Posts tonen met het label vrijheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrijheid. Alle posts tonen

zaterdag 1 november 2025

De problemen van ongeloof

Eerder beloofde ik een keer te schrijven over de vooronderstellingen van niet in God geloven. Die zijn problematischer dan soms wordt gedacht.

Wat zijn de vooronderstellingen van het niet geloven in God? Dat hangt er natuurlijk van af wat je rekent als "geloof in God", en ook van welke opvattingen er in de plaats komen van geloven in God. Onder "geloof in God" reken ik het geloof in een kracht groter dan wij die deze wereld regeert volgens Zijn goddelijke inzicht en bevel. Wat betreft welke opvattingen ervoor in de plaats komen, laat ik het even algemeen dus ga ik alleen in op de gemene deler.

Wat bedoel ik met "vooronderstellingen"? Ik bedoel daarmee: dat wat je moet veronderstellen om jezelf, de wereld om je heen en de kaders van je doen en laten (goed en kwaad, ethiek) te verklaren. Als je in God gelooft, is er op deze dingen een antwoord. Maar welk antwoord is er als je niet in God gelooft?

Als eerste wat betreft de wereld om ons heen. Als je niet gelooft in God is deze niet door een wijsheid buiten ons ontstaan, maar toevallig. Wat er ook gezegd wordt over de evolutietheorie, de kans dat alles om ons heen door toeval ontstaan is, is onmogelijk klein, ook als je miljarden jaren de tijd neemt om dobbelstenen te rollen. De kans op het ontstaan van de natuurwetten zoals de onze is klein, een uit de vele mogelijkheden. De kans op het ontstaan van één levende cel is onmogelijk klein. De kans op het ontstaan van complexe levensfuncties is onmogelijk klein. In één woord, de vooronderstelling van ontstaan door toeval is er eentje waar je ontzettend veel geloof voor nodig hebt, of liever gezegd: het is onredelijk.

Maar waarom geloven zoveel wetenschappers dan in de evolutietheorie? De reden daarvoor is nogal menselijk: geloven in iets anders wordt niet als wetenschappelijk gezien. Een andere reden is dat wetenschappers een eigen vakgebied hebben waar ze veel van weten, maar van andere vakgebieden nemen ze maar aan dat anderen erover nagedacht hebben. Ze nemen aan dat het natuurkundig, biochemisch, ecologisch, genetisch, of paleontologisch wel goed zit met de evolutietheorie, omdat het de heersende theorie is en omdat kritiek geen podium krijgt in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften. Enfin, genoeg over evolutie.

Als tweede is er de vooronderstelling over onszelf. Die vooronderstelling is dat wijzelf ook uit hetzelfde toeval zijn ontstaan. Het probleem hiermee is dat het niet alleen onmogelijk is, maar dat het ook tegenintuïtief is. Het betekent namelijk dat ons zelfbewustzijn, ons denken, onze wil er niet zo toe doen. Waarom zou je immers waarde hechten aan een product van toeval? Het ene zou niet belangrijker zijn dan het andere. Dat is in tegenspraak met onze grote belangstelling voor en waardering van wetenschap, van kunst, van vrijheid &emdash; dat alles zou maar schijn en een wassen neus zijn als er niet Iemand is die alles met wijsheid, met liefde, met wil heeft gemaakt. Tegenintuïtief dus.

Als derde de vooronderstelling over de kaders van wat wij doen en laten. Die is dat wij onze eigen kaders moeten bepalen, dat "goed" en "kwaad" niet meer is dan waarden die wij ergens aan geven om deze wereld leefbaarder (?) te maken. Meer kan het inderdaad niet zijn als er geen hogere macht is en als er geen hogere bedoeling achter het universum zit. Maar hoe kan die vooronderstelling waar zijn? Als we zelf bepalen wat goed en kwaad is, is er helemaal geen goed en kwaad. We zouden bijvooreeld voor maximale vrijheid kunnen kiezen omdat we dat willen &emdash; en als rijke, verslaafde dwazen jong sterven. Maximale vrijheid is heilloos &emdash; het is het soort vrijheid dat leidt tot een overdosis drugs of alcohol, tot verbroken relaties, tot ongeremde haat, tot geslachtsziektes en tot moord en een vroegtijdige dood. Zo'n moreel kompas is geen kompas, ook niet als je zegt: maximale vrijheid, als je maar rekening houdt met anderen. Het is heilloos.

