Posts tonen met het label Evangelie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Evangelie. Alle posts tonen

dinsdag 18 mei 2021

Inspanning voor het rijk van God

Een woord van de Heere Jezus wat heel bekend is is deze:
"Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden."
Deze tekst staat in het evangelie door Mattheüs, 6.

Eigenlijk vind ik het op deze manier wat ongelukkig vertaald. Er staat namelijk "zoek eerst het Koninkrijk van God". Dat klinkt als dat het koninkrijk van God verborgen is, en je het moet zien te vinden, of dat de weg ernaartoe gevonden moet worden. Maar dat is niet wat er bedoeld wordt. In de voorgaande verzen staat het precies hetzelfde woord "zoeken" nog een keer:

"Wees daarom niet bezorgd en zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt."
Hier gaat het dus duidelijk om "moeite doen voor": als je niet op God vertrouwt, houd je je bezig met je eten, drinken en kleding. Je doet er moeite voor, bent bezorgd dat je tekort zult komen als je er niet genoeg aan denkt en niet genoeg aandacht aan besteedt. Voor een rijk land kun je gerust aan het rijtje toevoegen: je doet moeite voor je huis, je vakantie, je carrière, de financiële toekomst van je kinderen.

Maar, zegt de Heere Jezus: doe dat niet. Doe eerder moeite voor het koninkrijk van God en de gerechtigheid die daarbij hoort. Als je dat op de eerste plek hebt staan, krijg je de rest erbij gegeven. Ik denk dat de "gerechtigheid" die hier genoemd wordt terugwijst naar waar de Heere Jezus eerst over sprak:

"Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zul u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan" (Mattheüs 5:20).
Wat die gerechtigheid dan inhoudt, legt de Heere Jezus vervolgens uit aan de hand van Gods geboden. Daarbij gaat het niet alleen om niet doden, maar ook om niet haten. Niet alleen om niet echtbreken, maar ook om niet naar andere vrouwen te kijken. Niet alleen om niet je plechtige belofte te breken, maar ook om volkomen betrouwbaar te zijn in wat je zegt. Niet alleen om niet je naaste te haten, maar ook om zelfs je vijand lief te hebben. Om zo te leven is alleen mogelijk door het volgen van Jezus. Alleen door het lijden en sterven van Jezus Christus, Gods Zoon, kunnen onze zonden vergeven worden en kunnen wij Zijn voetstappen leren volgen.

Dus: Span je eerder in voor het Koninkrijk van God en de gerechtigheid die daarbij hoort, en alle andere dingen die je nodig hebt zullen erbij gegeven worden.

zondag 27 december 2015

De hel

Afgelopen weken kwam in mijn gesprekken met niet-gelovigen het onderwerp 'de hel' twee keer ter sprake. Reden dus om er bijbelstudie naar te doen en over te bloggen. Zie ook de eerdere berichten over dit onderwerp.

Het woord voor 'hel' als eeuwige bestemming in het Nieuwe Testament van de Bijbel verwijst naar het dal van Hinnom. (Er is ook een tweede woord wat soms met 'hel' vertaald wordt dat verwijst naar het 'graf' of de tijdelijke bestemming van de mens na de dood tot de dag van de opwekking van de doden door Jezus Christus.) Het dal van Hinnom was een dal buiten Jeruzalem waar men het afval ingooide en verbrandde en waarvan men dus altijd de vuren en de rook kon zien. De beelden voor de hel als eeuwige bestemming komen daar dus vandaan: het is buiten de plaats waar God is ('Jeruzalem'), de duivel en de tegenstanders van het Koninkrijk van God worden erin 'geworpen', er brandt een blijvend 'vuur' van vernietiging.

