tot een bepaald object? Is aangetrokken zijn tot bijvoorbeeld de handelingen van het verstand, het denken, dus filosofie, ook een 'drift'?

Psychoanalytici lijken in ieder geval de neiging te hebben over klasses van handelingen waartoe de mens zich aangetrokken of afgestoten kan voelen te abstraheren en voor die aangetrokkenheid of afstoting één term te verzinnen, bijvoorbeeld 'de drift' of 'de walging'. Dat lijkt samen te gaan met een naturalistisch ideaal: het is shockerend maar terecht om de mens zonder iets te verliezen te reduceren tot maar een of twee factoren. (De mens beschrijven in twee factoren is altijd mogelijk door abstractie. Maar de vraag is: is er sprake van abstractie (die dingen weglaat) of van realiteit (er is niets meer).) Het is de vraag of dat waar is: ik reken het degraderen van de mens in zijn natuur in ieder geval niet als verdienste, omdat ik geloof dat de mens een kunstwerk van God is.

De psychoanalytiek kunnen we beter opvatten als een existentiële beschrijving van de menselijke conditie (dus wijsgerige antropologie!) dan als wetenschap. Dit argumenteert ook Paul Moyaert, hoogleraar wijsgerige antropologie aan de universiteit van Leuven. De psychoanalytiek is, tot haar nadeel, soms juist als empirische theorie opgevat: bij de psychogenese: de beschrijving van het ontstaan van psychische ziektes, en bij de ontwikkelingspsychologie: de beschrijving van de ontwikkeling van de mens in stadia, waarbij de volwassen mens de norm is waar ieder mens 'van natuur' naar moet ontwikkelen. De psychoanalytiek van Freud leert ons als existentiële beschrijving het volgende:
  • Over genot: de mens is een spanningsveld van krachten, en genot is als de spanning daarvan afgevoerd kan worden;
  • Over symbolen: de mens is in staat met symbolen dingen samen te binden (letterlijke betekenis van symboliseren), tegen uiteenwerpende (letterlijk 'diabolische') gebeurtenissen die de mens isoleren;
  • Over o.a. seksualiteit: seksualiteit (wat m.i. ook op sommige andere verhoudingen van de mens toegepast zou kunnen worden) is ontologisch verwarrend, omdat lust en het goede niet samenvallen; omdat er geen voorgegeven object is waartoe het van natuur beperkt is; omdat de seksuele identiteit (man- of vrouw-zijn) al existentiële vragen kan oproepen; omdat de seksuele verhouding zich niet duidelijk laat afbakenen (waar begint en waar eindigt het?); omdat er een aantrekkingskracht is van het verbodene;
  • Over identiteit: dat een mens nooit te reduceren is tot de gemeenschap.
Deze constateringen van Freud spreken me erg aan. De manier waarop ik de voorgaande dingen heb beschreven is niet per se gebonden aan het mensbeeld van Freud (die het heeft over de 'seksuele driften' als veelbepalende factor in de mens).

Wat mij het diepste treft in de menselijke conditie is het verval, de mogelijkheid van het morele kwaad dat de dieren overtreft. Ik geloof dat wat de apostel Paulus in de Romeinenbrief (hoofdstuk 1) schrijft op alle mensen (ook gelovige, als ze hun eigen wereld op sommige momenten wel best vinden) van toepassing is: "Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is."

maandag 16 mei 2011

Ethisch en persoonlijk

Ik heb ontdekt dat ik het moeilijk vond twee sociale perspectieven te verenigen: het ethische en het persoonlijke. Ik weet even niet welke filosofen hier iets over gezegd hebben; laat ik daarom maar zonder referenties of onderzoek er iets over zeggen.

Vanuit abstract ethisch perspectief is er geen verschil tussen mensen dichtbij en mensen ver weg, of tussen bekenden en onbekenden. Maar vanuit persoonlijk perspectief is dat heel anders. Vanuit ethisch perspectief kun je de bedelaar op het station benaderen alsof je zelf het was; of alsof het een broer of zus van je was die op een slecht spoor is gekomen. Vanuit ethisch perspectief wens je al het allerbeste voor mensen. Kan persoonlijke liefde daar wel iets bij doen?

Het is van belang te zien dat er twee perspectieven zijn. Het ene is het persoonlijke, dat berust op 'binding' met, persoonlijk gevormde liefde voor andere mensen (of de omgeving, etc.) (vergelijk het idee van Levinas over de factor tijd in relaties tussen mensen). Het andere is het ethische, dat berust op een universele verantwoordelijkheid ten opzichte van ieder ander mens (of de natuur, etc.). Het ethische perspectief is blij over, of rouwt over alle mensen. Het persoonlijke perspectief is blij over, of rouwt over bekenden.