Missschien is er een ander moreel kompas mogelijk van "het zoeken van maximale harmonie"? Maar dan bewijst de praktijk weerbarstig te zijn. Volmaakte harmonie blijkt niet mogelijk te zijn in deze gebroken wereld. Wat voor de één harmonie betekent, blijkt dan ten koste te gaan van de ander, ook onbewust. We hebben echt redding nodig. We hebben ook echt grenzen nodig die voortkomen uit het allerdiepste inzicht in wie we zelf zijn. Het lijkt er op dat we niet in staat zijn zelf te bepalen wat echt goed en kwaad is &emdash; waar de slang Eva mee verleidde.

Ten slotte is er naast deze problematische vooronderstellingen ook een problematische consequentie van niet geloven in God: dat er geen groter Iemand of Iets is waarmee je een relatie kunt hebben. Dat betekent dat we hier op onszelf zijn, en dat de "enorme leegte om ons heen" ons slechts kan "verschrikken", zoals Blaise Pascal - zelf gelovige - eens schreef. Het betekent dat er geen groter doel is, geen grotere oorzaak, geen harmonie met de wereld om ons heen behalve een schijnbare of verzonnen harmonie. Dat is opnieuw tegenintuïtief. Want als er geen God is, is er niets dat ons liefheeft.

Ik sluit af met wat er in de profetie van Jesaja genoemd staat (Jes. 40):

Weet u het niet? Hoort u het niet?
 Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
  Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
(...) Met wie zou u Mij willen vergelijken,
 of aan wie ben Ik gelijk?
  zegt de Heilige.
Sla uw ogen op naar omhoog,
 en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
 ze alle bij name roept
door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht;
 er ontbreekt er niet één.

woensdag 28 december 2016

Psalm 8 - Mensenrechten

Psalm 8 gaat over de natuur, de mens en zijn positie daarin: zijn macht en verantwoordelijkheid over de natuur. "Wat is de mens, dat U aan hem denkt?" is de vraag die gesteld wordt.

Tja, waar hebben we eigenlijk recht op? In relatie tot God de Schepper en tot hoe groots de natuur is (de hemel en de sterren) zijn we maar klein. Toch hebben we een grote verantwoordelijkheid.

Naar aanleiding hiervan, en ook de andere dingen die de psalm noemt, leek het me goed om het eens te vergelijken met de moderne visie op politiek. Die begint vooral bij mensenrechten. Een filosoof die daarvoor een basis heeft gelegd is Rousseau (1712-1778), de vader van de Franse Revolutie. In zijn boek 'Du Contrat Social ou principes du droit politique' zet hij uiteen wat volgens hem de juiste staatsvorm is. Hij doet de ideeën van Thomas Hobbes (1588-1679), die in zijn 'Leviathan' de pessimistische visie schreef dat de staat een monster is dat mensen in het leven roepen om zich tegen elkaar te beschermen, en van Hugo de Groot (1583-1645), die stelde dat mensen hun natuurlijke rechten en vrijheid overgeven aan de staat om hem te beschermen, als ouderwets en te kruiperig af.

Je natuurlijke rechten sta je niet zomaar af, stelt Rousseau. Jezelf opgeven is ongehoord. Dat we een samenleving hebben gaat juist om het behoud van je vrijheid. De samenleving bestaat erin dat men moet samenwerken als mensen om obstakels voor onze natuurlijke vrijheid uit de weg te ruimen. "Mensen worden vrij geboren, maar overal zijn ze in boeien", schrijft hij (boek I, 1). De gewenste samenleving bestaat dus in een 'sociaal contract': het opgeven van mijn rechten en vrijheid zodat mijn rechten en vrijheid worden gewaarborgd. Dit 'sociaal contract' vind je ook nu terug in de vorm van de grondwet.