Wat zegt de Bijbel precies over de hel? Aangezien we belijden dat Jezus de Zoon van God is en Hij dus de waarheid sprak en de profeten de woorden van God hebben bekendgemaakt moet dat onze bron zijn. Het zijn geen gemakkelijke dingen:
  • Jezus spreekt over "onuitblusbaar vuur" van de hel (evangelie van Markus, 9, 43). "Vuur en zwavel" wordt het in de Openbaringen aan de apostel Johannes genoemd (bijv. 14, 10). Zwavel en teer werden gebruikt om een vuur te maken dat bleef branden en niets meer overliet. Er wordt ook van gesproken bij de vernietiging van Sodom en Gomorra door het oordeel van God (Genesis 19, 24). Je kunt niet spreken van een vuur van zuivering zoals vuur ook gebruikt kan worden om zilver te zuiveren. Het is een vernietigend vuur, geen zuiverend vuur.
  • Het is niet alleen bedoeld voor de duivel en voor mensen met uiterst slechte daden. Niet alleen de duivel en zijn engelen, maar ook degenen die de woorden van Jezus niet hebben opgevolgd zullen in de hel worden geworpen (evangelie van Mattheüs, 25, 41; Openbaringen, 14, 11). De zonde heeft catastrofale gevolgen van vijandschap tegen God, ook de 'kleinste' zonde gaat niet samen met het dienen van God.
  • De hel is eeuwig, niet tijdelijk. Jezus stelt het tegenover het eeuwige leven (evangelie van Mattheüs, 25, 46); in Openbaringen wordt gezegd dat het "in de eeuwen der eeuwen" zal branden (14, 11). In de Bijbel wordt "eeuwigheid" wel eens gebruikt voor een onafzienbare tijd, echter, de uitdrukking in Openbaringen is sterker en staat voor een meest onafzienbare tijd.
  • Het is een pijniging of kwelling, niet gewoon maar een vernietiging. Jezus spreekt van een eeuwige pijn (evangelie van Mattheüs, 25, 46) en van tekenen van wroeging (evangelie van Mattheüs, 25, 30).

Hoe kan zoiets samengaan met de boodschap van verlossing? God gaf zelfs Zijn Zoon over om gedood te worden uit liefde voor de wereld, hoe kan de hel bestaan met de onpeilbare genade van God?

God is namelijk barmhartig en wil niet het kwade, en Hij is rechtvaardig en zal niet meer straffen dan rechtvaardig is. En hoe zou God onze Schepper anders willen dan het behoud van Zijn schepping? Heel de geschiedenis door heeft God zich niet als onverzoenlijk getoond. Een voorbeeld is de oordeelsprofetie van Jona aan Ninevé: God wendde het oordeel af toen de mensen van Ninevé zich bekeerden, hoewel Jona probeerde zijn taak te ontvluchten zodat God Ninevé, de vijand van Israël, zou vernietigen (bijbelboek Jona). Een ander voorbeeld zijn de straffen over Israël: die waren niet als genoegdoening, maar bedoeld om Israël terug te brengen, en God zal zich dan ook ontfermen, zoals bijvoorbeeld in het bijbelboek Deuteronomium en in profetieën van Ezechiël te lezen is (maar ook in alle profetieën). Waar het gaat over Gods 'wraak' in de Bijbel gaat het over het herstel van recht, niet over wraakzucht en haatdragendheid (zie 'Wie is als Gij?', dr. H.G.L. Peels, 2007).

Ook is het opmerkelijk dat er in Openbaringen, als er gesproken wordt van genoegdoening aan de vijanden van de kinderen van God, gesproken wordt van een gelijke vergelding (13, 10) of dubbele vergelding (18, 6), dus niet van een 'oneindige vergelding'. Deze vergelding staat dus niet gelijk aan de eeuwige pijn. De uitoefening van de toorn van God wordt genoemd in zeven plagen die voorafgaan aan het oordeel van de hel (Openbaringen, 15). Het is dus de vraag of je de hel de toorn van God kunt noemen. De eeuwige pijn wordt een 'oordeel' (Gr. δίκη, κρίσις) genoemd, niet een 'vergelding' (Gr. ἀποδίδωμι) of 'toorn' (Gr. θυμος). De hel is dus niet een eeuwige vergelding voor wat anderen misdaan is.

Het is om deze redenen niet gek dat Origenes geloofde dat de hel tijdelijk was (een opvatting die als onbijbels werd veroordeeld). In de woorden van God in de Bijbel lezen we het echter anders, zoals hierboven aangetoond: de hel is wél eeuwig. Hoe kunnen we deze twee dingen met elkaar rijmen?

