Posts tonen met het label Christus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Christus. Alle posts tonen

donderdag 6 april 2023

Waarom moest God mens worden?

Tien jaar geleden, op Goede Vrijdag, schreef ik over het lijden en sterven van Jezus. Vandaag wil ik opnieuw stilstaan bij de vraag waarom Jezus, Gods Zoon, mens werd en moest lijden en sterven. Waarom zou de eeuwige God mens worden? En waarom moest Gods Zoon als mens vernedering ondergaan en zelfs sterven? Kon God niet een ander middel gebruiken, omdat Hij almachtig is? Als je erbij stilstaat is het inderdaad verbijsterend dat Gods Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en voor ons is gestorven. Maar waarom geloven we het dan toch?

De Bijbel geeft heel duidelijke aanwijzingen voor waarom Jezus, Gods Zoon, mens werd en stierf aan het kruis. Allereerst heeft Jezus, Gods Zoon, plaatsvervangend geleden voor onze zonden. Met Zijn offer nam Hij de openstaande schuld weg en reinigt Hij ons geweten. Niets kan ons geweten voor altijd reinigen van onze zonden en van de herinneringen aan onze zonden, dan het ene offer van Gods Zoon dat Hij Zelf wilde geven voor onze zonden. Het geeft ons de volle zekerheid van het geloof dat we verlost zijn van onze zonden. (Hebr. 1:1, 9:14, 10:22, Matt. 1:21, 3:15, 20:28)

Niet alleen bevrijdt Hij ons van de schuld, ook maakt Hij ons gebrekkige leven uit het geloof, dat nog steeds met zondige gedachten gepaard gaat, voor God goed. Niemand van de heiligen is zelfs na geloof in dit leven heilig in eigen gedachten en werken - dat weten we allemaal als we eerlijk zijn. Zijn heilige leven, Zijn onschuld staat voor Gods ogen als Hij naar ons kijkt die door Hem zijn verlost. Daarom alleen worden we heiligen genoemd: door het heilige leven van Jezus voor God. De wet heeft nog nooit iemand tot volmaaktheid gebracht. Het lijden en sterven van Jezus Christus, onze Heere, voor onze zonden, brengt ons nader tot God omdat het een betere hoop op God geeft. (Hebr. 5:7-9, 7:19, 10:1-4, 13:21)

Ook heeft Jezus door Zijn dood degene overwonnen die ons inde greep van het oordeel van de dood hield, de duivel. Hij bevrijdde ons van de aanspraak die de duivel op ons kon maken doordat we de duivel geloofden en niet God, en de wil van de duivel deden in plaats van Gods wil. (Hebr. 2:14)

Door mens te worden gaf Jezus, Gods Zoon, het perfecte voorbeeld voor hoe wij moeten leven en hoe wij door veel lijden in Gods Koninkrijk zullen komen. Geen enkel mens, geen enkele profeet was zonder zonden. We weten dat uit ons eigen leven wel dat we onszelf heel mooi voor kunnen doen maar altijd zondig blijven in ons hart, nog afgezien van dat we door onze daden in zonden kunnen vallen. Mozes werd woedend en overtrad Gods gebod. David pleegde overspel en moord. Elia werd moedeloos en wilde liever sterven. Maar Jezus heeft geen enkele zonde begaan, want Hij was Gods Zoon en was gehoorzaam aan Zijn Vader. Zijn leven elke dag te bestuderen geeft ons kracht. Hij is de Leidsman en Voleinder van het geloof. (Hebr. 1:10, 12:2, Matt. 5:10-12, 17:5, 23:7)

De Heere Jezus is ons voorgegaan naar Zijn Vader in de hemel. Hij heeft de weg gebaand voor ons. Wij zijn in Gods Koninkrijk welkom, omdat we door Hem gekocht zijn en Hij voor ons instaat. (Hebr. 6:19-20, 10:20)

Jezus Christus wil als God en tegelijk mens voor ons als bemiddelaar voor God zijn. Hij staat tussen de zondige mens en de heilige God in als de enige heilige Mens die ooit op aarde leefde. Wij weten dat Hij ons kent. Hij reinigt onze gebeden als die zwak zijn of met verkeerde, egoïstische of hoogmoedige gedachten bevlekt zijn. Hij bidt voor ons dat ons geloof niet ophoudt in verzoekingen. Hij bad voor Petrus toen die Hem verloochende. (Hebr. 7:22, 7:25, 9:15)

Door Jezus' leven kunnen we de genade en barmhartigheid van God duidelijker zien dan ooit tevoren. Dat is beiden in Zijn daden en in Zijn prediking. We zien hoe Hij melaatsen aanraakte en genas, hoe Hij bij zondaars at en ze zich bekeerden. We zien hoe Hij blinden het gezicht gaf (en wij die blind zijn voor God, het gezicht geeft op God). We zien hoe Hij doden levend maakte (en hoe dood zijn wij, totdat Gods Geest ons levend maakt om Hem te dienen). We zien hoe Hij onze zwakheid kent en weet, en wil vergeven. Hij is gekomen als de Goede Herder die zijn verloren schapen opzoekt. (Hebr. 2:17, 3:1, 4:14-16, 13:20, Matt. 8:17, 13:37, 28:19)

Deze verlossing was door God al vanaf het begin van de wereld bekendgemaakt aan de heiligen voordat Jezus geboren werd. Jezus kwam om alle beloften van God te vervullen. Hij is de Gezalfde, de Koning van de vrede, die een eeuwig Koninkrijk van vrede zal brengen. Hij is de vervulling van de belofte van eeuwig leven door Zijn opstanding uit de dood. Hij vervult op een betere manier de bloedoffers die aan God gebracht moesten worden als een symbool van het hemelse. (Hebr. 8:5, 9:23, Matt. 2:15, 2:23, 8:17, 13:17 enz.)

Laten we oppassen dat we niet doen alsof we dit niet begrijpen. Laten we deze grote verlossing van God niet voorbij laten gaan! We worden daarvoor gewaarschuwd (Hebr. 2):
"Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen, die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben? God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil."
Laten we ons hart niet verharden voor dit evangelie (Hebr. 3):
"Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien, veertig jaar lang. Daarom ben Ik toornig geworden op dat geslacht en heb gesproken: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!
Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God."

Laten we daarom met Pasen geloven in Zijn verlossing en God daarvoor loven!

Als we de Bijbel lezen zien we dus heel veel verschillende redenen voor de menswording van Gods Zoon. Waarom werd God mens? Anselmus van Canterbury (1033-1109) schreef een boek met die titel. Zijn antwoord was: Gods ontnomen eer moest door het offer van Christus betaald worden, zodat aan Gods rechtvaardigheid voldaan werd. Er zijn zoals ik hierboven heb aangetoond hiernaast nog veel meer redenen aan te dragen vanuit de Bijbel. Met al deze redenen wordt onze verwondering voor Gods genade niet kleiner, maar groter, en mogen we God een lofoffer brengen door er tijdens dit Paasfeest over te spreken.




vrijdag 8 april 2022

Hoe zal Jezus terugkomen?

Het interpreteren van teksten kan soms wat moeite kosten. Dat komt vooral naar boven als er meerdere interpretaties zijn die met elkaar strijden. Toch hoeven we niet te rouwen: er zijn prima manieren om de tekst beter te begrijpen. We hoeven niet mee te gaan in de hype die zegt dat alle tekstuele interpretatie maar subjectief is en dat elke interpretatie daarom onweerlegbaar is. Mijn vriend dr. Wout Bisschop heeft daar een mooi boek over geschreven.

In dit bericht wil ik het hebben over hoe Jezus terug zal komen. We weten dat we in de laatste dagen leven. Ook is het terugkomen van Jezus het einde van deze aarde zoals we die nu kennen, en een ankerpunt van ons geloof. Daarom is het des te belangrijker om er duidelijk over te kunnen spreken. Ik hoop dat ik daarin Gods eer kan zoeken, niet mijn eigen mening of eer (Joh.7:18).

Vanmorgen in de tuin hoorde ik hoe bij het aanbreken van de eerste schemering, de merels en andere vogels beginnen te zingen en dat volop doen nog voordat de zon opgaat. Het trof me dat deze vogels zó naar het begin van de dag toeleven en dat laten horen. Op dezelfde manier moeten wij christenen beginnen te zingen bij het aanbreken van de eerste tekenen van Jezus' wederkomst, en het aan mensen laten horen die daar nog onbekend mee zijn.

Één belangrijk teken is dat als Jezus terugkomt, iedereen op aarde het teken van Christus in de wolken zal zien en zal herkennen. Het zal niet zo zijn dat Christus ergens in een huis is, of ergens op een verlaten plaats - als mensen dat zeggen moeten we ze niet geloven en er niet naar toe gaan. Dat zal een val zijn van Satan. Het zullen mensen zijn die zich voordoen als Jezus en grote tekenen doen door duivelse machten, maar het zullen anti-christussen zijn. Jezus waarschuwt hier ons nadrukkelijk voor (Matt. 24:23-28, Mark. 13:21-23). Er is dus niet zoiets als een eerste, verborgen komst van Christus. Als je dat gelooft of dat aan mensen predikt, drijf je ze eigenlijk in armen van de antichristussen, en je spreekt letterlijk de woorden van Jezus tegen.

"Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn." (Matt. 24)

Een tweede belangrijk punt is "de grote verdrukking" die voorafgaat aan de wederkomst van Christus. Er zijn mensen die zeggen dat de gelovigen deze grote verdrukking niet mee hoeven te maken, omdat ze worden 'opgenomen' in de hemel net ervoor. Dat wordt gebaseerd op 1 Thessalonicenzen 4:17, waar het gaat over dat de gelovigen de Heere Jezus tegemoet gaan bij Zijn wederkomst. Natuurlijk zullen de gelovigen Jezus tegemoetgaan, maar dat zal niet vóór, maar ná de grote verdrukking zijn. Lees maar in Openbaring 7:14, waar het gaat over "een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen volken en talen" die "voor het Lam staan": "Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen" (zie ook Mattheüs 24:21, Daniël 12:1). De eerste opstanding valt samen met de komst van Jezus, en valt ook samen met het begin van het duizendjarig vrederijk (1 Thessalonicenzen 4:16, Openbaring 20:4-5). Sommige medebroeders in Christus lezen de Openbaring alsof eerst Jezus terugkomt (Openbaring 6:16), dat daarna Israël verzegeld wordt (Openbaring 7) en dat vervolgens de gelovigen buiten Israël voor het Lam staan (Openbaring 7) en dat daarna de grote verdrukking begint (Openbaring 13, 17). Zo kan het niet zijn. De grote verdrukking vindt dus plaats voordat Jezus terugkomt, dus voordat wij - en de andere gelovigen - Hem tegemoet gaan in de lucht. Wij zullen het grote Babylon meemaken, de grote verleiding en de antichrist. We moeten erop voorbereid zijn, waakzaam zijn. Als Jezus verschijnt, is het gedaan met alle verleiding:

"En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst; hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden." (2 Thessalonicenzen 2)