Een aantal dingen valt daarbij op te merken. Het eerste is dat Rousseau eigenlijk begint met de aanname dat we als mensen collectief met geweld onze rechten en vrijheid moeten verdedigen. Voor een christen is deze aanname niet vanzelfsprekend. Jezus handhaafde zijn rechten niet met geweld, al had Hij als Zoon van God de macht.

Het tweede wat op te merken valt is dat Rousseau stelt dat het 'sociaal contract' alleen werkt als je alle rechten opgeeft (boek I, 6). Als je dat namelijk niet doet, houd je altijd dat mensen uiteindelijk hun eigen rechter in alles spelen omdat ze hun eigen rechten nog meerekenen. Het is de vraag of er iemand is die dat wil. Tegenwoordig is er een tussenoplossing gevonden die 'scheiding tussen publiek- en privédomein' heet, maar is dat een probleemloze scheiding? Zou een christen ooit zijn geloofsprincipes kunnen onderwerpen aan de staat voor bescherming van vrijheid van godsdienst?

Een derde punt wat opvalt is dat Rousseau een heel rechtvaardige regering voorstelt die niet werkt volgens het principe van de helft plus één maar eerder volgens het principe van algemene stemmen. Hij noemt dit de 'algemene wil' (volonté générale) (boek II, 1). Die wil is niets anders dan datgene waarover alle mensen overeenstemmen in dat ze het willen. Rousseau geeft een aantal voorbeelden: vrijheid en het recht van het eerste bezit, als we tenminste niet meer bezitten dan we nodig hebben en het ook echt gebruiken. Het valt op dat deze rechten allen vanuit een individu zijn geredeneerd. Het individu wil vrijheid voor zichzelf, dus heeft een ander er ook recht op. Dat leidt tot een bepaalde invulling van de samenvatting die Jezus gaf van Gods wet: "Heb uw naaste lief als uzelf". Echter, dan niet zozeer gebaseerd op liefde voor de naaste (waarschijnlijk acht Rousseau dat te hoog gegrepen) maar gebaseerd op het sociale contract met de naaste. De 'algemene wil' lijkt op wat resulteert als we John Rawls' (1921-2002) 'veil of ignorance' toepassen, dat wil zeggen ons indenken wat we zouden willen als we niet zouden weten in welk lichaam we terecht zouden komen. Maar ook met het instrument van de 'veil of ignorance' kunnen we niet alle problemen van de 'algemene wil' oplossen. We lossen ermee op dat we verder kijken dan onze eigen situatie. Echter, we moeten ook, zoals Rousseau zegt, objecten zien zoals ze zijn en soms zelfs zoals ze horen te zijn, naar andere tijden en plaatsen kijken, kunnen afwegen tussen zichtbare en nabije voordelen en veraf en verborgen nadelen (boek II, 6)... Kortom, zegt Rousseau spottend, het vereist goden om mensen wetten te geven (boek II, 7)! Rousseau gelooft echter niet in een God die zijn wil bekend maakt. Hij stelt dat mensen in de geschiedenis de naam van goden gebruikten om hun wetten meer gezag te geven zodat ook iedereen die wilde gehoorzamen, en noemt daarbij ook de 'Joodse wet'.

Hetzelfde probleem zien we vandaag de dag. Een deel van de mensenrechten kan iedereen het over eens zijn. Echter, we zien steeds meer dat mensenrechten een heel rekkelijk begrip is, waar ook ideeën aan toegevoegd kunnen worden waar niet iedereen principieel achter staat. Een christen zal bijvoorbeeld het homohuwelijk nooit als hetzelfde zien als het huwelijk tussen man en vrouw. Ook zou een christen rechten toe willen voegen aan de mensenrechten waar niet iedereen achter staat, bijvoorbeeld bescherming van het ongeboren leven ook vóór de 20 weken, bescherming van ouderen, bescherming van het huwelijk.