Er zijn twee mogelijkheden waar we aan kunnen denken:
  1. De zonde, overtreding tegen het goede en tegen God onze Schepper, is zó groot dat er niet anders dan een eeuwige straf tegenover kan staan.
  2. Er is geen mogelijkheid van terugkeer uit de hel. De onmogelijkheid van verzoening ligt dan niet aan de kant van God maar aan de kant van de mens.

Daarnaast kunnen we het vuur van de hel zien als dat wat er overblijft als God Zijn goedheid wegneemt. Er lijken maar twee mogelijkheden te zijn: het kwaad te vernietigen of het kwaad voort te laten bestaan. De wereld zoals we die nu kennen, blijft bestaan door Gods genade, maar gaat diep gebogen onder het oordeel van het kwaad en de verwachting van Gods Koninkrijk (brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Rome, 8, 22). Het is onmogelijk om te leven zonder Gods genade, dus hoe zou er iets verkwikkends kunnen zijn in de hel, tenzij God een nieuwe wereld vol onrecht zou scheppen?

Voor christenen wordt het ook duidelijk dat als God hun zonden niet had vergeven, zij zelf ook eeuwig van God verlaten zouden hebben moeten worden. "Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let, Heere, wie zal bestaan?" (Psalm 130)

Omdat wij mensen met een beperkt begrip zijn, is het moeilijk te beoordelen welke opvattingen er juist zijn. Het is ook niet nodig; voor mij en u geldt dat we ons moeten haasten om met God verzoend te worden! Die verzoening is mogelijk door de onuitsprekelijke genade van God:
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. (evangelie van Johannes, 3, 16-18)

woensdag 21 januari 2015

Fabel: Het medicijn

In een ver vreemd land woonde eens een dokter die het enige middel tegen een dodelijke ziekte had. Een dorp verderop werd door deze ziekte getroffen en alle bewoners werden ziek. Opmerkelijk was hoe verschillend de reactie was van de dorpsgenoten.

Sommige bewoners zagen de mensen om zich heen lijden en sterven maar ontkenden dat dat schadelijk was. Volgens hen hoorde het bij de loop van de natuur.

Anderen geloofden er niet in dat deze dokter bestond. Zij redeneerden: "Er zijn genoeg kwakzalvers door dit dorp getrokken en geen enkele kon ons genezen. Er bestaan dus geen echte dokters."

Er waren er ook die het woord over deze dokter geloofden en de reis naar hem begonnen. Echter, de weg liep een berg op en vanwege de ziekte liepen de patiënten moeizaam. Velen van hen werden daarom ook geërgerd en keerden weer terug.

Sommigen bereikten de praktijk van de dokter echter wel. Zij bestelden het middel. Echter ook onder hen waren er nog onverstandigen, als blijkt uit het volgende. Deze patiënten waren er volgens mij het ernstigst aan toe omdat zij het dichtst bij de genezing waren gekomen.

Er waren enkele patiënten die dachten dat het wonen in de woonplaats van de dokter het middel was om beter te worden. Ze dachten dus dat de atmosfeer voldoende was om te genezen. Ze hadden echter ongelijk.

Er waren enkele andere patiënten die naast het middel ook alcohol of iets anders innamen om de pijn te verlichten. Nu was het echter zo dat de voortgang van de ziekte enigszins door het middel geremd werd, maar dat werd door het alcoholgebruik weer ongedaan gemaakt. Uiteindelijk nam dan de alcoholverslaving de overhand en stierven de mensen dronken.

Er waren sommigen die wachtten op een persoonlijke uitnodiging van de dokter om het middel te komen halen, terwijl die toch boven zijn praktijk geschreven had dat iedere zieke welkom was en elke patiënt bereid was persoonlijk te ontvangen.

Er waren enkele patiënten die het als hun plicht en als een voorwaarde zagen om eerst zelf de ziekte grondig te bestuderen. Ze dachten dat de dokter hen zonder grondige kennis van de ziekte niet zou willen behandelen of dat het middel dan niet zou werken. Helaas stierven veel van deze patiënten voordat ze tijd hadden om de ziekte te kennen en bij de dokter het middel te verkrijgen.