Een derde belangrijk punt is dat we niet moeten denken "het zal zo'n vaart niet lopen", of, "ik hou van Jezus dus het komt wel goed". Jezus zegt zelf dat Zijn komst zal zijn als een dief in de nacht, dus onverwachts. Bij de komst van de bruidegom zullen er zelfs bruidsmeisjes zijn die uitgenodigd zijn voor het feest, maar die niet voorbereid zijn op Jezus' komst. Ten diepste laat dat zien dat ze Jezus niet liefhebben, omdat ze Zijn woorden niet gehoorzamen, maar alleen voor de vorm en voor het feest zijn meegegaan. De bruidegom zal de deur voor hen sluiten! We moeten ook niet denken "ik heb nog tijd genoeg - ik ben nog jong, en Jezus zal morgen niet terugkomen, want er gaan tekenen aan vooraf die ik toch zeker wel zal herkennen." We zien een wereldwijde milieucrisis - en slapen door. We zien een onverwachte pandemie die zelfs het westen lamlegt - en slapen door. We zien een oorlog waar de kernwapens op scherp staan - en slapen door. We zien dat God Zijn belofte van het terugbrengen van Israël in Zijn land vervult - en slapen door. We zien de wetteloosheid (2 Thess. 2) verwoestend toenemen - en slapen door. We moeten niet denken "eerst zal Israël nog tot bekering komen", want zij zullen misschien wel op het allerlaatste moment, namelijk als Jezus terugkomt, "Hem zien die zij doorstoken hebben" (Zacharia 12). Als we ondanks al deze tekenen doorslapen, blijven we in slaap totdat we opeens Jezus op de wolken van de hemel zien en wakker worden geschud uit de zoete slaap van welvaart, eigenwillige godsdienst en verleiding. Want ja, de Satan zal in de antichrist een engel van het licht lijken te zijn:

"... hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid." (2 Thess. 2)

Omdat er zoveel verschillende uitleg is van het bijbelboek Openbaring, lijkt het me goed om een paar specifieke dingen op te merken. Allereerst dat in Openbaring 6, bij het verbreken van het 6e zegel, het gaat over de wederkomst van Christus. Het gaat niet over alleen maar grote tekenen op de aarde die mensen verschrikken, maar over het verschijnen van de heerlijkheid van God. Daarvoor zullen de mensen vluchten naar de grotten en zullen ze willen dat de bergen hen daarvoor zouden bedekken. Dit is een duidelijk citaat van Jesaja 2:19:

"Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.

Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich daarvoor neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.

Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken."

Dit is in die zin belangrijk, dat we inzien dat er maar één wederkomst van Christus is, en dat die voor heel de aarde duidelijk zal zijn.

Een ander punt is dat er in Openbaring meerdere verhaallijnen door elkaar lopen. Een eerste verhaallijn is heel duidelijk. Er zijn de opeenvolgende zeven zegels van het boek van de wereldgeschiedenis die door Jezus geopend worden. Bij het zesde zegel is de wederkomst van Christus. Daarna worden de dienaren van God aan hun voorhoofd verzegeld zodat de komende plagen hen niet raken, en staan de gelovigen voor de troon en voor het Lam. Daarop volgen de zeven bazuinen. De laatste drie bazuinen worden aangekondigd met "wee, wee, wee". Bij de zevende bazuin is er geen uitstel meer. Ik denk dat het laatste "wee" van de laatste bazuin terug te vinden is in de zeven schalen van Gods toorn die over de aarde worden uitgegoten.

Een tweede verhaallijn loopt hier doorheen en begint in Openbaring 12. We zien dat daar een gezicht komt van de strijd van de gelovigen - de nakomelingen van Eva - en de duivel - de slang. Het teken gaat over een vrouw die zwanger is en het uitschreeuwt. Zij baart een Zoon - dat is Jezus, want er staat bij: "die alle heidenvolken zal hoeden met een ijzeren staf", een verwijzing naar Psalm 2, waar het gaat over de Gezalfde van de HEERE (zie ook Openbaring 19:15). Het kind wordt "weggerukt naar God en naar Zijn troon" - Jezus stierf voor onze zonden. We lezen daarna dat de satan uit de hemel wordt geworpen, omdat hij overwonnen is door het bloed van het Lam. Maar er staat ook meteen bij: "Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weing tijd heeft." In het vervolg van Openbaring staat dat het teken verder gaat met het opkomen van een beest uit de zee en een beest uit de afgrond (Openbaring 13). Later in Openbaring 17-18 wordt het oordeel van God over deze beesten, en de grote stad Babylon, die als een hoer alle mensen van de aarde verleidt, beschreven. Omdat het hier over een laatste wereldheerser en laatste wereldrijk gaat, gaat het hier ook over de "grote verdrukking" (zie ook de profeet Daniël en dit eerdere bericht daarover) waarin we zagen dat die al ophield met de komst van Jezus.

Deze twee verhaallijnen vullen elkaar heel duidelijk aan. De eerste staat helemaal in het teken van dat Jezus komt en dat de wereldgeschiedenis in Zijn hand is. De tweede heeft als thema dat we in een strijd met de duivel gewikkeld zijn, en dat die strijd aan het eind hevig zal zijn. We moeten deze verhaallijnen niet in elkaar willen vervlechten alsof ze in de tijd op elkaar volgen, want dat is juist niet de bedoeling. Juist in de grootste strijd is Jezus met ons en is Zijn wederkomst het dichtst bij.

Laten we hier met elkaar over blijven spreken, luisterend naar de woorden van onze enige Heer en Zaligmaker Jezus Christus, Gods Zoon:

"En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de poorten de stad mogen binnengaan. Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets. Want ik getuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand iets aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek geschreven zijn. En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, zal God zijn deel afdoen van het boek des levens, en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek geschreven zijn. Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen." (Openbaring 22)



P.S. Ik kreeg nog wat vervolgvragen over het tweede punt dat ik hierboven noemde, over dat de gelovigen uit de volken de grote verdrukking zullen meemaken. Hierbij een samenvatting van de bewijzen hiervoor uit de Bijbel:

  1. De gelovigen van de opname komen uit de grote verdrukking: Openb. 7:14: Johannes ziet een grote menigte uit alle volken (7:9) die "uit de grote verdrukking komen".

    1. Tegenargument: "uit de grote verdrukking" betekent dat ze eruit weggehaald zijn door de opname.
      1. Tegenwerping van het tegenargument: Dat is een rare manier van lezen. "Uit de verdrukking" betekent niet "weg vóór de verdrukking" maar betekent "zij waren eerst in de grote verdrukking, daarna zijn ze daar vandaan gekomen". Zie ook ander gebruik van het Griekse woordje εκ in Openbaring.
  2. De wederkomst is vóór de opname: Openb. 6:12-17 gaat over de zichtbare wederkomst van Jezus met heerlijkheid. Bewijs is dat de goddelozen zich voor Zijn heerlijkheid verbergen (zie Jesaja 2:19). Een ander bewijs is dat Matt. 24:29-30 dezelfde woorden beschrijft als Openb. 6 en 1 Thess. 4. Dus de opname gebeurt bij de zichtbare wederkomst van Jezus met heerlijkheid, en die is duidelijk ná de grote verdrukking, zoals te zien is in Matt. 24:29: "na de verdrukking van die dagen" en die gaat over (24:21) "een grote verdrukking, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal".

    Een ander bewijs hiervan is dat in 1 Thess. 4 gesproken wordt over dat Jezus' komst duidelijk hoorbaar is door roepen van de engel en de bazuin, en zelfs de opstanding van de doden: "Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan."

  3. De Openbaring zegt niet dat de grote verdrukking na de opname komt: Het idee dat Openb. 13 en 17 (die de grote verdrukking beschrijven) chronologisch volgen op Openb. 6 en 7 (waar het gaat over de wederkomst van Christus en de opname), omdat het achter elkaar staat, is niet juist. Bewijs: Openb. 13 is één geheel met Openb. 12., omdat de draak het beest uit de zee de macht geeft (Openb. 13:4). In Openb. 12:17 staat dat de draak heengaat "om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God in acht nemen en het getuigenis van Jezus Christus hebben". Dat wordt in Openb. 13 dus nader beschreven. Het is duidelijk dat Openb. 12 en 13 een nieuwe verhaallijn is, omdat het in Openb. 12:5 gaat over de geboorte van Christus (bewijs: Psalm 2:9, Openb. 19:15), en dat is natuurlijk in de tijd vóór Zijn wederkomst. Dus Openb. 12 en 13 is een andere verhaallijn dan Openb. 6 en 7, en het is onjuist om te zeggen dat ze chronologisch op elkaar volgen.

  4. De opname is na de eerste opstanding, en de eerste opstanding na de grote verdrukking: Openb. 20:4 noemt de eerste opstanding, en noemt dat deze gelovigen degenen waren "die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand". Dus de eerste opstanding is ná de grote verdrukking. En de eerste opstanding is vóór de opname, zie 1 Thess. 4: "En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht." Een ander bewijs dat de opstanding en opname tegelijkertijd zijn is te lezen in 1 Kor. 15:51-52.

  5. De verdrukking van alle gelovigen gaat aan de wederkomst vooraf: In 2 Thess. 1 verbindt Paulus duidelijk de verdrukking van alle gelovigen, aan de wederkomst: "Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht". Er is dus geen opname die gelovigen wegneemt vóór de verdrukking, maar juist de wederkomst maakt aan de grote verdrukking een einde en daarmee komt de opname.

  6. De verdrukking gaat over een oorlog tegen de heiligen, niet tegen Israël alleen: In Op. 13:7 en 13:10 staat dat het beest gegeven is oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen. Het woord 'heiligen' is een algemene benaming die niet laat zien dat hier alleen sprake zou zijn van Israël. Zie Op. 14:12 waar het "geduld van de heiligen" (Op. 13:10) wordt herhaald en wordt verklaard dat dit degenen zijn "die de geboden van God houden en het geloof in Jezus behouden". Zie ook Op. 8:3-4 waar het gaat over de gebeden van de heiligen: daar wordt ook niet alleen Israël bedoeld.

  7. Weerlegging van de argumenten voor de opname: De volgende argumenten voor de opname voor de grote verdrukking zijn niet geldig:

    1. Argument: "De grote verdrukking is de dag van Gods toorn. Gelovigen zullen bewaard worden voor de toorn van God (1 Thess. 5:9, Rom. 5:9)".

      Weerlegging: De eerste bewering is niet juist: de grote verdrukking is niet de dag van Gods toorn, maar een dag van grote verdrukking waarin juist de heiligen overwonnen worden. De dag van Gods toorn komt ná de grote verdrukking en met de wederkomst (Openb. 6 beschrijft de wederkomst, de bazuinen en schalen van Gods toorn volgen erna). Het zou raar zijn om de grote verdrukking de dag van Gods toorn te noemen als er op dat moment juist het onrecht overheerst.

    2. Argument: Als de gelovigen in Thessalonica dachten dat de opname ná de grote verdrukking plaatsvond, zouden ze niet bezorgd zijn geweest "alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn" (2 Thess. 2:2), omdat ze al op de grote verdrukking voorbereid waren.

      Weerlegging: De gelovigen in Thessalonica moeten door Paulus juist herinnerd worden dat Jezus niet terugkomt vóór de grote verdrukking. Dat doet Paulus namelijk in 2 Thess. 2: zijn onderwijs over de grote verdrukking herhalen. Ze waren dus niet voorbereid. De verwarring in Thessalonica bestond er misschien wel in dat er gelovigen waren die stopten met werken (2 Thess. 3:11) omdat ze dachten dat dat niet meer nodig was.

    3. Argument: De grote verdrukking breekt pas aan ná de opname, want zolang de gemeente van gelovigen op aarde is zijn zij samen met de Heilige Geest de "weerhouder" waarover gesproken wordt in 2 Thess. 2:7 "Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is."

      Weerlegging: De gemeente van gelovigen op aarde is niet de weerhouder. De Heilige Geest is inderdaad de weerhouder, hij weerhoudt ook de ongelovigen nog door in hun geweten te spreken. Als de Heilige Geest zich uit de gewetens langzamerhand zal terugtrekken, wordt de wetteloosheid echt duidelijk zichtbaar (dat zien we vandaag!).

    4. Argument: Er zijn gelovigen in de hemel op het moment van de grote verdrukking, zie Openb. 12:12: "Daarom, verblijd u, hemelen, en u die daarin woont! Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft."