Wat opvalt als we Rousseau verder lezen, is dat hij een vrij simplistisch mensbeeld heeft. Voor hem is komt de mens naakt, primitief, individualistisch en zonder moreel besef te wereld. Hij heeft geen andere wensen dan vrij te zijn en zijn instincten na te volgen. De radertjes van rede, plichtsbesef, rechtvaardigheid beginnen volgens Rousseau pas te draaien bij het vormen van een sociaal contract met de samenleving! En voorzover de mens niet bedrogen wordt, heeft hij een goede wil.

Rousseau beschouwt de komst van Jezus als een keerpunt in de geschiedenis, maar dan niet ten goede. Zijn optimistische mensvisie maakt dat hij alle koninkrijken van de aarde vóór de komst van Jezus als enigszins respectvol jegens elkaar en elkaars goden beschouwt, en Jezus en het christendom als totaal ontwrichtend in deze harmonieuze verhoudingen (boek IV, 8). Blijkbaar was er duurzame wereldvrede voordat Jezus kwam en hebben de christenen oorlog gebracht!? Het is nogal duidelijk dat dit beeld niet op realiteit maar op de atheïstische voorkeur van Rousseau berust, hoewel in naam van God veel onrecht is gebeurd.

Hoe verhoudt dit zich tot psalm 8? In psalm 8 lezen we allereerst dat Gods Naam groot is op aarde, en dat Hij mensen daar zo'n hoge positie in heeft gegeven. Het probleem van misbruik van die macht begint dus met het niet respecteren van God en de natuur die God gemaakt heeft. Mensenrechten erkennen kan dat maar gedeeltelijk proberen te herstellen. Wat mij betreft komen er ook dierenrechten en natuurrechten bij! Maar zelfs dan is het niet compleet, want wat God gebiedt is niet alleen respect, maar ook liefde. Jezus vatte Gods wil samen met God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.

Doordat Rousseau de eer van God op deze aarde niet erkent, zijn er meerdere zwakke punten in zijn ideologie. Deze punten zijn hierboven al genoemd. Het eerste is dat het uitgangspunt verdediging van rechten met geweld is, iets wat Jezus niet deed. Het tweede is dat het heel veel wijsheid vereist om een rechtvaardige wet te geven, en dat het weer veel moeite kost om dit aan de mensen uit te leggen, iets wat ik bijna een 'terug bij af'-situatie zou noemen. Het derde is dat Rousseau uitgaat van een vrij simplistisch mensbeeld heeft.

In de profetie van Daniël wordt de staatsvorm van democratie afgebeeld als de lemen voeten van het grote beeld, met ijzer vermengd. Dat wijst op het vermengen van macht met de menselijke factor. "Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem" (Daniël 2, 43). Voor een christen is het eerder van belang om door deze tijdelijke staatsvorm heen uit te kijken naar het komende Koninkrijk van God, wat als de steen in de profetie van Daniël het grote beeld zal vermorzelen en de aarde zal vervullen. Uiteindelijk is geen enkel menselijk koninkrijk blijvend en perfect, hoeveel rechtvaardigheid er ook bereikt kan worden met mensenrechten. Echte hoop biedt alleen het Evangelie, waarvan kan worden gezegd:
"Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U een sterk fundament gelegd" (Psalm 8, 3).

vrijdag 17 juni 2011

Slavenmoraal

Hoe komt het dat stomme spelletjes soms zo verslavend zijn? Is er niet een goede bezigheid mogelijk die verslavend is?

Het antwoord is simpel: nee, want mensen zijn niet bedoeld om slaven te zijn.

Die uitspraak is teleologisch (het spreekt een doel uit) en normatief. Hetzelfde was wat Kant bedoelde met zijn formulering van de categorische imperatief: dat mensen nooit alleen middel, maar altijd ook doel op zich zijn.

