Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

donderdag 28 augustus 2014

Profetie

De profetieën in de Bijbel zijn niet allemaal meer van deze tijd. Dat bedoel ik letterlijk: een groot gedeelte van de opgeschreven profetieën zijn al uitgekomen voor het jaar 2014. Heeft het ons daarom niets meer te zeggen? Dat is wat anders! Maar op welke manier?
  • Als bewijs van de waarheid van de Bijbel? Ik zet het met een vraagteken, omdat het niet zo makkelijk is. De profetieën zijn geen koude gedetailleerde weergaven van feiten, maar waarschuwingen en aanmaningen. Soms noemen profetieën echter wel namen. Maar dan zegt de scepticus: "Deze profetie is vast geschreven of aangepast nadat het gebeurd is!" Tja. Geschreven nadat het gebeurd is? Dan moet dat iemand zijn geweest met heel wat inlevingsvermogen, als hij een waarschuwing met gevoel schrijft voor iets wat al gebeurd is. Bovendien lijkt het me dat er dan geen profeten hebben bestaan maar alleen 'profetieschrijvers', een zeer twijfelachtige bewering. Aangepast nadat het gebeurd is? Bij het overschrijven van de boekrol misschien? Dan is dat aardig perfect en opnieuw zeer creatief gedaan. Een andere tegenwerping kan zijn: "De profeten gebruikten hun eigen goede kijk op politiek om te profeteren". Daarop zou ik kunnen antwoorden: ik weet aardig wat voorbeelden van profeten die wij voor gek uitgemaakt hadden met hun voorspellingen. Bovendien, als hun profetie ook maar één keer niet uitkwam, zou het duidelijk zijn dat ze niet Gods woord uitspraken en zouden ze volgens de mozaïsche wet moeten worden gedood (Deuteronomium, 13:5). Laten we het erop houden dat het karakter van profetieën de eerlijke lezer in ieder geval kan laten twijfelen of dit niet misschien de woorden van God zelf zijn.
  • Als duiding van de geschiedenis. De profetieën laten zien dat God regeert, en soms waarom Hij handelt zoals Hij handelt.
  • Om de perversie van de zonde en van de maatschappij te laten zien. De profetieën laten zien hoe erg het met de maatschappij gesteld kan zijn als de leiders of gewoon de leden ervan tegen God overtreden. Het kan een spiegel zijn voor jezelf en voor de huidige maatschappij.
  • Om de ontferming van God te laten zien. De profetieën laten zien hoe God ons laat waarschuwen door de profeten om Hem te zoeken en ons leven te beteren, en ze laten de liefde van God zien in de troost en ontferming die er in het Evangelie is. Want de profetieën hebben ook geprofeteerd van de komst van de Messias en van de vrede van het komende Koninkrijk van God!

Het grootste deel van de profetieën die zijn opgeschreven betreft Israël, het volk dat God Zelf zijn identiteit heeft gegeven. Onder de profetieën zijn er echter ook opgeschreven die gericht waren aan de volken om Israël heen. Dat betekent dat God de waarde van profetie (bewijs van Zijn waarheid, duiding van de geschiedenis, aanwijzen van de zonde, uitspreken van ontferming) niet alleen aan Israël gaf, hoewel het Woord van God bij Israël overvloediger is geweest. Bij het bijbelonderzoek daarnaar heb ik synopses gemaakt van de profetieën gericht aan verschillende volken (ze zijn nog niet compleet, suggesties zijn welkom).

Wat is de betekenis dat God Zich vroeger vooral aan één volk, aan Israël, heeft verbonden? Het is niet zo dat God een God van een volk is, alsof Hij het ene geslacht prefereert boven het andere. Het is andersom: er is een volk dat God zelf zijn identiteit heeft gegeven, dat niet eens bestond voordat God het opzocht, nog geen land had, geen wet, geen godsdienst. Het volk Israël is een plant die God zelf geplant heeft; dat is ook waar de apostel Paulus het in zijn brief aan de gemeente in Rome mee vergelijkt (11:16). Deze plant is nu echter uitgebreid met takken uit heel de wereld, en haar natuurlijke takken zijn afgebroken omdat ze dor waren: Israël heeft grotendeels Jezus niet aangenomen als Messias. Daarom heeft God ze "onder de ongehoorzaamheid besloten" "totdat de volheid van de overige volken zal zijn bereikt" (11:25, 32), hoewel God de gelovige Israëlieten niet verstoot (zoals Hij de gelovigen uit andere volken ook nooit heeft verstoten). Op deze manier blijkt dat de ontferming van God over een volk uit genade is en niet op grond van afkomst.
"Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil." (9:18)
"Want God heeft hen allen in ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen." (11:32)