Er waren er ook die tevreden waren het middel in huis te hebben met het handgeschreven recept van de dokter. Ze beschouwden de tekst op het recept als voldoende ter genezing en vertrouwden erop dat als ze die maar vaak genoeg bekeken en bewonderden, zij niet zouden sterven.

Nog anderen namen het middel in, maar sterk verdund. Ze vonden het vervelend of overbodig om de dokter elke keer onder ogen te komen en namen het middel dus met een grote hoeveelheid water in. Onder hen waren er ook die dachten dat dit verdunde middel gecombineerd met elke dag een uur onafgebroken sporten juist het gewenste resultaat zou opleveren.

Door dit alles kwam het dat ondanks het zeker genezende middel er niet veel patiënten genezen werden.

Deze fabel leert dat er veel hindernissen zijn voor het Evangelie.

donderdag 25 september 2014

Onthullingen

De vorige keer schreef ik "De profetieën in de Bijbel zijn niet allemaal meer van deze tijd". Dat geldt voor een gedeelte van de profetieën uit de Bijbel die over een ander tijdperk gaan en al zijn vervuld.

Maar wat zegt de Bijbel in profetieën over onze tijd? Voor profetieën over dit tijdperk moeten we beginnen bij de profeet Daniël. Zijn naam betekent: God is rechter, ofwel: God beslist en regeert over de wereldrijken. Dat is wat er in de profetie van Daniël beschreven wordt: het Babylonische, Perzische, Griekse en Romeinse rijk. De profeet Daniël krijgt van God verschillende gezichten van deze rijken te zien.

Zo is er een profetie in een gezicht van vier dieren. Daniël ziet achtereenvolgens een leeuw, een beer die de plaats van die leeuw inneemt als de leeuw krachteloos wordt, een luipaard en ten slotte een gruwelijk beest waarvan de soort niet genoemd wordt. De koninklijke leeuw beeldt het Babylon uit, de verscheurende beer is Perzië, het Griekenland van Alexander de Grote is de snelle luipaard, het Romeinse Rijk is het verschrikkelijk laatste dier, dat ijzeren tanden heeft waarmee het alles opeet en verbrijzelt (profetie van Daniël, hoofdstuk 7).

Een andere profetie is de droom van het beeld die koning Nebukadnezar heeft en die de profeet Daniël door Gods Geest uitlegt. Dat beeld in de droom heeft een hoofd van goud, een borst en armen van zilver, een buik en dijen van koper, schenkels van ijzer, en voeten van deels ijzer en deels leem. Het gouden hoofd is het prachtige koninkrijk van Babel, legt Daniël uit. De zilveren borst en armen zijn het minder heerlijke Perzische rijk; de buik en dijen van koper van het nog mindere Griekse rijk dat over heel de aarde zou heersen. Het ijzer is van het Romeinse rijk, dat alles vermaalt en verbreekt (profetie van Daniël, hoofdstuk 2).

Maar wat over onze tijd? Het Romeinse rijk is toch ten einde? De genoemde profetieën van Daniël eindigen beiden met het oordeel van God en het eeuwige Koninkrijk van God (2, 44; 8, 26-27). Wordt onze tijd overgeslagen?

Ik geloof van niet. In de droom van het beeld zien we dat het beeld voeten heeft die van ijzer met leem vermengd zijn. Dat gaat over ons! Wat is de uitleg ervan? Onze democratische wereld is wat de profeet Daniël er door Gods Geest over schrijft: "gedeeltelijk hard, gedeeltelijk broos" (2, 42). Kwetsbaar omdat het verdeelde naties zijn, maar hard door de politieke bondgenootschappen en allesvernietigende oorlogswapens. "Ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar zich niet aan elkaar hechten" (2, 43).