Respectvol met de natuur omgaan stelt ook de vraag naar de mogelijkheden om de natuur alleen als middel te zien. Uit de natuur spreekt iets (anders dan bij techniek) dat het 'niet van ons' is: wij hebben het niet gemaakt, en zoals het bestaat heeft het iets bewonderenswaardigs (hoewel soms achter een sluier van geweld tegen de nietige mens). We mogen de vruchten ervan plukken, maar niet de plant vernietigen. We mogen de aarde bebouwen, maar moeten die ook bewaren (Genesis, hoofdstuk 2, vers 15). Het is daarom niet mogelijk de natuur alleen als middel te zien (vergelijk de opvatting van Peter Singer over dieren).

Maar terug naar de mens. Ik stelde dus al dat mensen niet bedoeld zijn om slaven te zijn, maar bestemd zijn om vrij te zijn, net als de natuur. Het lastige is dat de mens het moeilijk vindt om vrij te zijn.

Vanuit een christelijke visie komt dat doordat hij zijn oriëntatie en betekenis uit God is verloren. Want alleen oriëntatie op God geeft de volle vrijheid van de mens plaats: God omvat immers wat mens-zijn betekent, omdat God de mens gemaakt heeft.

Een zoektocht naar de vrijheid van de mens kan mijns inziens op niets anders uitkomen. Nietsche zocht ook vrijheid, maar heeft zich mijns inziens met zijn idee van 'slavenmoraal' van de christelijke godsdienst heel erg vergist.

In de praktijk is vrij blijven voor de mogelijkheden van de mens heel moeilijk. Het is heel makkelijk om je te laten reguleren door dingen die maar een deel van de menselijke 'potentie' uitmaken. 'Wakker blijven' en bidden, is de raad van Jezus (Evangelie naar Matteüs, hoofdstuk 25).

dinsdag 25 januari 2011

Vrijheid bij Descartes

Eerder heb ik al geschreven over waarom Descartes, de bekende Moderne filosoof, een idealist genoemd kan worden:
Descartes, gefascineerd door de wetenschappen, beschouwde het zuivere denken als wat centraal stond in de wereld. Van daaruit stelde hij later zijn metafysica op: het denken is het enige zekere; daarop gebaseerd wordt vervolgens onze ontcijfering van de wereld. Onze ontcijfering van de wereld is altijd twijfelachtiger dan het denken zelf. Wel zal God ons behoeden voor onwaarachtigheid in de wereld zoals ze aan ons verschijnt -- voor het bedrog --, maar de wereld blijft een constitutie van het denken, in de greep van het denken.

Ik kom hier nog even op terug om duidelijk te maken wat dit precies betekent bij Descartes:
  1. Bij de waarneming is er geen direct contact van de geest of verbeelding en het object. Het lichamelijke object (driedimensionaal) (of sporen ervan) dringen niet in het lichaam door; het zijn figuren (tweedimensionaal) die als modus van ons lichaam de verbeelding bereiken. Hier begint de ideeënwereld.

  2. De modellen die ons verstand maakt om de werkelijkheid waar en zeker te begrijpen, moeten methodisch deductief afgeleid zijn uit eerste heldere ideeën. Echter, die methode en basisideeën zijn middel om de werkelijkheid te begrijpen, om de structuren ervan bloot te leggen; ze werken, maar van hun metafysische status als overeenkomst met de werkelijkheid kunnen we niets zeggen.

  3. God heeft ons die eerste heldere ideeën gegeven, en wij kunnen niet beter dan ze methodisch en inventief toepassen om er zekerheid mee te bereiken. Echter, metafysisch kan het zo zijn dat de werkelijkheid nog anders is dan wij denken; Descartes vergelijkt het met een horloge, waar dezelfde buitenkant twee verschillende mechanieken kan herbergen.