      Weerlegging: Het gaat hier niet over gelovigen die zijn opgenomen net voor de grote verdrukking, maar over alle gelovigen die nu al bij de Heere zijn. Deze broeders werden aangeklaagd toen de satan nog in de hemel was (vers 10): "de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen.

    5. Argument: Jes. 26:19-21 gaan over de opstanding, de opname en daarna de grote verdrukking.

      Weerlegging: Jes. 26:21 gaat niet over de grote verdrukking (waarin satan even de macht heeft), maar over het oordeel van God (waarin God de ongerechtigheid straft). Dat is een duidelijk verschil. Daarnaast is Jes. 26:20 niet een duidelijke beschrijving van de opname: "ga in uw kamers, en sluit uw deuren toe" klinkt gewoon als verbergen in je huis. Als er de opname mee bedoeld werd, zouden we duidelijker woorden kunnen verwachten zoals "kom hier in Mijn huis, en Ik zal de deuren toesluiten".

woensdag 5 januari 2022

God is Koning - vervolg

In een vorig bericht schreef ik over de visioenen die God aan de profeet Daniël liet zien. Hier wil ik vervolgen met de twee laatste visioenen van Daniël.

Daniël bevond zich in Babylon in ballingschap. Hij was meegenomen door de legers van Babel die Jeruzalem veroverden en verwoestten. Toch kreeg hij in zijn visioenen niet alleen het herstel te zien - het komende vrederijk van God - maar ook een nieuwe periode van verwoesting. Er staat dat Daniël daar "verbijsterd" over was (Daniël 8:27). Dat is niet verwonderlijk.

Daniël zag ook Gods profetieën deels in vervulling gaan, namelijk doordat het Perzische wereldrijk het Babylonische wereldrijk opvolgde. In deze omstandigheid ("in het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het geslacht van de Meden, die koning was gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën") gaat Daniël in gebed (Daniël 9). Hij heeft in de profetie van Jeremia gelezen dat God na 70 jaar ballingschap om zal zien naar de Joden en hen zal terugbrengen (Jeremia 29:10-14). Ook staat er dat God na deze 70 jaar Babel zal vergelden voor hun daden (Jeremia 25:12). Als Daniël de vergelding aan Babel ziet (doordat de macht aan Darius de Meder is gegeven) bidt hij ook voor de andere belofte: het herstel van de tempel en Jeruzalem.

Daniël vraagt in dit gebed of God de zonden wil vergeven en wil omzien naar de verwoeste stad en tempel. Als hij hierom bidt, zal hij ook gedacht hebben aan het vorige visioen over de verwoesting door de toekomstige koning die God hem liet zien (Daniël 8)? Ik denk het wel. Als God Daniël antwoordt door middel van een engel, is dat de engel Gabriël die hij in het vorige visioen (Daniël 8) ook heeft gezien. Gabriël zegt dat hij gezonden is om Daniël de betekenis te laten begrijpen.

Gabriël legt uit dat er zeventig weken zijn bepaald over het volk Israël, "om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van de heiligheden te zalven". Het vorige visioen wat Daniël gezien heeft is onderdeel van een groter plan van God. Er is geen willekeur bij Hem.

De zeventig weken zijn als volgt verdeeld:

  • 7 weken vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen
  • 62 weken tot op Messias, de Vorst
  • Na de 62 weken zal de Messias uitgeroeid worden en Jeruzalem en de tempel verwoest worden. 1 Week zal hij (de Messias) voor velen het verbond versterken. Halverwege die week zal de Messias slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Er zijn vastbesloten verwoestingen, zelfs tot het einde toe.

Daniël krijgt het grotere geheel te zien. Ik geloof dan ook dat dit een visioen is dat tot het einde van de aarde geldt. De Messias (gezalfde), is Jezus Christus. 'Christus' betekent immers 'gezalfde'. En wie anders dan Jezus, Gods Zoon, zouden we de 'Heiligheid der heiligheden' kunnen noemen die gezalfd is?

De Messias wordt voor de laatste week uitgeroeid, maar hij "versterkt voor velen het verbond" in de "week" die erop volgt. Jezus stierf voor mijn en jouw zonden aan het kruis. Maar door Zijn opstanding versterkt hij voor velen - voor ieder die in Hem gelooft - het verbond. Dus terwijl de verwoestingen doorgaan, gaat ook het werk van de Messias door.

Het is zo dat voor het onderwerp van "hij maakt het verbond voor velen sterk" ook "het volk van een vorst" die Jeruzalem en de tempel zal verwoesten, gelezen kan worden (het woord 'volk' kan mannelijk of vrouwelijk zijn in het Hebreeuws). Of "de vorst" van dat volk. Toch geloof ik vast dat het gelezen moet worden over de Messias. We hoeven niet blind te zijn over wat er in de geschiedenis gebeurd is - Jezus heeft het verbond van God met Zijn volk Israël sterk gemaakt, maar ook voor de mensen uit de andere volken die in Hem geloven.

Halverwege de week houden de offers op en wordt er over een "vleugel van verwoestende gruwel" gesproken (Daniël 9:27), woorden die later ongeveer herhaald worden (11:31, 12:11) en die Jezus Zelf ook herhaalt als Hij over de toekomst spreekt (Mattheüs 24:15/Markus 13:14/Lukas 21:20). Het woord "verwoesting" kan ook vertaald worden met "verlating". Ik denk dat het voor de hand ligt om dit toe te passen op de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70 na Christus. Daar gebeurde hetzelfde wat onder Antiochus IV Epifanes was gebeurd: de altijd brandende kandelaar werd gedoofd, de offers hielden op, de tempel werd tot de grond toe afgebroken. De Westmuur die nu nog rest is slechts een buitenmuur van de stad en het plateau waarop de tempel stond, geen overblijvende muur van de tempel, zie Flavius Josephus, "De Joodse oorlog", boek VII, 1.1. Letterlijk is uitgekomen wat Jezus zei:

"En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen! En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden." (Markus 13:1-2)
Deze gebeurtenis van de verwoesting in 70 na Christus is een van de grootste in de geschiedenis van het Jodendom, dus het zou vreemd zijn als deze gebeurtenis niet in de zeventig weken zou voorkomen.

Ik denk dat de periode van "verwoesting" of "verlating" van de tempel voort zal duren tot het einde, tot de tempel hersteld zal worden door God, als Jezus terugkomt en het vrederijk van God aanbreekt. Dat is denk ik besloten in de verbijsterende woorden in Daniël 9:27: "Er zal daarover een vleugel van verwoestende gruwel zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste". We zien inderdaad een onafgebroken periode van verwoesting en onderdrukking van de Joden. Alleen God kan daar een totaal einde aan maken.

Er zijn ook andere toepassingen gemaakt van de 70 weken. Een ervan is de 'Makkabese' uitleg die de 'Messias' op Judas de Makkabeeër toepast. Maar om redenen die ik al genoemd heb (Judas was niet 'de Heiligheid der heiligheden') vind ik dat niet passen. Ik zie ook niet echt een optie om de 70 weken toe te passen op een letterlijke tijdsperiode van 490 jaar (een 'week' is gewoon hetzelfde Hebreeuws woord als 'zeven', dus 70 weken = 70 zeventallen = 490 jaar). Het "woord om terug te keren" gaat uit in 538vC (zie Ezra 1:1) als Zerubbabel van Cyrus toestemming krijgt om terug te keren en de tempel te herbouwen. Als we daarvandaan rekenen tot het ophouden van het offer, 69,5 week = 486,5 jaar later, komen we in 51vC uit. Dat klopt niet met het jaar 70nC, ook niet met het jaar 168vC waarin het offeren ophield onder Antiochus IV. Na het eerste woord om terug te keren was er nog een tweede terugkeer onder Ezra rond 458vC (zie Ezra 7:9). Als we daarmee rekenen komen we voor de opbouw (in 7 weken, 49 jaar) uit rond 409vC, het jaar van de Messias is dan het jaar 29nC, het ophouden van het offer 33nC en het einde 36nC. Hierbij klopt het jaar van de Messias wel best precies - Jezus is gaan prediken toen Hij 30 jaar oud was, en schijnt niet precies in het jaar 0 geboren te zijn maar iets ervoor. Sommigen leggen dan uit dat het offeren 'ophield', ophield nodig te zijn en van betekenis te zijn, toen Jezus voor onze zonden stierf als het Offerlam van God. Hoewel ik dat een mooie gedachte vind, begrijp ik dan de laatste helft van de laatste week niet waarmee de 70 weken eindigen - of zou dan alles letterlijk zijn behalve dat laatste stukje, wat dan nog voortduurt? Anderen stellen de laatste week uit tot het einde en stellen dat er nog een plotselinge herbouw van de tempel gaat komen, die dan weer verwoest wordt drieëneenhalf jaar voordat Jezus terugkomt. Daar heb ik moeite met het schrappen van alle tijd vanaf de opstanding van Jezus, alsof die van geen enkele betekenis is voor het volk Israël. Bij beiden begrijp ik niet waarom vanaf de tweede terugkeer wordt gerekend (onder Ezra) en niet de eerste (onder Zerubbabel). Ik ga dus zelf uit van niet-letterlijke weken, die als 'perioden' gezien moeten worden. De wederopbouw is snel (7 weken), tot de Messias duurt het nog lang (69 weken) vanaf het visioen van Daniël. En de laatste week is kort, zoals Jezus zegt: "Ik kom spoedig" (Openbaring 22). We leven in de laatste dagen (Hebreeën 1).

Daniël 9 eindigt nogal abrupt. We lezen niets over een antwoord van Daniël aan de engel, of van zijn reactie op de boodschap. We lezen alleen in Daniël 10 dat, een niet precies bekende tijd later, hij drie weken aan het rouwen is. Daniël doet dat terwijl hij "er met heel zijn hart op toelegt om inzicht te krijgen en zich verootmoedigt voor Gods aangezicht" (vers 12). Dan krijgt hij niet een nieuw visioen, maar krijgt van een engel te horen "wat is opgetekend in het boek van de waarheid" (Daniël 10:21).

De uitleg die Daniël krijgt, en die beschreven staat in Daniël 11 en 12, is een heel precieze profetie over de koningen van het Seleucidische en Ptolemaeische rijk. Dat zijn twee rijken die voortkwamen uit het Griekse wereldrijk van Alexander de Grote. De profetie is heel duidelijk in de geschiedenis terug te zien. Het komt tot een climax als de "Koning van het Noorden" (de Seleucidische vorst Antiochus IV Epifanes) de tempel en de stad Jeruzalem ontheiligt (Daniël 11:31). Uit de contekst blijkt duidelijk dat het hier om Antiochus IV gaat, en dus niet om de verwoesting van de tempel door Titus in 70nC. Echter, na deze gebeurtenis zijn de woorden van de profetie minder eenduidig. Ik denk dat de woorden "... tot de tijd van het einde, want het wacht nog tot de vastgestelde tijd" (Daniël 11:35) een lange periode overbruggen. De blik gaat over van Antioches IV naar een laatste wereldheerser die nog moet komen. Over deze laatste wereldheerser die overwonnen wordt door Jezus zelf lazen we al in de eerste visioenen van Daniël, en lezen we ook in de Openbaring van Jezus aan Johannes (hoofdstuk 13 en 17). Het is in elk geval duidelijk dat deze laatste uitleg ophoudt als de doden zullen opstaan, en dus bij de wederkomst van Christus en het laatste oordeel (Daniël 12:2)

Een paar dingen blijven over om over na te denken. Allereerst de periode die het duurt voordat er een einde komt "aan deze wonderlijke dingen". Daniël hoort deze vraag stellen aan de engel. De engel antwoordt en zweert bij de Eeuwige God, dat het "een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft" zal zijn tot het einde. Dit zou hetzelfde kunnen zijn als de "helft van de laatste week": 3 en een halve dag. De tijd lijkt ook herhaald te worden in Daniël 12:11: "Van de tijd af dat het steeds terugkerende offer weggenomen zal worden en de verwoestende gruwel opgesteld zal zijn, zijn het duizend tweehonderdnegentig dagen. Welzalig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt." De 1290 dagen zijn ongeveer 3,5 jaar (3,5 jaar van 365 dagen plus 12,5 dagen). De 1335 dagen zijn 45 dagen, anderhalve maand erna. Zelf denk ik dat deze periode ook herhaald wordt in Openbaring 11: de heidenen zullen de buitenste voorhof 42 maanden (3,5 jaar) vertrappen, en de getuigen 1260 dagen profeteren (3,5 jaar van 360 dagen). Ik denk ook dat het herhaald wordt in Openbaring 12: de vrouw (Israël) die het Kind (Jezus) gebaard heeft vlucht naar de woestijn, en God voedt haar daar 1260 dagen (12:6), "een tijd, tijden en een halve tijd" (12:14).