vrijdag 12 oktober 2012

Fashion in story-telling

"There are changes of fashion in story-telling; and the ancient world, like our own, has seen times where people thought it 'modern' to say they liked disgusting stories, though the ancients never quite reached the modern fancy for tales of such very dirty little people, living dingy lives and doing mean things. Not all vulgarity is modern. But, if the fashion for such stuff appears and re-appears, it never lasts very long. Dirt and dinginess lack variety and are not really interesting. Esquemeling's stories of the pirates, for instance, are in the end dull, and they would be a great deal duller but for the seamanship that enables the pirate to scour the Caribbean, and the great fighting qualities, courage, strategy, tactics, and so on, that help him to sack the Spanish towns and capture his thousands of pieces of eight. The rest of his story is tiresome enough. It takes a lot of virtue to make vice interesting; and the great Greek poet [Homer] saw (and, as the Greeks said, he was always right) that the splendid qualities in men and women are the interesting ones." (The ancient world, T.R. Glover, p.29)

Ik las dit pas, en vond het een mooi citaat. Eerder schreef ik al zoiets over moraal en schoonheid. Overigens is het altijd al de mode om een beetje vuiligheid in verhalen te stoppen omdat men onrustig lijkt te worden als het echt over het goede gaat. De Griekse sagen hebben echter misschien wel dezelfde tekortkoming.

zaterdag 12 maart 2011

Catastrofe en de tuin

Er zijn dingen die de mens die 'denkt om het denken', zoals Aristoteles de filosofie beschrijft, noodzaken te erkennen dat er iets indringenders is dan dat. Rampen doen dat, zoals de ramp in Japan. Het redeneren moet daar stil van worden. Helemaal als men beseft hoe zorgeloos het eigen leven is en doorgaat.

Leibniz' wiskundige 'deze wereld is de beste van alle mogelijke werelden' faalt op zo'n moment. Maar dat maakt de spot van Voltaire nog steeds misplaatst: die lijkt erg lichtzinnig na de ramp van de aardbeving en tsunami in Lissabon. Voltaire's conclusie van de Candide dat 'men de tuin maar moet cultiveren' (geïnterpreteerd: dat wij mensen moeten zorgen dat het op aarde maar enigszins in orde komt) is geen beschrijving hoe we rampen kunnen verwerken.

Wellicht was het standpunt van Voltaire dat we rampen maar gelaten over ons heen moeten laten komen. Als christen geloof ik dat rampen ons meer te zeggen hebben. Maar dan dringt de vraag zich op: Waarom staat God rampen toe?

Een beter antwoord dan dat van Leibniz is dat rampen in de wereld een deel zijn van een menselijke conditie die catastrofisch is geworden. En die verklaring kunnen christenen vinden in het begin van de Bijbel: bij het wegsturen van Adam en Eva uit het paradijs nadat ze beiden Gods gebod overtraden. Aan de menselijke conditie was dit toegevoegd: de mens zou sterven.

Leibniz zelf noemt in zijn voorwoord van de Théodicée een bezwaar hiertegen: die overtreding van Adam en Eva moet toch ook een oorzaak hebben? En als het antwoord is: die oorzaak is de vrije wil van de mens die ook voor het kwade kon kiezen, is het bezwaar: maar waarom gaf God de mens dan een vrije wil? Leibniz formuleert meteen ook bezwaren tegen andere eigenschappen van de menselijke conditie: dat niet alle mensen die van God afgekeerd zijn verlost zijn door het Evangelie, en dat deze menselijke conditie geldt voor ieder mens terwijl men niet persoonlijk schuldig is aan de overtreding van Adam en Eva.

Het probleem is mijns inziens de wiskundige berekenendheid van deze stellingen van Leibniz. Die manier van redeneren is onmogelijk toepasbaar op catastrofes; niet op een ramp in Lissabon, maar ook niet op een catastrofale menselijke conditie. Niet dat er geen redelijke antwoorden zijn op redelijke vragen — maar die redelijke vragen en antwoorden hebben uit zichzelf al een leegte.

woensdag 9 maart 2011

De geschiedenis van kennis tot informatie

Gisteren schreef ik een bericht over de centraliteit van het idee 'informatie' voor ons. Nu is voor elke beweerde verandering in de tijd een bewijs nodig — vaak zijn veranderingen overdreven en een projecterend onderscheid met het verleden. Daarom zal ik proberen hier een schets van een historisch bewijs te geven. Een schets gebaseerd op technische veranderingen en in het oog lopende conceptuele veranderingen. Als voetnoot bij het vorige bericht dus.