Het verschil tussen mens en God is dat wat God denkt, ook is, terwijl wat de mens denkt, niet noodzakelijk hoeft te bestaan. Onze gedachten bij de wereld zijn dus altijd onzeker. Het gaat hier om een grote kloof tussen God en mens; een kloof die bij het laatmiddeleeuws nominalisme al naar voren kwam: Gods wil is volledig vrij, de wereld om ons heen daarom maar contingent. Bij Descartes is de verhouding van de mens tot God er een die de onmacht van de mens en de almacht van God benadrukt. Zelfs het denken is aan God onderworpen in de voortdurende schepping ('création continuée') van elk moment door de kracht van God. De filosofie van Descartes kan niet onchristelijk genoemd worden, ook al kon de toepassing van wetenschappelijke kennisprincipes op geloof problematisch zijn.

"Wat gebeurt er als je God bij de filosofie van Descartes weghaalt?" was een vraag die mijn docent Geschiedenis van de filosofie van de Moderne tijd, Prof. Dr. Roland Breeur herhaaldelijk stelde. Inderdaad:
  • de ideeën van de mens verliezen hun statuut van door God gegeven te zijn;
  • de methode verliest zijn status als het ontwikkelen van deze door God gegeven ideeën;
  • waarheid en zekerheid zijn niet meer gemotiveerd door deelname aan het zijn die als stempel door God in de wil van de mens is gedrukt (dat is vrijheid bij Descartes).
Wat heeft de mens dan nog over?

We zien dat bij het positivisme precies dat is gebeurd: men behield de wetenschap, maar had God niet meer nodig. We kunnen ons verbaasd afvragen: Hoe kan het dat men van het wereldbeeld van het nominalisme, waarin de kloof tussen mens en God zo groot is dat de praktijken van de mens maar relatief zijn, overgaat naar een wereldbeeld van wetenschappelijk absolutisme?

Het antwoord hoeft niet complex te zijn: behoud de wetenschap, en verwerp de onderworpenheid van de mens aan God.


(Bovenstaande schets van de filosofie van Descartes is grotendeels gebaseerd op de cursustekst van het vak Geschiedenis van de filosofie van de Moderne tijd.)

zaterdag 25 september 2010

De verloren zoon

Las vandaag een mooi citaat over vrijheid (zie over dat onderwerp ook mijn eerdere bericht) in het boek 'Het geweten' van dr. W.J. Aalders (1870-1945), hoogleraar ethiek en wijsbegeerte van de godsdienst:
"Vrijheid, in de zin van zelfbeschikkingsrecht en onafhankelijkheid van alles wat buiten het zelf valt, is als laatste gegeven van het mens-zijn een onmogelijkheid, omdat de mens nu eenmaal zich zelf niet genoeg is. Heroïsme is iets hoogs, maar het eindigt in ondergang. De verloren zoon, van wie gezegd wordt, dat hij komt tot zich zelf, d.i. tot zijn geweten, laat onmiddellijk daarop volgen: "Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan." (Lukas 15:18). Hij heeft aan zich zelf niet genoeg.

Een opmerking tussendoor. 'De mens heeft aan zichzelf niet genoeg': dat is ook een perspectief wat bij Aurelius Augustinus aan de orde komt, wanneer hij stelt dat kwaad niets anders is dan afgewend zijn van het goede. Augustinus stelt: God is het hoogste goede.

Om het citaat van Aalders te vervolgen (wat regelrecht tegen Nietzsches woorden over het geweten en het zelf ingaat):
(...) Daarom acht ik de definitie, die Calvijn van het geweten geeft, zo voorzichtig en juist, dat "het iets is, dat midden tussen God en mens in is". Scheler (Max Scheler, Vom Ewigen im Menschen, Ir B. 1923, S. 50) drukt het in wijsgerige bewoordingen zó uit, dat "sich uns in den Regungen des Gewissens eine unsichtbare Ordnung unsrer Seele und unsres Verhältnisses zu ihrem obersten Haupt und Schöpfer ganz von selbst - ohne Deutung unserseits - präsentiere" en ook het berouw "nimmt erst dann ihren vollen Sinn an und gewinnt erst dann ihre volle Sprache, wenn sie eingefügt erlebt ist in einem metaphysisch-religiösen Weltzusammenhang".