Een andere plaats waar "tijd, tijden en een halve tijd" terugkomen is in Daniël 7:25. Dan gaat het over hoe lang de laatste hoorn van het laatste beest aan de macht zal zijn, die door Gods gericht zal worden verslagen. Dat gaat dus over de laatste wereldheerser. Dit lijkt mij een tweede periode te zijn die misschien wel letterlijk 3,5 jaar beslaat. We vinden ook deze periode herhaald in Openbaring 13: het beest spreekt 42 maanden lang godslasteringen (13:5).

In Daniël 12:1 staat ook genoemd: "Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd". We horen dit herhaald in de woorden van Jezus als Hij over de toekomst en verwoesting van de tempel spreekt (Mattheüs 24:15/Markus 13:14/Lukas 21:20). De woorden van Jezus zijn heel duidelijk van toepassing op de belegering van Jeruzalem (Lukas 21:20). Toch vraag ik me nog steeds af of dit alleen gaat over de belegering in 70nC, wat inderdaad een van de meest vreselijke tijden is geweest. Lees maar in Flavius Josephus "De Joodse oorlog": er was voor de wrede Romeinen te weinig hout voor kruisen om de opstandelingen te kruisigen, en de inwoners van Jeruzalem stierven massaal van honger, de straten en huizen waren gevuld met lijken. Of gaat dit over de tijd die begint met de belegering van Jeruzalem tot het einde? Dat zou wel een heel lange periode zijn. Of was het misschien Jezus' bedoeling om te waarschuwen voor de verschrikkelijke belegering van Jeruzalem in 70nC, maar tegelijkertijd ook voor de laatste belegering van de laatste wereldheerser van Jeruzalem? Ik denk dat het wel eens een waarschuwing voor beiden kan zijn. Want meteen daarop waarschuwt Jezus ook voor valse Messiassen (de antichrist), wat wijst op de laatste wereldheerser (zie Mattheüs 24:23/Markus 13:21).

Wanneer zijn de laatste drieënhalve dag van de laatste week voorbij? Alleen God weet het. Maar we zien de tekenen al in vervulling gaan: het evangelie heeft de uithoeken van de aarde bereikt, verschillende verloren gewaande stammen van de Israëlieten keren terug naar hun land, en de mens wordt steeds meer een mens die God lastert en wetteloos is. Jezus waarschuwt ons:

"En er zullen tekenen zijn in zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid vanwege het bulderen van zee en golven. En het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die de wereld zullen overkomen, want de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is. En Hij sprak tot hen een gelijkenis: Kijk naar de vijgenboom en naar alle bomen. Zodra ze uitlopen en u dat ziet, weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is. Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is. Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan, totdat alles geschied is. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan. Wees op uw hoede dat uw hart niet op enig moment bezwaard wordt door roes en dronkenschap en door zorgen over de alledaagse dingen, en dat die dag u niet onverwachts overkomt. Want als een strik zal hij komen over allen die op het hele aardoppervlak wonen. Waak dan te allen tijde en bid dat u waardig geacht zult worden om al die dingen die gebeuren zullen, te ontvluchten, en om te kunnen bestaan voor de Zoon des mensen." (Lukas 21:25-36)
Lees hier een vervolgbericht

vrijdag 18 december 2020

COVID-19 en troost

We bevinden ons in een tweede golf van de COVID-19 pandemie. Wat doet het met ons? Wat ervaren en leren we in deze tijd van de daden van God?
  1. We zijn sterfelijk en kwetsbaar. Waar we ons eerst, als we rijk en onbezorgd in Nederland leefden, nergens druk om maakten, vrezen we nu voor ziekte en voor ons leven. We zien dat onze medische wetenschap niet altijd kan helpen. Behandelingen helpen niet en wetenschap weet het antwoord niet op alles.
  2. Er is alleen troost in het geloof in Jezus. De pandemie zorgt voor verdriet, angst en frustratie. Een naturalistisch wereldbeeld 'werkt' als alles voorspoedig gaat, maar bij onzekerheid en ziekte biedt het weinig of geen troost. Ook een oppervlakkig geloof in God biedt weinig troost. Pas in het gezicht van de lijdende Zoon van God, Jezus Christus, is er troost in deze moelijke tijd. Hij zal in een wereld van ziekte en dood en onmacht het Vrederijk brengen, wanneer Hij terugkomt op de wolken van de hemel.
  3. Spreken over God is taboe. Wat opvalt is dat terwijl iedereen geschokt is in zijn vertrouwen in de menselijke macht over de natuur, dat er toch met geen woord over God gerept wordt. Premier en koning roepen vooral op om het vertrouwen in de menselijke macht over de natuur terug te vinden. Er is geen ruimte voor twijfel, geen ruimte voor geloof behalve het geloof in jezelf.
Laten we in plaats van verdrietig, gefrustreerd en bang te zijn onze hoofden opheffen naar de hemel en denken aan wat het Kerstfeest betekent: dat de Zoon van God, Jezus, naar deze aarde kwam om voor ons verlossing te brengen van onze zonden en pijn. Dan hoeft deze tijd geen tijd van eenzaamheid en verdriet te zijn, maar wordt het een tijd van blijdschap, omzien naar elkaar en vrede.

vrijdag 26 juni 2020

Exclusief geloof

Waarom is het geloof in Christus zo exclusief? Dat wil zeggen: waarom sluit het geloof in Christus het geloof in andere goden zoals de hindoestaanse goden of andere profeten zoals Mohammed uit? Waarom denken en zeggen christenen dat het geloof in Christus het enige ware geloof is, en proberen ze er anderen ook toe over te halen?

Om te beginnen, exclusief geloof betekent niet geweld en dwang. Hoewel de Heere Jezus geweld tegen niet-gelovigen verbiedt (Hij zegt zelfs: heb je vijanden lief, zegen wie je vervloeken, bid voor degenen die je geweld doen, Luk. 6) zijn er in de naam van Christus andersgelovigen vervolgd en gedood. Dat is een houding die absoluut niets met het geloof in Jezus te maken heeft. Wie in Jezus gelooft, moet doen wat Hij zegt. Ieder die geweld in de Naam van God verafschuwt, heeft gelijk. Jezus gebiedt iedere gelovige geen geweld te gebruiken tegen de vijanden van christenen, maar het eindoordeel van God af te wachten.

Maar ook zonder dat christenen geweld gebruiken, kan het als vervelend ervaren worden dat christenen anderen willen getuigen over Jezus, dat ze te pas en te onpas over Hem vertellen, dat ze zeggen dat een ander geloof een leugengeloof is waarmee je niet in het rijk van God kunt komen. Wat geeft ze het recht? Sterker nog: waarom voelen ze zich ertoe verplicht?

Er zijn volgens mij twee aspecten van 'exclusief geloof':
  1. Het eerste is het geloof dat er maar één God is: Jehova, en Jezus de Christus, Gods Zoon.
  2. Het tweede is dat christenen ervan overtuigd zijn dat ze dit heel zeker weten, dat het niet 'misschien zo is' en dat andere mensen het ook wel bij het rechte eind zouden kunnen hebben. Ik weet het zeker en heb geen twijfel, of liever: als ik twijfel heb, belijd ik nog steeds Gods Naam en zeg ik: U kent mij!
Je zou het eerste een 'ontologisch' aspect kunnen noemen, hoe de dingen zijn, en het tweede een 'epistomologisch' aspect, hoe we de dingen kennen.

Als je niet eens bent met dat christenen van Jezus getuigen als de enige Weg, kan dat dus om twee redenen zijn:
  1. Òf je denkt dat er niet één God is, maar dat er meerdere zijn, of dat Jezus Christus niet Zijn enige Zoon is en onze Verlosser;
  2. Òf je vindt dat niemand kan zeggen dat ze iets zeker weten over God. Niemand mag zeggen: ik weet het zeker, iedereen moet zeggen: ik geloof het, maar ik zou het mis kunnen hebben.

Zoals je ziet zijn deze twee tegenargumenten tegen 'exclusief geloof' ook maar meningen. Maar ik wil me er niet zó makkelijk van af maken dat ik zou zeggen: dus mag niemand klagen als een christen zegt dat Jezus de enige Weg is. Want je zou de klacht kunnen inbrengen dat het geloof dat niemand iets met zekerheid over God kan zeggen, meer bescheiden en minder vriendelijk is dan dat je zegt: Ik weet dat Jezus de Zoon van God is. Je zou kunnen zeggen: "De mening van een christen die zegt dat Jezus de enige Weg is, is onbescheidener en minder vriendelijk dan mijn mening dat je het niet zeker kunt weten, dus deze onbescheiden en ongemakkelijke, minder onvriendelijke mening moet je veranderen." Het is ironisch dat er ook in deze gedachte een soort bekeringszin zit: je wilt getuigende christenen bekeren zodat ze Jezus niet meer belijden als de enige Weg.

Maar er is meer onderbouwing mogelijk voor het getuigen van Jezus als de enige Weg, en het belijden dat je dat zeker weet. Als christen geloof je in Jezus als de enige Weg, de Waarheid en het Leven omdat Jezus dat zelf zegt (Joh. 14)! En we belijden dat er één God is en dat je geen andere goden tegelijk kunt dienen omdat God Zelf zegt: Je zult je geen andere goden voor Mij hebben (Ex. 20). Of denk aan de andere woorden van God: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45).

Dat geeft genoeg grond voor de eerste overtuiging, dat Jezus de enige Weg is. Maar welke onderbouwing is er voor de tweede overtuiging: Dat je dit als christen zeker weet, en geen ruimte laat voor twijfel? Zegt Jezus of God in de Bijbel ons hier ook iets over? Ja, luister maar: "Je zult Jehova, je God, liefhebben met heel je hart, heel je ziel, en heel je verstand" (Mat. 22). Liefhebben met heel je hart en ziel en verstand laat geen ruimte voor twijfel. "Maar houd het dan toch alsjeblieft voor jezelf!" zul je misschien zeggen. Dat zou kunnen als Jezus er niet op laat volgen: "Je zult je medemens liefhebben als jezelf". Als je een man op een afgrond af ziet lopen, waarschuw je hem toch en schreeuw je naar hem dat hij zo meteen inde diepte stort als hij niet stopt? Zo beleeft een christen het ook. Zo zegt Jezus het ook: "Opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat" (Joh. 3). Ja, ieder die niet in Jezus gelooft gaat verloren! Een christen moet daarbij geen beschuldigende, veroordelende houding hebben, maar gericht op redding: "God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden" (Joh. 3).