In de profetie van de dieren heeft het laatste verschrikkelijke dier met de ijzeren tanden, dat ook op het Romeinse Rijk slaat, tien hoornen. Dat symboliseert dat de macht van dat rijk verdeeld zal worden; het getal tien slaat op veelheid, een hoorn staat voor macht. Wat lezen we er verder over? Er komt een hoorn op die drie andere verdringt. Er zal dus een rijk komen dat andere verdringt, en dat rijk zal "strijden tegen de heiligen, en die overwinnen", totdat God zal komen (8, 21-22). Deze profetie voorspelt dus een nieuw wereldrijk in de trant van het Romeinse Rijk dat christenen zal onderdrukken, en dat pas door de wederkomst van Christus beëindigd zal worden. In een ander gezicht van Daniël wordt dezelfde wereldmacht genoemd als geleid door een heerser waarvan gezegd wordt dat hij grote woorden, woorden tegen God zal spreken (7, 25). Deze heerser wordt ook de antichrist genoemd omdat hij zich tegenover Christus zal presenteren als de verlosser, en de christenen zal vervolgen.

De antichrist wordt niet alleen in Daniël aangekondigd, maar ook in de tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Thessalonica (2, 4): "de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet". Maar het meest duidelijk is dit antichristelijke rijk afgeschilderd in het bijbelboek 'Openbaringen', ofwel onthullingen, aan de apostel Johannes. Hij schrijft over deze antichrist als over een beest dat uit de afgrond opkomt, dat alle volken zal verleiden. Het beest wordt vergezeld van een profeet, die voor de antichrist zal spreken. Samen zullen ze door de wederkomst van Christus worden verslagen. Lees deze synopsis van de genoemde profetieën voor een overzicht.

Wie is deze heerser? De Bijbel laat ons er niet onzeker over: het zal een westers rijk zijn (zoals gezegd, in de trant van het Romeinse rijk), waar een van de heersers zich zal verheffen boven de anderen. Het is niet verwonderlijk dat de vroegere protestantse theologen de paus van Rome als deze antichrist zagen, omdat de paus tijdens de Hervorming heel wat christenen heeft gedood om hun geloof, en zich als plaatsvervanger van God verheft. Maar op de paus waren twee tekens niet van toepassing: dat hij wonderlijke tekenen zal doen als een god, die iedereen erkent, en dat de verdrukking van zijn rijk door de komst van Christus verbroken zal worden. Maar de voorspelde antichrist zal ook door de duivel bezeten zijn en wonderlijke dingen doen waar iedereen op aarde van versteld zal staan. Het is dus niet te vergelijken met een van de oorlogen die op dit moment wordt gevoerd, omdat dat niet over westerse landen gaat, of niet om een heerser die iedereen vereert. Één ding is zeker: de wereld is er rijp voor.

Deze dingen moeten ons niet angstig maken, maar hoopvol omdat het tekenen zijn van het komende hemelse Rijk van God:
Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is. (evangelie van Lukas, 21:28)

donderdag 28 augustus 2014

Profetie

De profetieën in de Bijbel zijn niet allemaal meer van deze tijd. Dat bedoel ik letterlijk: een groot gedeelte van de opgeschreven profetieën zijn al uitgekomen voor het jaar 2014. Heeft het ons daarom niets meer te zeggen? Dat is wat anders! Maar op welke manier?
  • Als bewijs van de waarheid van de Bijbel? Ik zet het met een vraagteken, omdat het niet zo makkelijk is. De profetieën zijn geen koude gedetailleerde weergaven van feiten, maar waarschuwingen en aanmaningen. Soms noemen profetieën echter wel namen. Maar dan zegt de scepticus: "Deze profetie is vast geschreven of aangepast nadat het gebeurd is!" Tja. Geschreven nadat het gebeurd is? Dan moet dat iemand zijn geweest met heel wat inlevingsvermogen, als hij een waarschuwing met gevoel schrijft voor iets wat al gebeurd is. Bovendien lijkt het me dat er dan geen profeten hebben bestaan maar alleen 'profetieschrijvers', een zeer twijfelachtige bewering. Aangepast nadat het gebeurd is? Bij het overschrijven van de boekrol misschien? Dan is dat aardig perfect en opnieuw zeer creatief gedaan. Een andere tegenwerping kan zijn: "De profeten gebruikten hun eigen goede kijk op politiek om te profeteren". Daarop zou ik kunnen antwoorden: ik weet aardig wat voorbeelden van profeten die wij voor gek uitgemaakt hadden met hun voorspellingen. Bovendien, als hun profetie ook maar één keer niet uitkwam, zou het duidelijk zijn dat ze niet Gods woord uitspraken en zouden ze volgens de mozaïsche wet moeten worden gedood (Deuteronomium, 13:5). Laten we het erop houden dat het karakter van profetieën de eerlijke lezer in ieder geval kan laten twijfelen of dit niet misschien de woorden van God zelf zijn.
  • Als duiding van de geschiedenis. De profetieën laten zien dat God regeert, en soms waarom Hij handelt zoals Hij handelt.
  • Om de perversie van de zonde en van de maatschappij te laten zien. De profetieën laten zien hoe erg het met de maatschappij gesteld kan zijn als de leiders of gewoon de leden ervan tegen God overtreden. Het kan een spiegel zijn voor jezelf en voor de huidige maatschappij.
  • Om de ontferming van God te laten zien. De profetieën laten zien hoe God ons laat waarschuwen door de profeten om Hem te zoeken en ons leven te beteren, en ze laten de liefde van God zien in de troost en ontferming die er in het Evangelie is. Want de profetieën hebben ook geprofeteerd van de komst van de Messias en van de vrede van het komende Koninkrijk van God!