zaterdag 4 september 2010

Vrijheid

Vandaag las ik deel I van '1984' van George Orwell, een beschrijving van een dystopie waarin de vrijheden van de individuele mens worden beheerst door 'De Partij'. Het viel me vooral op hoe Orwell het program van de partij 'Ingsoc' noemt, een afko voor 'English Socialism'. Orwell heeft trouwens verklaard dat hij '1984' niet bedoeld heeft als kritiek op socialisme, maar vooral op de totalitaire systemen --- Orwell steunde zelf de Labour Party (zie Wikipedia). Na het volgen van een Masterclass over de technologische cultuur was ik aan het denken geraakt over ethiek en de rol van de overheid: mag de overheid grenzen stellen aan ontwikkelingen, of is daar tegen in te brengen dat de verantwoordelijkheid bij het individu ligt en de overheid moet zorgen voor vrijheid? Met andere woorden: zou een overheid vrijheden kunnen beperken voor een individu, op andere grond van dat die vrijheid anderen schaden zou? Mag een overheid vrijheden beperken als het individu zichzelf daarmee zou kunnen schaden, bijvoorbeeld? En is zo'n overheid niet betuttelend?

De huidige Nederlandse samenleving wordt in ieder geval gekentekend door grote vrijheid voor het individu, en verantwoordelijkheid voor het individu. Waar die vrijheid gelimiteerd is is het vooral waar het individu anderen zou kunnen schaden --- wapenbezit bijvoorbeeld. Het staat een ieder vrij om teveel te eten, te roken, te drinken, en op enige andere manier ongezond of gevaarlijk te leven --- en producenten spelen hier handig op in. Alles kan lekkerder, mooier, sneller, meeslepender. Maar --- kan zo'n vrijheid een cultuur niet te gronde richten? Hier staat vrijheid (liberalisme) tegenover beperking.

Een artikel juist over vrijheid verscheen gisteren in het Reformatorisch Dagblad: 'Echte vrijheid: kiezen voor het goede'. Daarin betoogt G. van den Brink dat vrijheid vanuit Christelijke visie niet als doel op zichzelf moet worden gezien, maar als middel om het goede te doen. Uiterste vrijheid, dus ook om zichzelf te schaden is absurd: daar beschermen we toch ook kinderen tegen? Ook noemt Van den Brink rechtvaardigheid als belangrijke norm van de overheid; met een beroep op rechtvaardigheid ontnemen we bijvoorbeeld misdadigers hun vrijheid door hen gevangen te houden.

Het uiteindelijke antwoord op mijn vraag vond ik echter in een prachtig geschrift van de bekende Wittenbergse doctor Maarten Luther: 'Von der freyheyt eynisz Christen menschen'. Het geschrift van Luther wordt soms weggedaan als een rebels geschrift tegen het pauselijk gezag. Dat doet schromelijk tekort --- mijns inziens is het een van de beste beschrijvingen van het fundament van een Christelijke ethiek, geschreven vanuit het principe van het geloof in Christus, en daarom zuiver. Luther besluit de vrijheid van een Christen, "die yhm Christus erworben und geben hatt", in deze twee:
Eyn Christen mensch ist eyn freyer herr, über alle ding, und niemandt unterthan.
Eyn Christen mensch ist eyn dienstpar knecht aller ding und yderman unterthan.

Heel kort samengevat is de uiteenzetting in het geschrift van Luther: de vrijheid is in het geloof, waarin geen voorwaarde is dan de verlossing door Christus; de dienstbaarheid is in de liefde tot God en tot de naaste. Dát is de Christelijke balans tussen vrijheid en gebondenheid:
Aus dem allenn folget der beschluß, das eyn Christen mensch lebt nit ynn yhm selb, sondern ynn Christo und seynem nehstenn, ynn Christo durch den glauben, ym nehsten, durch die liebe.


Een Christen moet dus handelen uit het beginsel van liefde, terwijl hij zijn vrijheid weet uit Christus. Die vrijheid is geen liberalistische vrijheid: vrijheid is geen praktisch doel op zich. Praktische overwegingen, ook voor de overheid, moeten gebeuren uit de regel van de liefde.