Andere woorden die over zekerheid gaan en aansporen tot getuigen:
  • "In Zijn Naam moet onder alle volken bekering en vergeving van zonden gepredikt worden" (Luk. 24)
  • Jezus noemt zelfs de verdeeldheid die het getuigenis over Hem zal oproepen (Luk. 12)
  • "Wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God" (Luk. 12)
Het belijden dat Jezus dé Weg is niet maar een detail. Het is een gevecht op leven en dood voor ieder mens die op de wereld is.

Je zegt misschien: "Maar dat is allemaal een cirkelredenering. Je baseert je mening over de zekerheid van de Bijbel op de Bijbel zelf." Dat klopt. We geloven dat Jezus echt geleefd heeft, dat de woorden van God tot ons zijn gekomen. Niet onredelijk trouwens: we geloven het met veel getuigen en niet in strijd met de bewijzen die we hebben. Maar het is inderdaad een overtuiging, een mening zo je wilt. Toch maakt dat het geloof niet ongeldig of onredelijk. Elke overtuiging is uiteindelijk gebaseerd op andere, en we proberen niemand op enkel en alleen redelijke gronden te overtuigen van het geloof in Jezus. Geloven in God is geen droge optelsom. Geloof in je Schepper en Verlosser is een levensverandering.

Dus als je een christen tegenkomt die zegt: "Ik weet het niet zo zeker, misschien zijn er wel meer goden, misschien is de God van de Bijbel hetzelfde als de hindoestaanse goden, misschien bedoelen Mohammed en Jezus hetzelfde", dan is dat geen volgeling van Jezus en hoort hij niet bij Jezus. Zo iemand is volgens Jezus op een rampzalige weg beland.

Misschien zeg je: "Wat een vreselijk geloof is dat. Zo'n overtuiging is een ramp voor de mensheid. Het zou beter nooit bestaan kunnen hebben." Maar lieve medemens, dat is precies waar de duivel je van overtuigen wil. Maar het is een overtuiging die je regelrecht de afgrond in laat lopen - onder vriendelijk gezang dat alle geloven gelijk zijn. Het is geen vriendelijke overtuiging, maar een moordende overtuiging.

Een laatste punt: het 'exclusieve' geloof in Jezus als de Weg is alleen 'exclusief' in het uitsluiten van andere geloven, maar het is niet 'exclusief' in de zin dat er mensen uitgesloten worden om tot Jezus te komen. Daarin is het juist 'inclusief': God sluit geen mensen uit, hoogstens kunnen mensen zichzelf uitsluiten door God te verwerpen. Dus 'exclusief geloof' betekent voor het christelijk geloof dat het andere geloven uitsluit, maar niet mensen uitsluit.

Laten we luisteren naar wat Jezus zegt: "Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemel is dichtbij!" (Mat. 4) En met Gods woorden door de profeten: "Wend je naar Mij toe, word behouden, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45)

donderdag 23 januari 2020

Homoseksualiteit en identiteit

Vorig jaar publiceerden enkele Nederlandse christenen het een Nederlandse versie van de Nashville-verklaring, een document over seksualiteit en seksuele geaardheid beargumenteerd uit een christelijk perspectief. Over de bewoordingen waren niet alle christenen het eens.

Opvallend vond ik dat in de verklaring geen teksten uit de bijbel genoemd werden. Hoe denkt God nu echt over homoseksualiteit en transgenderisme?
  • Bij de schepping staat er in de Bijbel dat God de vrouw maakte als "tegenover" voor de man: "Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem." (Genesis 2:18)
  • In de wetten die God tot Mozes heeft gesproken staat, naast verschillende andere seksuele zonden: "U mag niet slapen met een mannelijk persoon, zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel." (Leviticus 18:22) Het gaat hier om de woorden van God, niet van Mozes (zoals in Deuteronomium Mozes wel iets over echtscheiding zegt). De inleiding op deze seksuele wetten is veelbetekenend, een herhaling met heel veel nadruk:
    "De HEERE sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Ik ben de HEERE, uw God. U mag de gebruiken van het land Egypte, waarin u gewoond hebt, niet navolgen, en ook de gebruiken van het land Kanaän, waar Ik u naartoe breng, mag u niet navolgen. U mag niet in hun verordeningen gaan. Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God. Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE."
    Ook het slot van het hoofdstuk laat geen ruimte voor dubbele interpretatie:
    "U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen verontreinigd, zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen. Maar ú moet Mijn verordeningen en Mijn bepalingen in acht nemen. U mag geen enkele van die gruweldaden doen, de ingezetene van het land niet, en ook de vreemdeling niet die in uw midden verblijft. (...) Ik ben de HEERE, uw God."
  • Als Jezus gevraagd wordt naar Zijn mening over scheiding, zegt Hij:
    "Vanaf het begin van de schepping heeft God hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Dus, wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden." (Marcus 10:6-7)
  • Paulus, een van de apostelen van Christus, schrijft over homoseksualiteit in Rome: "Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke hartstochten, want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkaar ontbrand: mannen doen schandelijke dingen met mannen en ontvangen het gepaste loon voor hun dwaling in zichzelf." (brief aan de gemeente van Rome, hoofdstuk 1)
Kortom, God heeft de mens man en vrouw gemaakt en daar een huwelijk voor ingesteld. Na de zonde is de schepping door duisternis en pijn bedekt, ook op seksueel gebied. Een voorbeeld van deze pijn is denk ik transgenderisme. Overspel en homoseksuele relaties benoemt God als verkeerde wegen van de mens die we niet mogen inslaan.

Wat me verder opviel aan de Nashville-verklaring is dat het op z'n minst onhandig verwoord is, of misschien gewoon onjuist, op het punt van "identiteit" en "verlangens". Als je kijkt naar goede of verkeerde daden kun je iets zeggen over gevoelens, verlangens, willen en het doen zelf. Jezus heeft over Gods wet uitgelegd dat haat hetzelfde is als iemand doden, of naar een vrouw kijken in begeerte hetzelfde is als overspel. Dus het willen en het doen is dezelfde zonde. Maar valt gevoel in dezelfde categorie?

Ik denk van niet. We kunnen dit zien aan de verzoeking van Jezus in de woestijn. Na veertig dagen vasten heeft Jezus heel veel honger. De duivel zegt dan tegen Hem dat Hij, als Hij Gods Zoon is, van de stenen maar brood moet maken om te kunnen eten. Wat denk je, zou Jezus niet verlangd hebben naar brood? Voor God is het niet moeilijk om van stenen brood te maken, dus voor Jezus lag het binnen handbereik. Dus ja: gevoel en verlangens had Jezus. Zo niet, dan was de verzoeking geen verzoeking; want als je geen gevoel en verlangens hebt is het niet moeilijk om iets te weigeren. Jezus, Gods Zoon, was zonder zonde, maar vol gevoel en verlangen zoals wij.

Dus er ligt een duidelijke scheidslijn tussen "identiteit" en "gevoel" (dat zijn dingen die je bent, niet wat je doet) en "willen" en "doen" (dat zijn dingen die je beslist of waar je aan toegeeft). Het woord "verlangen" is een beetje ambigu want je kunt het voor beiden gebruiken, iets wat je bent of iets wat je doet. Homoseksueel gevoel of seksuele identiteit is dus geen zonde. Wat wel geldt is dat deze gevoelens en verlangens geen goede verlangens zijn, maar gevoelens en verlangens die pijnlijk tegen het goede ingaan en waartegen dus altijd gestreden moet worden. Het zijn begeerten die niet 'bevrucht' mogen worden, zoals de apostel Jakobus schrijft:
"Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand. Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt. Daarna, wanneer de begeerte bevrucht is, baart ze zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, baart ze de dood." (Jakobus 1)
Waar ik wel wat in meevoel in het naschrift van de Nashville-verklaring is om het niet te nadrukkelijk te hebben over "homoseksuele identiteit", alsof homoseksuele gevoelens heel je identiteit bepalen. Ze bepalen er een deel van, maar zijn niet het belangrijkste gedeelte ervan, want dat is onze verhouding tot Christus. Onze identiteit ligt in Gods Zoon, onze Verlosser, die met heel Zijn hart, heel Zijn gevoel, heel Zijn verstand en al Zijn kracht God liefhad, en Zijn naaste als Zichzelf, en ons oproept om hetzelfde te doen. Dan leven we vol vreugde.

vrijdag 6 januari 2017

Psalmen - 9 en 10

Vandaag wil ik graag bloggen over Psalm 9 en 10. Ze vormen één geheel, dat is te zien in het Hebreeuws aan de beginletters van de verzen die alfabetisch zijn. Vers 2/3 van psalm 9 beginnen met 'a', vers 4 met 'b', vers 6 met 'c', enzovoort, tot en met 't' (de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet) in psalm 10 vers 17. Ik heb de verzen gegroepeerd per letter omdat het vrij belangrijk is voor de inhoud van de psalm.

1 Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘Dood van de zoon'.

2 Ik zal de HEERE loven met heel mijn hart,
ik zal al Uw wonderen vertellen.
3 In U zal ik mij verblijden en van vreugde opspringen,
ik zal voor Uw Naam psalmen zingen, o Allerhoogste!

4 Want mijn vijanden zijn teruggedeinsd,
zij zijn gestruikeld en van voor Uw aangezicht omgekomen.
5 Want U hebt mijn recht en mijn rechtszaak behartigd,
U hebt Zich gezet op de troon, o rechtvaardige Rechter.

6 U hebt de heidenvolken bestraft, de goddeloze omgebracht,
hun naam uitgewist, voor eeuwig en altijd.


7 O vijand, zijn de verwoestingen voor altijd voltooid?
Hebt u steden weggerukt?
Hun nagedachtenis is met hen vergaan!

8 Maar de HEERE zetelt voor eeuwig,
Hij heeft Zijn troon gereedgemaakt voor het gericht.
9 Hij Zelf zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en over de volken op billijke wijze rechtspreken.
10 De HEERE is een veilige vesting voor de verdrukte,
een veilige vesting in tijden van benauwdheid.
11 Wie Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen,
omdat U, HEERE, niet hebt verlaten wie U zoeken.

12 Zing psalmen voor de HEERE, Die te Sion woont,
verkondig onder de volken Zijn daden.
13 Want Hij eist vergelding voor vergoten bloed, Hij denkt daaraan,
Hij vergeet het hulpgeroep van de ellendigen niet.

14 Wees mij genadig, HEERE,
zie mijn ellende aan, mij aangedaan door wie mij haten,
U Die mij opheft uit de poorten van de dood.
15 Dan zal ik al Uw loffelijke daden vertellen in de poorten van de dochter van Sion,
mij verheugen in Uw heil.

16 De heidenvolken zonken in het graf dat zij maakten;
hun voet raakte gevangen in het net dat zij heimelijk spanden.
17 De HEERE is bekend geworden, Hij heeft recht gedaan.
De goddeloze raakt verstrikt in het werk van zijn eigen handen.

18 De goddelozen keren terug, naar de hel [(het dodenrijk)] toe,
alle heidenvolken, die God vergeten.

19 Want de arme wordt niet voor altijd vergeten,
de hoop van de ellendigen vergaat niet voor eeuwig.
20 Sta op, HEERE, laat de sterveling zich niet sterk maken;
laat de heidenvolken voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
21 HEERE, jaag hun vrees aan;
laat de heidenvolken weten dat zíj stervelingen zijn.