Het grootste deel van de profetieën die zijn opgeschreven betreft Israël, het volk dat God Zelf zijn identiteit heeft gegeven. Onder de profetieën zijn er echter ook opgeschreven die gericht waren aan de volken om Israël heen. Dat betekent dat God de waarde van profetie (bewijs van Zijn waarheid, duiding van de geschiedenis, aanwijzen van de zonde, uitspreken van ontferming) niet alleen aan Israël gaf, hoewel het Woord van God bij Israël overvloediger is geweest. Bij het bijbelonderzoek daarnaar heb ik synopses gemaakt van de profetieën gericht aan verschillende volken (ze zijn nog niet compleet, suggesties zijn welkom).

Wat is de betekenis dat God Zich vroeger vooral aan één volk, aan Israël, heeft verbonden? Het is niet zo dat God een God van een volk is, alsof Hij het ene geslacht prefereert boven het andere. Het is andersom: er is een volk dat God zelf zijn identiteit heeft gegeven, dat niet eens bestond voordat God het opzocht, nog geen land had, geen wet, geen godsdienst. Het volk Israël is een plant die God zelf geplant heeft; dat is ook waar de apostel Paulus het in zijn brief aan de gemeente in Rome mee vergelijkt (11:16). Deze plant is nu echter uitgebreid met takken uit heel de wereld, en haar natuurlijke takken zijn afgebroken omdat ze dor waren: Israël heeft grotendeels Jezus niet aangenomen als Messias. Daarom heeft God ze "onder de ongehoorzaamheid besloten" "totdat de volheid van de overige volken zal zijn bereikt" (11:25, 32), hoewel God de gelovige Israëlieten niet verstoot (zoals Hij de gelovigen uit andere volken ook nooit heeft verstoten). Op deze manier blijkt dat de ontferming van God over een volk uit genade is en niet op grond van afkomst.
"Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil." (9:18)
"Want God heeft hen allen in ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen." (11:32)

zondag 1 december 2013

Het christelijk geloof in 6 punten

Deze blog gaat over christelijke filosofie. Maar wat omvat eigenlijk het christelijk geloof? Ik zal proberen in verschillende punten een samenvatting te geven. Dat doe ik omdat je, vooral als je geen christen bent, het overzicht makkelijk verliest en alles in een beperkt perspectief kunt gaan zien.