Let op dat het ethische sterker is (de iure) dan het persoonlijke: we mogen fouten van bekenden of verwanten niet goedkeuren als we ze bij anderen veroordelen. Wel is het zo dat bij een keuze uit twee alternatieven met gelijke ethische waarden er kan worden gekozen voor het alternatief met de meeste persoonlijke waarde. Een voorbeeld wat ik eens tijdens een les filosofie gehoord heb was van de redding van twee drenkelingen: red je degene die je kent eerder dan de ander die je niet kent? Het kan een zeker gewetensbezwaard gevoel geven, wat alleen voortkomt uit het feit dat we denken: "Hier laat ik toch niet het persoonlijke voorgaan op het ethische? Ik handel hier toch wel volgens ethiek, en niet volgens eigen voordeel?" Er is iets heel moeilijks in de toepassing van een persoonlijk onderscheid in een situatie waarin een ethisch beroep op je wordt gedaan, hoewel het niet tegen de ethiek ingaat. Dat bevestigt volgens mij het feit dat het ethische boven het persoonlijke staat.

Anderzijds schakelt het ethische het persoonlijke niet uit. Je mag iemand die je kent wel ethisch veroordelen, maar dat betekent niet dat je hem erom zult haten. Of misschien zul je hem vanuit ethisch perspectief haten, maar vanuit persoonlijk perspectief liefhebben.

Het ethische heb ik hiervoor al universeel genoemd. Toch moet dat perspectief niet te abstract worden. Het ethische appel gaat altijd over handelingen die jij kunt stellen, over mensen die jij ontmoet — je kunt niet evenveel gericht zijn op het welzijn van alle mensen van de wereld, inclusief die ver van je verwijderd zijn, als op het welzijn van de mensen om je heen. Dit voorgaande doet niets af van het onderscheid tussen ethisch en persoonlijk perspectief; maar het nuanceert wat universaliteit vanuit het ethische perspectief betekent.

Waarmee is dit dubbele perspectief van de mens duidelijker te maken? Ik denk dat het moeilijk is een verduidelijkende vergelijking te vinden. De beide perspectieven zijn hoe dan ook diep geworteld in menszijn. Het ethische perspectief is alleen mogelijk omdat we een mens onder de anderen zijn, en het persoonlijke perspectief omdat we een bepaalde manier van kennen hebben.

In de Bijbel is er een verontrustende passage over het persoonlijke perspectief: daar waar Jezus zegt dat na de dood geen huwelijk meer zal gelden (Evangelie naar Marcus, hoofdstuk 12). Kennen we onze bekenden dan niet meer? Zijn ze niet meer even belangrijk als eerst? Of impliceert het voorbij zijn van het huwelijk nog niet dat het persoonlijke perspectief voor bij is, alleen dat het anders zal worden? Ik houd het maar op dat laatste. Want als het persoonlijke perspectief niet blijft, gaat de menselijke identiteit ook verloren, en zelfs de betekenis van mens te zijn verandert. Maar ja, wie zijn wij?

dinsdag 21 september 2010

Kant over ethiek

Interviewer: Professor Kant, fijn dat ik enkele minuten tijd gekregen heb om u wat vragen voor mijn blog te stellen. Ik zou vooral u willen horen over het idee van het goede, dus van wat ethiek eigenlijk inhoudt. Allereerst, wat is het goede eigenlijk?
Kant: Het goede is iets wat buiten de gewaarwording ligt. Als iemand zou zeggen: het goede is dat waar ik genoegen bij beleef, dan is 'het goede' maar iets middelijks en kan het maar indirect worden waargenomen, alleen door het uit te proberen -- dat klopt dus niet. Dat het goede wat anders is dan het aangename zien we al in omdat we er twee verschillende woorden voor hebben.

Interviewer: Ik heb wel eens iemand horen beweren: de enige plicht bij de ethiek is je verstand te gebruiken.
Kant: Verstand is wel een kwaliteit, maar niet absoluut goed. Die kwaliteiten als verstand, humor, oordeelsvermogen, moed, vastberadenheid, vasthoudendheid kunnen uiterst kwaadaardig en schadelijk zijn als er een kwade wil bij is. Voor de gaven van geluk geldt hetzelfde. Een redelijke, onpartijdige toeschouwer kan nooit enig genoegen beleven aan de aanblik van een wezen dat het voortdurend goed gaat, terwijl het door geen sprankje zuivere en goede wil wordt gesierd. Het gaat dus om de goede wil, hoewel zulke kwaliteiten of eigenschappen de goede wil kunnen helpen of bevorderen. Als iemand van goede wil is en zich niet nuttig kan maken, is deze goede wil toch evenveel moreel waard.

Interviewer: Zoiets als geluk zou u dus als de vrucht van het goede en niet als het goede op zich beschouwen.
Kant: Inderdaad. Een goede wil is de hoogste voorwaarde van al het goede. Het algemene streven naar geluk maakt het geluk op zich maar middelijk goed. En zo is het met elke neiging of begeerte.