De hypothese is: het idee van kennis begon bij tastbaar vertrouwd zijn, en is uitgekomen op losgemaakt, transporteerbaar kennen: informatie. En inderdaad was kennis vroeger een privilege dat de status van iemand bepaalde. Een goede boer kende zijn vee, een smid kende de hamer en het ijzer. Meer kennis dan dat was uitzonderlijk: veel gereisd hebben maakte je een rariteit of een orakel van de gemeenschap. Verhalen kwamen, maar van mond tot mond.

Maar was er dan geen losgemaakte, niet-tastbare kennis? Als ik me dat afvraag denk ik aan de uitvinding / het gebruik van het schrift. Het schrift maakt een voorstelling van onpersoonlijke, transporteerbare kennis mogelijk. Maar: het bezit van dat schrift was niet voor iedereen: het was voor de priester, voor de vorst, een boek van voorgeschiedenis, verbondenheid met gezag en traditie.

Ik denk vervolgens ook aan de Griekse filosofie: die filosofie had immers iets van een universaliteit die haar losmaakte van de directe vertrouwdheid? Inderdaad: met de geboorte van de Griekse filosofie, in een milieu waar er tijd over was, een stad met een cultureel centrum was, kwam er de mogelijkheid van losgemaakte kennis. Maar de losmaking van de filosofie van de filosoof is heel geleidelijk gegaan. Wij lachen wel eens om de kosmoloog of ontoloog die schreef alsof hij het zelf had meegemaakt en die beweerde dat zijn kennis geprivilegeerd was, maar dat komt omdat wij in een informatie-tijd leven, waarin kennis los verkrijgbaar is. Die ontwikkeling is geleidelijk gegaan: lang bleef de filosoof bepalend voor zijn werk, bleef hij in zijn werk; pas vrij recent is die koppeling losgeraakt en wordt filosofie als informatie gepresenteerd.

De sofisten waren een nieuwe revolutie na de kosmologen of ontologen. Die toonden aan dat kennis inwisselbaar was voor andere kennis: dat er zoiets kon bestaan als manusje-van-alles op het gebied van kennis! Het was een spotten met de eerdere idee van kennis als vertrouwdheid; maar de kennisbeheersing van de sofisten bleef nog steeds een status, een persoonlijkheidseigendom.

Ergens bij het begin van de moderne tijd werd kennis op steeds grotere schaal reproduceerbaar; met als belangrijk moment de uitvinding van de boekdrukkunst. Opeens was het afgelopen met de privilege van kennis: wie een boek kon kopen en lezen, had kennis, en dat waren steeds meer mensen, in plaats van alleen de eenzame geleerde. Scholen werden groter en dus onpersoonlijker. Wat scheidt deze opvatting van kennis nog met onze opvatting van informatie? Hierin: deze kennis was nog steeds met strengen verbonden aan haar onderwerp.

Als Descartes een universele methode voor de wetenschap ontwerpt, worden die strengen doorgeknipt, maar blijft nog iets anders: de directe verbondenheid van die kennis met de geest van wie helder en onderscheiden kent.

De modernste tijd. Er komt een einde aan de grote verhalen. Het kennen van de Verlichting wordt kennen zonder voorbehoud, zonder engagement — of liever, engagement wordt een romantische keuze, een emotioneel extra dat als predicaat aan een tele-kennis verbonden is.

Dat is een schets van de geschiedenis van het idee 'informatie'. We kunnen kennis onpersoonlijk, transporteerbaar voorstellen door het schrift, universeel door de wetenschap, inwisselbaar door de sofisten, voor ieder beschikbaar door de boekdrukkunst en de grote scholen (en het internet), methodisch door Descartes, voorbehoudsloos door de modernste tijd. En door de ontwikkeling van de wetenschappen ook overal toepasbaar. De tastbare kennis is folklore, een soort van 'inzicht' dat een entiteit 'veronderstelt' die helemaal 'niet nodig' is voor 'ons informatietijdperk' en 'het leven' alleen maar nodeloos 'ingewikkeld' maakt. Waarbij ik aanteken dat al die aanhalingstekens uitdrukking zijn van kennis die gebaseerd is op dat idee 'informatie'.

Ik bedoel hiermee niet dat wij totaal vervreemd zijn van de eerste betekenis van kennis; wel dat we moeten oppassen dat we dat niet worden, of zelfs blijven. Dat wil dus zeggen: niet gewoon doorleven voor kennis in de laatste betekenis. Want: "Wie op de beloning gesteld is, moet de strijd niet afwijzen" (Augustinus, Over de zaligsprekingen).