Het christelijk geloof is:
  1. Een theorie over het ontstaan van de wereld en de menselijke conditie. De wereld is gemaakt door God, maar wij mensen hebben God verlaten waardoor we het kwaad en het lijden over onszelf hebben gebracht. Het geeft antwoord op de vraag: Waar komen we vandaan?
  2. De manier om God te kennen. Het geeft antwoord op de vraag: Is er een God? Hoe leer ik God kennen?
  3. Een ethiek. De woorden van Christus, maar ook de opgeschreven wet van God geven antwoord op de vraag: Hoe leef ik goed?
  4. Een beschrijving van hoe God zich eerder aan mensen heeft laten zien. Daarmee bedoel ik dat God zich eerder heeft verbonden aan bepaalde mensen, niet omdat ze beter waren, maar omdat God zijn genade wilde tonen: aan Abraham, Izaäk, en Israël. Het geeft antwoord op de vraag: Wie is God? Wat betekent geloven?
  5. Het evangelie van hoe we tot God kunnen komen door Christus, Gods Zoon. De woorden van Jezus en de beschrijving van zijn leven, zijn dood aan het kruis laten ons zien dat Jezus de Zoon van God is. We moeten in Jezus de Christus geloven om God te kennen. Het geeft alweer antwoord op de vraag: Wie is God? maar ook op de vraag: Hoe moet ik veranderen om God te kennen?
  6. De beschrijving van hoe degenen die God kennen uiteindelijk bij God zullen zijn en hoe deze wereld zal veranderen. Dat geeft antwoord op de vraag: Waar gaan we heen?

Zie ook mijn eerdere bericht over het credo.

donderdag 30 mei 2013

Afstand?

Vanaf het begin van dat God de wereld gemaakt heeft hebben we te maken met een bedrieger. De eerste mensen had God toestemming gegeven om overal van de vruchten van de bomen te eten, behalve van de boom in het midden van de hof van Eden. Deze bedrieger probeert Eva uit de tent te lokken door het verbod van God strenger te maken: "Is het niet zo dat God heeft verboden van alle vruchten van de bomen in deze hof te eten?" Eva trapt erin, want het is merkbaar dat ze het gebod van God als beperking gaat zien. De bedrieger zegt vervolgens: "U zult niet sterven, maar u zult zijn als God, als u van die boom eet." (bijbelboek Genesis, 3:1-5) Daarmee maakt de bedrieger eerst de afstand tot God groter door God een bedrieger te maken. Daarna maakt hij ook de afstand groter door te benadrukken dat God en de mens heel verschillend zijn en dat de mens is onderworpen aan God. Voorheen was God voor de mens als een vriend aanwezig in de hof. De bedrieger schildert God af als ver weg en afstandelijk.

Hetzelfde bedrog is nog steeds levend. Waarschijnlijk beeldt u zich in dat God ver weg is, als u in God gelooft. Waarschijnlijk gelooft u in het idee dat als er een God bestaat, die God zich niets aantrekt van wat hier gebeurt en van een totaal andere orde is dan de wereld. Waarschijnlijk gelooft u niet dat God een persoonlijke God kan zijn, en als u het gelooft, denkt u misschien dat God vooral beperkingen oplegt aan de mens.

Het thema 'afstand' komt ook terug bij de hemelvaart van Christus. Het evangelie vertelt hoe Gods Zoon, veertig dagen na zijn opstanding, van de aarde wegging naar zijn Vader. De hemel betekent trouwens niet dat God ver weg is. God is overal en dichtbij, maar God is niet persoonlijk dichtbij zoals in de hof van Eden en Christus is niet meer op aarde met zijn lichaam.

God heeft inderdaad afstand genomen van de aarde, maar is er nog steeds met zijn boodschappers. Als eerste gaf Christus aan zijn discipelen bevel om het evangelie in heel de wereld te vertellen. Ook heeft God vanaf het begin van de wereld zijn engelen naar mensen gestuurd ('angelos', 'engel', is het Griekse woord voor 'boodschapper'). Maar nog het meest is Gods Geest in deze wereld om ons te overtuigen dat God niet ver weg is. Dat herdenken christenen met Pinksteren, vijftig dagen na het lijden van Gods Zoon, Christus. Gods Zoon heeft zijn discipelen niet alleen gelaten, zoals Christus zegt (evangelie van Johannes, 14:16-18):
"Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe."

vrijdag 22 april 2011

Luisteren

Vanuit rationeel perspectief is geloof in God een geloof in iets abstracts. Maar dat is de 'God van de filosofen', niet de God van het christelijke geloof.