(Psalm 10)
1 HEERE, waarom blijft U van verre staan?
Waarom verbergt U Zich in tijden van benauwdheid?
2 Fel en hoogmoedig achtervolgt de goddeloze de ellendige.
Laat hen gegrepen worden in de listige plannen die zij bedacht hebben!
3 Want de goddeloze beroemt zich over zijn hartenwens;
hij zegent de gierigaard, hij lastert de HEERE.
4 De goddeloze, met zijn neus trots omhoog, onderzoekt niet.
Al zijn gedachten zijn: Er is geen God!
5 Zijn wegen bezorgen te allen tijde verdriet.
Uw oordelen gaan hem te hoog, hij houdt ze ver van zich;
al zijn tegenstanders blaast hij weg.
6 Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen,
want van generatie op generatie zal mij geen onheil treffen.
7 Zijn mond is vol vervloeking, bedrog en list,
onder zijn tong is kwaad en onrecht.
8 Hij ligt in een hinderlaag in de dorpen,
op verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige,
zijn ogen loeren op de arme.
9 Hij ligt in een hinderlaag op een verborgen plaats,
zoals een leeuw in zijn schuilplaats;
hij ligt in een hinderlaag om de ellendige te overvallen,
hij overvalt de ellendige als hij hem in zijn net trekt.
10 Hij duikt neer, hij bukt zich,
en de arme valt in zijn sterke poten.
11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten,
Hij heeft Zijn aangezicht verborgen,
Hij ziet het in eeuwigheid niet.

12 Sta op, HEERE God, hef Uw hand op,
vergeet de ellendigen niet.

13 Waarom lastert de goddeloze God?
Waarom zegt hij in zijn hart: U zult geen rekenschap eisen?
14 Ú ziet het wél, want U aanschouwt de moeite en het verdriet,
opdat men het in Uw hand geeft;
op Ú verlaat de arme zich,
U bent geweest een Helper van de wees.

15 Breek de arm van de goddeloze en de kwaaddoener,
eis rekenschap van hem over zijn goddeloosheid, tot U er niets meer van vindt.

16 De HEERE is Koning, eeuwig en altijd;
de heidenvolken zijn uit Zijn land verdwenen.
17 U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord, HEERE,
U zult hun hart versterken, Uw oor zal er acht op slaan
18 om de wees en de verdrukte recht te doen.
Dan zal een aardse sterveling voortaan geen geweld meer bedrijven.

Bevreemdend:
Een van de dingen die opvalt is dat Psalm 10 begint met een heel stuk (vers 1 t/m 11) in de mineur, terwijl Psalm 9 juist heel opgetogen is. De opgetogen verzen die God roemen om Zijn recht zijn voor mij het meest bevreemdend. David lijkt zich namelijk te verblijden in de straf van anderen.

Het komt over alsof de verzen in mineur moeilijk te rijmen zijn met de opgetogen verzen. Hoe kun je nu zo blij zijn en vervolgens zo mineur verdergaan? Als je het Hebreeuws van de psalm bekijkt, zie je wel iets opvallends: bij de verzen in mineur zijn een heel aantal letters van het alfabet overgeslagen. Het is alsof David daarmee wilde laten zien dat deze verzen niet echt bij de rest van de psalm passen.

Toch staan ze erin. Ze laten iets zien van de trieste contekst van de psalm. De psalm is niet geschreven in een veilige maatschappij waarin je gerust kunt leven. Je zou kunnen zeggen: deze psalm is geschreven in een tijd van terrorisme en aanslagen, waarvan er veel dodelijk waren.

Ik schreef al dat ik het bevreemdend vind dat David zich lijkt te verblijden in de straf van anderen. Als die 'anderen' terroristen zijn, kan ik me er iets bij voorstellen dat hij zich verblijdt als hun aanslag mislukt. Dat maakt deze psalm heel actueel!

Herkenbaar:
De gijzeling in het restaurant in Bangladesh, de bomaanslagen tijdens Ramadan in Baghdad, de aanslag in Nice, de zelfmoordterroristen in Kabul, de aanslag op de kerstmarkt in Berlijn: als je Psalm 9 en 10 leest met deze aanslagen in gedachten is het alsof ze voor vandaag geschreven zijn. Eigenlijk zouden deze psalmen eens voorgelezen moeten worden ter nagedachtenis aan de slachtoffers en nabestaanden.

Profetisch:
Voor hen biedt de psalm ook een profetisch perspectief. Jehovah is voor altijd Koning (vers 16). Dat zullen we pas echt zien als Gods Koninkrijk werkelijkheid wordt. Dan zal echt gelden dat er geen geweld meer zal zijn (vers 18), en dat de wees (de nabestaande) en de verdrukte (het slachtoffer) recht gedaan zullen worden (vers 17). Dat is ook het Evangelie (de goede boodschap) van Jezus: het Koninkrijk van God is dichtbij! Door Jezus Christus, Zijn Zoon heeft God ons bekend gemaakt hoe dat Koninkrijk zal komen, en dat het geen Koninkrijk van geweld is! Daarvoor heeft Jezus geleden en is Hij opgestaan. Daarom zal Hij ook de wereld oordelen.

Uit het leven en de woorden van Jezus wordt wel duidelijk dat het kwaad niet alleen bestaat in de grofste vormen van geweld. Ook in onze daden en gedachten is veel wat Gods Koninkrijk niet zien kan. Jezus zegt het nadrukkelijk: Tenzij u opnieuw geboren wordt kunt u het Koninkrijk van God niet zien (evangelie van Johannes, 3)!

zondag 18 december 2016

Psalmen - 8

Psalm 8:
1 Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De Gittith’.
2 HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
3 Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen
hebt U een sterk fundament gelegd, omwille van Uw tegenstanders,
om de vijand en wraakzuchtige te laten ophouden.
4 Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt,
5 wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt,
en het mensenkind, dat U naar hem omziet?
6 Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
7 U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
8 schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
9 de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.
10 HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!

Bevreemdend:
De uitdrukking dat de hemel "het werk van Gods vingers" is (vers 4) moeten we natuurlijk niet letterlijk opvatten. David spreekt over God als groot kunstenaar en 'Intelligent Designer', die de hemel en de aarde heeft uitgetekend.

In deze psalm worden de engelen heel expliciet genoemd (vers 6). Uit de beschrijving van de schepping in Genesis kunnen we niet lezen hoe en wanneer God engelen schiep. Uit deze psalm lezen we dat de mens bijna zo eervol is als de engelen van God, die Hem dienen.

God "toont zijn majesteit boven de hemel" (vers 2). Voor wat dit betekent zie mijn eerdere blog 'Waar is de hemel?'. Spreken over dat God in de hemel is betekent dat God boven deze aarde verheven is en erover regeert. Maar tegelijk is God ook heel dichtbij en omringt Hij ons.

Herkenbaar:
David verwondert zich over de eer en verantwoordelijkheid die ons als mensen is gegeven. We hebben zoveel macht. We kunnen zoveel kapotmaken. Toch blijft de heerlijkheid van God zich op aarde tonen.

Kinderen en baby's vertellen zelfs Gods eer. Herkenbaar is dat inderdaad, dat een kind of baby ons met verwondering vervult. Toch is het voor ons in Nederland confronterend om dit te moeten lezen, gezien de tientallen abortussen per dag. We weten wel dat deze kindjes prachtig zijn, maar duwen dat gevoel weg. Als je bedenkt dat veel abortussen niet uit noodsituatie ontstaan maar door economische of sociale redenen, kun je het niet anders zien dan een misdaad tegen de kindjes en de Schepper.

Profetisch:
De apostel Paulus blaast deze woorden nieuw leven in door te spreken over de heerlijkheid van de gemeente van Christus (brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 2). Hij vult namelijk voor "HEERE" in "Jezus"! Hij spreekt erover dat de gemeente van Christus in die begintijd zoveel tekenen en wonderen zijn gegeven dat daaruit Gods heerlijkheid blijkt. Deze gemeente zal ook alle dingen uiteindelijk worden onderworpen (vgl. vers 7). Hij zegt ook dat dit nu nog niet zichtbaar is: Jezus is mens geworden (dus minder dan de engelen), en vernederd en gedood om ons te verlossen. Maar uiteindelijk zal Jezus door zijn lijden en dood veel kinderen tot heerlijkheid (vgl. vers 3) brengen.

Dat lijkt me een mooie boodschap om met Kerst mee te geven, wanneer we eraan terugdenken dat Jezus, Gods Zoon, op aarde is geboren. Alvast gezegende kerstdagen toegewenst!

zaterdag 21 mei 2016

Psalm 2 - Liberalisme en communisme

Vorige week schreef ik over de inhoud van Psalm 2, een lied over de koning van Sion. Vandaag wil ik wat filosofische aantekeningen erbij maken vanuit de politieke filosofie.

Allereerst een aantekening over de staatsvorm waarin in de psalm wordt uitgegaan, namelijk van de monarchie. In de tegenwoordige politieke filosofie telt die staatsvorm niet echt meer mee en hebben alternatieven als democratie, liberalisme (geen overheid, vrije markt) en communisme (verdeling van bezittingen over iedereen) de overhand. Deze overgang van centrale naar verdeelde macht is logisch als de koning onbetrouwbaar of onrechtvaardig is, wat al gauw het geval is. Over de alternatieven valt echter nog wel te twisten, want nog steeds zijn de politieke partijen verdeeld over of liberalisme werkt of de overheid bezit evenredig moet verdelen. De burgers zelf zijn blijkbaar ook niet te vertrouwen en ook niet rechtvaardig, zodat ook met democratie we niet in een perfecte wereld leven, hoewel het heel wat veiliger is dan de grillen van een alleenheerser.

In Psalm 2 is de situatie echter wel wat anders. Hier gaat het over een koning waarvan mag worden verondersteld dat die rechtvaardig en betrouwbaar is, omdat deze door God is aangesteld en gezalfd. De koningen van Sion werd gezalfd als teken dat Gods Geest deze koning de gave van bestuur zou geven, zoals meerdere keren in de Bijbel te lezen is. Alleen daarom kan er staan dat God bereid is de einden van de aarde aan deze koning van Sion in bezit te geven (vers 8). Het gaat daarentegen over de opstand van onrechtvaardige mensen tegen deze rechtvaardige koning.

Ook is het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 niet het eigen belang, zoals bij liberalisme. De filosoof Adam Smith zette in zijn boek The Wealth of Nations uiteen dat de welvaart van de naties berustte op een goede taakverdeling en ambitieuze, naar vergroting van het eigen belang strevende burgers waarin het vanzelf tot een evenwicht zou komen. Het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 is ook niet de rechten van de burger of arbeider, zoals bij het socialisme of communisme betoogd door Karl Marx en anderen.

In plaats daarvan is het uitgangspunt van de maatschappij in Psalm 2 vrees en ontzag. Ook dit gaat samen en kan alleen maar samen gaan met het ontzag voor God die deze koning van Sion leidt. Deze vrees en schrik is blijkbaar nodig om onderdanen te overtuigen voor wie de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van de koning van Sion die de wet van God houdt, niet voldoende is om zich aan deze koning te onderwerpen.
Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.

Vandaag zegt zo'n motief ons minder dan toen. Vrees voor God is niet meer vanzelfsprekend. Toch is het goed om te beseffen dat de uitgangspunten in Psalm 2 wat betreft staatsvorm en motief anders zijn met een reden, zoals al genoemd de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van deze koning van Sion door Gods wet en Gods Geest, en dat rechtvaardigheid en betrouwbaarheid juist in onze hedendaagse maatschappij nog ver te zoeken zijn. En voor een christen is Jezus Christus, Gods verhoogde Zoon, deze Koning van wie we de terugkeer mogen verwachten. Gelukkig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

vrijdag 22 mei 2015

Zecharjah - slot

In twee vorige blogs schreef ik over de eerste acht gezichten van de profeet Zecharjah. Nu als slot over de laatste drie hoofdstukken van zijn profetie, waarin een visionaire boodschap staat aan Israël. Deze boodschap tekent hoe de toekomst van Israël zou zijn in Jezus Christus. De beelden die de profetie beschrijft moeten niet letterlijk opgevat worden (wie dat doet verliest zich in vele onmogelijkheden) maar zijn beschrijvingen van het geestelijke Israël, van de Kerk van Jezus Christus. In die zin zijn ze ook opgevat en geciteerd in de Evangeliën. De beelden zijn rijk en de boodschap is ook vandaag nog actueel en spreekt ook nu tot ons.