Interviewer: Maar hoe kunnen we het goede dan nog als positief zien?
Kant: Ten opzichte van neigingen en zintuiglijke aandriften is de zedelijke wet die de goede wil als uitgangspunt neemt inderdaad altijd negatief. Ze gaat, als ze tegen de neigingen strijdt, in tegen onze eigenliefde. Bovendien maakt het stellen van een zedelijke wet als eerste praktische principe zelfwaardering niet absoluut maar relatief (ten opzichte van de wet): ze gaat dus recht tegen eigendunk in. Ik denk dat dit de grond is voor wat het positieve is wat we in het goede zien: de vorm van de vrijheid, die de neigingen, de eigendunk vermindert, geeft ons een achting voor de wet.

Interviewer: U stelt dus dat menselijke neigingen bederfelijk zijn als richtlijn tot het goede. Dat stemt overeen met de Bijbelse idee dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Is dit niet een onvolmaakte toestand voor de mens?
Kant: Zo zou je het kunnen zien. In de mens is de subjectieve aard van zijn wil niet vanzelf in overeenstemming met de objectieve wet. Dat vooronderstelt een behoefte door een of ander iets tot activiteit te worden aangezet, omdat een innerlijke belemmering deze activiteit in de weg staat. Op de wil van God kunnen ze dus niet worden toegepast. Als er sprake is van een totale overeenstemming van de subjectieve wil en de objectieve wet wordt de morele wet een wet van de heiligheid in plaats van een wet van de plicht. Dat is inderdaad de volmaakte toestand voor de mens.

Interviewer: U gaat erg uit van een begrenzende zedelijke wet. Kunnen we ethiek anderzijds niet zien als richtinggevend, aansporend tot 'deugden' van het hart, zoals naastenliefde?
Kant: Zoiets als naastenliefde kan ook pathos zijn die verder nauwelijks met goede wil gepaard gaat. Ik heb me vooral gericht op de mens als redelijk wezen, en mijn uiteenzetting van de praktische rede kunt u in dat licht zien. Ik ben geen hartenkenner.

Interviewer: Goed. Wat stelt de zedelijke wet precies?
Kant: Ze stelt plichten, noodzakelijke handelingen. Het gaat hierbij dus niet om het effect of de uitkomst van de handeling, maar puur om de handeling zelf die de wet voorschrijft. Let op dat het dus niet gaat om wat er bereikt wordt, maar vooral om met welke reden het bereikt wordt. Ons handelen heeft morele waarde als ze uit plichtsbesef wordt gedaan, niet als ze uit natuurlijke neiging of voorzorg voor iets anders wordt gedaan. Voorbeelden van plichten (die al gauw vermengd kunnen worden met neigingen) zijn: eerlijkheid; anderen die lijden goed te doen; eigen geluk waarborgen en het eigen leven behouden; en ten slotte het bijbelse gebod tot naastenliefde (zelfs van de vijand).

Interviewer: U zegt dat de zedelijke wet de uitkomst van de handeling niet als principe heeft. Maar is bijvoorbeeld 'leven' niet een waarde die toch echt van belang is?
Kant: Leven kan niet altijd als waarde op zich worden ervaren. Iemand kan door tegenspoed en uitzichtloos leed ophouden het leven te waarderen.

Interviewer: Vermengt u nu niet ervaringsopvattingen van leven met zuiverder opvattingen daarvan?
Kant: Ik heb inderdaad vooral gesproken van het leven als persoonlijk doel vanuit de ervaring. Het gaat mij er vooral om die te scheiden van de zuivere, redelijke morele wet. Wat mij betreft mag u leven ook als morele waarde zien, als u maar niet denkt dat waardering van leven als zintuiglijk effect morele waarde heeft.

Interviewer: Ten slotte over het redelijk bepalen van de morele wet. Wanneer is iets van morele waarde? Kunnen we dat ook op een redelijke manier bepalen?
Kant: In de natuur bedoelt u? Daarvoor kunnen we de volgende regel nemen: handel alleen volgens die maxime waardoor je niet alleen voor je persoonlijke situatie goed uitkomt, maar tegelijk kunt willen dat ze een algemene wet wordt. Bij het bepalen of iets een algemene wet kan zijn, moeten we verder in acht houden dat elk redelijk wezen niet als middel maar ook als doel op zich moet worden beschouwd.

Interviewer: Waarom noemt u een redelijk wezen als de mens een doel op zich?
Kant: Alle andere zaken zijn relatief ten opzichte van de rede, die ten opzichte van de middelen van de natuur doel op zich is. De mens is namelijk subject van de morele wet. Dat geldt voor ieder mens; we hebben ieder mens als redelijk wezen te achten.

Interviewer: De mens heeft dus een bestemming.
Kant: Ja, een oneindige bestemming. Twee dingen vervullen het gemoed met steeds weer nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich hiermee bezighoudt: de met sterren bezaaide hemel boven mij en de morele wet in mij. Het eerste toont me de beperktheid, het tweede de oneindige bestemming van de mens.

Dit interview is een interpretatie van de mening van Immanuel Kant in zijn Kritiek van de zuivere praktische rede. Sommige citaten zijn letterlijk overgenomen uit De drie kritieken, Raymund Schmidt, Nederlandse vertaling (2003).