Geloof kan echter nog concreter en persoonlijker worden als het verweven is met een bepaalde traditie. Dat heeft George Eliot (schrijfster Mary Ann Evans) in de roman 'Silas Marner' mooi uitgedrukt (hoofdstuk 2):
"The white-washed walls; the little pews where well-known figures entered with a subued rustling, and where first one well-known voice and then another, pitched in a peculiar key of petition, uttered phrases at once occult and familiar, like the amulet worn on the heart; the pulpit where the minister delivered unquestioned doctrine, and swayed to and fro, and handled the book in a long-accustomed manner; the very pauses between the couplets of the hymn, as it was given out, and the recurrent swell of voices in song: these things had been the channel of divine influence to Marner — they were the fostering home of his religious emotions — they were Christianity and God's kingdom upon earth. A weaver who finds hard words in his hymn-book knows nothing of abstractions; as the little child knows nothing of parental love, but only knows one face and one lap towards which it stretches its arms for refuge and nurture."


Ceremonie kan beetje bij beetje zelfs de plaats innemen van inhoud. Dat is een van de dingen waarin de hervorming afstand wilde nemen van de Rooms-katholieke Kerk. Maar hoewel de protestantse kerken soms minder ceremonie bevatten, zonder ceremonie zijn ze natuurlijk niet, en de praktijk van een kerkdienst neemt altijd bepaalde gewoontes en vormen aan. Maar: zal dat voor de eenvoudige kerkganger niet de hele plaats van geloven innemen? Is er nog iets tussen abstractie en gewoonte mogelijk?

Ik heb al gesuggereerd van niet. Het christelijk geloof is persoonlijk, en dus niet abstract; maar dus ook niet simpel gewoonte en vorm. De boodschap van het christelijk geloof heeft houvast in de geschreven woorden van het Evangelie, en ook de wetten en de profeten: woorden die confronteren en pas gewoonte kunnen worden als er niet meer geluisterd wordt.

Het is de taak van de christelijke gemeente om die woorden levend te houden: om simpel en begrijpelijk te spreken, niet iets abstracts of duisters te maken van de woorden van Christus. Symboliek kunnen die woorden wel bevatten; maar de vergelijkingen in het Evangelie zijn wel van die aard dat ook eenvoudige mensen (zoals 'Silas Marner') die kunnen begrijpen. Het is zaak van iedereen om – en niet uit gewoonte of alleen abstractie – te luisteren.

Of denkt u dat de christelijke woorden zich daar niet voor lenen? Dan hebt u misschien nog nooit goed geluisterd.

zaterdag 8 januari 2011

De waarde van filosofie

Wat is christelijke filosofie? Voor mij is het (besef ik na wat filosofische reflectie) woorden zo dicht mogelijk verbinden met het Evangelie.

Filosofie redeneert over bepaalde vragen, en gebruikt daarom een bepaalde verzameling woorden (die door de eeuwen heen soms wat aangevuld, soms wat verminderd wordt) om die vragen uit te drukken en te beantwoorden. Zonder filosofie zou er een stukje van de totaliteit van de werkelijkheid die de mens beleeft ontbreken, want de woorden van de filosofie zijn niet betekenisloos. Wij voelen of beseffen iets wat die woorden proberen te zeggen.

Goed, in dit domein van woorden probeer ik waarheden uit te drukken, en dat kan door vast te stellen wat de woorden betekenen, of mee te voelen wat die woorden betekenen. Woorden zijn allereerst altijd verbonden met hun contekst. De contekst maakt ze meer of minder betekenisvol. En daarnaast, hoewel waarheid niet relatief is, is het wel relatief hoe belangrijk een waarheid is en of ze op het juiste moment en in de juiste situatie wordt uitgesproken. Want we weten dat we ook doorleven, en alle uitgedrukte woorden worden zo uiteindelijk ook gewogen in de praktijk.

En daarom worden we gedreven om in het zoeken van die waarheden te komen tot de meest betekenisvolle kern van het leven, de meest dringende woorden, die -- omdat God het wil -- ook de meest eenvoudige zijn: die van het Evangelie, waaruit een Christen leeft.

Jezus Christus zegt: "Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven" (Johannes 14:6). Door Hem, Gods Zoon, de Verlosser, is er genade van God, kennis van Wie God is, en de mogelijkheid om te leven in de verwachting van een hemels Koninkrijk.