Ik zag hoe Jeruzalem door alle volken belegerd werd, maar dat God voor haar bescherming zorgde; dat het leger van de vijanden met blindheid en paniek werd geslagen, en dat de leiders en het volk van Israël sterk was in Jehovah.

Ik zag hoe de geringste onder hen als David zou zijn, en de aanzienlijkste onder hen als engelen van God, ja als God Zelf die persoonlijk bij hen zal zijn.

Ik zag hoe alle tegenstanders van de Stad van God in die dag verdelgd zouden worden, maar hoe over allen in Israël, aanzienlijk of onaanzienlijk, de Geest van genade en van gebeden werd uitgestort. Ik zag hoe zij tot inzicht kwamen en Jehovah zouden zien, Die zij doorstoken hebben (Joh. 19:37), en daarover zullen rouwen met een grote rouw, zoals over koningen gerouwd is. En ik zag hoe in alle geslachten van Israël, ook in de geslachten van aanzien, getreurd werd door zowel mannen als vrouwen.

(13) Ik zag hoe er een bron geopend werd voor zowel de aanzienlijken als de onaanzienlijken in Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.

Ik zag hoe alle afgoden uit Israël werden uitgeroeid zodat hun naam zelfs niet meer herinnerd werd; dat ook alle valse profeten uit het land zouden verdwijnen. Ik zag hoe degenen die profeteren zouden door hun wijze vader en moeder gestraft werden en beschaamd zouden terugkeren tot hun roeping.

Ik zag hoe Jehovah het zwaard bracht over ook over de Herder en Vorst van Israël, die geslagen werd, zodat de schapen verstrooid werden; maar dat Jehovah zich over de kleinen ontfermde (Matth. 26:31). Ik zag hoe twee derde van Israël omkwam, maar hoe de overblijvende een derde gelouterd werd als zilver in het vuur en de Naam van Jehovah aanriep. Ik zag dat Jehovah hen verhoorde en tot Zijn volk rekende.

(14) Ik zag hoe Jeruzalem door alle heidenen belegerd en ingenomen werd, en hoe de helft daarvan werd uitgeroeid. De andere helft bleef echter over, en ik zag hoe Jehovah uittrok en tegen de heidenen streed. Ik zag hoe Hij op de Olijfberg stond, en hoe Hij deze in twee delen spleet, zodat er een vallei ontstond, waardoor een vluchtweg werd geopend voor de Joden in Jeruzalem en een toegangsweg voor Jehovah met al Zijn engelen. Er was maar één weg, één verlossing, één mogelijkheid ten leven.

Ik zag hoe er niet meer telkens een afwisseling van het kostbare licht van de dag was door het verstikkende duister van de nacht. Integendeel zag ik dat het continu licht zou zijn.

Ik zag levend water uit de Stad van God stromen, zowel naar waar de zon opkomt als naar waar de zon ondergaat, en dat dit water zowel ’s winters als ’s zomers bleef stromen. En Jehovah zal tot Koning over heel de aarde zijn, en niet geëerd worden als een van de vele goden maar als enige God. En ik zag hoe de Stad van God uitgebreid werd zodat velen erin konden wonen, en zag ook dat ze door velen bewoond werd; en zag hoe zij daarin beschermd zouden wonen, zonder ooit uit de Stad van God weggevoerd te worden; het zou een veilige plaats zijn.

Ik zag bij de heidenen die de Naam van God niet aannamen het volgende gebeuren. Eerst zag ik hoe de welgestelde heidenen, die bepaald niet mager waren, maar duidelijke tekenen van rijkdom vertoonden, mager werden. Daarna zag ik hoe hun ogen werden geslagen met blindheid, zodat ze hun weg moesten tasten. Vervolgens zag ik dat hun tong, waarmee ze zo goed konden spreken, met stomheid werd geslagen zodat ze niets tegen de grote Naam van God in konden brengen. Ten slotte zag ik hoe ze tegen elkaar verdeeld werden en tegen elkaar streden. Hetzelfde zag ik met al hun bezit gebeuren: het werd aangetast en vernietigd, terwijl Gods Stad steeds rijker werd in allerlei goederen.

Ik zag dat alle overige heidenen die eerst tegen de Stad van God streden, overtuigd werden van de Naam van God en kwamen om God te aanbidden, en daarin zelfs trouw bleven, terwijl bij degenen die niet kwamen om God te aanbidden, de regen ophield zodat hun land verdroogde.

Ik zag dat zelfs de snelle en krachtige paarden van de heidenen aan God gewijd werden. Ik zag dat alle heidenen naar de Stad van God zouden komen om daar de middelen van Israël te gebruiken om te offeren, en dat zij de Tempel van God nooit meer zouden vertreden in verachting maar dat het voor het Huis van God zouden erkennen.

vrijdag 15 mei 2015

Hemelvaart - Verandering van dimensies

Voor een christen, iemand die Jezus Christus als Zoon van God en Verlosser erkent, is het leven verwarrend anders. Dat wordt niet altijd zo ervaren, maar zou eigenlijk wel moeten. Op de dag van hemelvaart (gisteren 15 mei), waarin herdacht word dat Jezus bij Zijn Vader in de hemel is opgenomen na Zijn opstanding, wordt dat meest duidelijk.

Op zich is het te verwachten dat dingen anders zijn als je gelooft en erkent dat Jezus Christus de Verlosser en Zoon van God is, van God de Vader die de Schepper van heel de aarde en jezelf is. Toch is het goed om te realiseren:
  • Tijd is anders. Voor God zijn een dag als duizend jaren en duizend jaren als een dag (tweede brief van de apostel Petrus, 3:8). Elk ogenblik omvat alles. Maar ook wat wij als lange tijd rekenen is relatief ten opzichte van de eeuwige tijd van God. Daarom is de wederkomst van Christus niet over lange tijd, maar 'morgen', en kan er elk ogenblik, elke dag, met verwachting naar worden uitgezien die niet beschaamd zal worden.
  • Plaats is anders. God is elk moment dichtbij, zoals de hemel de aarde bedekt (zie ook deze eerdere blog 'Waar is de hemel?').
  • Relaties zijn anders: voor een christen is er een band met de onzichtbare (maar wel gekende) God en Vader. Maar ook met Jezus Christus hun Heer en Koning, die ze niet hebben gezien maar van Wie ze wel de daden en woorden weten. Er is ook kennis van de Geest van God die alleen gekend kan worden uit het resultaat van Zijn werk, namelijk verandering van het leven van een mens. Van daaruit is er ook een band met de medechristenen die broeders en zusters genoemd worden als handen en voeten van één lichaam van Christus.

Deze dingen komen terug in de laatste woorden van Jezus aan zijn discipelen:
"Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld." (evangelie van Mattheüs, 28, 18-20)
Amen!

donderdag 25 september 2014

Onthullingen

De vorige keer schreef ik "De profetieën in de Bijbel zijn niet allemaal meer van deze tijd". Dat geldt voor een gedeelte van de profetieën uit de Bijbel die over een ander tijdperk gaan en al zijn vervuld.

Maar wat zegt de Bijbel in profetieën over onze tijd? Voor profetieën over dit tijdperk moeten we beginnen bij de profeet Daniël. Zijn naam betekent: God is rechter, ofwel: God beslist en regeert over de wereldrijken. Dat is wat er in de profetie van Daniël beschreven wordt: het Babylonische, Perzische, Griekse en Romeinse rijk. De profeet Daniël krijgt van God verschillende gezichten van deze rijken te zien.

Zo is er een profetie in een gezicht van vier dieren. Daniël ziet achtereenvolgens een leeuw, een beer die de plaats van die leeuw inneemt als de leeuw krachteloos wordt, een luipaard en ten slotte een gruwelijk beest waarvan de soort niet genoemd wordt. De koninklijke leeuw beeldt het Babylon uit, de verscheurende beer is Perzië, het Griekenland van Alexander de Grote is de snelle luipaard, het Romeinse Rijk is het verschrikkelijk laatste dier, dat ijzeren tanden heeft waarmee het alles opeet en verbrijzelt (profetie van Daniël, hoofdstuk 7).

Een andere profetie is de droom van het beeld die koning Nebukadnezar heeft en die de profeet Daniël door Gods Geest uitlegt. Dat beeld in de droom heeft een hoofd van goud, een borst en armen van zilver, een buik en dijen van koper, schenkels van ijzer, en voeten van deels ijzer en deels leem. Het gouden hoofd is het prachtige koninkrijk van Babel, legt Daniël uit. De zilveren borst en armen zijn het minder heerlijke Perzische rijk; de buik en dijen van koper van het nog mindere Griekse rijk dat over heel de aarde zou heersen. Het ijzer is van het Romeinse rijk, dat alles vermaalt en verbreekt (profetie van Daniël, hoofdstuk 2).

Maar wat over onze tijd? Het Romeinse rijk is toch ten einde? De genoemde profetieën van Daniël eindigen beiden met het oordeel van God en het eeuwige Koninkrijk van God (2, 44; 8, 26-27). Wordt onze tijd overgeslagen?

Ik geloof van niet. In de droom van het beeld zien we dat het beeld voeten heeft die van ijzer met leem vermengd zijn. Dat gaat over ons! Wat is de uitleg ervan? Onze democratische wereld is wat de profeet Daniël er door Gods Geest over schrijft: "gedeeltelijk hard, gedeeltelijk broos" (2, 42). Kwetsbaar omdat het verdeelde naties zijn, maar hard door de politieke bondgenootschappen en allesvernietigende oorlogswapens. "Ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar zich niet aan elkaar hechten" (2, 43).

In de profetie van de dieren heeft het laatste verschrikkelijke dier met de ijzeren tanden, dat ook op het Romeinse Rijk slaat, tien hoornen. Dat symboliseert dat de macht van dat rijk verdeeld zal worden; het getal tien slaat op veelheid, een hoorn staat voor macht. Wat lezen we er verder over? Er komt een hoorn op die drie andere verdringt. Er zal dus een rijk komen dat andere verdringt, en dat rijk zal "strijden tegen de heiligen, en die overwinnen", totdat God zal komen (8, 21-22). Deze profetie voorspelt dus een nieuw wereldrijk in de trant van het Romeinse Rijk dat christenen zal onderdrukken, en dat pas door de wederkomst van Christus beëindigd zal worden. In een ander gezicht van Daniël wordt dezelfde wereldmacht genoemd als geleid door een heerser waarvan gezegd wordt dat hij grote woorden, woorden tegen God zal spreken (7, 25). Deze heerser wordt ook de antichrist genoemd omdat hij zich tegenover Christus zal presenteren als de verlosser, en de christenen zal vervolgen.

De antichrist wordt niet alleen in Daniël aangekondigd, maar ook in de tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Thessalonica (2, 4): "de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet". Maar het meest duidelijk is dit antichristelijke rijk afgeschilderd in het bijbelboek 'Openbaringen', ofwel onthullingen, aan de apostel Johannes. Hij schrijft over deze antichrist als over een beest dat uit de afgrond opkomt, dat alle volken zal verleiden. Het beest wordt vergezeld van een profeet, die voor de antichrist zal spreken. Samen zullen ze door de wederkomst van Christus worden verslagen. Lees deze synopsis van de genoemde profetieën voor een overzicht.

Wie is deze heerser? De Bijbel laat ons er niet onzeker over: het zal een westers rijk zijn (zoals gezegd, in de trant van het Romeinse rijk), waar een van de heersers zich zal verheffen boven de anderen. Het is niet verwonderlijk dat de vroegere protestantse theologen de paus van Rome als deze antichrist zagen, omdat de paus tijdens de Hervorming heel wat christenen heeft gedood om hun geloof, en zich als plaatsvervanger van God verheft. Maar op de paus waren twee tekens niet van toepassing: dat hij wonderlijke tekenen zal doen als een god, die iedereen erkent, en dat de verdrukking van zijn rijk door de komst van Christus verbroken zal worden. Maar de voorspelde antichrist zal ook door de duivel bezeten zijn en wonderlijke dingen doen waar iedereen op aarde van versteld zal staan. Het is dus niet te vergelijken met een van de oorlogen die op dit moment wordt gevoerd, omdat dat niet over westerse landen gaat, of niet om een heerser die iedereen vereert. Één ding is zeker: de wereld is er rijp voor.

Deze dingen moeten ons niet angstig maken, maar hoopvol omdat het tekenen zijn van het komende hemelse Rijk van God:
Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is. (evangelie van Lukas, 21:28)

vrijdag 22 augustus 2014

Het lied der liederen

De Bijbel bevat ook een dichterlijk boek dat in het Hebreeuws 'Het lied der liederen' ofwel het meest mooie lied wordt genoemd. De Bijbelvertalers vertaalden deze overtreffende trap van 'lied' met 'Het hooglied'. Het hooglied is een allegorie, het maakt gebruik van de vergelijking van de liefde tussen man en vrouw om de liefde tussen God en Zijn kinderen uit te drukken. Het is daarmee een heel intieme beschrijving, maar aan de andere kant, de liefde die in deze woorden is uitgedrukt kan worden gedeeld door elk Christen die Christus als zijn of haar Verlosser mag kennen.

Het is te uitgebreid om alles in het hooglied te beschrijven, we kunnen wel enkele aspecten benoemen. Het hooglied beschrijft allereerst het zoeken van God en de Messias als het zoeken van een bruid naar haar Liefste. Het beschrijft ook de rijkdom en macht van de bruidegom (God) en de armoede maar ook de schoonheid van de bruid (de gelovige) die zij bij haar man krijgt. Het beschrijft tenslotte de toekomstverwachting naar het volgende ontmoetingsmoment van de bruid met de bruidegom.

Niet alleen het beeld van bruid en bruidegom is aanwezig, ook het beeld van Koning en bezittingsloze. De schrijver is de koning Salomo zelf. Hij gebruikt het beeld van zijn koninkrijk om de heerlijkheid van het Koninkrijk van God te beschrijven. Er waren geen koningen voor Salomo die God had gezegend met zoveel rijkdom en vrede als Salomo zelf, wiens naam 'vrede' betekent.

Door het voorkomen van de naam van Salomo in het hooglied en doordat de naam van God niet expliciet genoemd wordt in hooglied zijn sommigen gaan denken dat het hier om een letterlijke liefdesgeschiedenis gaat. Dat is precies hetzelfde als de klassieke fout van iemand die nog nooit gedichten heeft gelezen en niets met poëzie heeft: de figuurlijke betekenis over het hoofd zien en zich gaan voorstellen dat het gedicht iets letterlijk beschrijft. Het is zoiets als denken dat koning David echt dacht dat God een herder was en dat hijzelf een schaap was na het lezen van psalm 23, of denken dat er met het Lam van God in de Openbaring aan Johannes echt een gestalte van een lam bedoeld wordt.

Sommige beschrijvingen uit het hooglied hebben wel toelichting nodig omdat ze wat culturele context hebben. Als wij iemands schoonheid zouden beschrijven zouden we het niet meer hebben over de mooie witte tanden waarvan er niet één ontbreekt: in onze westerse wereld is dat vrij vanzelfsprekend, als er een tand afbreekt of je tanden minder wit worden nemen we meteen een behandeling bij de tandarts... Wij hebben het niet meer over mirre en wierook maar over dure parfums. Wij zouden sowieso iemands uiterlijk en schoonheid niet zo expliciet durven omschrijven, en al helemaal niet met de vergelijkingen van het hooglied! Er worden namelijk vergelijkingen van heel de schepping van God gebruikt: dieren, planten, vruchten, gesteenten, enz. Verder, als wij het over overvloed hebben hebben we het nog wel over wijn en paleizen, goud en zilver, maar niet meer over tuinen met specerijen, hoewel we ons wel iets bij een prachtige tuin kunnen voorstellen. Een merkwaardig beeld dat ook wordt gebruikt is dat Salomo veel vrouwen had, maar waarbij de bruid 'de enige' is: een door de cultuur ontstane situatie die Jezus Christus ons beslist leert niet de bedoeling van God te zijn.

Toch is het hooglied een door de Geest van God ingegeven lied dat de liefde tussen God en de gelovige zo mooi beschrijft dat er geen mooier lied is:
Vele wateren kunnen de liefde niet uitblussen
en rivieren spoelen haar niet weg.
Al gaf iemand al het bezit van zijn huis voor de liefde,
men zou hem smadelijk verachten. (Hooglied 8:7)

zaterdag 20 juli 2013

Iedere ketter heeft zijn letter

De naam van Christus wordt misschien aangetast omdat er zoveel mensen zijn die zich 'christen' noemen die elk andere opvattingen over het leven hebben. Vandaar ook het spreekwoord: "Iedere ketter heeft zijn letter", met andere woorden: "Alle verschillende gelovigen beroepen zich op een woord uit de Bijbel". Dat roept de vraag op: wanneer ben je echt christen?

Ik zal uit de woorden van Christus proberen aan te wijzen wat noodzakelijk is om echt christen te zijn:
  1. Je moet de woorden van God niet alleen horen maar ook doen. Dat betekent: zich bekeren, en het Evangelie geloven. Als we de leefregel die God zelf heeft gegeven niet houden (namelijk God als onze Vader boven alles lief te hebben en onze medemens lief te hebben als onszelf), zal er een onbarmhartig oordeel over ons komen als we Gods wil geweten hebben maar niet gedaan.
  2. Je moet niet zelfingenomen zijn. Jezus Christus vertelt aan zijn volgelingen het verhaal van de farizeeër en de tollenaar. De farizeeër staat in de tempel en dankt God dat hij niet is zoals andere mensen, maar veel beter. De tollenaar belijdt echter zijn zonden voor God, en gaat daarom rechtvaardiger naar huis terug. We moeten niet denken dat onze goede daden de hemel verdienen, maar onze verlossing in het lijden en de opstanding van Christus zoeken.
  3. Je moet bij de kern van het Evangelie blijven en geen dingen erbij verzinnen. In de brieven van de apostelen blijkt dat er bij de eerste gemeentes die het Evangelie van Christus aannamen al heel wat mensen waren die het Evangelie naar hun eigen smaak veranderden of er dingen aan toevoegden. In de loop van de tijd zijn dat er niet minder geworden, dus wees op je hoede dat je er zelf niet een van bent.
  4. Je moet het rijk van God verwachten. Jezus Christus roept op om als het ware niet te slapen maar wakker te blijven in het verwachten van de toekomst van het rijk van God. Begeerte naar geld of andere dingen kunnen makkelijk de verwachting van het rijk van God verstoren.
  5. Je moet God niet dienen alleen uit vrees maar ook uit liefde. Christus wilde dat zijn volgelingen God hun Vader leerden noemen, zoals Christus als Zoon van God tot Zijn Vader bad. Geloven en leven zoals God het wil is leeg als de liefde ontbreekt. Er kunnen nog zoveel verschillende gaven zijn om God te dienen, als de liefde ontbreekt, ben je niets, schrijft de apostel Paulus. En hoe zouden we onze medegelovigen liefhebben als we God niet liefhebben?

Nu moet u niet denken dat ik probeer met deze voorwaarden een groep mensen te selecteren die het best bij me past. Zoals gezegd gaat het om wat Christus tot ons heeft gezegd. En het is niet zo dat deze voorwaarden alleen maar op één soort christenen toe te passen zijn. Door de genade van God en door Zijn Heilige Geest is het mogelijk om te leven met God, van welke afkomst je ook bent. Daarom alleen God de eer!

vrijdag 29 maart 2013

Goede vrijdag

Volgens de kerkelijke traditie heet deze dag 'goede vrijdag', waarop herdacht wordt dat Jezus is gestorven aan het kruis. Waarom is de dood van Jezus zo bijzonder?
  1. Omdat hij alles verdroeg. Eigenlijk laat dit de verdraagzaamheid van God zelf zien, die ons al heel ons leven verdraagt terwijl we hem niet geloven of niet gehoorzamen, en de hele wereld al zo lang verdraagt. Jezus heeft terwijl hij aan het kruis hing gezegd: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." (evangelie van Lukas, 23:34).
  2. Omdat het voor iedereen een teken is. Er werden met Jezus twee moordenaars gekruisigd. Het blijkt dat een van hen besefte hoeveel zijn leven van het leven van Jezus verschilde en geloofde dat hij meer was dan een mens. Het evangelie van Lukas vertelt dat:
    "En er was ook een opschrift boven Hem geschreven in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: DIT IS DE KONING VAN DE JODEN. En een van de misdadigers die daar hingen, lasterde Hem en zei: Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons. Maar de andere antwoordde en bestrafte hem: Vreest zelfs u God niet, nu u hetzelfde vonnis ondergaat? En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf overeenkomstig wat wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent. En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn." (evanglie van Lukas, 23:38-43)
  3. Omdat Jezus als Zoon van God voor ons blijft zorgen. Christus heeft door zijn dood overwonnen! En terwijl hij pijn leed zorgde hij voor zijn moeder en voor zijn volgeling Johannes die zijn lijden zagen. "Toen nu Jezus Zijn moeder zag en de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tegen Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tegen de discipel: Zie, uw moeder. En vanaf dat moment nam de discipel haar in zijn huis." (evangelie van Johannes, 19:26-27)
  4. Omdat het niet te begrijpen is dat Gods Zoon stierf. Hoe kan het dat God dat toeliet en wilde? Maar toch spreekt de profeet Zacharia er al over:
    "Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
    en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
    spreekt de HEERE van de legermachten.
    Sla die Herder
    en de schapen zullen overal verspreid worden.
    Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden." (profetie van Zacharia, 13:7)
    Jezus riep terwijl hij aan het kruis hing: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?" (evangelie van Mattheüs, 27:46)
  5. Omdat het lijden van Christus een overwinning was. Het lijden en de dood van Jezus was het begin van een nieuw leven door de opstanding uit de dood. Het verlangen van Christus naar dat nieuwe begin uit hij zelfs aan het kruis door symbolisch te zeggen "Ik heb dorst" (evangelie van Johannes, 19:28), terwijl hij een dag van tevoren tegen zijn volgelingen had gezegd: "Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader." (evangelie van Mattheüs, 26:29).
  6. Omdat het leven en de dood van Christus de verzoening van ieder mens met God mogelijk maakten. Christus' leven en dood kan ons met God verzoenen. Daarom riep Jezus voordat hij stierf: "Het is volbracht!" (evangelie van Johannes, 19:30) (Zie ook de brief van de apostel Paulus aan de Hebreeën, 2:9-10, 9:12.)
  7. Omdat Jezus God tot het einde van zijn leven gehoorzaam was. Jezus' laatste woorden waren: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest." (evangelie van Lukas, 23:46) (Zie ook de brief van de apostel Paulus aan de Hebreeën, 5:7-9.)

Iedereen een Goede vrijdag toegewenst!